To, tu, adv. en prep. naar, tot, totaan, tegen, toe, in, voor,

vergeleken met: As — this question, I am sorry, I can’t act according —

your wish = wat betreft..., overeenkomstig; — it again = maar weer

opnieuw; The horses are — = zijn voorgespannen; He pulled the door — =

trok dicht; They were singing — the strumming of a guitar = zongen bij;

They were sitting — breakfast at a little table = ontbeten; He took my

sister — wife = nam tot vrouw; To swing — and fro = heen en weer; Don’t

come — and fro but wait = kom niet telkens aanloopen; That is death —

the patient = de dood van den patient; He took a liking — her = vatte

liefde voor haar op; That is nothing — what I saw = haalt niet bij;

That’s pleasant — the palate, taste = doet weldadig aan; — the best of

my ability (abilities) = zoo goed ik kan; it was war — the death

(knife) between them = strijd op leven en dood; I told it him — his

face (teeth) = in zijn gezicht; He is kind — a fault = eigenlijk te

goed; We were singing — our hearts’ content = naar hartelust; — his

eternal honour be it said = tot zijn onvergankelijke eer; Described —

the life = getrouw naar het leven; They were — a man in white gloves =

droegen allen zonder onderscheid; It is ten — one that he’ll come = het

is tien tegen één; A quarter — three = kwart vóór drie; Done — a turn =

precies gaar; He exerted his powers — the utmost = spande zijne

krachten tot het uiterste in.

Toad, toud, pad(de); —-eater = lage vleier, pluimstrijker; —-eating,

subst. lage vleierij; adj. verachtelijk vleiend; —-fish = padvisch;

zeeduivel; —-flax = gewone vlasbek; —-spit = kikkerspog; —-stone =

paddensteen (= versteende zeewolfstand); basaltporfier; —-stool =

paddestoel; —y, subst. lage vleier; — verb. laag vleien: He toadies to

the great = loopt achterna; —yism = kruiperij, lage vleierij.

Toast, toust, subst. geroosterd brood, toast, dame (of nog algemeener:

iemand) op wie gedronken wordt; — verb. roosteren, warmen, een dronk

instellen, bruin of warm worden: She was the — of Bath = zij was de

gevierde schoone van B.; On — = prachtig, uitstekend (Amer.): To have a

person on — = in ’t nauw brengen; To give (propose) a — = instellen; I

— your health = stel een dronk in op; —-master = ceremoniemeester, die

bij officieele maaltijden de toasten aankondigt en de glazen laat

vullen; —-rack, —-stand = standertje voor geroosterd brood; —er = ijzer

of vork om te roosteren; —ing-fork = roostervork; slakkensteker (iron.

voor degen).

Tobacco, təbakou, tabak; —-box = kistje; —-pipe = tabakspijp;

—-pipe-clay = pijpaarde; —-pouch = tabakszak; —-stopper = instrument om

(brandende) tabak in de pijp neer te drukken; —-wrapper = dekblad;

Tobacconist = tabaksverkooper (—fabrikant).

Tobias, təbaiəs.

Tobine, toubin, soort taf.

Tobit, toubit.

Tobog(g)an, təbog’n, toboggan, soort slede (Canada); — verb. bergaf

glijden in sleden; —-slide = glijbaan; —er, —ist.

Toby, toubi.

Tocher, tokə, subst. bruidsschat (Schot.); — verb. een bruidsschat

geven; —less = zonder bruidschat.

Tocqueville, toukvil.

Tocsin, toksin, alarmklok, alarmgelui.

Tod, tod, struik(gewas); oud wolgewicht van 12,7 K.G.; —-stove =

houtkacheltje (Amer.).

To-day, tudei, vandaag: — a man, to-morrow a mouse = vandaag rijk,

morgen arm; — is the daughter of yesterday = in ’t verleden ligt het

heden; — me, to-morrow thee = heden ik, morgen gij; One — is worth two

to-morrows = één vogel in de hand is beter dan tien in de lucht.

Toddle, tod’l, subst. waggelende gang; slentergangetje; — verb.

waggelen, familiaar omgaan: I’ll pay the bill, and we’ll — = en dan

gaan we opstappen; We have not begun to — yet = we gaan nog niet

familiaar met elkaar om; He —s on at my side, and dribbles out small

talk = hij loopt naast mij voort; —r = klein kind.

Toddy, todi, palmdrank; grog met suiker.

Toe, tou, subst. teen; — verb. met de teenen aanraken, teenen

aanbreien: From top to — = van top tot teen; To tread on a person’s —s

(ook fig.); He has turned up his —s (to the daisies) = is het hoekje

om, is dood; — the line, boys = allen met de teenen aan de streep; Now

you are “toeing the line” of the mystery = nadert ge; To — a person =

een schop geven; —less.

Toff, tof, fijne mijnheer, banjer; —ish = piekfijn, banjerig; subst.

—ishness.

Toffee, Toffy, tofi, kokinje.

Toft, toft, boschje; hofstede; —man.

Tog, tog, (meest —s) plunje; — verb. kleeden: In full — = groot tenue;

I have —ged myself out in full rig = mij in m’n beste plunje gestoken.

Toga, tougə, toga, tabberd: To fold one’s — round one = zich in zijn

toga hullen (ook fig.).

Together, təgedhə, te zamen, allemaal tegelijk, vereenigd: It has

rained for four days — = vier dagen achtereen; By the hour — = een uur

lang.

Toggle, tog’l, knoop, knevel (= houten nagel); —-joint = knieverband

(bouwk.).

Toil, tôil, subst. zware arbeid, inspanning, net, web of strik (gew.

meervoud); — verb. werken, zwoegen, afbeulen: We had the enemy in the

—s = in onze macht; He was —ing it up the mountain = bracht het

zwoegend den berg op; —-worn = doodaf; —er = zwoeger; —some = zwaar,

afmattend; subst. —someness.

Toilet, tôilət, toilet(tafel), servet, linnen kleedje over kaptafels,

enz.; nachtzak; retirade (Amer.): She was at her —, making her — =

bezig haar toilet te maken; She hurried through her — = maakte haastig

toilet; —-paper = closet-papier; —-sponge.

Toison, tôiz’n, schapevacht: — d’or = Gulden Vlies.

Tokay, təkei, Tokayer (wijn).

Token, touk’n, teeken, zinnebeeld, herinnering, gedachtenis, vlek: In —

of = ten bewijze; —-money = noodmunt of -penning; —ed = met teekens of

vlekken.

Tola, toulə, (Br. Ind.) gewicht van ± 11,6 gram.

Told, tould, imperf. en p.p. van to tell.

Toledan, təlîd’n, (bewoner) van Toledo, təlîdou, (zwaard v.) Toledo.

Tolerable, tolərəb’l, dragelijk, tamelijk, redelijk; subst. —ness; I am

tolerably well = vrij goed; Tolerance, tolər’ns, verdraagzaamheid,

dragelijkheid, toelating; Tolerant = verdraagzaam, lijdend: To be — of

= kunnen verdragen (med.); Tolerate, toləreit, dulden, verdragen,

toelaten; Toleration = dulding, verdraagzaamheid: To show — =

verdraagzaam zijn.

Toll, toul, subst. tol(geld), marktgeld, staangeld, schatting,

maalloon; langzaam en statig klokgelui; — verb. belasten, luiden,

slaan, annuleeren, lokken: To exact (take) — = eischen; Thoughts pay no

— = zijn tolvrij; To — the funeral bell = de doodsklok luiden; The bell

—ed one = sloeg één; —-bar = tol- of slagboom; —booth = tolhuis,

gevangenis; —-bridge = tolbrug; —-collector = gaarder; —-corn =

maalloon (in den vorm van koren); —-gate = tolhek; —-gatherer =

tolgaarder; —-house = tolhuis; —-man = gaarder; —-money; —-union =

tolverbond; —able = belastbaar; —age = tol, belasting; —er =

tolgaarder, klokluider.

Tom, tom, verk. van Thomas of Tommy, mannetje, kater (= —-cat): I can’t

answer every —, Dick and Harry = Jan, Piet en Klaas, Jan en alleman;

—boy = wildzang; —fool = kwast, hansworst; — verb. zich gek aanstellen;

—foolery: A piece of —foolery = een gekkenstreek; — Tiddler’s ground =

luilekkerland; —noddy = ezel, domkop. Zie Tommy.

Tomahawk, toməhôk, subst. Indiaansche strijdbijl; — verb. met een

tomahawk dooden: To bury (dig up) the — = vrede sluiten (den strijd

beginnen).

Tomato, təmâtou, təmeitou, tomaat, liefdesappel; —-sauce = tomatensaus.

Tomb, tûm, subst. graf, grafgewelf, graftombe; — verb. begraven, in

eene graftombe bijzetten; —-stone = grafsteen; —less.

Tombac, tombək, tombak.

Tombola, tombələ, tombola.

Tome, toum, (zwaar) boekdeel.

Tomentose, təmentous, touməntous, Tomentous, təmentəs, wollig, viltig,

met dichte haren bedekt; Tomentum, təment’m, korstzwam.

Tomin, toumin, 12 grains (juweliersgewicht).

Tommy, tomi, (= — Atkins) soldaat; brood(je), proviand, gedwongen

winkelnering; — verb. uitbuiten door middel daarvan: Let’s go — Dodd

for it = er om opgooien; It’s all —-rot = klets; —-shop; —-system = het

stelsel van gedwongen winkelnering.

To-morrow, tumorou, morgen: The old prison was blown into — = vloog in

de lucht; — morning = morgenvroeg.

Tompion, tompj’n, stop(per), prop.

Tomtit, tomtit, mees, winterkoninkje.

Tomtom, tomtom, trom (O. Ind. en Afrika); — verb. trommelen.

Ton, ton, toŋ, mode.

Ton, tɐn, ton, maat loopende van 40 tot 2000 cb. feet; gewicht loopende

van 600 tot 2000 lbs., met nog speciale beteekenissen voor sommige

artikelen. Zie Tonnage.

Tonal, toun’l, toon...; —ity, tənaliti, juiste toonhoogte, toon: Our

Wilhelmus in the old —ity = in de oude toonzetting; Tone, toun, subst.

toon, klank, klem, dreun, kleur, aard, stemming, veerkracht; — verb.

een toon geven of hebben: To — down = temperen, verzachten; The colour

—s gently from deepest blue to liveliest red = gaat zachtkens over;

—-syllable = beklemde lettergreep; —less = toonloos, onwelluidend;

subst. —lessness.

Tonga, toŋga, tweewielig karretje. (Brit. Ind.).

Tongres, touŋgə, Tongeren.

Tongs, toŋz, tang; — verb. met de tong den klank wijzigen (bij

blaasinstrumenten), in een tong uitloopen; ploegen: A pair of — = eene

tang; To marry over the — = over den puthaak trouwen; I wouldn’t touch

her with the longest pair of — in all the devil’s kitchen = ik zou haar

met geen tang willen aanraken; The — and the bones = ketelmuziek,

mopjes: A few people like classical music, but a very much larger

majority prefer the — and the bones.

Tongue, tɐŋ, subst. tong, taal, spraak, klepel, tong (van eene gesp),

leertje (van een schoen), landtong: That’s a slip of the — = eene

vergissing; To bite one’s — = zich bijten op; It fell from my — before

I knew it = het ontglipte me; To find one’s — = woorden vinden; To give

— = aanslaan; I have it on the tip of my —, at my —’s end = het ligt

mij op de tong (maar ik kan het niet zeggen); He has an oily —, a

well-oiled — = eene gladde, radde tong; Hold your — = houd je mond; To

shoot out one’s — = uitsteken; He thrust his — in his cheek = keek

ongeloovig, meesmuilde, lachte ironisch; To wag one’s — = rammelen;

—-bone; —-lashing = scheldpartij; —-tied = sprakeloos: He stood —-tied;

—-twister = moeilijk uit te spreken woord; —d = met eene tong (in

samenst.): —d boards = geploegde planken; —less = zonder tong,

sprakeloos; —y = rad van tong, met mooie praatjes.

Tonic, tonik, subst. grondtoon, tonisch middel; adj. tonisch; — solfa =

het voorstellen van klanken en tonen door letters, enz.; — spasm =

rechtstijvigheid.

To-night, tunait, van avond, van nacht.

Tonnage, tɐnidž, tonnemaat, last, tonnegeld: Bill (Certificate) of — =

meetbrief; — and poundage = oude belasting op in- en uitgevoerde

koopwaren, wijn, etc.; —-car = goederenwagen (Am.); A 40 Tonner = schip

van 40 t.

Tonsil, tonsil, amandel (keelklier); adj. —lary; Tonsillitis,

tonsilaitis, ontsteking der amandelen.

Tonsure, tonšə, tonsuur; —d = met eene tonsuur.

Tontine, tontîn, tontine, een naar Tonti genoemd stelsel van

verzekering.

Tony, touni, (verk. v. Anthony), onnoozele hals.

Too, tû, al te, tevens, ook: That’s rather — — = dat is wel wat al tè;

Jealous — = nu nog mooier, ook nog jaloersch! Quite — = bovenmate.

Toofer, tûfə, slechte cigarette (= Two for a penny).

Took, tuk, imperf. van to take.

Tool, tûl, subst. werktuig (ook fig.), gereedschap, stempel; — verb.

vorm geven, een wagen of diligence rijden, van geperste versieringen

voorzien: Gold —ing = proces om banden van boeken te versieren met

vergulde stempels; —-box (-chest) = gereedschapskist; —-house.

Toom, tûm, adj. ledig; — verb. ledigen.

Toot, tût, toeteren, blazen: The horn was —ing; —er = blazer, toeter.

Tooth, tûth, tand, punt: He cast it in my teeth = gooide het mij voor

de voeten; The baby has cut its first — = gekregen; To clench one’s

teeth = op elkaar klemmen; He dared me to the teeth = tartte me tot het

uiterste (in mijn gezicht); I did it (told it him) in (spite of) his

teeth = ik deed het trots zijn verzet, zeide het vlak in zijn gezicht;

To have a — drawn (extracted, pulled out, taken out) = laten trekken;

He has a sweet — = is een zoetekauw; To get rather long in the — =

aftandsch worden; It makes my teeth (mouth) water = het doet mij

watertanden; I say it to your teeth = in uw gezicht; It set my teeth on

edge = het deed me griezelen, ik werd er akelig van; He set his teeth

in grim earnest = zette op elkaar; To show one’s teeth = de tanden

laten zien (ook fig.); To defend — and nail = met hand en tand; A set

of artificial teeth; Canine, Corner — = hoektand; Cutting — = snijtand;

Double, Grinding — = kies; False —; Milk —; Wisdom —; —-ache = tand- of

kiespijn; —-brush = tandenborstel; —-drawing = het tandentrekken; —edge

= het tintelend gevoel door harde en krassende geluiden veroorzaakt;

—-key = sleutel om tanden te trekken; —-paste = pasta; —pick =

tandenstoker; —-powder = tandpoeder; —-socket = tandkas; —-wheel =

tandrad; —ed = met tanden; —ful = mondje-vol; —ing = het tanden krijgen

of wisselen; —less; —let = tandje; —letted = fijn getand; —some =

lekker, smakelijk; subst. —someness.

Tootle, tût’l, toeteren, blazen.

Top, top, top(punt), spits, kroon, hoogte, hoofdeinde, hoofd, kap,

opslag, mars, hemel, bovenste kant, tol; adj. hoogste, grootste,

voornaamste, uiterste; — verb. uitsteken, overtreffen, bedekken, zich

verheffen, de toppen of koppen afsnijden of afslaan, toppen (van ra’s),

bestijgen, van kappen voorzien, mesten, hoog zijn, vallen, eindigen,

voltooien, etc.: He is at the — of his class = nummer één; To be at the

— of the tree = op de bovenste sport (fig.); He cried at the — of his

voice = zoo hard hij kon; From — to bottom = van onder tot boven; I

have slept like a — = als eene roos, als een otter; On the — of = op

den top van, daarop, boven en behalve: It is no joke to go tramping to

the poll on the — of a day’s work = na eene harde dagtaak; Inside or on

the —, sir? = binnenin of bovenop (de omnibus), mijnheer? They are

stories without — or tail = verhalen zonder kop of staart; The — of a

loaf = bovenste, kapje; The — of the morning to you! = ik wensch je een

goeden morgen (Iersch); The — (bottom, lower end) of a hall = vóórin

(achterin) de zaal; — value = hoogste prijs of noteering; This trip —s

and caps all others = overtreft (bekroont); —-boots = laarzen met

gekleurde kappen; —-branch = hoogste tak; —-cloth = vinkennet

(zeeterm); —-coat = overjas; —-draining = droogleggen van de

oppervlakte van land; —-dress, subst. bovenmest; — verb. de oppervlakte

bemesten; —-dressing = bovenmest: To put a fair —-dressing of gentility

on a person = een aardig vernisje van beschaving; —gallant, subst.

bramsteng, toppunt; adj. van de bramsteng, voornaamste, uitstekend;

—-heavy = topzwaar, dronken; —-hole = prima; —-knot = kuif, strik op

het hoofd; —-knotted = verwaand, pedant; —-lantern; —-light = toplicht;

—-mast = steng; —-sail = marszeil; —-sawyer (-man) = bovenste van twee

zagers, bovenste-beste, man van voorname familie (of veel geld); —-soil

= bovengrond; —-stone = deksteen; The haystack was —ped off = voltooid;

—ped off with gold and silver = versierd met; They —ped up with that

work = zij eindigden met; Some cream to — up with = nu nog wat room na;

Zie Topper.

Topaz, toupəz, topaas; —olite, təpazəlait, gele granaat.

Tope, toup, subst. boschje of groep boomen; — verb. zuipen, veel

drinken; —r = zuiplap.

Topee, təpî, helm(hoed) (Br. Ind.).

Topeka, təpîkə; Tophet, toufət (2 Kon. 23, 10).

Topi, təpî = Topee.

Topiary, toupjəri: — work = kunstmatig en tot bepaalde vormen snoeien

v. boomen, heggen, enz.

Topic, topic, onderwerp (van gesprek); plaatselijk geneesmiddel; —al

song = gelegenheidsgedicht of -lied; There is no —al interest whatever

in the paper = niets actueels.

Topmost, topmoust, hoogste.

Topographer, təpogrəfə, topograaf; Topographic(al), topəgrafik(’l),

topographisch; Topography, təpogrəfi, topographie.

Topper, topə, voortreffelijk persoon, uitstekend iets, cylinderhoed: A

— for you = dat is een beste, die kun je in je zak steken; Topping,

verheven, uitstekend, fijn, voornaam: A — passion = alles beheerschende

hartstocht.

Topple, top’l, (voorover) tuimelen, neervallen: My airy castle —d to

the earth = viel in.

Topsyturvy, topsitɐ̂vi, onderstboven; subst. chaos; — verb. onderstboven

keeren: To turn everything —; Topsyturvyfication = omvergooiing: The

book is a regular — of morality = gooit alle moraliteit omver.

Toque, touk, Toquet, təkei, toque.

Tor, tö, steile rots, spitse heuvel.

Torch, tötš, toorts; —-bearer = fakkeldrager; —-dance, fakkeldans;

—-light, subst. fakkel- of toortslicht: —-light procession =

fakkeloptocht; —-race = fakkelwedloop; —-thistle, fakkeldistel.

Tore, tö, imperf. van to tear.

Toreador, toriədö, toreador.

Torment, töm’nt, kwelling, marteling, plaag.

Torment, töment, martelen, pijnigen; —er, —or = kwelgeest, soort eg,

lange vork; —ress = kwelster.

Torminal, tömin’l, Torminous, töminɐs, erge krampen hebbend.

Tormintil, töm’ntil, tormentil, bloedroode ooievaarsbek.

Torn, tön, part. perf. van to tear.

Tornado, töneidou, tornado.

Torose, tôrous, tôrous, Torous, tôrəs, gezwollen, knobbelig.

Torpedist, töpîdist, torpedist; Torpedo, töpidou, torpedo; knalpatroon;

sidderrog; — verb. torpedeeren; —-boat = torpedoboot; —-catcher,

—(-boat) —-destroyer = torpedojager; —-net = torpedonet.

Torpid, töpid, verstijfd, bewegingloos, langzaam, traag; subst.

tweedeklasse giek (Oxford), de bemanning daarvan: —s = roeiwedstrijden

in het voorjaar (Oxf.); Torpidity = —ness = verstijfdheid,

bewegingloosheid, winterslaap = Torpor, töpə.

Torquay, tökei, töki.

Torrefaction, torifakš’n, uitdroging; Torrefy, torifai, drogen,

uitdrogen.

Torrent, tor’nt, subst. hevige stroom, vloed: — of lava; The rain came

down in —s = in stroomen; Torrential, tərenš’l, krachtig, stormachtig:

— applause, enthusiasm.

Torricellian, toritšelj’n, van Torricelli.

Torrid, torid, verzengd, brandend: — zone; subst. —ness.

Torse, tös, romp; gevlochten krans (herald.); Torsion, töš’n, draaiing,

terugdraaiing; adj. —al.

Torsk, tösk, dorsen (visch).

Torso, tösou, romp.

Tort, töt, onrecht, nadeel: The Law of —s, or: a Treatise on the

Principles of Obligations arising from Civil Wrongs in the Common Law.

Tortile, töt(a)il, spiraalvormig gewonden; subst. Tortility.

Tortoise, tötəs, (land)schildpad; —-shell, subst. en adj. (van)

schildpad; —-shell cat = geelbruine.

Tortuose, tötjuous, gekronkeld, gedraaid; Tortuosity, tötjuositi,

kronkeling, kromming, slinkschheid.

Tortuous, tötjuəs, gekronkeld, gedraaid, krom, slinksch; subst. —ness.

Torture, tötjə, subst. marteling, zielsangst, pijniging: — verb.

kwellen, martelen, verdraaien: To put to the —; — of animals =

dierenmishandeling; —r.

Torulose, tor(j)ulous, Torulous, tor(j)ulɐs, met knoopen.

Tory, tôri, subst. en adj. Tory, conservatief; —ism = de beginselen der

conservatieve partij.

Tosh, toš, onzin.

Toss, tos, subst. opgooien, worp, onrust, angst; — verb. werpen,

opgooien, slingeren, verontrusten, woelen, dobbelen (door het opgooien

v. geldstukjes): In a — = erg gejaagd; To win the — = winnen bij het

opgooien; To — the oars = loodrecht opheffen als teeken van begroeting;

To — pancakes = bakken en omgooien in de pan; He could not — away the

image of his love = van zich afzetten; I —ed it in my mind = overlegde

het; We —ed him in a blanket = we hebben hem “gejonast”; — off your

glass = sla’m eens om; We will — up for it, head or tail = er om

opgooien: kruis of munt: To — up the head = het hoofd in den nek

gooien; —-up = risico, onzekerheid: It is a regular —-up = ’t hangt

geheel van het toeval af; —-pot = zuiplap; The ship was tempest-—ed,

tempest-tost = werd door den storm heen en weer geslingerd; —er; Tossy

= trotsch, met het hoofd in den nek.

Tot, tot, subst. kleine peuter; borreltje: I have drunk your health in

a — of rum = met een glaasje rum.

Tot, tot, som, post; — verb. optellen: The Highlander knows how to —

you up a high bill = weet te rekenen; To — up profits and losses.

Total, tout’l, subst. en adj. (het) geheel, totaal; — verb. gezamenlijk

bedragen: Their number —s 20.000; —-abstinence = geheelonthouding;

Totalisator, toutəlizeitə, totalisator; Totality, tətaliti, de geheele

som, het totaal; Totalize = aanvullen; —r = totalisator.

Tote, tout, het geheel (The whole —); dragen (Amer.): You must — fair =

ge moet eerlijk en billijk handelen; —-load = vracht.

Totem, tout’m, totem; —-clan = familiestam, met een gemeenschappelijken

totem als familiewapen; —ic, tətemik, tot een totem behoorende; —ism =

gebruik om familiën en stammen een zeker symbool te geven.

Tother, t’other, tɐdhə, samentr. van that (the) other.

Totter, totə, waggelen, wankel loopen: The baby is at the —ing and

tumbling age = de kleine begint alléén te loopen; —y = bevend,

waggelend.

Tottie, toti, kleine of jonge Hottentot.

Totty, toti, subst. kleine “hummel”; adj. waggelend; —-headed =

lichtzinnig.

Touch, tɐtš, subst. aanraking, voeling, gevoel, lichte aanval, aanslag

(van piano of orgel), streek, toetssteen, proef, trek, smaakje, wenk,

toespeling, een ietsje, etc.; — verb. aanraken, raken, reiken tot,

bereiken, voelen, betasten, aanroeren, betreffen, roeren, bedroeven,

aannemen, innen, schetsen, schilderen, aanslaan, pakken, beleedigen;

bedriegen (Austr.), etc.: To be in — with = voeling houden met; He came

into — with his century = kreeg voeling met; To establish (Get into) —

with = voeling krijgen met; I have found — of my fellows = heb voeling

gekregen met; I gave my work the finishing — = heb de laatste hand

gelegd; You must keep in — with us = moet voeling met ons houden; To

put to the — = op de proef stellen; To stand the — = de proef

doorstaan; He has a — of the gout = aanval van jicht; “No,” he said,

with a — of temper = eenigszins geraakt; It was —-and-go = het was op

het kantje af, er aan toe, het kon weinig lijden; Cold to the — = op

het gevoel; He would — no food = niet aanraken; Shall we — glasses =

eens klinken; That does not — the question = raakt; To — the (— on the

tenderest) spot = den vinger op de wonde plek leggen; We —ed the wind =

hielden het schip zoo dicht mogelijk aan den wind; Nobody can — him =

bij hem halen; It —ed me to the quick = trof mij diep; It —es you more

than any of us = raakt u meer; The ship —ed = stootte; We sighted an

island, but did not — at it = deden het niet aan; Two of the characters

were excellently —ed in = uitmuntend geschetst; We will — of that next

time = behandelen; To — off = vluchtig schetsen, verbeteren, afvuren,

geducht raken; Let me just — on it = het even aanroeren; We shall — it

up = het wat repareeren, opknappen, opfrisschen, retoucheeren; —-hole =

zundgat; —-me-not = kruidje-roer-me-niet; —-needle = toetsnaald,

proefnaald; —-pan = kruitpan; —-paper = met salpeter gedrenkt en als

lont gebruikt papier; —stone = toetssteen: Irish —stone = basalt van

den Giant’s Causeway; —wood = zwam; —able = raak- of voelbaar; subst.

—ableness; I can do it in four minutes, as near as a —er = op den kop

af; A near —er = op ’t kantje af; Touching, adj. roerend, treffend;

prep. betreffende, aangaande; Touchiness, subst. v. Touchy = knorrig,

lichtgeraakt.

Tough, tɐf, taai, hard, streng, vasthoudend; subst. verloopen vent,

vechtersbaas (Amer.): Oh, say now! This is — = kras; He is a — customer

= laat niet los; I had a — time with Pa = had heel wat met Pa te

stellen; That is a — piece of work = moeilijk werk; —en = taai worden

of maken; —ish = ietwat taai; —ness = taaiheid.

Toupee, tûpî, Toupet, tupei, pruikje.

Tour, tûə, subst. rondreis, uitstapje, toer, volgorde; — verb. een

rondreis doen, rondgaan, een uitstapje doen; Tourist = tourist: —

ticket = rondreisbiljet.

Tournament, tûənəment. Zie Tourney.

Tournay, tûənei, Doornik.

Tourney, tûəni, tournooi, steekspel.

Tourniquet, tûəniket, draaikruis, haspel.

Tournure, tûənjûə, tournure, houding, omtrek, vorm.

Tousle, tauz’l, in wanorde brengen; adj. Tousy.

Tout, taut, subst. klantenlokker, spion die inlichtingen geeft omtrent

voor wedrennen geoefend wordende paarden; — verb. spionneeren,

beloeren, klanten lokken: A money-lender’s — = de handlanger van een

geldschieter; What can be got by —ing among the critics is not worth

the ignominy = wat men bij de critici wint door ze achterna te loopen;

To — for applause, custom, orders = bedelen om, zoeken te lokken; —er =

Tout.

Tow, tou, sleeptouw; — verb. boegseeren, sleepen: To take in — = op

sleeptouw nemen (ook fig.); —boat = sleepboot; —-car = volgwagen

(tram); —-line = sleeplijn = —-rope; —age, touidž, het sleepen,

sleeploon; —ing-path = jaagpad; —ing-vessel = sleepboot.

Tow, tou, werk, touw; —-cloth = paklinnen; —-head = vlaskop; adj.

—-headed.

Toward, touəd, aanstaande, nabij, gewillig, gehoorzaam, leergierig: A

battle is — = op til; What is —? = wat is er aan de hand; —(li)ness =

bereidwilligheid, leergierigheid; adj. —ly; Towards, touədz, tödz, naar

toe, in de richting van, tegenover, ten opzichte, bijna, omtrent.

Towcester, taustə.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 125 / 141 段