Declarative; To be declaratory of = bevestigen; Declare, diklêə,
verklaren, verzekeren, bekend maken, aangeven, constateeren: I — = ik
moet zeggen; The result was —d as follows = bekend gemaakt; He —d
himself to her = deed haar eene liefdesverklaring; He had not yet —d
himself = nog geen partij gekozen; His name was —d at the Exchange =
werd aangeslagen op de beurs als failliet; Anything to —? = iets te
declareeren; I have —d the contract off = ik heb verklaard, niet te
willen voortzetten; —d = openlijk; —r.
Declassed, diklâst, uitgestooten.
Declension, diklenš’n, verval, afdaling, vermindering, afwijking,
verbuiging; bedanken (Amer.).
Declinable, diklainəb’l, verbuigbaar; Declinate, deklineit, naar
beneden gebogen, met een bocht; Declination = neerbuiging, verval,
achteruitgang, helling, declinatie, afwijking: — of the needle
(compass); Declinator = afwijkingsmeter; Declinatory = weigerend,
afwijzend; Declinature = bestrijding van de competentie van een hof
(Schotl.).
Decline, diklain, subst. afneming, verval, vermindering, uittering; —
verb. afwijken, verbuigen, neerbuigen, bukken, weigeren, vervallen,
uitteren, ten einde loopen, afwijzen: To go into a — = uitteren; He is
on the — = gaat achteruit; Prices are declining = gaan achteruit;
Declining age = hooge ouderdom.
Declivity, dikliviti, helling, glooiing, schuinte; Declivitous =
schuin, hellend = Declivous.
Decoct, dikokt, afkoken, uittrekken; subst. —ion.
Decollate, dikoleit, onthalzen; Decollation of St. John = 29 Aug.
Decolo(u)r(ize), dikɐlə(raiz), bleeken, Decolorant, dikɐlər’nt,
bleekmiddel; Decoloration = bleeken, kleurloosheid.
Decompose, dîk’mpouz, ontbinden, oplossen, ontleden; Decomposite,
Decomposite, veelvoudig samengesteld; Decomposition = ontbinding.
Decompound, dik’mpaund, veelvoudig samenstellen of verbinden; ook adj.:
A — leaf, flower = een dubbel blad, dubbele bloem.
Decorate, dekəreit, versieren, optooien; Decoration, dekəreiš’n,
versiering, sieraad, decoratie: — day = 30 Mei (in Amerika), bestemd
tot versiering van de graven der in den burgeroorlog gesneuvelden
(1861–1865); Decorative = versierend, verfraaiend; Decorator =
versierder, (decoratie)schilder.
Decorous, dikôrəs, dekərɐs, gepast, welvoegelijk; subst. —ness;
Decorum, dikôr’m, welvoegelijkheid, decorum.
Decoy, dikôi, subst. lokmiddel, aas, krijgslist; lokeend, eendenkooi; —
verb. verlokken, verleiden; —-duck; —-man = kooiker.
Decrease, dikrîs, dîkrîs, subst. afneming, vermindering, het vallen
(van het water); — verb. dikrîs, verminderen, (langzaam) afnemen.
Decree, dikrî, subst. decreet, verordening, voorschrift; gebod,
rechterlijke beslissing; — verb. bepalen, vaststellen, beslissen,
decreteeren: — nisi, naisai, voorwaardelijke beslissing (geldig zoolang
geen nieuw feit hiermee in strijd blijkt te zijn); To — levies =
lichtingen uitschrijven.
Decrement, dekrim’nt, achteruitgang, vermindering.
Decrepit, dikrepit, afgeleefd, gebrekkig.
Decrepitate, dikrepiteit, calcineeren van zouten; subst. Decrepitation.
Decrepitude, dikrepitjûd, afgeleefdheid, gebrekkigheid.
Decrescent, dikres’nt, afnemend; Decrescendo, dikrəšendou, decrescendo
(Muz.).
Decretal, dikrît’l, subst. bevel (vooral pauselijk); adj. tot een
decreet behoorend.
Decrier, dikraiə, hij die decries; Decry, dikrai, laken, in discrediet
brengen.
Decumb, dikɐmb, gaan liggen; Decumbence = liggende houding; Decumbent =
liggend, bedlegerig.
Decuple, dekjup’l, subst. tienvoud; adj. tienvoudig; — verb.
vertienvoudigen.
Decurrent, dikɐr’nt, afloopend; Decursive, dikɐ̂siv, afloopend.
Decussate, dikɐsit, kruisstandig; — verb. dikɐseit, dekəseit =
kruiselings snijden.
Dedicate, dedikit, adj. toegewijd; — verb. dedikeit, toewijden,
opdragen, wijden; Dedicatee = wien een werk wordt opgedragen;
Dedication = toewijding, opdracht; Dedicator = die opdraagt; Dedicatory
= bij wijze van opdracht.
Deduce, didjûs, afleiden, opmaken (uit); —ment = gevolg; Deducible = af
te leiden uit (from).
Deduct, didàkt, aftrekken, afnemen, wegleiden: Charges —ed = na aftrek
van kosten; —ion = vermindering, afneming, gevolgtrekking; The —ive
method = de deductieve methode.
Deed, dîd, subst. daad, feit, handeling, akte; — verb. bij akte
overdragen (Amer.): — of gift = schenkingsakte; — of partnership = acte
v. vennootschap; — of sale = koopakte; — of trust = volmacht; He was
caught in the very — = op heeterdaad; —-poll = hoofdelijke akte
(tegenover de dubbele), omdat ééne der partijen ze maakt; —y = ijverig,
knap.
Deem, dîm, oordeelen, denken: He —ed it an honour = achtte het eene
eer.
Deemster, dîmstə, titel van de 2 justices op het eiland Man.
Deep, dîp, subst. diepte, zee; adj. diep, diepzinnig, verdiept, laag,
achteraf, verborgen, geheim, doordringend, ernstig, zwaar, hoog,
donker, sluw: He is a — one = een slimmerd; Of a — blue (colour) =
donkerblauw; They have drunk — = zwaar gedronken; He lied — = loog
schandelijk; To play — = hoog spelen; A —ly-bitten sketch of the city
of L. = een scherpe (scherp gelijnde) schets; The —-mouthed thunder =
krachtige en holklinkende; —-read in the classics = zeer belezen; The
—-sea water = het water der zee op meer dan 200 vademen diepte; —-set =
diepliggend; —-toned instruments = zwaar (plechtig) klinkende; —en =
verdiepen, donkerder (sterker) worden of maken; —most = diepste,
verste; —ness = scherpzinnigheid, sluwheid.
Deer, dîə, hert; goedje: The small — = het kleine grut; —mouse =
eekhorentje (Canada); —-neck = dunne, slecht gevormde nek (van een
paard); —-stalker = hertenjager; laag hoofddeksel (soms met oorkleppen)
door deze jagers gedragen; —-stalking, stôkiŋ, jacht op herten (door ze
te besluipen).
Deface, difeis, schenden, misvormen, doorhalen, uit het veld slaan;
bekrassen of beschrijven van muren, etc.; subst. —ment.
Defalcate, difalkeit, snoeien (van geld), verminderen, korten;
verduisteren; Defalcation = verkorting, verduistering, besnoeiing;
Defalcator, Defalcator = verduisteraar.
Defamation, defəmeiš’n, laster, eerrooving; adj. Defamatory; Defame,
difeim, lasteren, eerrooven.
Default, difôlt, subst. gebrek, verzuim, verwaarloozing, in gebreke
blijven, nietverschijning (voor de rechtbank); — verb. bij verstek
veroordeelen, niet voldoen aan (een contract, eene belofte, etc.):
Judgment by — = veroordeeling bij verstek; To go by — = bij verstek
veroordeelen; door afwezigheid van een der partijen niet doorgaan; He
made (a) — = hij verscheen niet; To suffer a — = verstek laten gaan; In
— of = bij gebreke van: A fine of £ 3, or seven days’ imprisonment in —
= subsidiair 7 dagen gevang.; —er = woordbreker, misdadiger,
wanbetaler.
Defeasance, difîz’ns, nietigverklaring, vernietiging, opheffing; —d =
vernietigbaar = Defeasible.
Defeat, difît, subst. nederlaag, verijdeling, vernietiging, berooving,
ongeldig verklaring; — verb. verslaan, verijdelen, van nul en geener
waarde maken; berooven.
Defecate, defikit, adj. gezuiverd; — verb. defikeit, zuiveren, klaren;
subst. Defecation.
Defect, difekt, gebrek, onvolkomenheid; —ion = afval, afvalligheid;
—ive = gebrekkig; subst. —iveness.
Defence, difens, verdediging, versterking, verdedigingswerk,
bescherming: Line of — = verdedigingslinie; —less = weerloos; subst.
—lessness.
Defend, difend, verdedigen, beschermen: We —ed ourselves against the
enemy = verdedigden ons tegen; To — oneself from reports = tegen
praatjes; — me from my enemies = bewaar mij voor; —able = verdedigbaar;
—ant = beklaagde, gedaagde; —er = verdediger: — of the Faith = titel
van Eng. vorsten sedert Hendrik VIII (1521); Defense = Defence;
Defensibility = verdedigbaarheid; Defensible = houdbaar; Defensive =
verdedigend, verwerend: To act (be, stand) on the — = een verdedigende
houding aannemen; Defensor = verdediger, beschermer; Defensory =
verdedigend.
Defer, difɐ̂, uitstellen, talmen; zich onderwerpen aan; verwijzen: I —
to your opinion = onderwerp mij aan; I — to the sixth example = verwijs
naar; —red bonds = obligaties recht gevend op stijgenden interest (tot
bepaalde hoogte) in welk geval ze geconverteerd of tot active bonds
worden; —ence, defərens, eerbied, onderwerping, eerbiediging; —ent,
defərent, geleidend; subst. geleider, overbrenger: The air is a —ent of
sound = klankgeleider; Deferential, eerbiedig; —rer = uitsteller.
Defiance, difai’ns, uitdaging, uittarting: In (flat) — of all rules =
trots alle regelen; He bears (bids) — to them all = tart ze allen; He
set all the rules at — = hij zondigde tegen al de regels; Defiant =
trotseerend, tartend.
Deficience, —cy, difiš’ns(i), gebrek, tekort, deficit, onvolkomenheid:
— Bills = voorschot door de Bank of England aan de regeering, ter
inlossing der coupons; To make up for (to supply) a — = voorzien in een
gebrek; Deficient: He is — in that quality = hem ontbreekt, hij schiet
te kort in ...: Mentally — = zwakzinnigen; Deficit, defisit, dîfisit,
deficit.
Defile, difail, subst. engte, pas, défilé; — verb. defileeren;
bevuilen, verontreinigen, bezoedelen; subst. —ment; —r = ontwijder,
schender.
Definable, difainəb’l, te bepalen of begrenzen; Define, difain,
bepalen, beperken, uitleggen, beschrijven; Definite, definit, bepaald,
begrensd; subst. —ness; Definition = bepaling, omschrijving,
beschrijving; Definitive, subst. bepalend woord (b.v. een adjectief);
adj. beslissend, afdoend; subst. —ness.
Deflagrate, defləgreit, verbranden; subst. Deflagration.
Deflate, difleit, gas of lucht uitlaten.
Deflect, diflekt, afbuigen, afwijken; —ion = Deflexion, afwijking,
afdrijving (v. een schip).
Defloration, dîfloreiš’n, defloreiš’n, verkrachting; Deflour, Deflower,
diflauə, onteeren, schenden; —er = verkrachter.
Defluxion, diflɐkš’n, ontsteking, catarrh.
Defoe, dəfou.
Deforest, diforəst, ontwouden.
Deform, diföm, misvormen; Deformation = mismaking; —ed = mismaakt;
subst. —edness; Deformity = wanstaltigheid, mismaaktheid.
Defraud, difrôd, onrechtmatig onthouden, bedriegen, beetnemen; —er =
bedrieger, smokkelaar.
Defray, difrei, betalen, afbetalen, vereffenen: He —ed our expenses =
hield ons vrij; subst. —ment.
Deft, deft, vlug, vaardig, handig; subst. —ness.
Defunct, difɐŋkt, overleden(e).
Defy, difai, uitdagen, tarten, trotseeren: It defies description = gaat
alle beschrijving te boven. Zie Defiance.
Degeneracy, didženərəsi, ontaarding; Degenerate, adj. ontaard, laag;
subst, gedegenereerde; — verb. ontaarden; Degeneration = ontaarding.
Deglutinate, diglûtineit, losmaken (wat gelijmd is).
Deglutition, deglutitiš’n, dîglutiš’n, slikken.
Degradation, degrədeiš’n, dégradatie, afzetting, vernedering,
vermindering;—verb. Degrade, digreid; Degrading = onteerend.
Degree, digrî, subst. graad, rang, waardigheid, verwantschap, stand: He
took his — = promoveerde; By —s = trapsgewijze, langzamerhand; Persons
in their — = van hun stand; In a — = tot op zekere hoogte, in zekeren
zin; In no — = geenszins; In some — = eenigszins; eenigermate; To a — =
in hoogen graad, buitenmate; Honorary — = doctorstitel honoris causa;
—-day = promotiedag; —-title = academ. graad.
Dehisce, dihis, openspringen; adj. —nt; subst. —nce.
Dehort, dihöt, afraden; adj. —atory.
Deicide, dîisaid, Christusmoord, Christusmoordenaar.
Deific(al), dîifik’(l), vergoddelijkend; Deification = vergoddelijking,
apotheose; Deifier = vergoder; Deiform = van goddelijken vorm; Deify,
dîifai, vergoden, vergoddelijken.
Deign, dein, zich verwaardigen, toestaan.
Dei gratia, dî-ai greišiə, van Gods genade.
Deil, dîl, dil, duivel (Schotsch).
Deism, dîizm, deïsme; Deist = deïst; adj. Deistic(al); Deity, dîiti,
Godheid.
Deject, didžekt, adj. terneergeslagen (= —ed), ontmoedigd; — verb.
ontmoedigen, neerslachtig maken; —edness = —ion = neerslachtigheid,
moedeloosheid; —ory = ontmoedigend, afdrijvend.
Delactation, dîlakteiš’n, het spenen.
Delany, dileini, deləni.
Delate, dileit, aangeven, aanklagen; subst. Delation: Espionage and —;
Delator = verklikker.
Delay, dilei, subst. uitstel, vertraging; — verb. uitstellen, rekken,
uitstel geven; zich laten wachten, aarzelen, belemmeren: All is not
lost that is —ed = uitstel is geen afstel; —er = uitsteller; reden van
uitstel.
Del credere, delkredərə, delcredere.
Dele, dîli, subst. uitschrappingsteeken; — verb. uitschrappen,
wegnemen; Deleble, delib’l, uitwischbaar.
Delectable, dilektəb’l, verrukkelijk, lekker; subst. —ness; Delectation
= genot.
Delegate, deləgit, subst. gevolmachtigde, afgevaardigde; adj.
gevolmachtigd; — verb. (deləgeit) volmacht geven, toevertrouwen,
afvaardigen; Delegation = afvaardiging, opdracht, deputatie.
Delete, dilît, uitwisschen, doorhalen.
Deleterious, dîlətîriəs, vergiftig, schadelijk.
Deletion, dilîš’n, subst. Zie Delete.
Delf, delf, Delftsch aardewerk = Delft ware.
Delhi, deli, Delhi.
Delian, dîliən, uit Delos.
Deliberate, dilibərit, adj. bedaard, overleggend, opzettelijk; — verb.
(dilibəreit) overwegen, beraadslagen; subst. —ness; It was taken into
deliberation = het werd in overweging genomen; Deliberative,
dilibərətiv, overleggend.
Delicacy, delikəsi, fijnheid, keurigheid, teerheid; heerlijkheid,
lekkernij; zwakheid; Delicate, delikit, fijn, teer, lekker,
voorzichtig, kiesch, kieskeurig, fijngevoelig, zwak; subst. —ness;
Delicious, dilišəs, heerlijk; subst. —ness.
Delict, dilikt, delict.
Delight, dilait, subst. genot, wellust, verrukking; — verb. verrukken,
streelen; behagen scheppen in, verheugd zijn over: To have (take) — in
= behagen scheppen in; I am —ed with it = ik ben er verrukt mee, over;
—ful = verrukkelijk; subst. —fulness.
Delimit, dilimit, afperken, de grenzen vaststellen; Delimitation =
vaststelling (der gr.).
Delineate, dilinieit, schetsen, ontwerpen, beschrijven; subst.
Delineation; Delineator = schetser, enz.
Delinquency, diliŋkw’nsi, misdrijf, misdaad, plichtverzuim; Delinquent,
diliŋkw’nt, subst. schuldige; adj. schuldig.
Deliquesce, delikwes, smelten of oplossen door vochtopneming; subst.
—nce; adj. —nt.
Delirious, diliriəs, ijlhoofdig, dol van (= with): To be — = ijlen;
subst. —ness; Delirium = delirium: In a — of drink; — tremens =
dronkaardswaanzin.
Delitescence, delites’ns, verborgenheid; plotseling verdwijnen van
gezwel of ontsteking; adj. Delitescent.
Deliver, dilivə, verlossen, bevrijden, overbrengen, leveren, in-, op-,
uitleveren, bestellen, overgeven, uitspreken: To — a message =
overbrengen; To be —ed in 8 days, at B = te leveren; To be —ed
immediately = in handen (op brieven); She was -ed of a boy = beviel van
een jongen; —ed in my trust = mij toevertrouwd; The fortress was —ed up
(over) = overgegeven; He —ed himself up = gaf zich in handen der
politie; —able = te leveren; —ance = bevrijding, beslissing,
vrijspreking; —er = verlosser, overbrenger; —y, diliv’ri, verlossing,
bevrijding, uitspraak, (wijze van) voordracht, levering, bestelling;
—y-pipe = afvoerpijp; —y-window = loket.
Dell, del, nauw dal.
Deliac, dîliək, uit Delos; artistieke vaas; Delos, dîlos; Delphian,
delfiən, Delphic, delfik, Delphisch, raadselachtig.
Delphin(e), delfin, den dauphin betreffend: — classics = de voor het
gebruik van den Dauphin (zoon van Lod. XIV) bestemde uitgaven der
klassieken; Delphine, delfin, tot de dolfijnen behoorend.
Delta, deltə, de Grieksche D = Δ; delta; —-leaved = met Δ-vormige
bladeren; Deltaic, delteiik, Delta ...; Deltification = deltavorming;
Deltoid, deltôid, deltavormig; deltaspier.
Deludable, dil(j)ûdəb’l, licht te misleiden; Delude, dil(j)ûd,
bedriegen, misleiden; —r = misleider.
Deluge, deljudž, subst. watervloed, zondvloed, groote menigte, ramp; —
verb. overstroomen, overstelpen: After me the —.
Delusion, dil(j)ûž’n, bedrog, bedriegerij, waan, begoocheling; adj.
Delusive, dil(j)ûsiv; subst. —ness; Delusory, dil(j)ûsəri = Delusive.
Delve, delv, graven, uitvorschen.
Demagogic(al), deməgodžik(’l); Demagogism, deməgodžizm, de beginselen
van een volksleider; Demagogue, deməgog, volksmenner.
Demain, dimein. Zie Demesne.
Demand, dimând, subst. eisch, vraag, behoefte; vordering; — verb.
eischen, vorderen: — and supply = vraag en aanbod; In great — = Much in
— = zeer gezocht, in trek; On — = op verlangen; Payable on — = op
zicht; —ant = eischer; —er = schuldeischer, adressant.
Demarcate, dimâkeit, de grenzen vaststellen; subst. Demarcation,
dîmâkeiš’n, afpaling, grenslijn.
Demean, dimîn, (zich) gedragen of houden; (zich) vernederen of
verlagen; —our, dimînə, gedrag, houding.
Dementate, dimentit = Demented = waanzinnig, krankzinnig; subst. —ness
= Dementia, dimenšə, krankzinnigheid, waanzin, idiotisme.
Demerara, demərârə.
Demerit, dimerit, gebrek, blaam, schuld, wangedrag, onwaardigheid.
Demersed, dimɐ̂st, onder water groeiend.
Demesne, dimîn, domein, grondbezit; gebied: The —s of the school = het
gebied.
Demi, demi: —god, halfgod; —-john = groote mandflesch; —-lance = korte
lans, licht gewapend ruiter; —-official = officieus; —-rep (=
demi-reputation), demi-mondaine; —-repdom; —-semiquaver = 32ste noot.
Demisable, dimaisəb’l overdraagbaar; subst. Demisability; Demise,
dimaiz, subst. overlijden; overdracht; — verb. overdragen; nalaten (bij
uiterste wilsbeschikking = To — by will).
Demission, dimiš’n, opgeven, laten varen; verlaging; Demit =
neerleggen.
Demiurge, demiɐ̂dž, Demiurgos, dimiɐ̂gəs, demiurgos; adj. Demiurgic.
Demobilization, dimobilizeiš’n, dimoubilizeiš’n, demobilisatie;
Demobilize, Demobilize = demobiliseeren, ontbinden (van troepen).
Democracy, dimokrəsi, volksregeering; Democrat, deməkrat, democraat;
adj. Democratic(al); Democratize = democratiseeren.
Demolish, dimoliš, afbreken, slechten, verwoesten; —er = afbreker,
verwoester; Demolition, deməliš’n = het afbreken, verwoesting.
Demon, dîm’n, demon; —ess = duivelin; —iac, dimounjək, bezetene; adj.
demonisch = —iacal, dîmənaiək’l = —ian, dimounj’n = —ic, dimonik;
—ology, dîmənolədži, demonenleer.
Demonetization, dimonitizeiš’n, subst. van Demonetize, dimonitaiz,
buiten omloop stellen van geld.
Demonstrable, dimonstrəb’l, dem’nstrəb’l, bewijsbaar; subst. —ness;
Demonstrate, dimonstreit, dem’nstreit, aantoonen, aanwijzen,
demonstreeren: Demonstration, dem’nstreiš’n, bewijs, demonstratie;
schijnbeweging; Demonstrative, dimonstrətiv, aanschouwelijk,
openhartig, overdreven, demonstratief, aanwijzend (voornaamwoord);
(brutaal, demənstreitiv); subst. —ness; Demonstrator = demonstrator,
prosector, wijsvinger.
Demoralization, dimorəlizeiš’n, dimorəlaizeiš’n, demoralisatie;—verb.
Demoralize, dimorəlaiz.
Demosthenes, dimosthənîz; adj. Demosthenic, demosthenik = Demosthenian.
Demotic, dimotik: — character = oud-Egyptisch volksschrift.
Demur, dimɐ̂, subst. aarzeling, weifeling; protest; — verb. aarzelen,
weifelen, excepties opwerpen: I cannot subscribe without —(ring) to so
sweeping a sentence = ik kan zulk een algemeen oordeel niet zonder
protest aanvaarden; I — at that = kom in verzet tegen; He —red to my
assertion = was het niet eens met; —rer = weifelaar; exceptie (jur.).
Demure, dimjûə, stemmig, zedig, preutsch; subst. —ness.
Demurrage, dimɐridž, liggeld (v. schepen); korting van 1½ d. per ons
goud bij inwisseling van banknoten bij de Bank of England: Days of — =
ligdagen.
Demy, dimai, een zeker papierformaat (56 bij 46 c.M. voor drukwerk, 48
bij 38 c.M. voor schrijven); zoogenaamde half-fellow of scholar van het
Magdalen College te Oxford; —-ship = beurs van 100 tot 50 £.
Den, den, subst. hol, leger, kuil; hok, gat: Daniel in the lions’ —.
Denarius, dinêriəs, oude zilveren munt (Rome) van ongeveer 8 stuivers;
een Engelsche penny: — Dei = Godspenning; — Sancti Petri = St.
Pieterspenning.
Denationalize, dinašənəlaiz, van de nationaliteitsrechten berooven.
Denbigh, denbi.
Dendri...., dendri...., Dendro..., dendrə..., in samenst., boom...;
Dendritic = boomachtig.
Dendrolite, dendrəlait, dendroliet, versteende boomstam; Dendrology =
boomenleer.
Denham, denəm.
Deniable, dinaiəb’l, loochenbaar; Denial, dinai’l, ontkenning,
verloochening, weigering: I will take no — = neem geen bedankje aan;
Denier = loochenaar.
Denim, denim, grove wollen stof.
Denis, denis.
Denization, denizeiš’n, naturalisatie: Letters of —; Denizen, deniz’n,
subst. bewoner, genaturaliseerd burger; — verb. het burgerrecht
verleenen; —ship.
Denmark, denmâk: — satin shoes = stoffen laarsjes.
Dennis, denis, Dionysius.
Denominate, dinomineit, benoemen, aanwijzen; Denomination = naam,
benaming, sekte; Denominational education = confessioneel onderwijs;
Denominative = benoemend of benoemd; Denominator = noemer (van eene
breuk).
Denotable, te onderscheiden; Denotation of a term = omvang (ruimte) of
beteekenis eener uitdrukking; Denote, dinout, aanwijzen, aanduiden.
Denouement, Fr. uitspr., ontknooping, afloop.
Denounce, dinauns, dreigen met, dreigend verklaren, aanklagen,
aanbrengen, opzeggen (a treaty); subst. —ment; —r = aanbrenger.
Dense, dens, dicht, bekrompen, dom; The —ness of the public is
something wonderful = domheid; Density = dichtheid.
Dent, dent, indruk, deuk; tand; —al, subst. tandletter; adj. tand...: —
formula = tandformule; — surgeon = tandmeester; —ate(d), denteit(id),
—ed, getand; —iculate(d), dentikjul(e)it(id), met tandjes; met
kalfstanden (bouwk.); subst. —iculation; —iform, dentiföm, tandvormig;
Dentifrice, dentifris, tandpoeder; Dentist, dentist, tandmeester;
Dentistry = tandheelkunde; Dentition, dentiš’n, het tandenkrijgen;
tandstelsel; Dentolingual, dentəliŋgw’l, subst. en adj. (consonant)
door tong en tanden gevormd; Denture, dentjə, tandenrij; kunstgebit.
Denudation, denjudeiš’n, ontblooting, berooving:—verb. Denude, dinjûd.
Denunciation, dinɐnšieiš’n, Denunciate, dinɐnšieit; Denunciator. Zie
Denounce.
Deny, dinai, ontkennen, tegenspreken, weigeren, (ver)loochenen: To —
oneself = belet geven; He denied himself every pleasure = ontzeide zich
elk genot; She was denied = zij kreeg “belet”.
Deobstruct, diobstrɐkt, purgeeren; Deobstruent = subst. en adj.
zuiverend of purgeerend (middel).
Deodorization, dioudərizeiš’n, dioudəraizeiš’n, ontsmetting, reukeloos
maken;—verb. Deodorize, dioudəraiz; —r = ontsmettingsmiddel.
Deontology, diontolədži, Bentham’s leer der zedelijke verplichting.
Deo volente, dîə vəlenti, als God het wil.
Deoxidate, dioksideit, Deoxidize, dioksidaiz, reduceeren; subst.
Deoxidation.
Depaint, dipeint, afschilderen, malen.
Depart, dipât, vertrekken, heengaan, sterven, opgeven, afzien van,
afwijken, verlaten: The statesman —ed this life on the 20th = scheidde
uit het leven, stierf; He —ed from his house = ging heen; Our dear —ed
= overledene(n); The —ed = de overledenen; Departure, dipâtšə, vertrek,
dood, afwijking, richting, wending: He took his — = vertrok; That is
quite a new — = heel wat nieuws, een geheel nieuwe richting; He took a
new — at 40 = op 40-j. leeftijd werd hij een ander man.
Department, dipâtm’nt, afdeeling, werkkring, departement; Departmental
= afdeelings- -.
Depauperization, dipôpərizeiš’n, subst. v. Depauperize, dipôpəraiz, uit
de armoede opheffen.
Depend, dipend, neerhangen, afhangen, vertrouwen op, rekenen op: It
(All) —s = dat hangt er vanaf; They are people to be —ed upon = ver- en
betrouwbare menschen; — upon it = reken daarop; Every man must — upon
himself = zelf is de man; —able = vertrouwd: To employ — tradespeople;
—ance, —ence, —ency = afhankelijkheid, verband: —encies = toebehooren;
wingewest, kolonie; —ent = afhangend (on), neerhangend (from),
afhankelijk, onbeslist, berustend op; subst. dienaar, vazal; —ing,
onbeslist of hangende (van eene rechtszaak).
Depict, dipikt, afschilderen, malen = —ure.
Depilate, depileit, ontharen; Depilation, ontharen, uitvallen van
haren; Depilatory, ontharend; Depilatories = ontharingsmiddelen.
Deplete, diplît, ledigen, aderlaten, uitputten; subst. Depletion,
aderlating, uitputting.