Fat, fat, vet, dik, vleezig, rijk, voedzaam; subst. vet, room, beste

deel; — verb. mesten, vet worden: The — is in the fire = de poppen zijn

aan ’t dansen, de heele boel is overhoop, vernield; There is plenty of

— in that part = er zit een heele kluif aan die rol; To live on the —

of the land = het vette der aarde genieten; —-brained, (—-headed,

—-witted) = dom, suf; —-head = domkop; —-guts = dikzak; —ling = jong

gemest dier; —ness = vetheid, vruchtbaarheid; —ten, fat’n, vet mesten,

mesten, zich mesten, vet worden; —tiness = vetheid; —ty = vettig: —ty

degeneration = vetziekte.

Fata Morgana, fâtəmögânə, Fata Morgana.

Fatal, feit’l, noodlottig, rampspoedig, onheilspellend, doodelijk; —ism

= fatalisme; —ist = fatalist; adj. —istic; —ity, fətaliti, noodlottige

gebeurtenis; Fatalities = ongelukken.

Fate, feit, noodlot, lot, dood: The —s = schikgodinnen; As sure as — =

zoo zeker als wat; —d = voorbestemd; —ful = noodlottig.

Father, fâdhə, subst. vader, voorvader; — verb. aannemen (als kind),

zich uitgeven voor den maker van, iemand iets op den hals schuiven:

Adoptive — = aangenomen vader; Putative — = vermoedelijke vader; —s of

the Church = Kerkvaders; Conscript —s = Romeinsche Senatoren; —-in-law

= schoonvader, stiefvader; —-long-legs = langbeen (mug); He —s the

works of others, and wishes to — his anonymous books on me = hij geeft

zich voor den maker van de werken van anderen uit, en tracht mij voor

den schrijver van zijne anonieme boeken te doen doorgaan; —hood =

vaderschap; —land = vaderland: The —land = Duitschland; —liness =

vaderliefde; —ly = vaderlijk; —ship.

Fathom, fadh’m, subst. vadem (1.828 M., of 6.1163 M3); — verb. vademen,

omvatten, begrijpen, doorgronden; —-line = loodlijn; —less =

ondoorgrondelijk, bodemloos.

Fatigue, fətîg, uitputting, vermoeienis, militaire corvée; — verb.

afmatten, vermoeien, kwellen; —-cap = politiemuts; —-dress =

corvée-tenue; —-duty = corvée (milit.); —-party = troep voor eene

corvée.

Fatuity, fətjûiti, sulligheid, domheid; Fatuitous, fətjûitəs, Fatuous,

fatjuəs, zwakhoofdig, ingebeeld: A — smile = idiote.

Faucal, fôk’l, strot - -, keel - -; Fauces, fôsîz, strot,

achtergedeelte van den mond, besloten door de pharynx en de larynx.

Faucet, fôsət, tapkraan, tapbuis.

Faugh, fô, bah!

Faulkland, fôkl’nd.

Fault, fôlt, subst. fout, gebrek, feil, schuld, verlies van het spoor

(jacht), afbreking (van eene mijnader); — verb. fouten maken: Whose —

is it? wiens schuld is het? It is my —; He always finds — with me = hij

heeft altijd wat op mij te zeggen; You like to find — = van klagen en

pruttelen; The hounds were at — = het spoor bijster; If he is severe,

his love of learning is in — = draagt zijne liefde voor de wetenschap

de schuld; He is good to a — = hij is overdreven goed, doodgoed; He has

—ed in several passages = fouten gemaakt; He is a regular —-finder =

echte brompot; pruttelaar; —-finding = bedilziek; —iness =

onnauwkeurigheid, gebrekkigheid; —less = onberispelijk; subst.

—lessness; —y = gebrekkig, schuldig.

Faun, fôn, faun, boschgod.

Fauna, fônə, fauna.

Faustina, fôstainə; Faustus, fôstəs; Faversham, favəš’m.

Favour, feivə, subst. gunst, begunstiging, steun, beschermeling,

vergiffenis, souvenir, roset, strikje, brief, gelaat; — verb.

begunstigen, vriendelijk gezind zijn, gemakkelijk maken, vereeren,

gelijken op: Orange —s = oranjestrikken; I received your — of the 1st

inst. yesterday = uwe geëerde letteren van den eersten dezer; I have

lost — in your eyes = ben bij u uit de gratie; By (with) your — = met

uw verlof, welnemen; I have done it in your — = te uwen behoeve; To be

in — with (out of —) = in (uit) de gunst zijn bij; A challenge to the —

= het wraken van een jurylid, wegens veronderstelde partijdigheid;

Under — of the night = begunstiging; —able = gunstig, genegen,

bevorderlijk; subst. —ableness; —ed = begunstigd, lievelings...:

Ill-—ed = met ongunstig uiterlijk; Well-—ed = met knap uiterlijk; —ite,

feiv’rit, subst. gunsteling, favoriet (rensport); adj. lievelings...:

That is my —ite dish, author = lievelingskost, lievelingsschrijver;

—itism = stelsel v. begunstiging.

Favus, feivəs, besmettelijk hoofdzeer.

Fawkes, fôks.

Fawn, fôn, subst. jong hert (van ’t eerste jaar); — verb. jongen

werpen; —-coloured = reekleurig.

Fawn, fôn, opspringen bij, likken, kruipen (v. honden), vleien, kruipen

voor: He —ed (up)on the mighty.

Fay, fei, subst. fee.

Fay, fei, ten doode opgeschreven (Schot.).

Fay, fei, aan elkaar passen, nauwkeurig passen.

Faze, feiz, plagen, verschrikken (Amer.).

Feal, fîəl, trouw: — and leal = houw en trouw (Schot.); —ty = trouw aan

leenheer, vorst of regeering.

Fear, fîə, subst. vrees, angst, ontzag, eerbied; — verb. vreezen,

duchten, vermoeden: For — of = uit vrees voor; No — of that = geen

vrees daarvoor; —ful (of) = angstig (voor), vreesachtig, vreeswekkend;

subst. —fulness; —less = onbevreesd; subst. —lessness; —naught =

—nought = dikke en ruige wollen stof, soort fries; —some =

angstwekkend.

Feasibility, fîzibiliti, uitvoerbaarheid, mogelijkheid; adj. Feasible.

Feast, fîst, subst. feest, lekkernij, feest- of gastmaal; — verb.

feestvieren, smullen, onthalen, zich verlustigen aan (on): Enough is as

good as a feast = genoeg is overvloed; —-day = feestdag; —-rite =

feestelijk gebruik.

Feat, fît, subst. daad, heldendaad, kunststukje, toer; adj. handig,

vlug, bekwaam, netjes: — of juggling, goocheltoer; —ness = vlugheid.

Feather, fedhə, subst. veer, veder, pluim, vogels (sportt.), het door

de riemen opgeworpen water; — verb. bevederen, met veeren bedekken of

versieren, er als gevederte uitzien: Birds of a — flock together =

soort zoekt soort: That’s a — in his cap = dat is een pluim, veer op

zijne muts; She was in full — = in gala; had een gespekte beurs; You

are in high — to-day = je bent erg in je “hum” vandaag; The ship cut a

— = deed het schuim opspatten voor den boeg; To show the (a) white — =

zich lafhartig toonen; It is but the turning of a — between you and him

= haast geen onderscheid, verschil; His air of superiority inspired me

with a desire to tar and — him = om hem eens flink zijn vet te geven

(eig.: te teeren, en dan op de teer veeren te strooien); That man is

—ing his nest = is bezig zijne schaapjes op het droge te brengen, voor

zichzelf te zorgen; To — the oars = de riemen horizontaal over het

water laten glijden; —-bed = veeren bed: —-bed conspirators =

zoetsappige; —-boarding = planken beschieting (overnaads); —-brain =

wuft persoontje; —-broom (—-brush) = plumeau; —-edge = scherpe kant van

eene plank; —-flowers = kunstbloemen (vooral voor hoeden); —-grass =

espartogras; —-headed = lichtzinnig, wuft; —-weight = kleinst mogelijk

(precies) gewicht, lichtste belasting (bij een handicap); boxer van

licht gewicht; —y = vederachtig, veeren - - -, met veeren bedekt.

Feature, fîtšə, fîtjə, gelaatstrek, trek, voorkomen, eigenaardig

kenmerk, eigenaardigheid; bepaling (van een contract, etc.), rubriek; —

verb. gelijken op: This house is the — of the street = het meest

opvallende; Ill-(Well-)—d = leelijk (knap).

Feaze, fîz, ontrafelen (van touw).

Febrifugal, fibrifjug’l, febrifjûg’l, koortsverdrijvend; Febrifuge,

febrifjûdž, koortsverdrijvend (middel); Febrile, fîbr(a)il, febril,

koortsig, koorts - -.

February, februəri, Februari; — Fill-dyke = Febr. de regenmaand.

Feces, fîsîz. Zie Faeces.

Fecit, fîsit, “hij (zij) heeft (het) gemaakt”.

Feck, fek, subst. voornaamste deel, kracht, waarde; adj. flink,

krachtig; —less = laf, zwak, waardeloos (Schot.).

Fecula, fekjulə, zetmeel; bladgroen.

Feculant, fekjulent, troebel, modderig, drabbig; subst. Feculence.

Fecund, fek’nd, fîk’nd, fikɐnd, vruchtbaar; —ate, fek’ndeit, fîk’ndeit,

fikɐndeit, vruchtbaar maken, bevruchten; subst. Fecundation; —ity,

fikɐnditi, vruchtbaarheid.

Federacy, fed’risi; Zie Federation; Federal, fed’rəl, federaal, bonds -

-: — City = Washington; — Diet = de Duitsche Bondsdag; — Union =

statenbond; Federalism = federalisme; Federalist = federalist;

Federalize = tot een bond vormen; Federate = zich tot een federatie

verbinden; Federation = federatie, statenbond; Federative = verbonden,

bonds - -.

Fee, fî, loon, salaris, honorarium, bijverdiensten (in deze gevallen

meest Meervoud); fooi; leengoed, eigendom; — verb. beloonen, betalen,

een fooi geven: What with doctors’ and lawyers’ —s we had a hard year

of it = door al die kosten van dokter en advocaat; Tuition (University)

—s = collegegelden; To hold in — simple = land bezitten waarover men

bij zijn dood vrij kan beschikken; Estate in — tail = goed, dat op

bepaald aangewezen erfgenamen moet overgaan.

Feeble, fîb’l, zwak, krachteloos; —-minded = zwak van geest,

besluiteloos; subst. —ness.

Feed, fîd, voeden, voorzien van, verzorgen, onderhouden, laten weiden,

eten, vreten, grazen; subst. een maal, voer, maaltijd, voorraad: His

horse must have its four —s a day = moet viermaal per dag gevoerd

worden; I am off my — = heb mijn eetlust verloren; He —s like a wolf =

eet als een wolf; To — one’s cold = uitvieren; To — the fire = wat in

de kachel doen; The operator —s the letters into the stamping-machine =

schuift geregeld; He was —ing morsels from his plate into his mouth, as

if he was firing up an engine = hij stopte in zijn mond; —-pipe =

aanvoerpijp; —-pump = perspomp; aanvoerpomp; —er = iemand, die voert of

mest, iemand of iets, die of dat bevordert, zijrivier, voedingskanaal,

zijtak: Dainty —er = lekkerbek; Greedy —er = veelvraat; —ing-bottle =

zuigflesch.

Feel, fîl, voelen, bevoelen, betasten, ondervinden, gevoelen; subst.

voelen, gevoel, gewaarwording: The baby —s his legs = probeert te gaan

staan; I — for you, poor fellow = ik heb medelijden met je, arme kerel;

He felt his way after the sound = hij zocht tastende zijn weg op het

geluid afgaande; She felt her way on the subject with him = zij polste

hem over dat onderwerp; I shall try to — him out = te polsen; I — up to

much work = voel me geschikt voor; I — offended by your remark = ik

acht mij beleedigd; —er = voeler, voelhoorn; To put (throw) out a —er =

de publieke meening polsen door een voorloopig bericht; —ing =

gevoelend, gevoelvol, medelijdend; subst. gevoel, aandoening,

gewaarwording, geest, stemming: He has no —ing against you = niets (=

geen wrok) tegen u; To excite bad —ing against = haat opwekken tegen;

The —ings = de aandoeningen der ziel, hartstochten, etc.: The —ings are

dangerous guides = het gevoel is een gevaarlijk raadsman.

Feet, fît, voeten (Zie Foot): He is certain to fall on his — anywhere =

hij komt altijd op zijn pooten terecht; With the world at your — = met

de wereld gereed om u te dienen.

Feign, fein, veinzen, voorwenden: A —ed issue = een proces, om

eenvoudig de rechtskwestie te beslissen; Feint, feint, subst.

voorwendsel, schijnbeweging, schijnaanval, list; — verb. een

schijnbeweging maken: A — of flight = voorgewende vlucht; He made a —

of writing = deed alsof hij schreef.

Fel(d)spar, fel(d)spâ, feldspaath.

Felicitate, fəlisiteit, feliciteeren (on); subst. Felicitation;

Felicitous = gelukkig, voorspoedig, gelukkig gevonden; Felicity,

filisiti, geluk, gelukzaligheid, voorspoed, toepasselijkheid, gelukkige

manier van: — in the choice of words = eene gelukkige keus.

Feline, fîl(a)in, katachtig, katten ...: — amenities = kattige

lievigheden.

Felix, fîliks.

Fell, fel, vel, huid; platte zoom; val of golving (van haar);

rotsachtige heuvel; adj. wreed, woest; — verb. vellen, omhakken;

zoomen; imperf. van to fall; —-monger = koopman in huiden.

Fellah, fela, (meerv. —een, feləhîn), Egyptische boer of arbeider: The

—een forces = de strijdmacht der fellahs.

Felloe, felou, velg.

Fellow, felou, subst. kameraad, maat, wedergade, gelijke, kerel, vent,

jongen; lid van een college of genootschap; soort lector of tutor in ’t

genot van een —ship: A glove and its — = en de daarbij passende

handschoen; He is hail-—-well-met with everybody = goede maatjes; They

are —s in office = ambtgenooten, collega’s; adj. (in samenstellingen)

mede...; —-citizen = medeburger; —-commoner = student (aan Eng.

Universiteiten), die met de fellows van zijn college dineert;

—-countryman = landsman; —-craft = vrijmetselaar (tweede graad);

—-creature = medemensch; —-feeling = medegevoel; —-lodger =

contubernaal; —-ranker = iemand van denzelfden rang; —ship =

vereeniging, gemeenschap, omgang, gelijk aandeel in; het ambt van, en

de toelage voor de fellows van een universiteit: Good —ship =

collegialiteit, kameraadschap; Rule of —ship = gezelschapsrekening;

—-soldier = krijgskameraad; —-traveller = medereiziger.

Felly, feli, velg.

Felon, fel’n, subst. misdadiger; fijt; adj. kwaadaardig, verraderlijk,

wreed; —’s dock = beschuldigdenbank; —ious, fəlounjəs, snood,

boosaardig, misdadig, met voorbedachten rade; —y = zware misdaad.

Felt, felt, subst. vilt(en hoed); — verb. met vilt bedekken, tot vilt

maken; imperf. van to feel.

Feltre, feltə, ouderwetsch borstharnas van vilt.

Felucca, fəlɐkə, feloek (schip).

Felwort, felwɐ̂t, swertia, gentiaan, bitterwortel.

Female, fîmeil, subst. vrouwtje, wijfje; vrouwelijke plant,

vrouwspersoon; adj. vrouwelijk: — die = holle stempel, waarin de male

die geslagen wordt; — rhymes, — rimes = rijmen met ongeaccentueerde

lettergreep op het einde, bijv. geven — leven; — screw = moerschroef; —

woman = teere, zwakke.

Feme, fem: — covert = gehuwde vrouw; — sole = ongehuwde vrouw.

Feminine, feminin, vrouwelijk, zacht, teeder, verwijfd: — gender =

vrouwelijk geslacht; Femininity = vrouwelijkheid, de vrouwen; Feminize

= verwijfd maken, verweekelijken.

Femoral, femərəl, dij - -; Femur = dijbeen.

Fen, fen, moeras, moerasland; —-berry = veenbes; — colonies =

veenkoloniën; —-duck = soort v. wilde eend; —-fire = dwaallichtje.

Fence, fens, subst. heg, omheining, beschutting, het schermen,

handigheid (in ’t debat), heler; — verb. omheinen, beschutten,

verdedigen, versterken, schermen, pareeren; uitvluchten maken: To be

(ride, sit) on the — = eene afwachtende houding aannemen; She rushed at

her —s = zij vloog naar de beschermde plaats, stelde zich te weer; To —

a question = pareeren, ontwijken; He studiously —d round the points =

hij ontweek opzettelijk de kwestie; —-month = gesloten jachttijd (van 9

Juni–9 Juli); —r = schermer, goed springpaard; Fencible, fensib’l,

verdedigbaar: The —s = soort landweer; Fencing, fensiŋ, materiaal voor

eene schutting (Amer.); schermkunst, handig debat: —-foil = degen;

—-gloves = schermhandschoenen; —-pad = borstleder (van den —-master =

schermmeester).

Fend, fend, verdedigen, afweren: Let us leave him to — for himself =

laat hij zichzelf verdedigen, zien te redden.

Fender, fendə, hek voorlangs den haard of de daardoor ingesloten

ruimte; stootmat, kurkenzak, wrijfworst (scheepst.).

Fenian, fînj’n, lid van een in 1857 te New-York opgericht geheim Iersch

verbond voor het bevrijden van Ierland; ook adj.; —ism = Fenianisme.

Fennel, fen’l, venkel.

Fenny, feni, moerassig.

Fent, fent, opening of split.

Feod, fjûd. Zie Feud.

Feof, fef, subst. leengoed; — verb. met een leen begiftigen; —ee, fefî,

leenman; —er, —or, fefə, leenheer.

Feral, fîrəl, Ferine, fîr(a)in, wild, ongetemd; kwaadaardig (v.

ziekten); subst. —ness.

Fering(h)ee, fəriŋgî, Frank, algemeene naam door de Mahom. aan

Europeanen gegeven.

Ferment, fɐ̂m’nt, ferment, gisting (ook fig.).

Ferment, fəment, in gisting brengen (of zijn), beroeren; —ability =

gistbaarheid; —able = gistbaar; Fermentation = gisting, beroering;

—ative, gistend, gisting veroorzakend, gistings - -, subst. —ativeness.

Fern, fɐ̂n, varenkruid: —-owl = nachtzwaluw; —-seed = (onzichtbaar

makend) varenzaad; —y = vol varens.

Ferocious, fəroušəs, woest, wreed, roofgierig; subst. —ness = Ferocity,

fərositi.

Ferret, ferət, subst. fret; woekeraar; smal groen lint; — verb.

uitdrijven, fretten, uitvisschen: I have —ed it out = ben het op

listige wijze te weten gekomen; —-eyes = kleine, slimme oogen; —er =

jager met een fret, speurhond (fig.).

Ferriage, feriidž, overvaart, veergeld.

Ferric, ferik, ijzer ...; Ferriferous = ijzerhoudend; Ferrugineous,

ferudžiniəs, ijzerhoudend, ijzerroestkleurig = Ferruginous.

Ferrotype, feroutaip, photographie op een gevoelige ijzeren plaat.

Ferrule, ferûl, metalen ring, koperen busje om een stok, muntring.

Ferry, feri, subst. veer, veerrecht, veerboot; — verb. overzetten;

—-boat = veerboot; —man = veerman.

Fertile, fɐ̂t(a)il, vruchtbaar, rijk aan, vindingrijk; subst. Fertility;

Fertilization = vruchtbaarmaking, bevruchten; Fertilize, fɐ̂tilaiz,

vruchtbaar maken, bevruchten; Fertilizer = mest.

Ferule, ferûl, subst. schoolplak; — verb. met de plak geven.

Fervency, fɐ̂vənsi, vuur, gloed, innigheid, ijver; adj. Fervent, fɐ̂v’nt,

subst. —ness; Fervid, fɐ̂vid, heet, brandend, vurig, heftig; subst.

Fervidness; Fervour, fɐ̂və, gloed, vuur, drift.

Fesse, fes, horizontale dwarsbalk of streep op een schild; —-point =

het middelpunt van een wapenschild.

Festal, fest’l, feestelijk, vroolijk.

Fester, festə, subst. zweer, fistel; — verb. zweren, etteren, rotten,

woeden.

Festival, festiv’l, subst. feestviering; soms ook adj.; Festive =

feestelijk, feest...: — mirth = feestvreugde; In a — disposition = in

feestelijke stemming; Festivity, fəstiviti, feestelijkheid,

feestvreugde.

Festoon, festûn, subst. guirlande, krans, festoen; — verb. met

guirlandes, enz. tooien.

Fetch, fetš, halen, trekken, behalen, opbrengen, maken, doen, geven,

bereiken; subst. kunstgreep, list, dubbelganger, strikvraag: I —ed him

from behind = greep hem van achteren aan; He was —ed in (out) =

gegrepen (weggevoerd); The picture will have to be —ed out = zal wat

uitgehaald moeten worden; She was —ed to = bijgebracht; To — up =

plotseling blijven staan, ophalen, grootbrengen, inhalen: The flatness

of the last act must be —ed up = het trekkerige van het laatste bedrijf

moet verholpen worden; To — a compass = een omweg maken; To — a pump =

eene pomp aan den gang maken; She —ed a deep sigh = slaakte een diepen

zucht; That is rather far-—ed = nogal ver gezocht; —-candle (—-light) =

dwaallicht, dat naar het volksgeloof, in Wales, den dood aankondigt;

—ing, pakkend, bekoorlijk.

Fetich, fetiš, fîtiš = Fetish.

Fetid, fetid, fîtid, stinkend; subst. —ness.

Fetish, fetiš, fîtiš, fetisch: —-man = fetisch priester of aanbidder;

—ism = feticisme; —ist = fetisch aanbidder.

Fetlock, fetlok, vetlok, kootgewricht.

Fetter, fetə, subst. voetboei, keten, belemmering; kluister; — verb.

boeien, belemmeren, binden; —less = vrij, ongedwongen.

Fettle, fet’l, in orde brengen, repareeren, schoonmaken, druk werken,

voeren, bedekken, vastmaken; subst. conditie (sportt.), drukte.

Fetus, Foetus, fîtəs, ongeboren vrucht.

Feud, fjûd, vete, twist, vijandschap.

Feud, fjûd, leen; —al system = leenstelsel = —alism = feudalisme;

—ality, fjudaliti, leenmanschap, feudaal-systeem; —alize = leenroerig

maken; —ary = —atory = leenman.

Fever, fîvə, subst. koorts, opgewondenheid; — verb. koortsig maken: In

a — of disgust = koortsachtig opgewonden van ergernis; Low — =

binnenkoorts; —few = koorts- of moederkruid; —-weakened = door de

koorts verzwakt; —ish, fîvəriš, koortsachtig, gloeiend; subst.

—ishness.

Few, fjû, weinige(n): The —er the better = hoe minder (menschen) hoe

liever; A — = eenige; A good — = aanzienlijk getal; In — = in ’t kort;

— and far between = hoogst zeldzaam; —ness = gering aantal.

Fey, fei, (ge)dood, ten doode bestemd; veeg (Schotsch), ongelukkig,

vreemd, zonderling, mistroostig: You are —, and I prophesy a headache

for you to-morrow = je bent niet gewoon.

Fez, fez, fez, Turksche muts.

Fiasco, fiaskou, fiasco, ongunstige uitslag, slecht figuur.

Fiat, faiət, fiat, “het geschiede”.

Fib, fib, subst. leugen(tje); — verb. jokken, afranselen: Don’t tell —s

= jok nu niet; —ber = jokker = —ster.

Fibre, faibə, vezel, kracht; Fibril, faibril, fijne vezel of draad;

Fibrilose, faibrilous, faibrilous, met of van vezeltjes; Fibrous,

faibrəs, vezelachtig.

Fibula, fibjulə, kram; kuitbeen; hechtnaald.

Fickle, fik’l, wispelturig, grillig; subst. —ness.

Fico, fîkou, vijg; verachtelijk gebaar waarbij men den duim in den mond

of tusschen wijs- en middelvinger bracht.

Fictile, fiktil, kneedbaar; aarden: — art = keramiek.

Fiction, fikš’n, verdichting, verdichtsel, prozawerk, roman; Fictitious

= verdicht, nagemaakt, onecht; subst. —ness; Fictive = Fictitious.

Fictor, fiktə, modelleur.

Ficus, faikəs, vijgeboom; vijgewrat.

Fidalgo, fidalgou, Portugeesch edelman.

Fiddle, fid’l, subst. viool, slingerlatten (scheepst.); — verb.

vioolspelen, beuzelen, spelen, beetnemen: He played first — = hij

speelde de eerste viool (ook fig.); To take first — = de leiding nemen;

—-bow = strijkstok; —-bridge = kam; —-case = kist; —-de-dee =

malligheid; —-faddle, fid’lfad’l, subst. gewauwel, kouwe drukte; adj.

wauwelachtig, beuzelend; — verb. drukte maken om niets, beuzelen;

—-stick = strijkstok: I don’t care a —-stick = ik geef er geen zier om;

—sticks’ ends = geleuter; —-string = vioolsnaar; —r = vioolspeler,

zesstuiverstuk.

Fide-jussion, faididžɐš’n, borgstelling; Fide-jussor = borg.

Fidele, faidîlə.

Fidelity, fideliti, getrouwheid, aanhankelijkheid, trouw.

Fidget, fidžət, subst. zenuwachtige gejaagdheid, bewegelijkheid,

zenuwachtig persoontje; — verb. zich zenuwachtig bewegen, zenuwachtig

maken: Her arm seemed to have got the —s = niet stil te kunnen blijven

liggen, bewoog zenuwachtig heen en weer; You — me by your presence = ge

maakt me zenuwachtig en gejaagd door uwe tegenwoordigheid; —y =

gejaagd, zenuwachtig.

Fiducial, fidjûš’l, vertrouwend, vertrouwelijk: — mark = bewijs van

vertrouwen; Fiduciary, fidjûšəri, subst. iemand, wien een pand ter

bewaring is toevertrouwd; adj. vol vertrouwen, toevertrouwd: In his —

capacity = betrekking van vertrouwen.

Fie, fai, foei!

Fief, fîf, leengoed.

Field, fîld, veld, akker, slagveld, slag, gezichtsveld,

uitgestrektheid, al de cricketspelers, de jachtstoet, aantal

deelnemende paarden; — verb. voor fielder spelen bij cricket, wedden op

het field (i.e. tegen den favourite): He betted (laid) against the — =

hij wedde op den favourite; The — was fought, lost, won = slag; The

army took the — and kept it during the summer = het leger trok te velde

en bleef daar den ganschen zomer; A — of ice = groote (drijvende)

ijsmassa; — of view = gezichtsveld; —-allowance = extratoelage aan te

velde zijnde soldaten; —-artillery = veldartillerie; —-bed = veldbed;

—-book = veldboek (voor het landmeten); —-day = dag voor velddienst,

dag van groote drukte, vertoon, etc.; —-duck = kleine trap; —-equipage

= velduitrusting; —fare = veldjakker, kramsvogel; —-glass = veldkijker;

— marshal = veldmaarschalk; —-mouse = veldmuis; —-officer =

stafofficier; —-piece (—-gun) = stuk veldgeschut; —-practice =

velddienstoefening; —-sports = jachtvermaak, enz.; —-works = schansen;

—er = een bepaald speler bij cricket.

Fiend, fînd, booze geest, duivel; adj. —ish; subst. —ishness; —like =

duivelsch, demonisch.

Fierce, fîəs, woest, wreed, meedoogenloos, hevig, onstuimig; subst.

—ness.

Fieri facias, fai(ə)raifeišas, dwangbevel tegen een schuldenaar: He has

been served with a writ of —.

Fieriness, fai(ə)rinəs, vurigheid, vuur, hevigheid; Fiery, fai(ə)ri,

vurig, hartstochtelijk, opvliegend: — substances = licht ontbrandbare

stoffen; —-cross = vlammend kruis (in de Hooglanden van Schotland), om

de stammen te wapen te roepen.

Fife, faif, subst. fluit, pijp; — verb. pijpen, op eene fluit spelen;

—r = pijper.

Fifteen, fiftîn, (maar — boys, fiftîn bôiz), vijftien; —th =

vijftiende; Fifth, fifth, subst. en adj. vijfde (deel): — monarchy men

= dweepzieke godsdienstsekte, die ongeveer 1659 ontstond en eene vijfde

monarchie profeteerde, waarin Christus duizend jaren op aarde zou

heerschen; —ly = ten vijfde; Fifty = vijftig: In the fifties = tusschen

’50 en ’60; Fiftieth = vijftigste.

Fig, fig, subst. vijg, vijgeboom, gala, lor, pruimtabak (Amer.): —s! =

loop heen, ’klets’; In full — = in groot tenu, poesmooi, goed op dreef;

I don’t care a — for what you say = geef geen zier; —-eater (—-pecker)

= vijgeneter; —-leaf = vijgeblad: This poet’s works have been subjected

to the —-leaf and knife = zijn gecastreerd en besnoeid; —-shell =

schelp in den vorm eener vijg of peer.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 41 / 141 段