fortuin, cirkelgang, zwenking, schijf; — verb. wentelen, ronddraaien,
op raderen vervoeren, in een cirkel bewegen, van raderen voorzien, om
eene as draaien, wenden, kruien, zwenken, (wiel)rijden: He was broken
upon the — = werd geradbraakt; To grease the —s (fig.) = de hand
stoppen; To help the — over = over het doode punt heen helpen; To put
one’s shoulder to the — = flink aanpakken; He put a spoke in your — =
hij heeft u een spaak in ’t wiel gestoken, in de wielen gereden; I feel
myself to be a fifth — to the coach = dat ik het vijfde rad aan den
wagen ben; —s within —s = gecompliceerd plan, onduidelijke motieven; We
were —ing along at a fast rate = snorden voort; — it back = rol het
achteruit; —-animals, —-animalcules = raderdiertjes; —barrow =
kruiwagen; —-boat = raderboot; —-carriage = voertuig op wielen; —-chair
= rolstoel; —-cutter = radsnijder; —-drag = remschoen; —-horse =
Wheeler; —man = roerganger, wielrijder; —-shaped = radvormig; —-steamer
= raderboot; —-window = rozet; —woman = wielrijdster; —work =
raderwerk; —wright = wagenmaker; —ed = op of met wielen, per as;
Wheeler = wieldraaier, radermaker, wielrijder, disselpaard: The leaders
and the —s = de voorste en de achterste paarden van een vierspan.
Wheeze, wîz, snuiven, zwaar ademhalen, hijgen; subst. snuiven;
aardigheid; snufje: To crack a — = een mop tappen; A new — = een nieuw
snufje; Wheezy = snuivend, hijgend, aamborstig.
Whelk, welk, puistje, striem; wulk (schelpd.).
Whelm, welm, overstelpen, indompelen, bedekken, verpletteren,
vernietigen.
Whelp, welp, subst. jonge hond, welp, zoon, jonge man, guit; — verb.
jongen werpen: Bitch in — = drachtige; —less.
When, wen, wanneer, toen, als: At the very time — he told me this =
juist toen hij; Even — you told me so = juist toen; Since —? = sedert
wanneer; Since — = sedert welken tijd; — due = op vervaltijd; —
received = na ontvangst; — young = in mijn jeugd; —as = wanneer,
terwijl; Whence = vanwaar, waaruit; —soever = waar ook vandaan;
Whenever (—e’er) = wanneer ook, telkens wanneer = Whensoever.
Where, wêə, waar, waarheen, alwaar: — are you going? = waar gaat ge
naar toe; I don’t know —all he is going = waar hij al ... heengaat;
—-about(s), adv. nabij welke plaats, waar ongeveer; subst.
verblijfplaats, woonplaats, adres: We discovered the —-abouts of the
missing lady = waar de vermiste dame was; I sent him to the —-about(s)
= heb hem de laan uitgestuurd; —as = terwijl, daarentegen, aangezien,
nademaal; —at = waarop; —by = waardoor, waarbij; —fore = waarom, met
welk doel, zoodat; —in = waarin; —into = waarin; —ness = plaats waar
zich iets bevindt; —of = waarvan; —on = waarop (= —upon); —soever =
waar dan ook; —to, —unto = waarheen, waartoe, met welk doel; —ver,
wêrevə, waar ook; —with = waarmede; —withal = waarmee; subst. middel
(v. bestaan): He has not got the —withal to live = heeft geen middel
van bestaan.
Wherry, weri, soort roeiboot, veerboot; soort cider; —-man = veerman.
Whet, wet, scherp maken, wetten, prikkelen, opwekken (v. eetlust,
etc.); —-slate = oliesteen = —-stone-slate; —-stone = wetsteen,
slijpsteen; —ter = slijper, slijpsteen.
Whether, wedhə, pron. welke van twee; coni. hetzij, of: — he come or go
= hetzij hij kome of ga; — or no(t) = al of niet.
Whew, wjû, Poeh! Bah! Foei!
Whewell, wjû’l.
Whey, wei: —-cure; —-tub = weivat; —ey = —ish = weiachtig.
Which, witš, welk, hetwelk, die of dat, welke: — is yours? = welke (van
deze) is van u; He knows — is — = kent ze uit elkaar, hij weet er alles
van; Added to — = waar nog bij komt; —ever, —soever = welke ook.
Whiff, wif, subst. haal, trekje, ademtocht, haastige blik, soort van
lichte roeiboot, soort scharretong; — verb. dampen, uitblazen v. rook:
He got a — of the nice dish = kreeg in den neus; I will take a — or two
= een paar trekjes doen.
Whiffle, wif’l, subst. fluitje; — verb. met rukken waaien, fluiten,
telkens veranderen, uitvluchten maken, wegblazen, doen weifelen; —-tree
= zwengelhout.
Whig, wig, subst. Whig, liberaal (van de oude school); adj. van de
partij der Whigs; —gery = beginselen der Whigs = —gism; adj. —gish:
subst. —gishness.
Whigging, wigiŋ: To give a person a — = afranselen, een schrobbeering
geven.
While, wail, subst. tijd, tijdruimte, wijl, poos; — verb. verdrijven,
korten; coni. terwijl, zoolang; —s = soms; The — = ondertusschen; In
the mean— = middelerwijl; Quite a — = een tijd lang; A good (little) —
ago = een heele poos (een poosje) geleden; It is hardly worth (your) —
to look at = haast de moeite niet waard (dat gij ...); He visits us
between —s = zoo nu en dan; Listen for a — = een oogenblikje; I see
your name in the papers once in a — = zoo nu en dan; She has got money
to invest every once in a — (Am.) = telkens; Not yet a — = vooreerst
niet; I have —d away my time in reading this book = mijn tijd gezellig
doorgebracht met; Whilere, wailêə = Whilom, wail’m, wailoum, voorheen,
vroeger; Whilst = terwijl: The — = ondertusschen.
Whim, wim, gril, kuur; windas, soort kaapstander, mijn: She is full of
—s = vol kuren.
Whimbrel, wimbr’l, regenwulp of kleine wulp.
Whimper, wimpə, subst. gegrien, geteem; — verb. grienen, teemen:
Without a — = zonder een kik te geven.
Whimsical, wimzik’l, grillig; Whimsicality = grilligheid = —ness;
Whimsy = gril; adj. grillig.
Whin, win, gaspeldoorn; basalt (= —-stone); —-berry = blauwe boschbes;
Red —-berry = roode boschbes; —chat = kleine walduiker; —ny = vol
gaspeldoorns; vol basalt, basaltachtig. Zie Whinny.
Whine, wain, subst. gejammer, gekerm, geteem; — verb. jammeren, kermen,
teemen; —r; In a whiney-piney voice = jankerig.
Whinny, wini, subst. gehinnik, gebriesch; — verb. brieschen, hinniken.
Zie Whin.
Whip, wip, subst. zweep, geesel, koetsier, wipper (talie), lijn, wiek
van een molen; overhandsche naad, soort stroomsluiter (electr.),
schuim, pikeur, agenda door den Whip (= Whipper-in) gezonden; — verb.
snel bewegen, snellen, wippen, springen, het snoer uitwerpen, hengelen
in, afvisschen, overhands naaien, wikkelen, gappen, knuppelen, takelen,
geeselen (ook fig.), zweepen, tot schuim slaan of kloppen: He is a
passable — = vrij goed voerman; He rode to it — and spur = spoorslags;
Crack (Smack) went the —s = de zweepen klapten; To crack (smack) a — =
doen knallen; To — a custard = vlade klaarmaken, kloppen; Do you want
me to help you to — the devil round the stump? = dat ik u zou helpen
knoeien en bedriegen; We have —ped this part of the stream =
afgevischt; It was —ped about (around) with brown paper = gewikkeld in;
He —ped it from us = gapte het van ons; He —ped his head into the
window = stak plotseling zijn hoofd naar binnen; The tooth was —ped out
in less than no time = werd er uitgewipt; They —ped up the cherries =
gapten weg; —ped cream = slagroom; —ped eggs = tot schuim geklopt
eiwit; —-cord = zweepkoord, snaar; —-hand = rechterhand, voordeel,
meerderheid: He did not frequently venture to take the —-hand of her =
haar den boel uit de hand te nemen; As you have the —-hand of me, you
may be as humorous as you please = daar je me in je macht hebt;
—-handle: To have (keep) the —-handle = het heft in handen hebben
(houden); —-lash = het slag v. eene zweep; —-saw = trekzaag; —-staff =
helmhout; —-stitch = overhands naaien, innaaien, ondiep ploegen; subst.
overhandsche steek; —-stock = zweepstok; Whipper (—ster) = geeselaar,
zweeper, werkman, die de wipper bedient; —-in = pikeur, leider der
honden bij een vossenjacht; invloedrijk parlementslid, dat o.a. zorgt
dat zijne partij bij eene belangrijke stemming tegenwoordig is en aan
wien in ’t algemeen de partijdiscipline is toevertrouwd; —-snapper =
kereltje, nietig ventje; Whipping: —-post = geeselpaal; —-top =
drijftol.
Whipple-tree, wip’ltrî = Whiffle-tree.
Whip-poor-will, wipûwil, soort geitenmelker.
Whir, wɐ̂, subst. gesnor, gegons (v. opvliegende vogels); — verb.
snorren, gonzend of ruischend opvliegen; interj. rrrr!
Whirl, wɐ̂l, subst. warreling, draaikolk, snorren, kronkeling, krans; —
verb. snel ronddraaien, in snellen draai medevoeren, dwarrelen,
snorren: They were —ed away = snorden weg; We were quickly —ed back to
D. = snorden terug; —pool = maalstroom, draaikolk; —wind = wervelwind:
She was in a —wind of passion = werd voortgesleurd door haren
hartstocht; —windish activity = onstuimige; —er = wie of wat
ronddraait; Whirligig, wɐ̂ligig, draaitol, warreling, draaimolen,
draaikever: The — of time = het snelle vlieden van den tijd;
—-ventilator = ventilatierad.
Whish, wiš, sissen, suizen, suizend voortsnellen; interj. Sst.
Whisk, wisk, subst. boschje gras (stroo of haar), kleine borstel of
bezem, eierklopper, veeg, slag (van een zweepkoord), windstoot; — verb.
snel vegen of borstelen, kloppen, rondsnorren, zich snel bewegen: To —
along = voortsnellen; To — away = wegvegen, snel afdoen, snel wegnemen,
wegwippen; To — down = snel afrukken; To — off = snel wegvegen,
afrukken; He —ed with his pocket-handkerchief at a fly = sloeg met.
Whisker(s), wiskə(z), bakkebaard(en), snor (van katten, enz.); —ed =
met bakkebaarden.
Whisket, wiskət, mand, korf; kleine draaibank.
Whisk(e)y, wiski, korenbrandewijn of whisky; sjees voor één paard.
Whisp, wisp. Zie Wisp.
Whisper, wispə, subst. gefluister, geruisch, wenk; — verb. fluisteren,
ruischen, suizen, influisteren: To give the — = een wenk (tip) geven
(sport.); In a — = fluisterend; In a pig’s —, Zie Pig; The elder boy
—ed the girl = fluisterde het meisje iets in; He —ed it in my ear =
fluisterde het mij in ’t oor; —er = fluisteraar, oorblazer; Whispering:
—-gallery (—-dome) = fluistergaanderij of -gewelf.
Whist, wist, subst. zeker kaartspel; interj. St! Stil: Hold your —,
Sir! = je mond; —-drive = whistpartij (vaak om prijzen).
Whistle, wis’l, subst. gefluit, fluitje, keel; — verb. fluiten, gieren,
schel geluid voortbrengen: It is not worth the — = niet noemenswaard;
Not to care a penny — for = geen lor geven om; You pay (too) dear for
your — = betaalt uwe liefhebberijen duur; I’ll wet my — first = ik moet
eerst mijn keel eens smeren; He can — back the parrot’s call = precies
nadoen; She —d her lover down the wind = wou niet meer van hem weten;
With this experience everything he had ever cared for was —d down the
wind = voor goed voorbij, verdwenen; You may — for it = ge kunt ernaar
fluiten; He has been whistling for a wind = hij heeft door fluiten eene
bries trachten te krijgen (matrozenbijgeloof); The train was —d off =
op het fluitje werd het sein tot vertrek gegeven; —r = fluiter,
aamborstig paard; houder van een geheimen drankwinkel = Whistling-shop.
Whit, wit, zier, jota, weinigje: Not a — = in geenen deele; Every — =
in elk opzicht.
Whitaker, witəkə.
White, wait, subst. het wit, witte kleur, blanke, mikpunt, eiwit,
oogwit; adj. wit, rein, lief, zuiver, blank, vlekkeloos; — verb.
pleisteren: She was dressed in — = in het wit; To hit the — = in de
roos schieten; He showed the —s of his eyes = het wit; If eggs are
boiled too lightly the — does not set = stolt het eiwit niet; —s = fijn
tarwemeel, witte goederen; witte vloed; — ant = termiet; — bear =
ijsbeer; — clover = witte klaver; — corn (crop) = tarwe, rogge, gerst
of haver; It was a — day for you (a day to be marked with a — stone) =
geluksdag voor u; He showed the — feather = hij gaf blijk van
lafhartigheid; — Friars = Karmelieten; — frost = rijm; — gold =
platina; — goods = witte goederen; At a — heat = witgloeiend (ook
fig.); — herring = groene haring, pekelharing; — iron = ruw ijzer,
blik; —land = leembodem; It was the —st of — lies = het onschuldigste
van alle noodleugentjes; — money = zilvergeld; — nights = slapelooze; —
rent = belasting van acht stuiver (aan den Hertog van Cornwall) in
Devon en Cornwall; belasting in zilver; — rope = ongeteerd touw; — sale
= verkoop v. — goods; — Sea; You are as — as a sheet = als een doek; To
get (turn) — = bleek worden; —d sepulchres = gepleisterde graven; —bait
= witvisch; — beam = witte lijsterbes; —-beard = oude man; —-blaze =
bles; —boy = lid van een geheim genootschap tegen de landheeren
(Ierland 1761); —-ear = tapuit, witstaart; —-face = bles (paard); —fish
= houting, adelvisch; —-foot = (paard met) witte plek (op den poot);
—-handed = met blanke, reine (onbezoedelde) handen; —-headed = met
grijze haren; —-lead = loodwit; —-limed = gewit; —-livered = lafhartig;
—-meat = melkspijzen; wit vleesch; —-paint = loodwitverf; —-pot =
pudding van melk, brood, eieren, suiker, enz.; —-smith = tinsmid;
—-stocking = groote witte vlek op den poot v. een paard; —tail = —-ear;
—-thorn = hagedoorn, meidoorn; —-throat = grasmusch; —wash, subst.
witkalk, witsel; — verb. witten, reinigen, den goeden naam teruggeven,
homologeeren: To give a room a —wash; To —wash a man’s misconducts =
misdragingen vergoelijken; —washer = witter; —wood = boomen met wit
hout; —n = wit maken, bleeken, bleek of wit worden; —ner = bleeker,
bleekwater; —ness = witheid, bleekheid, reinheid, onschuld.
Whitechapel, wait-tšap’l; Whitefield, waitfîld; Whitehall, waithôl.
Whitey, waiti, witachtig.
Whither, widher, werwaarts, waarheen: —soever he goes = waarheen hij
ook gaat.
Whiting, waitiŋ, fijngemalen kalk, witkalk; wijting (soort v. visch).
Whitleather, witledhə, wit leder.
Whitlow, witlou, fijt; klauwzeer (schapen).
Whitmonday, witm’ndei, witmɐndi, Pinkstermaandag; Whitsunday,
wits’ndei, witsɐndi, Pinksterzondag; Whittuesday = Pinkster drie;
Whitsun, wits’n = pinkster - -, Pinksteren; Whitsuntide, wits’ntaid,
(de drie) Pinkster(dagen); Whitsunweek = Pinksterweek.
Whittle, wit’l, subst. mes; wollen mantel; — verb. snijden, scherp
maken, bestrijden, besnoeien, verkorten: The radicals want to — down
Parliament till nothing remains but the House of Commons = het
Parlement te besnoeien.
Whiz, wiz, subst. snorrend of gonzend geluid; — verb. snorren (van
kogel of pijl): —zing temples = bonzende (kloppende) slapen.
Who, hû, wie, die: “She is Miss le Marchant.” Miss le —? = juffrouw le
“wàt”? — goes there? = werda! —ever = alwie = —soever.
Whoa, wou(ə) ho! (tegen paarden).
Whole, houl, subst. het geheel; adj. geheel, gezond, ongeschonden:
(Up)on the — = alles wel beschouwd, over het geheel; Take the — of it =
neem alles maar; — and sound = frisch en gezond; My — duty = volle,
volledige; — milk = volle melk; The — town = de geheele stad; The —
truth = de volle waarheid; To make — = repareeren; —-blood = afstammend
in rechte lijn; —-hogger = iemand, die niet van halve maatregelen
houdt; —-hoofed = éénhoevig; —-length = van het eene einde naar het
andere in de volle lengte: —-length picture = ten voeten uit; —-note =
heele noot; Wholeness = ongeschondenheid; Wholesale = groothandel,
engros zaak: By — = engros; zonder onderscheid, in ’t algemeen; adj. in
’t groot handelend, goedkoop, zonder onderscheid te maken; — business =
engros zaak; — cost (price), — merchant; Wines — and retail = in ’t
groot en klein; They were killed — = bij massa’s; To sell —;
Wholesaler; Wholesome = gezond, heilzaam: — morals = gezonde
zedelijkheid of zeden; — teeth = gave tanden; subst. —ness =
gezondheid, heilzaamheid; Wholly, houli, geheel en al, volkomen.
Whom, hûm, wien, dien, dat: —soever = wien ook.
Whoop, hûp, luid schreeuwen, naschreeuwen, uitjouwen; subst.
geschreeuw, gekras; interj. hu! — of battle = krijgsgeschreeuw;
—ing-cough, hûpiŋkof, kinkhoest.
Whoot, hût; Zie Hoot.
Whop, wop, slaan, ranselen; subst. slag; —per = iets kolossaals, groote
leugen: That’s a —per = dat is een leugen alsof het gedrukt was; —ping,
subst. pak ransel; adj. kolossaal: A —ping lie.
Whore, hö, hoer; — verb. hoereeren, afgoderij bedrijven; —-master =
—-monger = hoereerder; Whoredom = hoerdom, afgoderij; adj. Whorish:
subst. —ness.
Whorl, wɐ̂l, haspel, winding van eene schelp: —ed = gedraaid of
gekronkeld.
Whortle, wɐ̂t’l, blauwe boschbes = Whortleberry.
Whose, hûz, wiens, welker, welks, wier; Whosesoever = van wien ook;
Whoso = al wie = Whosoever.
Whur, wɐ̂, subst. gonzend of snorrend geluid, draai, haast; — verb.
gonzen, snorren, knorren, de letter r ratelend uitspreken.
Why, wai, subst. het waarom; adv. waartoe, waarom? interj. wel! That is
— = deswege; I wish to know the — and the wherefore = het waarom en
waartoe; It’s not yours to reason — = de reden te vragen; —so = waarom?
—, I never saw such a fool = wel, wel! ik heb nooit zoo’n dwaas gezien;
—, there is enough left = daar is toch genoeg over, niet waar?
Whydah, widə.
Wick, wik, pit (v. lamp of kaars); bocht, baai: To turn up the —;
—-yarn = lampenkatoen; —ing = los katoen voor het maken van —s.
Wicked, wikid, slecht, zondig, goddeloos, onzedelijk, ondeugend,
snaaksch; subst. —ness.
Wicken(-tree), wik’n(trî), gewone lijsterbes.
Wicker, wikə, subst. rijs, teen, wilgentakje, mandewerk; adj. van
teenen of twijgjes (= —ed); —-basket = teenenmand; —-bottle =
mandflesch; —-chair = rieten stoel; —-cradle = mandewieg; —work.
Wicket, wikət, deurtje, poortje, kijkgat, schuif, de drie in den grond
geslagen paaltjes met een dwarspaaltje er op (v. cricket); —-keeper.
Wiclif(fe), wiklif.
Wide, waid, breed, wijd, ruim, uitgestrekt, veelomvattend, ver van (met
of): A — answer = verkeerd; His glory resounded far and — = heinde en
ver; Your answer is (not) — of the mark = geheel en al mis (niet zoo
ver mis); — of the truth = geheel bezijden; The door is — open;
—-awake, subst. slappe, lage vilten hoed met breeden rand; rand; adj.
goed of klaar wakker, bij-de-hand, klaar, gevat; —-quoted = waarvan de
noteeringen sterk uiteenloopen; —-skirted = met breede randen,
uitgestrekt; —-spread = heinde en ver verspreid; The agreement was very
—ly drawn = omvatte, zoo te zeggen, alles; To differ —ly = hemelsbreed
verschillen; —n = verwijden, verbreeden, wijder worden; —ness =
grootte, uitgestrektheid.
Widgeon, widž’n, smient, fluiteend.
Widow, widou, subst. weduwe; — verb. tot weduwe maken, berooven: Being
a —, she had no bridesmaids; her train was held up by a boy; —’s bounty
= (officiers)weduwpensioen; —’s cap = mutsje door weduwen gedragen; —’s
weeds = weduwenrouw; —-hunter = wie op een rijke weduwe uit is; A
—-lady (—-woman); —-wail = cnoorum tricoccum; —ed = beroofd, verlaten,
eenzaam: He was —ed of his power = beroofd of verstoken; —er =
weduwnaar; —(er)hood = weduw(naar)staat.
Width, width, wijdte, uitgestrektheid; —wise = in de breedte.
Wield, wîld, hanteeren, zwaaien: To — authority = uitoefenen; He —ed
the sceptre = zwaaide den scepter; It is impossible to — such a sword =
te hanteeren; —able = hanteerbaar; —less = niet te hanteeren.
Wife, waif, (getrouwde) vrouw, huisvrouw, gade: The — = vrouwlief; To
give (To take) to —; —-beater = vrouwenbeul; —hood = staat eener getr.
vrouw; —less = zonder vrouw, ongetrouwd; —like = eene vrouw betamend,
vrouwelijk; Wifie = vrouwtje.
Wig, wig, pruik; — verb. een uitbrander geven: Big — = groote hans;
—-bag = haarzak; —-block = pruikebol; —-maker; —ged = met eene pruik.
Wigan, wig’n: Here is to the mayor of —, i.e. to ourselves = wij
ledigen dit glas op onszelf.
Wigeon = Widgeon.
Wigging, wigiŋ, uitbrander, standje: I gave him a good —.
Wiggle, wig’l. Zie Wriggle.
Wight, wait, subst. persoon, wezen; adj. vlug, dapper.
Wigwam, wigwam, wigwôm, wigwom, Indiaansche hut.
Wild, waild, subst. wildernis; adj. wild, woest, verwilderd, onbebouwd,
onstuimig, onredelijk, loszinnig, roekeloos, buitensporig, onordelijk,
fel op, ver mis: To drive — = woest maken; She got — = werd “woest”,
boos; To go — over = dwepen met; To feel — = woest zijn (fig.); Our
flowers have run — = zijn verwilderd, wild opgeschoten; To talk — =
overdrijven; — beast; — boar = everzwijn; — look; — project = dol,
avontuurlijk; — mare = nachtmerrie; wip: They were riding the — mare =
aan het wippen; — oats (Zie Oats); The —est rubbish = de grootste
onzin; —-born = in wilden staat geboren; —cat = wilde kat; —cat bank =
zwendelfirma; —cat speculation = onsoliede, dolle speculatie; —cat
train = trein buiten de dienstregeling; —catter = iemand die
grondboringen doet in de hoop petroleum te vinden (Amer.); —-fire =
Grieksch vuur, weerlicht, roos (ziekte): The report spread like —-fire
= als een vuurtje; —-fowl = wild gevogelte (vooral watervogels);
—-fowling = het jagen op —-fowls; —-goose, subst. wilde gans; adj.
dolzinnig, dwaas: A —-goose chase = dwaze onderneming, dol plan;
—erness, wildənəs, wildernis, woestenij; —ing, subst. in ’t wild
groeiende plant, of vrucht daarvan; adj. in ’t wild groeiend; —ness =
wildheid.
Wilde, waild.
Wile, wail, slimme streek of zet, list.
Wilful, wilful, opzettelijk, moedwillig, eigenzinnig, halsstarrig;
subst. —ness.
Wilhelmina, wilhelmînə.
Wiliness, wailinəs, subst. v. Wily.
Wilk, wilk = Whelk.
Wilkes, wilks.
Will, wil, subst. wil, wilskracht, willekeur, verlangen, testament; —
verb. zullen, willen, plegen, wenschen, begeeren, bevelen, vermaken:
You may change it at — = naar welgevallen; To have all things at — =
alles naar wensch hebben; He holds his power at the people’s — =
ontleent zijne macht aan den wil des volks; Of your own free — = geheel
vrijwillig; He fell (set) to work with a — = met lust en ijver; With
good — = met goeden wil; She would have her — = haar zin; He had a — of
his own = was eigenzinnig; To make one’s — = zijn laatsten wil
(testament) maken; To work one’s — = zijn wil doorzetten; Good— =
welwillendheid, klandizie: Good— to man = in menschen een welbehagen;
He bears me a good (an ill) — = is mij welgezind (draagt mij een kwaad
hart toe; Zie ook Way); He — get angry = is wel eens boos, wordt gauw
boos; Boys — be boys = jongens zijn jongens; He — have me dine with him
to-morrow = hij wil mij morgen te eten hebben; — he nill he = of hij
wil of niet, willens of onwillens; The Lord —s me to go = de Heer wil,
dat ik ga; His cousin —s the estate to his sister = vermaakt; You are
free to — your property away to anybody = vrij uwe bezittingen aan wien
ge wilt te vermaken; —-power = wilskracht; You are a self-—ed character
= eigenzinnig, koppig. Zie Willing.
Will, wil, verk. van William, wilj’m; Willie Winkle = Klaas Vaak.
Willing, wiliŋ: I am — = ik ben bereid, wil wel; God — = indien God het
wil; — or not — = — or unwilling = hij mag willen of niet; —ness =
gewilligheid, genegenheid.
Will-o’-the-wisp, wilədhəwisp, dwaallichtje.
Willoughby, wiləbi.
Willow, wilou, wilg, wilgentak(-hout), bat: He (she) is wearing the — =
treurt of rouwt over een verloren lief; To wield the — = cricketen;
—-garland = wilgenkrans; —-tree = wilgenboom; —-warbler = —-wren =
fitis, hofzanger; —ed = vol wilgen, met wilgen beplant; —y = vol
wilgen, als wilgen, als eene wilg.
Willy-nilly = of hij wil of niet, weifelend, onbetrouwbaar.
Willy, wili, Wim.
Wilt, wilt, verwelken, slap worden, ontzenuwen.
Wilton, wilt’n: — carpet, soort. v. pluche of velours tapijt;
Wiltshire, wiltšə.
Wily, waili, sluw, slim.
Wimble, wimb’l, subst. drilboor; — verb. boren, drillen.
Wimbrel, wimbr’l. Zie Whimbrel.
Wimple, wimp’l, subst. kap waarmede de priesters worden bekleed bij de
aflegging der geloften; zwarte kap der nonnen; — verb. met een kap
bedekken, omsluieren, rimpelen, kronkelen: The wimpling waves =
gerimpelde golven.
Win, win, subst. overwinning, gewonnen partij, succes; — verb. winnen,
verkrijgen, behalen, overwinnen, zegevieren, bewegen, overreden: — her
and wear her = win haar en koester haar; Who —s loses = qui perd gagne;
He could not — the ear of the audience = zijn gehoor niet boeien; To —
one’s way = (langzaam) vorderingen maken; He has won me over = mij
overgehaald; We have won through this dreary time by the help of
illusions = zijn dezen naren tijd te boven gekomen; That has won upon
the hearts of the people = het hart der menschen ingepakt; We have won
upon the enemy = een voordeel behaald op; He so won upon me that .... =
kreeg me zoover; —ner = winner; —ning = bekoorlijk, innemend (—s =
winst): To have a —ning way with a person = zich bemind maken bij;
—ning-post = eindpaal (bij wedrennen).
Wince, wins, terugdeinzen (at), ineenkrimpen, uitvluchten zoeken: He —d
from the very thought of death = ijsde bij; He —d under the blow =
kromp ineen; Without wincing = zonder een spier te vertrekken.
Winch, winš, subst. haspel, lier; — verb. ophijschen met een lier.
Winchelsea, wintšəlsî; Winchester, wintšəstə: — rifle = soort geweer.