armoede; — refusal = besliste weigering; To be an — stranger to =
geheel onbekend met; To (At) the —ance = tot het uiterste; You have —ly
neglected my advice = volkomen in den wind geslagen; —most uiterste,
verste: He oppressed them to the —most = op ondragelijke wijze.
Utter, ɐtə, uiten, uitdrukken, uitspreken, (valsch geld) in omloop
brengen: The false coiners —ed several false banknotes = brachten in
omloop; He did not — another word = zei geen woord meer; —able = uit te
spreken, wat geuit kan worden; Utterance = uiting, uitspraak,
voordracht, rede; uiterste: He gave — to the wish = uitte den wensch;
His — was very indistinct = manier van spreken was zeer onduidelijk.
Zie Utter 1.; Utterer = wie spreekt, of in omloop brengt.
Uttoxeter, ɐksətə, ətoksətə.
Uvea, jûviə, druifvlies (van het oog); Uveous, jûviəs: — coat =
druifvlies.
Uvula, jûvjulə, huig; —r = van de huig: All his r’s are —r = hij brouwt
al zijn r’s.
Uxoricide, ɐgzôrisaid, ɐksôrisaid, vrouwenmoorder; Uxorious, ɐgzôriəs,
ɐksôriəs, dwaas verzot zijn op zijne (op eene) vrouw; subst. —ness.
V.
V, vî; V. = Verb, Verse, Victoria, Violin; V(ersus) = tegen; V(ide) =
zie; V(icar) A(postolic); V(irgini)a; Var(iety); Vat(ican); V(erb)
Aux(iliary); V(ice) C(hancellor), of: V(ictoria) C(ross); V(erbi) D(ei)
M(inister) = bedienaar van Gods Woord; Ven(erable); Ver(mont = een van
de Staten der Unie); V(icar) G(eneral); V(erbi) g(ratia) = bij wijze
van voorbeeld; V(erb) i(ntransitive); Vice-pres(ident); V(erb)
irr(egular); Visc(ount); Viz = videlicet (videliset) = namelijk;
Voc(ative); Vol(ume); Vol(ume)s; V(ictoria) R(egina); V(ery)
Rev(erend); V(eterinary) S(urgeon); Vulg(ar); Vulg(ate); Vv. ll. =
variae lectiones = verschillende lezingen.
Va, vâ, ga voort (muz.).
Vacancy, veik’nsi, ledigheid, ledige ruimte, gaping, vrije tijd,
vacature: The — has been filled up = is vervuld; He stared into (at) —
= keek in het wild rond; Vacant, veik’nt, ledig, leegstaand,
onbeduidend, vrij, onbezet, vacant: To be, fall, remain — = vacant
zijn, etc.; Made — by the death of X = open gekomen; A — stare = een
onwijze, nietszeggende blik; Such nations are — of our glorious
civilization = hebben niet.
Vacate, vəkeit, ledig maken, ontruimen, neerleggen, afstand doen van,
vernietigen: He —d the throne = hij deed afstand van den troon;
Vacation, vəkeiš’n, afstand, vernietiging, openzijn of openvalling (v.
plaats of betrekking), vacantie, rusttijd: —-days.
Vaccinal, vaksin’l, vaccine...; Vaccinate, vaksineit, vaccineeren,
inenten; Vaccination = koepokinenting: Compulsory —; Anti — Society;
Vaccinationist = voorstander der vaccinatie; Vaccinator = inenter;
Vaccine, vaksin, v. koeien verkregen, tot koeien behoorende: — lymph =
— matter = koepokstof; — pox = koepokken; Vaccinia, vəksinjə,
koepokken; Vaccinist = Vaccinationist.
Vachery, vašəri, omheinde weide; melkhuis.
Vacillate, vasileit, weifelen, wankelen, flikkeren; adj. Vacillating;
Vacillation = weifeling, flikkering.
Vacuity, vəkjûiti, ledige ruimte, ledigheid, afwezigheid van begrip;
Vacuous, vakjuəs, ledig, zonder uitdrukking; subst. —ness; Vacuum,
vakjuəm, (lucht)ledige ruimte: —-brake = luchtrem; —-cleaner =
stofzuiger; —-tubes = luchtledige buizen.
Vade, veid, verwelken, verdwijnen.
Vade-mecum, veidîmîk’m, vademecum, leiddraad, gids.
Vagabond, vagəbond, subst. landlooper, zwerver, luie vent; adj.
rondzwervend, vagebondeerend, doelloos; —age, vagəbondidž,
landlooperij: To live in —age = vagebondeeren; —ism = —age; —ize =
rondloopen, rondzwerven.
Vagary, vəgêri, subst. kuur, gril.
Vagina, vədžainə, vagina, bladscheede; Vaginal, vadžin’l, vədžain’l,
scheedeachtig, scheede ...; Vaginate(d), vədžainit (—eitid), met een
scheede, scheedevormig.
Vagrancy, veigr’nsi, landlooperij; Vagrant, subst. landlooper; adj.
zwervend, zonder vaste woonplaats.
Vague, veig, vaag, onbepaald, onduidelijk; subst. —ness.
Vails, veilz, fooi(en).
Vain, vein, ijdel, nutteloos, waardeloos, vergeefsch, bedriegelijk,
lichtzinnig, dwaas: — hope = ijdele hoop; It was all in — = vergeefsch;
Don’t take God’s name in — = gebruik Gods naam niet ijdellijk;
Vainglorious, veinglôriəs, opgeblazen, verwaand, blufferig; subst.
—ness = Vainglory.
Vakeel, Vakil, vəkîl, speciaal gezant, (inlandsch) advocaat (Brit.
Ind.).
Val, val, Valentijn.
Valance, val’ns, subst. soort damast, valletje of franje om
bedgordijnen, enz.; — verb. met franje of draperie versieren.
Vale, veil, vallei.
Valediction, validikš’n, afscheid, vaarwel; Valedictory, validiktəri,
afscheids ...: — address = een gewoonlijk Latijnsche afscheidsrede in
Amer. colleges; de houder dier rede wordt Valedictorian, valədiktôriən,
genoemd.
Valence, valəns, persoonsn.; valentie (= veil’ns).
Valencia, vəlenšiə = Valance.
Valentia, vəlenšiə; Valentine, val’ntain, Valentijn, liefje op St.
Valentine’s day (14 Febr.) gekozen, briefje of cadeautje door
jongelieden van beide seksen op dien dag elkander gezonden; Valentinus,
valəntainəs; Valentio, vəlenšiou; Valeria, vəlîriə.
Valerian, vəlîriən, valeriaan (plant).
Valet, valət, valei, subst. bediende; — verb. als kamerdienaar dienen
of begeleiden.
Valetudinarian, valitjûdinêriən, ziekelijk of zwak; ook subst.; —ism =
zwakke gezondheid, ziekelijkheid.
Valhalla, valhalə, Walhalla.
Valiant, valj’nt, moedig, dapper, heldhaftig, onverschrokken; subst.
—ness.
Valid, valid, krachtig, sterk, geldig, deugdelijk, bindend; —ate,
valideit, geldig maken, legaliseeren; —ity, vəliditi, kracht,
geldigheid = —ness.
Valinch(e), vəlinš, (zuig)hevel.
Valise, vəlîs, reistasch, mantelzak.
Valkyr, valkə, walkure; adj. —ian, valkîriən; —ie, valkîriə, walkure.
Vallancy, val’nsi, vəlansi, soort pruik uit de 17 eeuw = — wig.
Valley, vali, dal: — of a roof = dakhoek; — of tears = tranendal.
Valorous, valərɐs, dapper, moedig, onverschrokken; Valour, valə,
dapperheid, moed, onverschrokkenheid.
Valparaiso, valpəraizou.
Valuable, valjuəb’l, adj. kostbaar, dierbaar; ook subst.: All the —s
were saved = de kostbaarheden; A — friend; —ness = kostbaarheid;
Valuation, valjueiš’n, schatting, waardeering; Valuator, valjueitə,
schatter, taxateur; Value, valju, subst. waarde, prijs, valuta,
gewicht, beteekenis; — verb. waard zijn, achten, schatten, waardeeren:
For — received = waarde ontvangen, genoten; To the — of = ter waarde
van; The — was depreciated = de waarde werd gedrukt of verminderd; To
get (have) — (a good —) = waar voor zijn geld krijgen; To rate at its
true — = schatten op (ook fig.); To set much — upon = veel waarde
hechten aan; To — dearly (highly) = op hoogen prijs stellen; The goods
were —d at half the original cost = geschat op; You may — on us two
months after date of invoice = disponeeren op twee maanden dato der
factuur; —less shares = waardelooze aandeelen, effecten; Valuer =
schatter, taxateur: Eminent —s = bekende taxateurs.
Valvate, valvit, met eene klep, klepvormig; Valve, valv, vleugel,
ventiel, klep: Safety-— = veiligheidsklep; —d, valvd, v. kleppen
voorzien; Valvelet = klepje; Valvular, valvjulə, met kleppen, kleppen
betreffend: He died of — disease of the heart = aan eene hartziekte;
Valvule, valvjul, klepje.
Vambrace, vambreis, armscheen (v. een wapenrusting).
Vamose, vəmous, vâmous, er van doorgaan, afzien van: He —d the claim =
deed afstand van zijn recht (eisch) (Amer.).
Vamp, vamp, subst. bovenleer, nieuwe lap op iets ouds om dit schoon te
doen schijnen; geimproviseerd accompagnement; — verb. oplappen, een
lied accompagneeren op ’t gehoor af: To — up an excuse = verzinnen; He
has a knack of —ing up forgotten operettas = weer op te lappen; —er =
(schoen)lapper; —ers = kousen.
Vampire, vampaiə, vampier (ook een soort vleermuis = —-bat), uitzuiger;
adj. Vampiric; Vampirism = geloof in —s; het bloedzuigen of afpersen.
Vamplate, vampleit, vroeger metalen plaatje aan eene lans ter
bescherming van de hand.
Van, van, voorhoede, wan, reiswagen, goederen- of conducteurswagen,
baard (van een veer); — verb. vooropgaan, in een van vervoeren,
wasschen, zuiveren: Furniture-(Removing-)— = verhuiswagen; Luggage-— =
goederenwagon; To lead the — = vooropgaan.
Vanbrugh, vanbrû, vanbrû; Vancouver, vankûvə.
Vandal, vand’l, vandaal (ook fig.); Vandalic, v’ndalik, ruw,
barbaarsch; Vandalism = vandalisme.
Vandyke, vandaik, subst. kanten puntkraag (= — collar); adj. als in de
portretten v. Van Dijck (1599–1641) gekleed; — verb. den rand schulpen
of punten.
Vane, vein, weerhaan, windvaan, wiek (v. een windmolen), baard (van een
veer), diopter.
Vanellus, vəneləs, kievit.
Vanguard, vangâd, voorhoede.
Vanilla, vənilə, vanille.
Vanish, vaniš, verdwijnen, wegsterven: He —ed from the sight = verdween
uit het gezicht.
Vanity, vaniti, ijdelheid, ijdel genot; vruchtelooze poging, schijn.
Vanquish, vɐŋkwiš, overwinnen, weerleggen: Though —ed he could argue
still = al had hij het afgelegd, hij redeneerde toch maar door; —er =
overwinnaar.
Vansire, vansaiə, manguste.
Vantage, vântidž, voordeel, gunstige, schoone gelegenheid: He got — of
me = behaalde een voordeel op mij; I spied him from a coin of — = van
eene geschikte plaats; So much to the — = zooveel te goed, daarenboven;
—-ground = gunstige plaats of ligging.
Vapid, vapid, flauw, verschaald, geesteloos; subst. —ity, vəpiditi =
—ness.
Vaporability, veipərəbiliti, verdampbaarheid; Vaporable of Vaporable,
verdampbaar; Vaporific, veipərifik, vapərifik, verdampend; Vaporizable,
veipəraizəb’l, vapəraizəb’l, in damp veranderbaar; Vaporization,
veipər(a)izeiš’n, vapər(a)izeiš’n, verdamping; Vaporize of Vaporize,
verdampen, in damp verdwijnen; Vaporous, veipərɐs, dampvormig,
opgeblazen, winderig, vol dampen of uitwasemingen; subst. —ness;
Vapour, veipə, subst. damp, wasem, ijdele waan; — verb. verdampen,
“geuren” of bluffen, droevig stemmen: —s = vapeurs, luimen, grillen;
—-bath = damp- of stoombad; —ing = blufferig, snoevend: —ish = dampig,
nevelig, winderig, mistroostig, melancholiek = —y.
Vaquero, vəkêrou, veehoeder (Mexico).
Variability, vêriəbiliti, subst. v. Variable, vêriəb’l, veranderlijk,
ongedurig; subst. veranderlijke grootheid of wind; subst. —ness.
Variance, vêriəns, subst. verandering, verschil, geschil, twist: To be
at — = het oneens zijn; They were set at — = tegen elkaar opgezet;
Variant, subst. variant; adj. verschillend, veranderlijk, ongedurig;
Variate, vêrieit, varieeren; Variation, vêrieiš’n, verandering,
wijziging, afwijking, variatie; Varicoloured (tinted) = van
verschillende kleuren of tinten; Variformed = van verschillende vormen.
Varicella, variselə, waterpokken.
Varicose, varikous, Varicous, varikɐs: — stocking = kous voor lijders
aan — veins = aderspatten.
Varied, vêrid, afgewisseld, gevarieerd; Variegate, vêri(ə)geit,
schakeeren, bespikkelen, afwisselen; Variegation, vêriəgeiš’n,
schakeering, bontheid; Variety, vəraiiti, verscheidenheid,
veelzijdigheid, verschil, varieteit: —-entertainment =
varieteitenvoorstelling; —-hall = zaal voor dergelijke voorstellingen.
Variola, vəraiələ, kinderpokken; —r = Variolous, vəraiəlɐs, tot de
kinderpokken behoorende.
Variorum, vêriôrəm, van de aanteekeningen van verschillende uitgevers
voorzien, b.v. — edition of Shakespeare’s works.
Various, vêriəs, verschillend, verscheiden; subst. —ness.
Varix, vêriks, aderspat, krampader.
Varlet, vâlit, page, bediende; schurk; —ry = het grauw of gespuis.
Varmin(t), vâmin(t) = Vermin.
Varnish, vâniš, subst. vernis (ook fig.), verlak, glazuur; koolteer (=
Black —); — verb. vernissen, verlakken, verglazen, verschoonen: A — of
civilisation = vernisje; —er.
Varsal, vâs’l (= universal), erg groot, sterk, etc.
Varsity, vâsiti = University (Oxf. en Cambr.).
Vary, vêri, veranderen, wijzigen, verschillen, afwijken, veranderlijk
zijn, varieeren.
Vascular, vaskjulə, vaat - -, vaatrijk; Vascularity, vaskjulariti,
toestand der vaten, rijkheid aan vaten.
Vase, vâz, veiz, veis, vaas, kelk.
Vaseline, vasəlin, vasəlîn, vaseline.
Vassal, vas’l, subst. vazal, onderdaan, slaaf; adj. slaafsch; —age,
vasəlidž, leenmanschap, de leenmannen, dienstbaarheid; —ed = geknecht.
Vast, vâst, groot, uitgestrekt, veelomvattend, veelzijdig, grenzenloos,
onmetelijk; subst. grenzenlooze vlakte of ruimte: Watery — = de oceaan;
That is a — project = veelomvattend, grootsch plan; He squandered away
— sums of money = onmetelijke geldsommen; subst. —ness.
Vat, vat, vat, kuip; — verb. in een kuip doen.
Vatican, vatik’n, vaticaan, pauselijke regeering of macht: The thunders
of the — = de pauselijke banbliksems.
Vaticinate, vətisineit, voorspellen; Vaticination = voorspelling;
Vaticinator = profeet.
Vaud (Pays de), (peiîdə)vou, Waadland; —ois = Waldenser(s).
Vaudeville, voudvîl, vaudeville.
Vaughan, vôn, vôən.
Vault, vôlt, subst. (graf)gewelf, hol, kerker, kelder, hemelgewelf,
gewelfd vertrek; sprong, volte; — verb. verwulven, overwelven;
voltigeeren: He —ed into the saddle = sprong in den zadel; —er =
springer, voltigeur; —ing-horse = paard (gymn.).
Vaunt, vânt, vônt, subst. gebluf, pocherij; — verb. bluffen, snoeven
op, zich beroemen: To make a — of; —er.
Vauntlay, vôntlei, vooroploopende troep honden.
Vaux, vôks; Vauxhall, vôkshôl: — Gardens.
’Ve = have.
Veal, vîl, kalfsvleesch (—s = kalfsvellen); —-cutlet; —-tea =
kalfsbouillon; adj. —y = jong, kalverachtig.
Veda, veidə, vîdə, Veda, heilig boek (Hindoes).
Vedette, vədet, ruiterwacht.
Vedic, veidik, vîdik, adj. Zie Veda.
Veer, vîə, draaien, wenden, vieren, van koers veranderen, laten vallen
(scheepst.): The wind —ed to the north = liep om naar het N.; — and
haul = beurtelings vieren en aanhalen; — away = — out = vieren; —ing,
subst. het veranderen of draaien; adj. veranderend, veranderlijk.
Vegetable, vedžitəb’l, subst. plant (—s = groente); adj. plantaardig,
planten....: — earth (— mould, — soil) = plantenaarde, humus; — kingdom
= plantenrijk; — marrow (cucurbita pepo) = mergpompoen; Vegetal,
vedžit’l, subst. plant; adj. plantaardig; Vegetarian, vedžitêriən,
vegetarisch; subst. vegetariër: — diet = plantaardige voeding of
voedsel; Vegetarianism, vegetarisme; Vegetate, vedžiteit, vegeteeren;
Vegetation = plantengroei, de plantenwereld; Vegetative = als planten
groeiend, den plantengroei bevorderend.
Vehemence, Vehemency, vîhimens(i), hevigheid, vuur, drift,
onstuimigheid; Vehement = hevig, geweldig, vurig, onstuimig.
Vehicle, vîhik’l, voertuig (ook fig.), geleimiddel (om geneesmiddelen
in te nemen): The printing-press has become the — of ideas = het
voertuig der denkbeelden; Vehicular(y), vîhikjulə(ri), voertuig....
Vehmic, feimik, vîmik, veimik: — court = Veemgericht.
Veil, veil, subst. sluier, dekmantel, masker; — verb. sluieren,
verbergen, vermommen, bewimpelen: We don’t wish to raise the —, which
was cast over this scene = den sluier op te lichten; To take the — =
den sluier aannemen: You have —ed your looks from your friends = u aan
het oog uwer vrienden onttrokken; —ed voice = gedempte stem.
Vein, vein, subst. ader, eigenaardige neiging of aanleg, stemming,
luim; — verb. aderen, marmeren: In the giving — = in goedgeefsche
stemming; There is a grating — in him = hij heeft iets onaangenaams
over zich; He was in a rattling — = zat op zijn praatstoel; I am not in
the — for it = voel er thans geen trek of neiging toe; I hope it will
put you in the — to do it = u aanleiding zal geven; — of thinking =
gedachtengang; —let = kleine ader; —y = vol aderen, aderrijk.
Velar, vîlə, met behulp van de huig voortgebracht (phonet.); Velarium,
vilêriəm, groot zeil boven Romeinsche (amphi)theaters.
Veld, felt, boomlooze streek (Z.-Afr.).
Vellicate, velikeit, krampachtig samentrekken, prikkelen; subst.
Vellication; adj. Vellicative.
Vellum, vel’m, perkament (uit kalfsvel); —-paper, —-post =
velijnpapier; adj. —y.
Velocimeter, veləsimətə, snelheidsmeter; Velocipede, vəlosipîd,
rijwiel; Velocipedist, vəlosipîdist, wielrijder; Velocity, vəlositi,
snelheid, vlugheid: Accelerated, decreasing, final, initial, mean,
retarded, uniform, virtual — = toenemende, afnemende, eind-, begin-,
gemiddelde, vertraagde, gelijkmatige, virtueele snelheid.
Velutinous, vəl(j)ûtinɐs, fluweelig.
Velvet, velvət, fluweel; ook adj.: You have been on — all your life =
hebt altijd een leven op een bordje gehad; To be (stand) upon (the) — =
een voordeelige weddenschap aangegaan hebben; Velveteen, velvətîn,
katoenfluweel = Cotton —; —s = jachtopziener (naar zijne kleeding);
Velveting = de fijne nopjes van fluweel: —s = fluweelen stoffen;
Velvety = fluweelachtig.
Venal, vîn’l, aderlijk; omkoopbaar, veil; Venality, vinaliti =
omkoopbaarheid, veilheid.
Vend, vend, verkoopen, te koop bieden; —ee, vendî, kooper; —er =
verkooper; —ible = verkoopbaar; —ibles = verkoopbare goederen;
—ibleness = verkoopbaarheid; Street —ors = venters.
Vendace, vendeis, soort v. houting (zalmvisch).
Vendetta, vəndetə, bloedwraak.
Veneer, vənîə, subst. fineer(bladen), vernis (fig.); — verb. opleggen,
een vernisje geven (fig.): If they are not good form, they are at least
lacquered with the — of it = hebben ze toch allemaal het uiterlijk
voorkomen ervan; —-moth = snuitmot.
Venerable, venərəb’l, eerwaardig (titel van archdeacons); subst. —ness;
Venerate, venəreit, vereeren; Veneration, ontzag, vereering: Venerator
= vereerder.
Venereal, vinîriəl: — desire = geslachtsdrift; — disease = venerische
ziekte.
Venery, venəri, jacht(vermaak).
Venetian, vinîš’n, Venetiaansch; subst. Venetiaan, jaloezie (= —
blind); — boat = gondel; — chalk = talkpoeder; — door = deur met
langwerpige ruiten op zijde (om b.v. een ingang te verlichten); There
were — masts along the route, from which streamers of bunting were
festooned = kokanjemasten welke door guirlandes van vlaggedoek
verbonden waren; — weight = “presse-papier” van glas.
Venezuela, venəzuelə, venəzuîlə.
Vengeance, venž’ns, wraak: With a — = met buitengewone kracht of
hevigheid; To cry for —; They wreaked their — on me = koelden hun
wraak; Vengeful = wraakgierig.
Venial, vîniəl, vergeeflijk: — sin = vergeeflijke zonde; Veniality =
—ness.
Venice, venis, Venetië.
Venison, ven(i)z’n, wildbraad.
Venom, ven’m, subst. vergif, venijn (ook fig.); —-mouthed = giftig,
kwaadaardig; —-tooth; Venomous, venəmɐs, vergiftig, venijnig; subst.
—ness.
Venose, vînous, vinous = Venous, vînəs, geaderd, aderlijk.
Vent, vent, subst. opening, luchtgat, zundgat, uitweg, uiting,
bekendmaking, vrije loop; — verb. een opening maken, uitlaten, lucht
geven, uiting geven, slaken: To find — = een uitweg vinden; He gave —
to his anger = gaf lucht aan; It has taken — = is ruchtbaar geworden,
uitgelekt; To — oneself = zijn hart lucht geven; To — one’s wrath upon
= lucht geven aan zijn toorn; —-hole = luchtgat; —-peg, —-pin = zwikje;
—-plug = prop of plug voor het laadgat; Ventage, ventidž, luchtgaatje;
Ventilate, ventileit, ventileeren, luchten, opperen, vrijelijk
bespreken: Several questions were —d = werden geopperd en behandeld;
subst. Ventilation = luchtverversching, etc.; Ventilator =
luchtververscher, ventilator.
Ventral, ventr’l, buik..: — fins = buikvinnen; Ventricle, ventrik’l,
holte, hartkamer, hersenkamers = —s of the heart (brain);
Ventriloquism, ventriləkwizm, buikspreekkunst; Ventriloquist =
buikspreker; Ventriloquize, ventriləkwaiz, buikspreken.
Venture, ventjə, subst. waagstuk, waaghalzerij, risico, speculatie,
inzet, kans; — verb. wagen, ondernemen, op het spel zetten: I did it at
(for) a — = op goed geluk af; To put a thing to a (the) — = iets op
goed geluk wagen; I advise you not to run the — = de kans niet te
loopen, het niet te wagen; I do not like to — at (upon) it = er mij in
te begeven; To — out = zich buiten wagen; Nothing — nothing have = die
niet waagt die niet wint; Venturesome, Venturous = stoutmoedig,
onverschrokken, gevaarvol, gewaagd.
Venue, venjû, plaats der handeling, plaats waar iets plaats vindt of
berecht moet worden (Jur.): To change (transfer) the — = naar een ander
(rechts)college overbrengen.
Venus, vînəs, Venus; —-hair = venushaar; —-shell = venusschelp.
Veracious, vəreišəs, waarheidlievend, geloofwaardig; Veracity,
vərasiti, waarheid, waarheidsliefde: Unquestioned veracities =
onbetwijfelde waarheden.
Veranda(h), vərandə, veranda.
Veratrine, vəreitrin, verətrain = Veratrum, vəreitr’m, nieswortel.
Verb, vɐ̂b, werkwoord; Verbal = woordelijk, mondeling, letterlijk, van
een werkwoord afgeleid: — agreement, message; — quibbling = ijdel
woordenspel; A — translation = mondelinge; Verbalism = iets mondeling
uitgedrukt, letterzifterij; Verbalization, vɐ̂bəl(a)izeiš’n, verandering
tot een werkwoord; Verbalize = in een werkwoord veranderen; Verbatim,
vɐ̂beitim, woordelijk: — report.
Verbena, vɐ̂bînə, ijzerkruid.
Verbiage, vɐ̂biidž, woordenvloed, bombast; Verbose, vɐ̂bous, woordenrijk,
wijdloopig, bombastisch; subst. Verbosity.
Verdancy, vɐ̂d’nsi, groenheid; onervarenheid; Verdant = groen, bloeiend,
onervaren; Verd-antique, vɐ̂dəntîk, patina, groene roest op oud koper;
slangenmarmer.
Verderer, vɐ̂dərə, houtvester, jachtopziener.
Verdict, vɐ̂dikt, uitspraak, vonnis, beslissing, oordeel: To bring in
(deliver, give, return) a — = uitspraak doen; To pass one’s — upon =
zijn oordeel uitspreken over.
Verdigris, vɐ̂digrîs, kopergroen.
Verdure, vɐ̂djə, groen(heid), frissche plantengroei.
Verge, vɐ̂dž, subst. roede, staf, spil, rand, zoom, omvang,
gezichtskring; — verb. naderen, nabij komen, grenzen, neigen, overgaan
in: He is on the — of ruin, of madness = aan den rand des ondergangs,
op de grens van den waanzin; Such a deed —s on madness = grenst aan
waanzin; We stood upon a hill which —d to the south = die naar het
zuiden afhelde.
Verger, vɐ̂džə, stafdrager, kerkdienaar.
Veriest, veriəst, Zie Very.
Verifiable, verifaiəb’l, wat bewezen, gestaafd of bevestigd kan worden;
Verification = bevestiging, staving, verificatie: In — of = ten bewijze
waarvan; Verifier; Verify, verifai, bewijzen, verifieeren, vervullen,
waar maken.
Verily, verili, waarlijk, waarachtig; Verisimilitude, verisimilitjûd,
waarschijnlijkheid; Veritably, veritəbli, waarlijk; Verity, veriti,
waarheid, werkelijkheid, feit: Their despatches do not come up to the
standard of — = beantwoorden niet aan den eisch van waarheid.
Verjuice, vɐ̂džûs, sap van onrijpe appels, druiven enz.: Every word and
look of his smacks of — = heeft iets zuurs (onaangenaams).
Vermeil, vɐ̂mil, vermiljoen.
Vermicelli, vɐ̂miseli, vermitšeli, vermicelli.
Vermicide, vɐ̂misaid, wormkoekje, wormmiddel; Vermicular, vɐ̂mikjulə,
wormachtig, wormvormig: —-work = kronkelende versiering in mozaïekwerk;
Vermiculate, vɐ̂mîkjuleit, kronkelend of wormvormig inleggen, kronkelen,
zich in alle bochten wringen (fig.); vɐ̂mikjulit, kronkelend,
wormstekig; subst. Vermiculation; Vermiculose, vɐ̂mikjulous,
Vermiculous, vɐ̂mikjulɐs, vol wormen of maden, gelijk wormen; Vermiform,
vɐ̂miföm, wormvormig; Vermifugal = wormafdrijvend; Vermifuge, vɐ̂mifjûdž,
wormmiddel.
Vermilion, vɐ̂milj’n, subst. en adj. vermiljoen: The — Sea = Golf van
Californië; —ed = vermiljoen-rood geverfd.
Vermin, vɐ̂min, schadelijke dieren, ongedierte; gebroed, tuig:
—-destroyer = —-killer = vergift voor het dooden van ongedierte; —ous =
wat ongedierte voortbrengt, door wormen veroorzaakt.
Vermont, vɐ̂mont.
Verm(o)uth, vɐ̂mûth, vermouth.
Vernacular, vɐ̂nakjulə, inheemsch, eigen, vaderlandsch; subst.
taaleigen, moedertaal: — disease, idiom, language, tongue; —ism =
idioom, dialect; —ize = inburgeren.
Vernal, vɐ̂n’l, lente - -, jeugd - -: — equinox = dag- en nachtevening;
— signs = lenteteekens (Dierenriem); Vernation = bloeiwijze.
Vernon, vɐ̂n’n; Veroles, vəroul; Verona, vərounə, Verona; Veronese,
verənîz, verənîs, subst. en adj. (bewoner) van Verona; Veronica,
vəronikə, Veronica.