of —s = hij behoorde tot ons regiment; —self = ons, mij, onszelf,
mijzelf; —selves = ons, onszelven, mijzelf.
Ouse (The), dhîûz; Ousel(e)y, ûzli.
Ousel, ûz’l, meerle; beflijster.
Oust, aust, uit het bezit stooten; den voet lichten; —er = uitzetting,
berooving.
Out, aut, uit, buiten, op de uitreis, bekend, publiek, ambteloos,
buiten dienst, op, verbruikt, ledig, zonder werk, ten einde, boos,
twistend, enz.; subst. afgetreden minister, partij, die niet meer aan
’t roer is; speler, die af is (meest meerv.); — verb. uitdrijven, een
uitstapje maken, uiten: He is — and away the stronger of the two =
verreweg; An — and excellent portrait = buitengewoon, uitstekend;
—-and-— = door en door, voortreffelijk, onbegrensd, aarts - -; An
—-and-— support of the government = steun door dik en dun; —-and-—er =
kraan, iets buitengewoons, een opzichtig kleedingstuk; From this — I am
a reformed man = van nu af aan; He said such things in season and — =
te pas en te onpas; I am on my way — = op weg naar Indië; We are well —
to sea now = zijn nu in (volle) zee; — there = daar ginder, in ’t
buitenland; —-at-elbows (-heels) = met gaten in; An —-at-elbow place =
vervallen; I am — of breath = buiten adem; He put me — of countenance =
bracht me van mijn stuk; —-of-date = bij zijn tijd ten achter;
—-of-door(s): —-of-door amusements = openluchtspel; — of favour = uit
de gunst; —-of-fashion = uit de mode; — of the frying-pan into the fire
= van den wal in de sloot; He died — of hand = onmiddellijk; — of
harm’s way = in veiligheid; buiten schot; He is — of his head =
krankzinnig; — of heart = moedeloos; I am — of all hope = ik heb
volstrekt geene hoop meer; I never sleep — of hours = buiten de voor
den slaap bestemde uren; — of sight, — of mind = uit het oog, uit het
hart; Since time — of mind = sedert onheugelijken tijd; I am — of money
= slecht bij kas; — of office = buiten betrekking; —-of-pocket expenses
(fees) = noodzakelijke uitgaven (voorschotten); The book is — of print
= uitverkocht; The rope was — of my reach = buiten mijn bereik; — of
sorts = onwel, brommig; You are — of temper this morning = uit uw
humeur, boos, landerig; I am — of my time = heb mijne leerjaren achter
den rug; — of trim = onordelijk, niet in den haak; That is rather
—-of-the-way = ongewoon; An —-of-the-way place = eene afgelegen plaats;
— upon that fellow! = weg met; I am — = ik heb niet meer; ik ben in de
war, boos; The jug (wine) is — = leeg (op); The murder, secret is — =
ontdekt; Then the murder was — = toen had je de poppen aan het dansen;
The time is — = om; You are completely — (of it) = ge hebt het glad
mis; That is — of it = haalt er niet bij; He came — in the eighties =
ging naar Indië tusschen 1880–1890; Hear me — = hoor mij ten einde toe;
I paid him — of your money = van jou geld; I will sit — the concert =
ik blijf zitten tot het concert uit is; With these words he ups and —s
= na die woorden vliegt hij op en de deur uit; I hardly ever get an
—ing = ik maak haast nooit een uitstapje; It was her last —ing = dat
was de laatste maal, dat zij uitging; Summer-—ings = zomer-reisjes;
—board = buiten boord; —bound = op de uitreis; —break = uitbarsting,
oproer; —burst = uitbarsting; —cast = verworpeling; —come = resultaat;
—crop = het voor den dag komen of gekomene; — verb. autkrop; —cry =
geschreeuw; —door = buitendeur; —doors = buiten(deur); —fit =
uitrusting; —fitter = leverancier van outfits; —growth = spruit,
resultaat; —house = schuur, bijgebouw; —lander = vreemdeling; adj.
—landish; —law = vogelvrij verklaarde, bandiet; — verb. vogelvrij
verklaren; —lawry; —lay = onkosten; — verb. autlei, uitbreiden,
uitgeven; —let = uitgang, uitweg, afvoerkanaal, -buis; —line = omtrek;
— verb. schetsen, ontwerpen, zich afteekenen; —look = uitkijk,
uitzicht, vooruitzicht: To be on the —look for = uitzien naar; —-parish
= buitenparochie; —-patient = uitwonend patient (van hospitalen);
—-poor = bedeelde; —-porch = portaal; —port = buitenhaven; —post =
voorpost; —put = bedrag, opbrengst, productie; —putter = producent;
—relief = bedeeling; —rider = voorrijder; —rigger = papegaaistok,
loefhouder, buitenboord aangebrachte roeiklamp; boot daarvan voorzien;
—right = open, zonder voorbehoud, dadelijk; —set = begin, aanvang;
—-settlement = buitenkolonie; —skirt = zoom, buitenste grens; —span
(ook autspan) = uitspannen, kampeeren (Z. Afr.); —spoken (ook
autspouk’n) = ronduit, oprecht; subst. —spokenness; —work = buitenwerk
(mil.); —er = buiten..; subst. —er garment; —er world; —(er)most =
uiterste, buitenste; —ness = uiterlijkheid.
Out, aut (in samenst.) drukt dikwijls uit: overtreffen in de door het
andere deel uitgedrukte handeling, b.v. —act = krachtiger handelen;
—balance = zwaarder wegen; —bid = hooger bieden, overtreffen; — brag =
overtreffen (in pochen); —brave = overtreffen (in glans of dapperheid);
—-classed = totaal verslagen; —cry = overschreeuwen; —dare =
trotseeren; —distance = achter zich laten; —do = overtreffen; —face =
brutaliseeren, trotseeren, de oogen doen neerslaan; —farm = zich
bekwamer boer toonen; —flank = overvleugelen; —fly = sneller vliegen
dan; —frown = de oogen doen neerslaan; —general = overtreffen in
veldheerschap; —-Gilfillan G. himself = zelfs in zijn soort G.
overtreffen; —go = overtreffen, te buiten gaan; —grow = sneller groeien
dan, te groot worden voor; —-Herod = in woestheid en wreedheid H.
overtreffen; —last = langer duren dan; —leap = verder springen dan;
—live = langer leven dan, overleven; —look = de oogen doen neerslaan;
—manoeuvre, autmən(j)ûvə, verschalken; — march = harder marcheeren,
vóórkomen; —number = in aantal overtreffen; —pace = voorbijstreven;
—pray = in het smeeken overtreffen; —range = verder schieten, achter
zich laten; —rank = hooger zijn in rang; —reach = verder reiken dan,
overtreffen; —reign = langer regeeren dan: His queen —reigned him by
five years; —ride = harder rijden, uitrijden (zeeterm); —roar = luider
brullen dan; —royal = den koning of het hof in pracht overtreffen; —run
= sneller loopen, ontloopen: To —run the constable = To —run one’s
income = te groot leven; —sail = harder zeilen; —scold = harder
schelden of tieren dan; —sell = meer verkoopen, of duurder verkoopen,
dan; —shine = in luister en glans overtreffen; —sleep = langer slapen
dan; —soar = hooger stijgen, overvleugelen; —speak = beter (langer)
spreken dan; —speed = in snelheid overtreffen; —stand = uitsteken
boven, uitstaan: —standing debts = uitstaande; —standing fact = in ’t
oog springend, belangrijk feit; To leave —standing = laten staan;
—stare = brutaliseeren, de oogen doen neerslaan; —stay = te lang
blijven: He —stayed his welcome = wij waren blij, dat hij wegging;
—step = overschrijden; —strip = voorbijloopen, overtreffen; —swear = in
het vloeken overtreffen; —talk = in het praten winnen van, om
verpraten: —top = uitsteken boven; —vie = overtreffen; —vote = bij
stemming winnen van, overstemmen; —walk = in het wandelen overtreffen;
—wear = langer duren dan, verslijten; —weigh = zwaarder wegen dan, te
zwaar zijn voor; —wing = in het vliegen de baas zijn; —wit =
verschalken, in slimheid overtreffen; —worth = in waarde te boven gaan.
Outrage, autreidž, gewelddaad, misdaad, vergrijp, aanranding, grove
beleediging; Outrageous = gewelddadig, afschuwelijk, overdreven; subst.
—ness.
Outram, ûtrəm.
Outside, autsaid, autsaid, subst. buitenkant, uiterlijk, plaats buiten
op (een diligence), buitenpassagier, uiterste, dekblad; adj. buitenste,
van buiten, buitenop; adv. buiten(op), aan den buitenkant, buitenboord,
behalve: Twenty guilders at the (very) — = op zijn hoogst; Four —s
(—-passengers) = vier passagiers buitenop; The — public = het
buitenstaand (fig.) publiek; —r = oningewijde, iemand die er buiten
staat, renpaard van onbekende herkomst, of dat oogenschijnlijk geen
kans heeft; iemand, die tegen den bookmaker wedt.
Outward, autwəd, adv. en adj. uitwendig, (van) buiten: To clear — = een
schip uitklaren; — angle = buitenhoek; —-bound = op de uitreis; —
passage = heenreis; — trade = uitvoerhandel; I have never been —ly a
worshipper = ben nooit een kerkganger geweest; —ness = uiterlijkheid,
objectiviteit, oppervlakkigheid; —s = buitenwaarts.
Ouzel, ûz’l, Zie Ousel.
Oval, ouv’l, ovaal, eirond; subst. ovaal: The — = een bekend
cricket-veld in Kennington (London); — compasses.
Ovarian, əvêriən, tot den eierstok behoorende, eierstok...; Ovariotomy;
Ovary = eierstok, vruchtbeginsel.
Ovate, ouvit, eivormig; —-oblong = langwerpig ovaal.
Ovation, əveiš’n, hulde, ovatie.
Oven, ɐv’n, oven, kooktoestel; —-fork = ovengaffel.
Over, ouvə, prep. en adv. over, boven, voorbij; subst. overschot; —
verb. springen over: The concert is — = uit; The flowers were — =
bloeiden niet meer; The rain is —; When school is — the children go
home; — and above what I have told you = buiten en behalve; I told him
so — and — = herhaaldelijk; — and — again = tot vervelens toe; —
against = tegenover; — there = daar ginds; I told you so ten times — =
tienmaal achter elkander; He is a gentleman all — = een volmaakt
gentleman; It is all — (up) with me = met mij gedaan; It’s well — =
goed afgeloopen; I went all — the town = ik ben overal in de stad
geweest; — the walnuts and the wine = aan het dessert; I live — the way
= hier tegenover; He is — head and ears in debt = tot over de ooren; He
fell head — ears into the water = hals over kop; The pot boils — =
kookt over; We discussed our affairs — a glass of wine = bij; I have
given — doing it = opgegeven, gestaakt; I lost it — a bet = bij een
weddenschap; Many advertisements must be kept — = tot een volgend
nummer uitgesteld; Published — my name = onder; What remains — =
overblijft; To sit — the fire = bij den haard; I will sleep — it = mij
er op beslapen; She will not stay — the week = blijft niet langer dan
een week; He took (showed) me — his picture-gallery = liet mij zien; We
talked — the matter = bepraatten de zaak; — difficult = te moeielijk;
She is not — particular = zij neemt het niet zoo nauw; — young = wat al
te jong; —abound = buitengewoon of al te overvloedig zijn, overvloed
hebben; adj. —abundant; —act = overdrijven; —alls, ouvərôlz, dunne,
waterdichte broek ter besparing van de andere bij werken of rijden;
morskiel (—jurk); —arch = overwelven, verwulven, omvatten; —awe =
ontzag inboezemen, in ontzag houden; —balance, ouvəbal’ns, subst.
overwicht, meer dan het gewicht; — verb. (ouvəbal’ns) meer wegen,
overtreffen, het evenwicht verliezen (= To — oneself); —bear =
onderdrukken, onderwerpen; —bearing = aanmatigend, heerschzuchtig, uit
de hoogte; —bid = meer bieden dan; —blow = overwaaien, uitrazen; —blown
= verwelkt: An —blown fellow = overdreven, dwaze; —board, ouvəböd,
overboord; —bold = al te stout of vrijmoedig; —brim = over (den rand)
loopen; —build = te veel bouwen: This part of the town is —built = men
heeft hier te veel gebouwd; —burden = overladen, te veel laden op; —buy
= te duur betalen, te veel koopen; —canopy = met een troonhemel
bedekken; —careful = al te zorgvuldig of sekuur; —carry = te ver rijden
(een passagier); —cast, ouvəkâst, bewolkt; verb. (ouvəkâst), te hoog
schatten; bewolken, verduisteren; overnaaien: The sky is —cast = de
hemel is bewolkt; —charge, ouvətšâdž, subst. te hooge berekening, te
groote lading, te veel betaalde vracht; — verb. (ouvətšâdž),
overdrijven, te zwaar beladen, overvragen, al te zeer vullen; —cloud =
bewolken; —coat = overjas; —come = overwinnen: He was very much —come =
zenuwachtig, aangedaan; —-credulous = al te lichtgeloovig; —crowded =
overvol van; —do = overdrijven, te gaar koken, overwerken: We are —done
with newspapers nowadays = worden overstelpt; I am —done = op, heb mij
overwèrkt; The meat is —done = al te gaar; —dose, ouvədous, al te
groote hoeveelheid of dosis; — verb. (ouvədous), een te groote dosis
geven; —draw = overdrijven, een wissel trekken voor meer geld dan het
credit is: To —draw one’s account; —drive = te ver of te snel jagen of
drijven: I am —driven = ik ben op, afgemat, heb mij overwèrkt; —due =
vervallen, te laat: The train is —due = de trein is over zijn tijd;
—due letters = te laat bestelde of bezorgde brieven; —due rates = die
al betaald hadden moesten zijn; —earnest = al te ernstig; subst.
—earnestness; To —eat oneself; —estimate = overschatten, overschatting;
—-exposure = te lange belichting (photog.); —feed = te sterk voeden,
volstoppen; —flow, ouvəflou, subst. overstrooming, groote overvloed; —
verb. (ouvəflou) overvloeien, overstroomen; —flowing = overstrooming;
—-fond, ouvəfond, al te teeder, dol; —freight, ouvəfreit, overvracht;
—-freight = overladen; —full = al te vol; —-greedy = al te gulzig;
—grow = met plantengroei bedekken, te groot worden; —grown = uit de
kracht gegroeid, lang opgeschoten, hooggaand; —growth, ouvəgrouth, te
weelderige groei, overvloed; —hand, bovenhandsch; —hang = overhangen,
hangen over, bedreigen; —haul, ouvəhôl, subst. streng onderzoek of
examen, inspectie, herstelling; — verb. (ouvəhôl), streng onderzoeken
of inspecteeren, winnen op, herstellen, nazoeken, opzoeken: We —hauled
the steamer = wij haalden in; —head = boven, boven het hoofd: —head
(ouvəhed) conductor, wires = bovengrondsche geleiding; —hear =
toevallig hooren, afluisteren; —hours = óveruren; —-indulge = al te
veel toegeven aan: She —-indulged her children; —-issue, ouvərišû, te
veel in omloop brengen (van bankbiljetten, enz.); subst. ouvərišû;
—joy, = verrukking; He was —joyed, (ouvədžôid) to find me = verrukt dat
hij mij vond; —-labour = met te veel werk plagen, al te “peuterig”
uitvoeren; —land, ouvəland, overlánd: The —land mail; adv. ouvəland;
—lap = overdekken, gedeeltelijk bedekken: History and geography —lap
here and there = geschiedenis en aardrijkskunde raken elkaar hier en
daar; Their lives —lap in the last years of our century = hunne levens
vallen gelijktijdig; —-lavish = al te kwistig; —lay, ouvəlei, subst.
stuk bedekkend papier, bekleeding; — verb. (ouvəlei), bedekken, drukken
op, liggen op, doodliggen: Your performance was —laid by his = werd in
de schaduw gesteld; Such books do not preserve, but —lay the old-world
stories = zij verknoeien ze; —leaf = op de andere zijde van het blad;
—leap = springen over, overtreffen, overslaan: You —leapt yourself =
gij hebt te ver of te hoog gesprongen; —lie = liggen op, doen stikken;
—live = overléven, te boven komen; —liver; —load = te zwaar beladen;
—look = overzien, het opzicht houden over, over het hoofd of door de
vingers zien: My room —looks the Thames = ziet uit op; —looker,
opzichter, opziener; —manned = met te groote equipage; —mantel =
étagère-spiegel; —masted = met te hooge of zware masten; —master =
vermeesteren, overwinnen; —match = de meerdere zijn, overtreffen,
overwinnen; —measure = toegift (bij wegen of meten); —much = te veel;
—night, ouvənait, den nacht (avond) te voren, van den laatsten nacht of
avond; adv. —night, ouvənait, gedurende den nacht, den laatsten nacht,
gisterenavond; —pay = te veel betalen; —peer = uitsteken boven; —pitch
= te ver gooien, overdrijven; —plus, ouvəplɐs, overschot, overmaat;
—power = overstelpen, overweldigen; —pressure, al te zware druk;
—-produce = te veel produceeren; —-production = overproductie; —proof =
boven de normale sterkte; sterke brandewijn; —rake = overheen harken;
spoelen over; —rate = overschatten; —reach = verder reiken dan, de
achterpooten te veel vooruitslaan (van paarden), het evenwicht
verliezen; beetnemen, bedriegen, de baas worden; —ride = vermoeien of
afmatten (door rijden), zich niet storen aan, ter zijde zetten: To
—ride one’s commission = zijne ambstbevoegdheid te buiten gaan;
—ripe(n) = al te rijp (worden); —roast = te sterk braden; —rule =
beheerschen, overheerschen, verwerpen, overstémmen: He was —d = bleef
in de minderheid; —ruling = oppermachtig, alles beheerschend; —run =
overloopen, verspreiden over, invallen doen en teisteren, onderdrukken,
uit elkaar loopen (bij het drukken), overstroomen, voorbijrijden (van
het perron): We are —run with mice = ’t leeft bij ons van muizen; —sea,
ouvəsî, vreemd, van over de zee; —seas edition = editie van een courant
voor de koloniën bestemd; —see. Zie —look; —seer, ouvəsîə, inspecteur,
opzichter, armvoogd: —seer of the line (— of the poor); —seership;
—sell = meer verkoopen dan men kan leveren: An oversold market = eene
markt, waar zooveel effecten verhandeld zijn, dat zij niet geleverd
kunnen worden; —set, ouvəset, subst. omverwerping: An article standing
in the —set = koopwaar of artikel, dat over is; — verb. (ouvəset),
omslaan, onderstboven werpen; —shadow = overschaduwen, beschutten;
—shoe = overschoen; —shoot = over het doel heenschieten: I have —shot
myself = mijn neus voorbijgepraat, te veel gezegd of beweerd; An
overshot wheel = waterrad, in beweging gebracht door het er overheen
stroomende water; —shotted = al te zwaar geladen (van vuurwapens),
overdreven (uitdrukking); —side, adv. ouvəsaid, adj. ouvəsaid, over de
zijde, over de verschansing; —sight = opzicht, toezicht, vergissing;
—slaugh, ouvəslô, ontslaan; passeeren bij bevordering; subst. ouvəslô,
ontslag; zandbank (Amer.); —sleep = te lang slapen: I have overslept
myself = ik heb mij verslapen; —sman, ouvəzman, opzichter;
scheidsrechter (Schotl.); —spread = bedekken, verspreiden of
uitgespreid zijn; —state = overdrijven, te veel bewijzen: To —state
one’s case = te veel willen beweren; subst. —statement; —stay = langer
blijven dan: To —stay one’s time; —step = te buiten gaan, overtréden;
—stock, ouvəstok, subst. al te groote voorraad; — verb. ouvəstok al te
zeer vullen, overvoeren: Being —-stocked with copy, we can find no room
for your article = daar we een overvloed van copie hebben; —strain =
zich al te zeer inspannen, te veel vergen van, zich verrekken (= To —
oneself): An —strained nervous system = overspannen zenuwgestel;
—strung = kruissnarig; —subscribe = voor een te groot bedrag
inschrijven; —take = inhalen, verrassen, overvallen; —task = met werk
overladen: I am sorely —tasked = ik heb het veel te druk; —tax = te
zwaar belasten, overschatten; —throw, ouvəthrou, subst. nederlaag,
ondergang, omverwerping: To give the —; — verb. (ouvəthrou)
omverwerpen, onderstboven gooien, veroveren; —thwart, koppig, dwars:
—thwart, ouvəthwöt, and endlong = in de dwarste en de lengte; —time =
overuren: To do (make, work) —time; —tone = boventoon (muz.); —top = te
boven gaan, overtreffen, uitsteken boven; —turn, ouvətɐ̂n, omkeering,
omverwerping; — verb. ouvətɐ̂n, omverwerpen, omgooien; —weening, subst.
groote verwaandheid; adj. aanmatigend, verwaand; —weight = overmacht,
over(ge)wicht; —whelm = verpletteren, overstelpen; —work, ouvəwɐ̂k,
subst. óverwerk; — verb. (ouvəwɐ̂k) al te veel werken, (doen)
overwérken, uitputten; —worn, uitgeput, afgemat, afgezaagd; —wrought =
overspannen.
Overt, ouvət, open(lijk), met uitgespreide vleugels (herald.); —ly.
Overture, ouvətjə, subst. voorstel, aanbod, ouverture (muz.); — verb.
aanbiedingen doen: The —s to intimacy should always come from the
higher to the lower = de aanbiedingen van vriendschap; It was difficult
to refuse her —s, she was so kind and hospitable = aanbiedingen,
uitnoodigingen.
Ovid, ovid, Ovidius; Ovidian, əvidiən; Ovidius, əvidiəs.
Oviduct, ouvidɐkt, eileider; Oviform, eivormig.
Ovine, ouv(a)in, schaapachtig, schaap ...; subst. schaap.
Oviparous, əvipərɐs, eierleggend; Oviposit, ouvipozit, eieren leggen;
—ion, ouvipəziš’n, het eieren leggen, vooral door middel van de
legboor; Ovisac = eierzak; Ovoid = eivormig; Ovulite, ouvjulait,
fossiel ei; Ovum = ei.
Owe, ou, schuldig zijn, moeten betalen, verschuldigd zijn, te danken
hebben: To — a person a grudge (a spite) = wrok koesteren tegen; Money
was owing to him = men was hem schuldig; To have money owing = gelden
hebben uitstaan; It was still —d to her = het kwam haar nog toe; Owing
to = tengevolge: It is all — to your negligence = ’t komt al door uwe
onachtzaamheid.
Owl, aul, uil; — verb. smokkelen: As drunk as an owl = zoo dronken als
eene snip; —ery = uilennest; uilachtige hoedanigheden; —et = uiltje,
ook = —-moth; —ish = als een uil, dom.
Own, oun, adj. eigen; — verb. bezitten: Every one for his — = ieder
voor zich; He has a house of his — = een eigen huis; A dear little
clock of my very — = heelemaal van mij alleen; To have a reason of
one’s — = eene bijzondere reden hebben; To hold one’s — (with) = zijn
recht handhaven, stand houden: Of one’s — accord (motion) = uit eigen
beweging; He did it on his — hook, account = op eigen houtje,
verantwoording; Name your — day = bepaal zelf den dag; To be one’s —
master = zijn eigen baas zijn; He does not know his — mind = weet zelf
niet wat hij wil; To be — niece to = een volle nicht zijn van; He will
have it all his — way = geheel zooals hij het wenscht; —er = eigenaar;
—erless = onbeheerd; —ership = eigendom(srecht).
Own, oun, erkennen, toegeven, zijn hart uitstorten: To — to a fault =
bekennen; It must be —ed that = erkend worden; I — to your reproach =
ik erken dat uw verwijt verdiend is: I — to much less affection for him
than for his brother = ik erken, dat ik zijn broer veel liever mag dan
hem; — up like a man! = beken, biecht op; Why don’t you — up about him?
= waarom ontken je niet je ongelijk jegens hem?
Ox, oks, (Meerv. —en, oks’n), os: —-bow = ossenjuk; bocht van eene
rivier (Amer.); —-eye = bijmees; blauwmeesje; runderoog (plant); —-eyed
= met groote oogen; —-fly = koeienhorzel; —-heart = soort groote kers;
—-hide = runderhuid; —lip = hoogstengelige sleutelbloem; —-stall =
ossenstal; —-tail = ossestaart: —-tail soup; —-team = span ossen.
Oxalic, oksalik: — acid = oxaalzuur.
Oxford, oksfəd.
Oxidation, oksideiš’n, oxydatie; Oxide, oks(a)id, oxyde; Oxidizable =
oxydeerbaar; Oxidize = oxydeeren.
Oxonian, oksounj’n, student, gepromoveerde van de universiteit te
Oxford; knoopschoen; ook adj.
Oxygen, oksidžen, zuurstof; bleekpoeder; —ate, oksidžəneit,
oksidženeit, met zuurstof verbinden; subst. Oxygenation; Oxygenizable =
oxydeerbaar; Oxygenize, oksidžənaiz, oksidžənaiz, oxydeeren.
Oxyhydrogen, oksihaidrədžen, knalgas.
Oxytone, oksitoun, met den klem op de laatste lettergreep.
Oyer, oujə, ôiə, verhoor.
Oyes, Oyez, oujes, oujez, hoort! Met dit woord, driemaal herhaald,
worden de openbare afkondigingen begonnen, en zittingen geopend;
proclamatie, omroeper.
Oyster, ôistə, oester: —-bed = oesterbed; —-culture = oesterkultuur;
—-ground (= —-bed); —-knife; —man; —-patty = oesterpasteitje; —-shell =
schelp; — verb. afzonderen, verbannen: He —-shelled himself quite out
of humanity’s reach = zonderde zich geheel af van de menschen; —-wife
(—-woman).
Ozone, ouzoun, əzoun, ozon; Ozonize = in ozon omzetten, met ozon
vervullen; Ozonizer = apparaat hiervoor.
P.