Go, gou, gaan, loopen, zich begeven, trekken, reizen, varen, vloeien,

in gang zijn, in omloop zijn, beschouwd worden als, leiden tot, zich

uitstrekken tot, zich bevinden, gelukken, van plan zijn, op het punt

zijn, zijn toevlucht nemen tot, handelen, zich schikken, verkocht

worden, waard zijn, voorhanden zijn, verloopen, ten einde loopen, enz.;

subst. gang, omstandigheid, zaak, mode, vuur, moed, poging, rondje,

dronk, glas, enz.: Goes of whisky = rondjes; I had a second — = werd

voor de tweede maal bediend; We had a — at the sherry = dronken eens; I

had a — at it = probeerde het eens; He has plenty of — in him = veel

energie, “fut”; Here’s a jolly — = dit is een mooie boel; That is no —

= dat is mis, gaat niet, geeft niets; That is the extreme of no-—ism =

dat kan heelemaal niet; Such hats are all the — now = draagt nu

iedereen, zijn erg algemeen; I have given him the —-by = hem gedaan

gegeven, hem afgedankt; We gave the fortress the —-by = lieten liggen,

trokken haar voorbij; He was our —-between = hij was onze bemiddelaar;

Great — = het examen voor den B.A. graad (na 3 jar. studie); Little —

(= Responsions, Smalls) = een vóórexamen (na 2 jar. studie); The book

will — = zal bijval vinden, “gaan”; She went that fatal voyage =

ondernam; Pay as you — = betaal wat ge noodig hebt; She let herself —

after marriage = toonde haar waren aard; I made my money — as far as I

could = besteedde zoo nuttig mogelijk; It is rather fair, as things — =

het is naar omstandigheden nogal gunstig; She is a good child as

children — = vergelijkenderwijs is ze een goed kind; I am gone =

verloren, “er bij”; Far gone in liquor = erg dronken; Be gone = maak,

dat je weg komt, ruk uit; He is gone = weg; Get you gone = ruk uit; —

about your business = maak dat je weg komt; We have —ne about a long

way = een heel eind omgeloopen; Everything goes against me = alles

loopt mij tegen; It goes against the stomach (grain) with me (against

my st., gr.) = stuit mij tegen de borst; — along with you = och loop;

You will understand it as you — along = als gij maar volgt, voortgaat;

I have gone between them = ben als bemiddelaar tusschen hen opgetreden;

You have gone beyond me = mij bedrogen, mij overtroffen; You went by me

= zijt mij voorbijgegaan, hebt mij genegeerd; I — by my own feelings =

volg; The ship has gone down = is vergaan; The manoeuvre which in the

language of the prize-ring is known as —ing down to avoid punishment =

de manœuvre, die in sporttaal bekend staat als op de knieën vallen om

de slagen te ontduiken; That won’t — down with us = dat wil er bij ons

niet in, gaat bij ons niet op, dat slikken wij niet; He went down with

the public = viel in den smaak bij; The bread has gone down (gone up) =

het brood is afgeslagen (opgeslagen); Such things — for nothing with me

= tellen bij mij niet; I’ll — for him for slander = zal hem wegens

laster aanklagen; We went forth at 12 = wij vertrokken om 12 uur; To —

in = binnengaan, er op los gaan, binnenkomen, aanheffen, smaak vinden

in, weer aan ’t werk gaan, aanpakken, beginnen met, opgaan voor (een

examen), veel werk maken van; I must — in for a new coat = ik moet aan

eene nieuwe jas gelooven; I will — in for it = ik zal er aan meedoen;

He went in for a quiet country-place = hij vestigde zich in (nam); This

door goes into the garden = komt op den tuin uit; The merchant went

into the Gazette = ging failliet; To — into particulars = in

bijzonderheden afdalen; We did not — into those matters = roerden niet

aan; To — off one’s head = verliezen; To — off the rails =

derailleeren; He has gone off = hij is heengegaan, gestorven; Things

went off at high prices = de artikelen werden voor hoogen prijs

opgekocht; It has gone off very well = het is heel goed gegaan; She is

—ing off (in her looks) = zij wordt er niet mooier op; The gun went off

= geweer ging af; He succeeded at his first —-off = eerste poging,

eersten slag; He went on = ging door, voort, “ging aan”, trad op

(tooneel); Gone on a girl = verliefd op; Comparisons never — on all

fours = vergelijkingen gaan altijd mank; She is —ing on for middle-age

= komt al op middelb. leeftijd; Ministers have gone out of office =

hebben hunne portefeuilles neergelegd; With her something seems to have

gone out from my life = door haar (vertrek, etc.) schijnt er iets aan

mijn leven te ontbreken; Her thoughts went out to tea (to him) = hare

zinnen zetten zich op thee (op hem); To — over = gaan over, dóórloopen,

bezichtigen, overgaan (kathol. worden); We have gone over this book

together = dit boek doorgewerkt, nagegaan; To be gone over a thing =

zich ergens heel druk over maken; We went through the accounts =

rekenden af; We have gone through much suffering = veel leeds geleden;

Now that you have begun you must — through with it = moet gij het ook

doorzetten; — to = och loop! begin! ga door; He went to law = ging

procedeeren; Two things — to this = twee zaken zijn hiervoor noodig; He

goes under that title = is bekend onder; We will not — upon such

principles = niet volgens die beginselen handelen; What went with her

is not known = wat met haar gebeurde; This colour does not — with her

bonnet = past niet bij haar hoed; You will have to — without your

dinner to-day = het zonder middageten moeten stellen; To — abroad =

naar het buitenland gaan; To — ahead = vooruit gaan; To — aloft = naar

boven (in het tuig) gaan; To — astray = verdwalen, zondigen, den

verkeerden weg opgaan; To — bad = bederven; That does not — far enough

= is niet toereikend; To — the whole figure (the whole hog) =

consequent doorzetten, volhouden; To — halves = voor de helft staan; It

will — hard with you = je zult het hard te verduren hebben: het zal je

veel moeite kosten; — it, old boy = raak hem, toe maar; They have been

—ing it = zij zijn er van door geweest; I will not — that length =

zoover ga ik niet; He went greater lengths than any of you = hij ging

verder, durfde meer; To — mad (crazy, white) = gek; —ing strong? = gaat

het goed; —-between = tusschenpersoon, bemiddelaar; —-by: To give the

—-by = uitsnijden; ignoreeren; negeeren; The child is taught to walk by

means of a —-cart = loopwagentje (raamwerk zonder bodem op rolletjes);

—-down = pakhuis, stapelplaats; —er: This watch is a good —er = loopt

goed; All comers and —ers = de gaande en komende man; Going = gaande,

aan den gang, goed loopend, voorhanden, in de mode; gang, weggaan: All

the mothers — = alle bestaande moeders; —, —, gone! = eenmaal,

andermaal, ten derden male! —-away dress = reistoilet van de bruid; —s

= handelingen, levenswandel; —s-on: You never saw such —s-on = zoo iets

heb je nooit gezien; To be — = op ’t punt staan; I’m not — to tell him

= ik zal wel oppassen; It is — on for twelve = het loopt tegen; To keep

— = aan den gang houden; To set — = aan den gang brengen; Gone, gon,

gôn, part, perf. van to go: It is six — = over zes; He is a — man, A —

beaver, coon, gander, goose, It’s a — case (goose) with him = ’t staat

er hopeloos met hem voor, hij is er bij; —ness = gevoel van zwakheid of

gedruktheid (Amer.).

Goad, goud, subst. prikkel (van ossendrijvers); — verb. prikkelen,

aanzetten, tot prikkel dienen: He was —ed into savageness = hij werd

geprikkeld tot hij een woesteling geleek; —sman, —ster = ossendrijver.

Goal, goul, begin- of eindpaal, doel, einde: To get a — = een goal

maken.

Goat, gout, geit; —-foot = bokspoot, satyr; —-herd = geitenhoeder; —’s

beard = moerasspiraea; —’s marjoram = marjolein; —-carriage =

bokkewagen; —skin, subst. en adj. geitenvel, geitenleder; —-sucker =

nachtzwaluw, geitenmelker; —ee, goutî, sik; —ish = bok- of geitachtig,

vuil riekend, ontuchtig.

Gob, gob, mond(vol), beet, portie; Gobbet, gobət, subst. mondvol, brok,

stuk; — verb. met groote slokken of brokken verzwelgen.

Gobbing, gobiŋ, kolen- en steengruis.

Gobble, gob’l, subst. geklok; — verb. gulzig slikken, klokken, kakelen:

Such excellent housekeepers are eagerly —d up by bachelors = worden

dadelijk ingepikt door; —r = gulzigaard, smulpaap, kalkoen.

Gobelin, gobəlin, gobelin; ook adj.

Goblet, goblət, drinkbeker.

Goblin, goblin, kabouter, spook, booze fee.

God, god, God: Come from — knew where; So help me —! (eedsformulier);

Would to — = God gave! The —s = (de lui van) het “schellinkje” (in een

schouwburg); —child = petekind; —daughter = peetdochter; —father,

subst. peetvader, peetoom; — verb. als peetvader optreden; —-fearing =

godvreezend, godsdienstig; In this —-forgotten place; —head, —hood =

Godheid, goddelijkheid; —-man = Godmensch; —mother = petemoei; —send =

meevallertje, geluk; —son = peetzoon; —’s-acre = godsakker,

begraafplaats; —-speed: To bid —-speed = goede reis wenschen; —wit =

griet; —dess = godin; —less = goddeloos; subst. —lessness; —like =

goddelijk, vroom; subst. —likeness; —ly = godvruchtig, vroom: The —ly =

het volk Gods (naam van de parlementsgezinden in den Eng. burgeroorlog

van 1629–1640).

Godfrey, godfri, Godfried, Govert; Godiva, gədaivə, Godiva.

Goee-goee, gouî-gouî, luiaard, stumper.

Goffer, gofə. Zie Gauffer; Goffering, gofəriŋ, geplooid kantwerk.

Goggle, gog’l, met de oogen rollen, staren; adj. starend, uitpuilend;

subst. bril (tegen stof, scherp licht of scheel zien), oogkleppen (v.

paarden); —-eye(d) = (met) uitpuilende oogen; gebrild; —-eyed

spectacles = met groote, bolle glazen.

Goglet, goglət, (aarden) koelkan.

Goitre, (Amer.) Goiter, gôitə, kropgezwel; adj. Goitrous.

Golconda, golkondə, goudmijn, geldwinning.

Gold, gould, goud, rijkdom; hart van de schijf bij boogschieten; adj.

gouden: These words hit the — with precision = slaan den spijker juist

op den kop; —-beater = goudpletter, goudbladmaker; —-beater’s-skin =

goudvlies; —-bound = in goud gezet of gevat; —-cloth = goudlaken;

—-digging = het graven naar goud; —-dust = stofgoud; —-fever = manie

voor goudzoeken; —-field = gouddistrict, goudveld; —-finch = goudvink

(ook fig.); —-fish = goudkarper; —-foil = bladgoud; —-flower =

vleugelnoot; —-hammer = geelgors; —-lace = goudgalon; —-leaf =

bladgoud; —-smith(ry) = goudsmid(swerk); —-stick = hofceremoniemeester

(met gouden staf) in Engeland; —-thread = gouddraad (om zijde

gewikkeld); —-washer = goudwasscher; —-wire = gouddraad; —en =

goudachtig, op goud gelijkend, goudkleurig, van goud, schitterend, van

groote waarde, gelukkig; —en age = gouden eeuw; —en cup = boterbloem;

—en eagle = steenarend; —en fleece = gulden vlies; —en-mouthed =

welsprekend; —en-number = guldengetal; —en-rule = gulden regel, regel

van drieën; —en-tressed = met goudgele lokken; —ing = goudrenet; —ney =

goudvischje; —y = goudvink; —ylocks, gouldiloks, gulden boterbloem;

huidvaren, haarmos, etc.

Golf, go(l)f, een soort van kolfspel; — verb. ’golf’ spelen; —-club =

kolf, golfclub; —-link = golfbaan.

Golgotha, golgətha, Golgotha, martelplaats.

Goliath, gəlaiəth, Goliath: — beetle = groote kever (in de Tropen).

Golly, goli, gossie: —, how they shrieked = gossie, wat schreeuwden ze!

Gollywog, goliwog, een potsierlijk opgekleede pop, met opengespalkte

oogen, een haarbos en vaak een zwart gezicht.

Goloe-shoe, gəloušû, (elastieken) overschoen = Golosh(e).

Gombeen, gombîn, Iersch woekeraar.

Gomuti, Gomuto, gəmûti, gəmûtou, arengpalm; de zwarte vezels daarvan.

Gondola, gondələ, gondel, platboomde vrachtboot; perronwagen (Amer.);

Gondolier, gondəlîə, gondelier.

Goneril, gonəril.

Gonfalon, gonfəlon, Gonfanon = lansvaantje; kerkbanier.

Gong, goŋ, gong (een tambourijnvormig metalen instrument waarop met een

omwoelden stok wordt geslagen, en dat in vele Engelsche huizen in

plaats van de etensbel wordt gebruikt); heimelijk gemak; —-punch. Zie

Bell-punch (Amerik.).

Goniometer, gouniomətə, goniometer; Goniometry, gouniomətri,

goniometrie.

Good, gud, goed, zoet, geschikt, vroom, aanzienlijk, juist, getrouw;

subst. het goed(e), voordeel, welzijn, genot, nut, goede hoedanigheden:

It’s no — = geeft niet(s); What’s the — of it = waartoe dient het? For

the — of the house = ten voordeele van den landheer; For — (and all) =

voor goed, volkomen; —s = goederen, waren, materiaal: —s and chattels =

have en goed; —s shed = goederenloods; —s train = goederentrein;

Ill-gotten —s seldom prosper = kwalijk verkregen goed gedijt niet; Five

shillings to the — = tegoed, credit, vooruit; He has behaved as — as

gold = is erg zoet geweest; She gave her as — as she got = betaalde

haar met gelijke munt; He is as — as his word = hij vervult trouw wat

hij belooft; His fortune is as — as made = vrij wel; —! = dat is goed,

mooi zoo! That is —! = dat is ook mooi! That is a — one! = een goeie

grap, wat moois! A — deal, A — many = zeer vele; A — ten miles, A — two

months = ruim, een goeie; In — sooth = in waarheid; In — time = tijdig,

in gunstige omstandigheden; On (from) — authority = uit goede bron;

Well and — = alles goed en wel; Not — for much = niet veel waard; That

is —-for-nothing = dat is nietswaardig; A —-for-nothing (fellow) =

nietswaardige (kerel); He has made — his name = zijn naam eer

aangedaan; To make — damages, a loss = vergoeden; He has seen (thought)

— to do it = het heeft hem goed gedacht (behaagd); He (It) stands — =

is soliede; — behaviour: He was released on his — behaviour = hij werd

ontslagen (uit de gevangenis) onder de verplichting, dat hij zich goed

zou houden; — breeding = hoffelijkheid, wellevendheid; —-conditioned =

in goeden staat zijnde; —-day = goeden dag (bij komen of heengaan);

—-bye = goeden dag (bij heengaan voor geruimen tijd): I will not say

—-bye yet = ik zie je nog wel; —-evening = goeden avond; —-faced = met

gunstig uiterlijk; —-fellow = gezellige, goedaardige kerel;

—-fellowship = kameraadschap; —-folk(s) = feeën; — Friday = Goede

Vrijdag; —-graces = gunst; —-humour = opgeruimde aard; — lack =

Hemeltjelief! (verbazing); —-looking = knap; —-manners = beschaving;

—man = vriendje, huisbaas, echtgenoot, de Duivel; —-morning, —-morrow =

goeden morgen; —-nature = goedaardigheid; —-natured = goedaardig; —ness

= goedheid: —ness knows = de Hemel weet; I hope to —ness you will not

do it = ik hoop waarachtig; —-night = goeden nacht; serenade; — now =

Beware me! (verbazing); — sense = gezond verstand; A —-sized box = vrij

groote; — speed = succes! —-tempered = goedgehumeurd; — Templar =

geheelonthouder; —wife = huisvrouw; moedertje; —will = welwillendheid;

gunst; zaak + klandizie, het daarvoor betaalde geld: To buy the —will

of a house; —will to man = “in menschen een welbehagen”; —woman. Zie

—wife; He is —, almost to —iness = hij is zoo goed, dat hij haast over

zich laat loopen; —ies = lekkernijen, bonbons; —ly = knap, edel,

aanmerkelijk, aangenaam, piekfijn (ironisch); —y = subst. sul, goeie

vent, beste moeke; adj. goedaardig, sullig, sentimenteel: It would look

so —y-goody and stupid = zoo sullig en dom lijken; I have talked —y-—y

to her = ik heb met haar zitten kwezelen.

Goorkha = Ghoorka.

Goosander, gûsandə, gusandə, duikergans.

Goose, gûs, subst. gans, sul, sukkel, uilskuiken;

(kleermakers)persijzer; — verb. uitfluiten: Every man thinks his own

geese swans = elk denkt zijn uil een valk te zijn; To cook a person’s —

for him = te pakken nemen, ruïneeren, van kant maken; To get the — =

uitgefloten worden; He is sound on the — = hij is ouderwetsch in de

slavenkwestie (Amer.); trouw aan zijne partij; —-berry = kruisbes,

kruisbessenstruik: —-berry time = komkommertijd (ook The silly season);

Old —-berry = de duivel; I am not going to play —-berry(picker) to you

two = ik wil niet jullie beider “fâcheux troisième” zijn, voor ’t

“fatsoen” met jullie meegaan; He plays old —-berry with the British

public = houdt voor den gek; —-berry-fool = uitgeperste kruisbessen met

room; zotskap; —-flesh (—-skin) = kippenvel; To go all over —-flesh =

kippenvel krijgen; —-herd = ganzenhoeder; —-neck = zwaanshals (van giek

of boom); —-quill = ganzeveer, pen; —-winged = met de leizeilen

bijgezet (voor den wind zeilend).

Gopher, goufə, naam voor verschillende in een gat in den grond levende

dieren, als ratten, eekhoorntjes, schildpadden (Amer.); — verb. op goed

geluk naar goud graven.

Gorboduc, göbədɐk.

Gorcock, gökok, korhaan; Gorcrow, gökrou, kraai; Gorhen, göhen, korhen.

Gordian, gödj’n: — knot = Gordiaansche knoop: He cut the — knot = hij

heeft den knoop doorgebakt.

Gore, gö, subst. geronnen bloed; geer, driehoekig stuk (land); — verb.

doorboren, spietsen, met eene wig doorbreken; Goring = prik, steek.

Gorge, gödz, subst. keel, strot, het verzwolgene, zware maaltijd; nauwe

bergpas; — verb. gretig verzwelgen, schrokken: The stench turned my — =

het hart draaide me in mijn lijf om van; My — rises at it = ik walg er

van; He —d himself with it = at veel van.

Gorgeous, gödžəs, schitterend, prachtig; subst. —ness.

Gorget, gödžət, halsstuk (van eene wapenrusting), borstplaat, halskraag

of plooisel.

Gorgon, gög’n, subst. Gorgone; iets zeer leelijks; —ean, —ian,

gögounj’n, versteenend, afschuwelijk leelijk; —ize = doen versteenen.

Gorilla, gərila, gorilla.

Gormand, göm’nd, gulzigaard; —ize, göm’ndaiz, gulzig eten, schrokken.

Gorse, gös, brem; Gorsy = vol —.

Gory, gôri, met geronnen bloed bedekt.

Goschen, gouš’n.

Goshawk, goshôk, havik, patrijsvalk.

Gosling, gozliŋ, gansje; katje (van wilgen, etc.).

Gospel, gosp’l, subst. evangelie, iets onomstootelijk waars: You must

not take his words for — = als de waarheid; That is — truth = de

waarachtige waarheid; —ler = evangelist; voorlezer van het evangelie.

Gossamer, gosəmə, herfstdraden, dun gaas, fijne sluier: Old lace, fine

as —; adj. —y.

Gosse, gos.

Gossip, gosip, subst. peet, vriend, buur, gebabbel, babbelaar; — verb.

babbelen, leuteren; —-monger = wauwelaar; —er; adj. —y = praatziek,

prettig keuvelend.

Gossoon, gosûn, jongen, knecht.

Got, got, imp. en part. perf. van to get.

Goth, goth, Goth, barbaar; —ic = Gothisch, onbeschaafd; subst.

Gothisch, Gothiek; —icism; —icize = Gothisch maken; —land.

Gothamist, go(u)thəmist, bewoner v. Gotham in Nottinghamshire (ongeveer

als Kampen of Bœotië, bekend om de beweerde domheid der bewoners).

Gothard (St.), s’ntgothəd, St-Gothard.

Gouge, gaudž, gûdž, subst. guts (ronde beitel); bedrog, bedrieger

(Amer.); — verb. met een beitel of guts uitsteken of uithollen,

bedriegen; —-slip = staal om beitels of gutsen te slijpen; —r.

Gough, gof; Gould, gûld.

Gourd, gûəd, waterflesch of karaf, pompoen; —iness = gezwel, stijfheid;

—y = gezwollen (van paardepooten).

Gourmand, gûəmand, gulzigaard, lekkerbek.

Gout, gaut, jicht, droppel; —y = jichtig, gezwollen.

Gout, gû, smaak.

Govern, gɐv’n, besturen, regelen, bedwingen, regeeren; —able =

bestuurbaar, volgzaam; subst. —ableness; —ess, gɐvənəs, subst.

gouvernante; — verb. gouvernante zijn: That pleases me better than

—essing = dan voor gouvernante te spelen; —ment = bestuur, regeling,

regeering, zelfbeheersching, uitvoerende macht; adj. Governmental; —or

= bestuurder, landvoogd, loods, “ouwe heer”, regulateur (in

stoommachines); —orship.

Gowan, gauən, madeliefje (Schotl.).

Gower, gauə, gôə.

Gown, gaun, japon, kleed, jurk, tabberd, toga, leden van eene

universiteit: Town and — = studenten en professoren tegenover de

stedelingen; Band and — = toga en bef; Morning—- = morgenjapon; Night—

= nachtjapon; —-boys = leerlingen, die met kost, inwoning en vrije

kleeding tot sommige scholen worden toegelaten; —(s)man = getabberde,

student; burger.

Gozzard, gosəd, ganzenhoeder, verbastering van Goose-herd.

Grab, grab, subst. greep; soort kustvaarder in Br.-Indië; — verb.

grijpen (naar = at), pakken, vatten; —ble = grabbelen, tasten,

spartelen.

Grace, greis, subst. gunst, genade, eer, toegestane tijd, bevalligheid,

titel van een aartsbisschop of hertog, besluit (v. h. bestuur v. eene

Eng. hoogeschool), gebed aan tafel; — verb. begunstigen, versieren,

vereeren: They said — = zij baden, dankten; He did it with a bad —,

with (a) good — = onvriendelijk, vriendelijk, gepast; You might have

the — to offer me something = kon wel eens zoo vriendelijk zijn; Days

of — = loopdagen, respijtdagen; We had but ten minutes’ — = ons werd

slechts tien minuten tijd toegestaan; He was in her good —s = bij haar

in de gunst; The —s = de (drie) Gratiën; In the year of — 1894 = in het

jaar onzes Heeren 1894; —ful = bevallig; subst. —fulness; —less =

onbevallig, verdorven, brutaal, lomp; subst. —lessness; Gracious,

greišəs, genadig, gunstig; Good(ness) — = genadige goedheid, goeie

hemel! subst. —ness.

Gracile, gras(a)il, dun, slank.

Gradation, grədeiš’n, geregelde opklimming, trapswijze overgang; adj.

Gradational; Gradatories, gradətəriz, subst. trap van uit een klooster

naar eene kerk; Gradatory = geregeld opklimmend.

Grade, greid, subst. graad, kwaliteit, ring, stap, helling (van een

weg); waterpas maken, ordenen naar grootte of kwaliteit, gelijkmaken:

These roads are at grade = waterpas, op dezelfde hoogte; —ly, greidli,

gepast, voegzaam.

Gradient, greidj’nt, subst. (mate van) helling (van een weg); adj.

trapsgewijze, geleidelijk.

Gradual, gradjuəl, trapsgewijze, langzamerhand; subst. een response

gezongen na het epistle, gradueel of graduale.

Graduate, gradjueit, verb. in graden verdeelen, gradueeren, titreeren;

promoveeren, trapsgewijze overgaan; subst. gradjuit, iemand met acad.

graad; adj. = —d: —d income-tax = progressieve inkomstenbelasting;

These lessons are carefully —d to the children’s powers = deze lessen

klimmen geregeld op, en zijn berekend voor de krachten der jeugdige

leerlingen; Graduation, gradjueiš’n, geregelde opklimming, verdeeling,

promotie, terugbrenging van eene vloestof tot eene bepaalde hoeveelheid

(door verdamping); Graduator, gradjueitə, graadboog, stroomregelaar.

Gradus, greidəs, woordenboek voor klassieke prosodie (eig. — ad

Parnassum).

Graft, grâft, subst. entrijs; harde arbeid; knevelarij (Amer.); — verb.

enten; zwoegen; —ing-knife; —ing-wax.

Graham bread, greiəmbred, brood van grof gemalen tarwe; Grahamite =

vegetariër.

Grail, greil, (Heilige) Graal.

Grain, grein, graan, koren, korrel, grein, draad (van hout of vleesch),

weefsel, roode verfstof (cochenille), hart, gemoed, aard, vork,

harpoen; — verb. korrelen; marmeren, aderen (schilderwerk): He has no —

of sense = geen greintje verstand; He has a — of allowance = hij krijgt

maar een bitter beetje; Against the — = tegen den draad in; It goes

against the — with me = het stuit mij tegen de borst; First they rubbed

the old man against his —, and then smoothed him down again = eerst

maakten zij den ouden man kwaad; That is dyed in — = in de wol geverfd;

He is a rogue in — = doortrapte schurk; —s = afgewerkte mout: —s of

Paradise Paradijskorrels; — shipments = korenladingen; —ed = ruw,

korrelig, in de wol geverfd, gemarmerd (van verven); —er = schilder

(die het hout imiteert), ook: zijn borstel of kam; leerlooiersloog,

looiersmes; —ing = looien met vogelmest; imitatiehout-schilderwerk;

—-staff, stâf, stok met vorkvormige uiteinden; —y = vol graan, korrels

of pitten.

Gram, gram, keker; gram.

Gramercy, grəmɐ̂si, Dank u wel! Goddank! Sapperloot!

Graminaceous, gramineišəs, grasachtig; Graminivorous, graminivərɐs,

grasetend.

Grammar, gramə, spraakkunst, richtig spraakgebruik; —-school =

gymnasium, Latijnsche school; —ian, grəmêriən, taalkundige;

Grammatical, grəmatik’l, taalkundig, spraakkunstig.

Gramme, gram, gram (= 15,432 troy grains).

Gramophone, graməfoun, gramophoon.

Grampian, grampiən: The —s = — Hills, Mountains.

Grampus, grampəs, bruinvisch, zwaardvisch, etc.

Granada, granâdə.

Granary, granəri, korenschuur, korenzolder.

Grand, grand, grootsch, voornaam, beroemd, edel, waardig, prachtig:

They do the — at our expense = zij hangen den heer uit; — total =

algemeen totaal; —-aunt = oud-tante; —child = kleinkind; —daughter =

kleindochter; —-duke = groothertog; —father = grootvader; —father’s

clock = ouderwetsche staanklok; —-juror = lid van de —-jury = de jury,

die onderzoekt of er reden is dat de beschuldigde door de petty jury

verhoord word; —-master = grootmeester; —mother = grootmoeder; —-nephew

= achterneef; —-niece = achternicht; —-seignior = (oude) titel van den

Sultan van Turkije; —-stand = groote tribune (bij een wedstrijd); —sire

= grootvader, voorvader; —son = kleinzoon; —-uncle = oudoom; —-vizier =

grootvizier of eerste minister in Turkije; —am, grandəm, grootmoeder,

oude vrouw; —ee, grandî, grande (Spaansch edelman); —e-garde, grandgâd,

het deel der wapenrusting, dat den linkerschouder en de borst

beschermt; —eur, grandjə, grootschheid, pracht, verhevenheid;

—iloquent, grandiləkwent, —iloquous, grandiləkwɐs, bombastisch,

grootsprekend, opgeblazen, snoevend; —iose, grandious, (werkelijk of

gemaakt) grootsch en indrukwekkend; subst. Grandiosity = —ness.

Grange, greinž, schuur, boerderij (met bijgebouwen, enz.), buiten,

heerenhuis, een Amer. landbouwvereeniging (Amer.); —rs = Polit.

Agrariërs (Amer.).

Grangerize, greinžəraiz, illustreeren (van boeken, enz.) met platen uit

andere boeken vandaan gehaald.

Graniferous, grənifərɐs, graandragend; Graniform, graniföm, korrelig

(als graan); Granivorous, grənivərɐs, graanetend.

Granite, granit, graniet; adj. Granitic.

Granny, grani, grootje; ook: Grannam, gran’m.

Grant, grânt, subst. schenking, toelage, subsidie, gave, toestemming,

overdracht; — verb. geven, schenken, toegeven, toestaan, toestemmen,

overdragen: There will be a — as prayed = de eisch zal toegewezen

worden; I claim a — of letters of administration = ik eisch, dat er een

administrateur worde benoemd; God — him success = God geve, dat hij

slage; Let us — it for argument’s sake = laten wij het voor een

oogenblik aannemen; To — a flavour to = een aangenamen geur (smaak)

verleenen aan; I beg your pardon; —ed = ik vraag u excuus; gij hebt

het; I take it for —ed = ik houd het voor bewezen, uitgemaakt; —ed you

are right = toegegeven, dat; —s-in-aid = hulpkas (eig. schenkingen in

nood), vooral bij werkstakingen; —able = inwilligbaar, overdraagbaar;

—ee, grântî, iemand, wien iets wordt toegestaan of overgedragen;

concessionaris; —er = die toestaat of overdraagt; —or, grântə, grantö,

die iets overdraagt of afstaat.

Grantham, grant’m.

Granular, granjulə, korrelachtig, korrelig; Granulate, granjuleit,

granuleeren; greineeren; korrelig worden; Granule, granjûl, korreltje;

Granulous, granjulɐs, vol korrels.

Granville, granvil.

Grape, greip, druif; —s = gezwel (op paardenhiel); —-shot = schroot;

—-sugar = druivensuiker; —-stone = druivenpit; —-vine = wijndruif; —ry

= druivenkweekerij (-kas).

Graphic(al), grafik(’l), graphisch, aanschouwelijk; Graphology,

grəfolədži, graphologie; Graphometer, grəfomətə, graphometer;

Graphophone = klankschrijver.

Graphite, grafait, graphiet.

Grapnel, grapn’l, dreg; klein anker.

Grapple, grap’l, subst. worsteling, omvatting (met de armen in een

strijd), gevecht van man tegen man; (enter)haak; — verb. aanklampen,

vastgrijpen, vechten; —ment = worsteling van man tegen man;

Grappling-iron = enterhaak.

Grapy, greipi, druifachtig, naar druiven smakend, vol druiven,

druiven...

Grasp, grâsp, subst. greep, houvast, bereik; — verb. vasthouden,

grijpen, vatten, bezit nemen: He did not — the situation = begreep

niet; All — all lose = wie het onderste uit de kan wil hebben, krijgt

het lid op den neus; —er = grijpijzer; hebzuchtige, inhalig persoon;

—ing = inhalig.

Grass, grâs, subst. gras; — verb. met gras of zoden bedekken, bleeken,

op het gras werpen, ophalen (bij het hengelen) en op het land werpen:

We are at — = vrij, kunnen in de wei loopen, zijn weggestuurd; To go to

— = doodgaan; in de wei loopen (fig.); Go to — = ruk uit! The horses

were put to (taken (in) to) — = werden in de wei gedaan; To send to — =

neerslaan; What made him have his horse up from — = waarom heeft hij

het paard uit de weide gedaan? He never lets the — grow under his feet

= laat er nooit gras over groeien, pakt flink en dadelijk aan; While

the — grows, the steed starves = met hopen en verlangen alleen komt men

er niet; —-blade = grassprietje; —-cloth = graslinnen; —-green, subst.

graskleur; adj. grasgroen; —-grown = met gras begroeid; —-hand =

(nood)letterzetter; —-hopper = sprinkhaan; —-plot = grasveld; —-widow =

onbestorven weduwe; ongehuwde moeder; —y = met gras bedekt, groen.

Grate, greit, subst. rooster, haard, traliewerk; — verb. van rooster of

traliewerk voorzien, wrijven, schuren, raspen, stuk wrijven, plagen,

kwellen, krassen, knarsen: It —s upon my ears = het doet mijne ooren

pijn; —r, greitə, rasp; Grating, greitiŋ, subst. traliewerk; het

knarsen; adj. knarsend, krassend, hard, irriteerend.

Grateful, greitful, dankbaar, aangenaam, liefelijk; subst. —ness.

Gratian, greiš’n, Gratianus; Gratiano, greišiânou.

Gratification, gratifikeiš’n, belooning, genot, bevrediging; Gratify,

gratifai, behagen, beloonen, inwilligen, bevredigen, aangenaam zijn:

That must be very gratifying to you = daarmede moet gij wel ingenomen

zijn.

Gratis, greitis, gratis.

Gratitude, gratitjûd, dankbaarheid.

Gratuitous, grətjûitɐs, gratis, vrijwillig, zonder reden, ongegrond;

subst. —ness; Gratuity, grətjûiti, fooitje, vrije gift, douceurtje.

Gratulate, gratjuleit; Gratulation; Gratulatory. Zie Congratulate.

Gravamen, grəveim’n, hoofdoorzaak, voornaamste punt van aanklacht.

Grave, greiv, subst. graf; — verb. graveeren, beitelen; —-clothes,

—-kloudhz, lijkwade; —-digger, —-maker = doodgraver; —-mound =

grafheuvel; —-stone = grafsteen; —-yard = kerkhof; —less = onbegraven;

—n = gesneden, gegraveerd; —r, greivə, graveur, graveerstift.

Grave, greiv, ernstig, plechtig, gewichtig, somber, diep; subst. —ness.

Grave, greiv, schoonmaken van den bodem van een schip; Graving-dock =

droogdok.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 49 / 141 段