adv. juist, precies, nagenoeg: But — = net, eventjes, nauwelijks; —
give me a light = geef me even; I will — step in = even; I am only a
poor girl, — Winifred = W. maar; — like = precies zoo; — now = zooeven,
op het oogenblik; He wishes a thing to be — so, and not otherwise; We
really are — there = zoo dadelijk, aanstonds zijn we er; You are not
going — yet, are you? = je gaat toch nog niet weg? You won’t get it —
yet = vooreerst niet; It is — possible = wel mogelijk; That’s — the
thing I want; —ness = rechtvaardigheid, billijkheid.
Justice, džɐstis, gerechtigheid, rechtvaardigheid, onpartijdigheid,
rechter (Judge is de officieele titel van de rechters in de County
Courts): Lord Chief — = opperrechter; — of the peace = vrederechter;
Justices’ — = de soms zeer wonderlijke uitspraken der —s of the Peace
(dit zijn leeken); To do — to = recht laten wedervaren; Do me the — to
admit = wees zoo billijk; You cannot do so in — = van rechtswege,
rechtens; There has been a gross miscarriage of — = eene grove
rechterl. dwaling; —ship = rechterschap: Justiciable, džɐstišiəb’l,
justitiabel; Justiciary, džəstišiəri, gerechtelijk, gerechts - -;
subst. rechter, rechtsgebied; High Court of — = hoogste gerechtshof in
Schotland voor crimin. zaken; Justicing-room = gerechtszaal.
Justifiable, džɐstifaiəb’l, verdedigbaar, rechtmatig; subst. —ness;
Justification = rechtvaardiging, verdediging, redding of
rechtvaardigverklaring van zondaren; Justificative = Justificatory,
rechtvaardigend, verdedigend; Justifier, džɐstifaiə, rechtvaardiger,
verdediger; justeerder; Justify, džɐstifai, rechtvaardigen,
vrijspreken, bewijzen, sluiten (bij het drukken).
Justin, džɐstin, Justinius. Justinian, džɐstinj’n, Justinianus; ook
adj.
Justle, džɐs’l. Zie Jostle.
Jut, džɐt, subst. uitsteeksel; — verb. uitsteken, vooruitspringen;
—-window = uitstekend venster.
Jute, džût, jutte; Jut.
Jutland, džɐtl’nd.
Juvenal, džûvən’l, Juvenalis.
Juvenescence, džûvənes’ns, jeugd, onrijpheid; adj. Juvenescent.
Juvenile, džûvən(a)il, jeugdig, jong, kinder - -; subst. jongeling;
‘jeune amoureux’; Juvenility, džûvəniliti, jeugdigheid.
Juxtaposition, džɐkstəpəziš’n, naast elkander plaatsing, het naast
elkander geplaatst zijn: To put in — = tegenover elkaar stellen.
Juzail, džuzeil, zwaar geweer (bij de Afghanen).
K.
K, kei; K(ing); K.B. = Knight of the Bath = ridder van de Bathorde;
K(night) C(ommander of the) S(tar of) I(ndia); K.C.B. = Knight
Commander of the Bath; K.G. = Knight of the Garter = ridder van den
kouseband; K.G.C.B. = Knight Grand Cross of the Bath = ridder
grootkruis van de B.-orde; K.G.F. = Knight of the order of the Golden
Fleece = ridder van het Gulden Vlies; Ki(ngs); Knt. of Kt. = Knight;
Kent. of Ky. = Kentucky.
Kaaba = Caaba.
Kaama, kâmə, kleine vos, ook hartebeest (Z.-Afr.).
Kabul, kâbul; Kabyle, kəbîl, kəbail.
Kaffer, Kaffir (Kafir), kâfə, kafə, ongeloovige; Kaffer(sch); —s = Zuid
Afrik. mijn-actiën; adj. kaffer - -.
Kail, keil, (boeren)kool, koolsoep, middagmaal; —-yard, subst.
moestuin; adj. in den geest v. de Kail-yard school, van schrijvers als
Ian Maclaren, etc.
Kainite, kainait, kainiet.
Kale, keil = Kail.
Kaleidoscope, kəlaidəskoup, kaleidoscoop; adj. Kaleidoscopic(al).
Kalender = Calender.
Kali, kali, keili, potasch; —um, keiliəm, potassium.
Kalmuck, kalmɐk, kalmuk; ruige, grove stof.
Kamptulicon, kamptjûlikon, soort linoleum.
Kamsin, kamsin, heete Zuid-oostewind (Egypte).
Kangaroo, kaŋgərû, kangoeroe; — verb. op kang. jagen, ver springen.
Kansas, kansas.
Kaolin, kâəlin, keiəlin, porseleinaarde.
Kapok, kəpok, kapok.
Kaross, kəros, dierenvel door Afrik. stammen gedragen.
Ka(r)roo, kərû, groote zandvlakte in de Z.-Afrik. hoogvlakten.
Kasan, kəzan; Kashmer, kašmî; Kate, keit; Katharina, kâtharainə;
Katherine, kathərin; Kathleen, kathlîn; Katrine, katrin; Kavanagh,
kavənâ.
Kavass, kəvas, gewapende konstabel ter bescherming van een officieel
persoon (Turkije).
Kayak, kaiək, keijək, kajak.
Kea, kîa, een soort papegaai (N. Zeel.).
Kean, kîn; Kearney, kâni; Keble, kîb’l.
Keckle, kek’l, touwwerk met smarting omwoelen of bekleeden.
Kedge(r), kedž(ə), klein werpanker (= —-anchor); — verb. met behulp van
een k. vooruittrekken.
Kee, kî, interj. kiede-kiede!
Keek, kîk, kijken, gluren (Schotl.).
Keel, kîl, subst. kiel, kolenschuit, kolenmaat; — verb. van een kiel
voorzien, omslaan (over), met de kiel over den grond schuren (ook: to
plough with the —), varen; To float — up = onderste boven: —-boat =
kielboot; —er (= —man) = schuitenvoerder; —haul = kielhalen; —son =
kolsem (scheepst.).
Keeling, kîliŋ, leng (soort v. kabeljauw).
Keen, kîn, scherp, vinnig, bijtend, bits, doordringend; belust, verzot
(on): As — as mustard; —-edged; —-eyed; —witted = scherpzinnig; subst.
—ness.
Keep, kîp, subst. bewaring, bewaking, slottoren, redoute, bestaan,
onderhoud, voer, kost; — verb. bewaren, behouden, hoeden, bewaken,
weerhouden, handhaven, onderhouden, vervullen, houden, etc.: I am —ing
you = houd je op; It won’t — (well) = blijft niet goed; To — aloof =
zich op een afstand houden; To — at bay = van zich afhouden; To — close
= geheim houden; To — silent (silence) = zwijgen; He kept crying = hij
schreide maar door; He kept us waiting = liet ons wachten; To — company
= gezelschap houden; To — company with = verkeeren met; To — (one’s)
counsel = zwijgen, een geheim bewaren; Do you — figs? = hebt gij ook
vijgen te koop? To — garrison at = in garnizoen liggen; To — one’s
ground = stand houden; To — bad (late), good (early) hours = altijd
laat, vroeg thuis zijn; To — house = huishouden; To — pace with = op de
hoogte blijven van, meegaan met; Put your trust in God, and — your
powder dry; — thy shop and thy shop will — thee = pas op uw zaak en uw
zaak zal u onderhouden; To — one’s temper = zich inhouden, kalm
blijven; To — terms = college loopen; To — time = in de maat blijven;
To — touch of, in touch with = voeling houden met; To — watch = wacht
houden; To — one’s silver wedding = vieren; — it back = houd het
geheim, bedwing u; He kept down his anger = onderdrukte; — from sin =
laat af van; He kept me from my lessons = hield mij af; I kept the
knowledge of it from him = onthield hem; I could not — from saying it =
niet nalaten; To — in (after school-hours) = nahouden; It’s well to —
in with her = op goeden voet te blijven; To — off = afweren, afhouden
(van); I could not — myself on my legs = niet op de been blijven; The
army was kept on foot = werd onder de wapenen gehouden; He kept on
taking the first turning to the right = nam maar steeds; He kept on
turning = hij keek maar steeds om; — it on = ga zoo door; — on with
your algebra by yourself = ga zelf door; To — out of harm’s way = voor
gevaar, ongelukken behoeden; These advertisements must be kept over =
tot een volgend nummer uitgesteld; The ship was kept to = bij den wind
gehouden; To — to a promise = houden aan; I — to my own people = houd
me bij; To — together = bijeen houden, vereenigd blijven; The ship was
kept under weigh (way) = gaande gehouden; He could not — up with me =
hij kon mij niet bijhouden; — it up, boys! = houd vol; He kept me up to
the letter of the contract = hield mij strikt aan; —er = houder,
bewaarder, opziener, opzichter, cipier: —er of the Great Seal =
Grootzegelbewaarder (in Engeland de Lord Chancellor); —er of the Privy
Seal = geheimzegelbewaarder; —ership; —ing = bewaring, opzicht, hoede,
hechtenis, voeding; In —ing with = harmonieerend met; You are here in
safe —ing = in veilige hoede; —ing-room = huiskamer; —sake =
gedachtenis, herinnering, aandenken: By way of (As a) —sake = als
gedachtenis.
Keeve, kîv, subst. tobbe, kuip, mand; — verb. in eene kuip zetten te
gisten.
Keg, keg, vaatje.
Keighley, kîthli; Keightley, kaitli; Keith, kîth.
Kek, kek, kijk, zie (Z.-Afr.).
Kelp, kelp, kelp, een ruwe soda uit wier of zeegras.
Kelpie, Kelpy, kelpi, soort v. watergeest (Schot.).
Kelson, kels’n, kolsem. Zie Keelson.
Kelt, kelt, kelt; wollen stof van zwarte en witte wol gemaakt.
Kemp, kemp, grove wol, onreinheden in bont.
Ken, ken, subst. gezichtskring, ordinaire kroeg of kosthuis; — verb.
waarnemen, bespeuren, onderscheiden, kennen: Beyond one’s — = te hoog
(fig.), onbegrijpelijk; Out of — = onzichtbaar, buiten het gezicht;
Within — = zichtbaar; —ning = gezichtsgrens op zee (20 miles); —nings =
herkenningsteekens, merken op de kust (scheepsterm).
Kench, kenš, kuip, vat (Amer.).
Kendal: — Black Drug, kend’lblakdrɐg, laudanum; — green, kend’lgrîn,
groen laken (voor jagers, enz.).
Kenelm, kenelm; Kenilworth, kenilwɐ̂th.
Kennel, ken’l, subst. hondenhok, hok, vossenhol, “meute”, goot, poel; —
verb. in een hol wonen, in een hok opsluiten: — coal = gaskool; —-raker
= voddenraper.
Kensington, kenziŋt’n.
Kent, kent, Kent; adj. —ish: —-fire = applaus met rhythmisch
handgeklap.
Kentucky, kentɐki.
Keogh, kîou, als plaatsnaam; kjou, als persoonsnaam; Keokuk, kîəkɐk.
Kept, kept, P. Imp. en P.P. van To Keep: Badly — up = slecht
onderhouden; — mistress, bijzit.
Kerb(stone), kɐ̂b(stoun), trottoirband.
Kerchief, kɐ̂tšif, doek.
Kerf, kɐ̂f, kerf, insnijding (van eene zaag).
Kermes, kɐ̂mîz, kermes, een soort van schildluis: — grains = scharlaken
korrels.
Kermess, kɐ̂mes, kermis, gecostumeerd weldadigheidsfeest (Amer.).
Kern, kɐ̂n, Oud Iersche of Hooglandsche voetknecht, landlooper, karn;
binnenhalen van den oogst en oogstfeest; —-baby = met korenaren
versierde pop bij het oogstfeest.
Kernel, kɐ̂n’l, subst. pit, kern, korrel; — verb. korrelen: He that will
eat the —, must crack the nut; To have no — = niet degelijk zijn.
Kernooze, kənûz, kennen, op de hoogte zijn van; —r = kenner,
connaisseur.
Kerosene, kerəsîn, gezuiverde petroleum.
Kerrie, keri, werpknots (Z.-Afr.).
Kerse, kɐ̂s, kers, kleinigheid (verouderd, maar nog over in: Not worth a
— = geen zier waard; Verg. Not worth a damn).
Kersey, kɐ̂zi, subst. grove, wollen stof; ook adj.: —s = broek van die
stof.
Kerseymere, kɐ̂zimîə, casimir.
Kestrel, kestr’l, torenvalk.
Keswick, kezik.
Ket, ket, kreng, vuil.
Ketch, ketš, kits, kaag (vaartuig).
Ketch, ketš = Jack —.
Ketchup, ketšəp, soort v. saus. Ook Catsup en Catchup gespeld.
Kettle, ket’l, ketel: Here is a pretty — of fish = dat ’s een mooie
boel; —drum = keteltrom, pauk; theevisite; ook verb. = pauken;
—-drummer = paukenslager; —-maker = ketelmaker.
Kevel, kev’l, kruisklamp (scheepst.); steenhouwershamer.
Kew, kjû.
Key, kî, sleutel, toets, klep, toonaard, oplossing, vertaling; — verb.
vastpinnen; stemmen, spannen: We have the — of the position = het
voornaamste punt der positie; The pope has the power of the —s = de
macht over den hemel; That fellow has the — of the street = de stumperd
heeft geen thuis, kan niet in huis; To be in — with = in harmonie met;
—-basket = sleutelmandje; — bit = (sleutel)baard; —board = klavier (van
orgel of piano); —-bone = sleutelbeen; —-bugle = klephoorn; —hole =
sleutelgat; —-note = grondtoon; —-pipe = pijp; —-ring = sleutelring;
—-screw = schroefsleutel; —-stone = sluitsteen; —-word = slagwoord; All
—ed up = klaar voor het gebruik; —less watch = remontoir.
Keziah, kəzaiə.
Khaki, kâki, bruingeel, khaki; subst. khaki stof, soldaat in khaki
uniform: Dressed in —.
Khalifa, kalifə, kalifa; —te, kalifeit, keilifeit, kalifaat.
Khan, kan, kân, Aziat. gouverneur, vorst, koning, prins, hoofd;
karavanserij; Khanate, kanit, kânit, rechtsgebied van een khan.
Khartoum, kâtûm.
Khedival, kədîvəl, van den Khedive; Khedivate, kədîvit, ambt(sgebied)
van den Khedive; Khedive, kədîv, onderkoning (van Egypte).
Khel, kel, een Afghaansche stam.
Khirkah, kɐ̂ka, een gelapt kleedingstuk door dervischen gedragen.
Khoras(s)an, kourasân.
Khubber, kɐbə, bericht.
Khud, kɐd, ravijn.
Kiack, kiak, Boed. tempel.
Kibe, kaib, open winterblaar.
Kibitka, kibitkə, Russisch rijtuig, als slede te gebruiken; Tartaarsche
tent.
Kick, kik, subst. schop, terugstoot (van ’t geweer): — verb. schoppen,
stooten, achteruitslaan, zich verzetten: He has a good deal of — in him
this morning = hij is van morgen slecht in zijn hum; —-off = eerste
schop; At the age of 14 she —ed the beam at 180 pounds = haalde ze al
180 pond; He —ed the beam = werd te licht bevonden, verloor het; To —
the bucket = dood gaan; To — against kismet = zich tegen het noodlot
verzetten; The horse —s at everybody = slaat naar iedereen; His stomach
—ed at the medicine = walgde van: I —ed him out to sink or swim = ik
liet hem aan zijn lot over; To — over the traces = uit den band slaan;
Don’t — up a row here = maak hier geen standje of opstootje; He —ed up
his legs (heels) = sprong vroolijk rond; He was —ed upstairs into a
splendid post = werd vooruit geschopt, en kreeg; —er = schopper,
voetbalspeler, paard dat achteruit slaat, dwarskop; He is alive and
kicking = springlevend.
Kickshaws, kikšôz, beuzelarijen, wissewasjes, liflafjes (tegenover
“soliede” kost).
Kicksies, kiksiz, broek: —-builder = kleermaker.
Kid, kid, subst. jonge geit, geitenleer, glacé-handschoen, kind, onzin,
zwendel, vaatje, platte schotel, takkebos; adj. van geitenleer; — verb.
ter wereld brengen, bedotten: There is no —ding about him = men kan op
hem aan; Many candidates — to their constituents = houden hunne kiezers
voor het lapje; —-gloves = glacé-handschoenen; —dy = ventje; dief; —
verb. bedotten; —ling = klein geitje.
Kidderminster, kidəminstə, goedkoop soort vloerkleed.
Kiddle, kid’l, teenen vischweer; speeksel.
Kiddy, kidi. Zie Kid.
Kidnap, kidnap, stelen, met geweld wegvoeren, pressen; —per = steler
(van kinderen), zielverkooper.
Kidney, kidni, nier; soort, aard: They are all of the right (same) — =
zij zijn allen van ’t goede (zelfde) soort; —-bean = witte boon; —-form
= —-shaped = niervormig.
Kiefekil, kifikil, meerschuim.
Kildare, kildêə.
Kilderkin, kildəkin, vaatje van 18 gallons.
Kilkenny, kilkeni.
Kill, kil, dooden, blusschen, dooven, stillen; subst. het dooden, buit:
She dances to — = zij is een onvermoeide danseres; To — time = den tijd
dooden; It would be a case of — or cure = er op of er onder; —-devil =
rum of sterke drank in ’t algemeen; He is a —-joy = een spelbederver,
een “saaie Klaas”; —-time = tijdverdrijf; —ing = doodelijk,
onweerstaanbaar, vreeselijk: You are too —ing = je laat me nog
doodlachen; To look —ing = er onweerstaanbaar uitzien.
Killaloe, kiləlou; Killarney, kilâni.
Killick (= Killock) kilək, klein bootsanker, ankersteen.
Killigrew, kiligrû; Kilmarnock, kilmânək; Kilmore, kilmö.
Kiln, kil(n), oven, eest, kalkoven; —-dry = in een oven of eest drogen;
—-hole = mond van een oven.
Kilo, kilou, Kilogram(me), kiləgram, kilogram; Kilolitre, kiləlîtə,
kilolitə, kiloliter; Kilometer, kiləmîtə, kilomitə, kilometer;
Kilowatt, kiləwot = 1000 Watt (Electr.).
Kilsyth, kilsaith.
Kilt, kilt, subst. korte rok der Bergschotten; — verb. opnemen; —ed =
(loodrecht) geplooid.
Kimbo, kimbou, gebogen, gekromd: There he stood, with his arms a— = met
zijne armen in de zijde.
Kin, kin, subst. maagschap, bloedverwantschap, bloedverwant, maag; adj.
verwant, van dezelfde soort: He is next of — = de naaste bloedverwant;
No — no care = geen koeien, geen moeien; I do not care for him and all
his kith and — = en zijne geheele familie; —sfolk = verwanten; —sman,
—swoman = bloedverwant(e); —ship: My feeling of —ship = mijne
gehechtheid aan mijne verwanten.
Kinchin, kinšin, kindje; — cove = jonge dief.
Kind, kaind, subst. soort, kunne, geslacht, wijze; adj. vriendelijk,
goedaardig, natuurlijk, weldadig, goedhartig: I will pay you in — = in
natura, met dezelfde munt; To hold religious convictions of a — = er
nog eenigszins godsdienstige overtuigingen op na houden; He has grown
out of — = is uit den aard geslagen; I — of thought you were there = ik
dacht soms, (ook wordt — of verbasterd tot —er; Amer.); To send one’s —
regards = vriendelijk laten groeten; —-hearted = goedhartig; subst.
—-heartedness; —liness = welwillendheid, vriendelijkheid; adj. —ly; To
take something —ly of a person = iets goed opnemen; To take —ly to
something = met iets op hebben; gesteld zijn op; The pig fattens —ly on
this food = zet flink vleesch aan van; —ness = vriendelijkheid, etc.
Kindergarten, kindəgât’n, Fröbelschool; — mistress = Kindergartner,
kindəgâtnə, onderwijzeres van eene Fröbelschool.
Kindle, kind’l, ontsteken, aansteken, doen ontvlammen of ontbranden,
opwekken, opwinden, vlam vatten, ontbranden: This —d discontent to
flame = dit deed de ontevredenheid uitbarsten; The shavings can be used
as kindlings = als vuuraanmakers.
Kindred, kindrəd, subst. verwantschap, verwanten; adj. verwant, van
denzelfden aard.
Kine, kain, koeien.
Kinematics, k(a)inəmatiks, leer der beweging; Kinematograph,
kainîmətəgraf, k(a)inəmatəgraf, kinematograaf; Kinetic, k(a)inetik,
bewegend, motorisch; Kinetics = mathem. leer der beweging; Kinetoscope,
kainîtəskoup, kinîtəskoup.
King, kiŋ, koning, vorst, heer, dam (in het damspel); — verb. tot
koning verheffen; den koning spelen (it); —-at-arms = wapenkoning;
—’s-bench = vroeger een gerechtshof; —’s (Queen’s) evidence =
medeplichtige, die getuigenis aflegt tegen zijne kameraden; —’s evil =
scrofula: To touch for the —’s evil = door handoplegging genezen:
—’s-yellow = koningsgeel; —’s coach (cushion): To carry in a — = op
saamgevouwen handen dragen (kinderspel); —-craft = regeerkunst,
staatkunde; —-cup = scherpe (boldragende) boterbloem; —-fish = soort
van makreel; —-fisher = ijsvogel; —-killer = koningsmoorder; —-post =
middenstijl van het dak; —-wood = hard Braziliaansch hout; —dom,
koninkrijk: The —dom of God; Animal, mineral and vegetable —dom =
dieren-, delfstoffen- en plantenrijk; —dom-come = de eeuwigheid: He
went to —dom-come = hij is overleden; —let (—ling) = koninkje; —less;
—like = —ly = koninklijk; —ship.
Kink, kiŋk, subst. kink, slag in een touw, gril, eigenaardigheid; —
verb. kinken: There had not been the slightest — or hitch = geen enkele
kink in de kabel; We got the business out of the — = aan den gang, aan
het rollen; —y = met bochten.
Kinross, kinros; Kinsale, kinseil.
Kiosk, kiosk, kiosk, paviljoen.
Kip, kip, huid van jonge kalveren; ook: —skin.
Kipper, kipə, subst. zalm gedurende den tijd van kuitschieten; bokking;
— verb. zouten en rooken: —ed herring.
Kirk, kɐ̂k, kerk (Schotl.): —-session = kerkeraadsvergadering.
Kirkaldy, kɐ̂kô(l)di.
Kirtle, kɐ̂t’l, subst. soort van opperkleed, hemd, rok, buis.
Kismet, kismet, noodlot (Oostersch).
Kiss, kis, subst. kus, soort suikerboontje; — verb. kussen, even
aanraken: To — and be (make) friends = afzoenen; To — the book = bij
het eed afleggen het N. testament kussen; To — the dust = in het stof
bijten; To — the earth, the ground = zich onderwerpen; The ministers
—ed hands yesterday = aanvaardden gisteren hun ambt (door de koningin
de hand te kussen); We —ed hands to the wilderness = zeiden vaarwel;
She —ed her hand to her uncle = gaf haar oom kushandjes; They —ed the
rod = zij onderwierpen zich aan de straf; —-in-the-ring = een zeker
gezelschapsspel; —-me-quick = kleine dameshoed (van ± 1850), lok bij ’t
oor; —able = om te zoenen; —ing: —ing-crust = dat deel van eene
broodkorst, dat een ander brood raakt, zachte zijde van brood; As easy
as —ing = doodgemakkelijk.
Kit, kit, vaatje, kastje, mand, gereedschapsbak, uitrusting, de “heele
rommel” (= All the —, The whole —), katje; — verb. in een kit
verpakken.
Kitcat, kitkat, portret van bepaalde afmeting (71 × 91 cM.);
jongensspel: — cannio = kinderspel met lei en griffel.
Kitchen, kitš’n, subst. keuken: —-dresser = aanrechtbank; —-garden =
moestuin; —-maid = keukenmeid (in Engeland tot hulp van de cook, die
alléén kookt); —-middens = hoopen afval, of schelpen van heel ouden
datum; —-range = keukenfornuis; —-stuff = keukengroenten; vet, schuim;
—-wench = keukenmeid; Kitchin of Kitchen Zulu = gebroken Zoeloesch.
Kite, kait, koningswauw; roofgierig mensch, vlieger; schoorsteenwissel:
To fly a — = een vlieger oplaten; een schoorsteenwissel trekken;
—-flyer (ook fig.); —-flying = vlieger oplaten; wisselruiterij;
—s’-foot = soort van gele tabak.
Kith, kith, verwanten. Zie Kin.
Kitten, kit’n, subst. jonge kat; — verb. jongen werpen; —ish =
speelsch, dartel.
Kittiwake, kitiweik, soort van zeemeeuw = —-gull.
Kittle, kit’l, kiedelen, kietelen: adj. = — cattle = lastig, moeielijk,
netelig; Kittlish, kitliš, kietelig, gevaarlijk, gewaagd, bedriegelijk.
Kitt’s (St), s’ntkits, de H. Christoffel; Kitty, kiti, Kaatje.
Kive, kaiv. Zie Keeve.
Kiwi, kîvi, kiwi.
Kleptomania, kleptəmeinjə, kleptomanie; Kleptomaniac = kleptomaan.
Klick, klik, tikken.
Klipspringer, klipspriŋə, antilope (Z. Afr.).
Kloof, klûf, kloof, ravijn (Z. Afr.).
Knack, nak, slag, handigheid, gemakkelijkheid, gewoonte; beuzelarij:
There is a — in doing it = men moet er slag van hebben; To have the —,
To know the — of it = den slag er van beet hebben; To lose the —; —er =
paardenvilder; —er’s yard = paardenvilderij; —ers = notenkraker.
Knag, nag, knoest of kwast (in hout), wrat, ruwe rots- of heuveltop;
tak van een gewei; —giness, subst. v. —gy = knoestig, ruw, narrig.
Knap, nap, knappen, breken; —per = soort hamer.
Knapsack, napsak, ransel, knapzak.
Knapweed, napwîd, zwart knoopkruid.
Knar(l), nâ(l), knoest (in hout).
Knave, neiv, schurk, bedrieger, boer (in ’t kaartspel); —ry =
schurkerij, bedriegerij; Knavish = schurkachtig: — trick =
schurkenstreek; subst. —ness.
Knead, nîd, kneden: —ed in the same trough = van hetzelfde maaksel, met
één sop overgoten; —er = kneder, kneedmachine; —ing-trough =
bakkerstrog.
Knee, nî, knie, kniestuk, kniebuiging: On the —s of the gods =
afhankelijk van omstandigheden, die men niet beheerscht, of afhankelijk
van den goeden afloop van andere zaken; To bring one to his —s = iemand
doen buigen (fig.); The prize-fighters were given a — after every round
= namen na iedere ronde wat rust (nl. elk op de knie van een der
secondanten); To go (down) on one’s —s = op de knieën vallen; To take
across one’s — = over de knie leggen; To whip a boy over one’s — = voor
zijn broek geven; —-breeches = kuitenbroek; —-cap = kniebeschermer,
knieschijf; —-deep = tot aan de knieën; —-high = tot aan de knieën;
—-haltered = gekniepoot; —-holly, —-holm = ruscus, kleine steekpalm;
—-joint = kniegewricht; —-pan = —-cap; —-piece = kromhout.
Kneel, nîl, knielen: —er = knielkussen of bankje.
Knell, nel, subst. gelui, doodsklok; — verb. (de doodsklok) luiden.
Kneller, nelə.
Knelt, nelt, P. Imp. en P.P. van to kneel.
Knew, njû, imperf. van to know.
Knickerbocker, nikəbokə, bewoner van New-York van Oud-Hollandsche
afstamming: —s = wijde kniebroek, onderbroek = Knickies.
Knick-knack, niknak, beuzelarij, snuisterij (meest —s).
Knife, naif, subst. mes, ontleedmes, dolk; — verb. snijden, doorsteken,
polit. candidaten arglistig doen vallen (Amer.): War to the — = strijd
op leven en dood; —-blade = lemmet; —-board = slijpplank; zitbank
bovenop een e omnibus; —-cleaner = poetsmachine; —-edge = scherpe kant
van het mes; —-grinder = messen- en scharenslijper; —-rest =
messenleggertje; —-sharpener = mesaanzetter; —-tray = messenbak;
Knifing affrays = gevechten met messen.
Knight, nait, subst. ridder, kampioen, paard (in ’t schaakspel), niet
erfelijke titel (met Sir voor den doopnaam); — verb. tot ridder slaan;
— of the blade = ijzervreter; — of industry = zwendelaar; — of the
needle (shears, thimble) = ridder van de el = kleermaker; — of the road
= struikroover; — of the rueful countenance = van de droevige figuur; —
of the shire = vertegenwoordiger van een graafschap in het parlement;
—-errant = dolende ridder; —-errantry = dolende ridderschap; —age = de
ridderschap, al de personen, die den titel knight hebben; boek met hun
aller namen; —hood = ridderschap: Order of —hood = ridderorde; —like =
ridderlijk; —liness, subst. v. —ly = ridderlijk.