niet genoeg geoefend om in de compagnieschool mee te doen; Servile — =
meiden en knechts (scherts.).
Squadron, skwodr’n, troep soldaten, escadron, eskader; — verb. tot
squadrons vormen.
Squalid, skwolid, vuil, erg smerig, armelijk; subst. —ity, skwoliditi =
—ness.
Squall, skwôl, subst. bui, windvlaag, gil; — verb. stormen, gillen: You
may look out for —s = moogt op uw hoede zijn; —er = giller, gillend
kind; —y = stormachtig, buiig, dreigend: —y weather = buiig.
Squalor, skwolə, skweilə, vuilheid.
Squamiferous, skwəmifərɐs, geschubd; Squamiform, skweimiföm,
schubvormig; Squamoid = schubbig; Squamose, skweimous, Squamous,
skweiməs, met schubben bedekt.
Squander, skwondə, verspillen, verkwisten, weggooien; —er.
Square, skwêə, subst. vierkant, plein (met een tuin in ’t midden),
escadron, ruit, kwadraat, quadrille, winkelhaak, (glas)ruit (= — of
glass), carré; adj. vierkant, rechthoekig, juistpassend, eerlijk,
billijk, quitte; — verb. vierkant maken, in carré opstellen, vierkant
brassen, vereffenen, afrekenen met, in orde brengen, voegen, passen,
zich in positie zetten, tot de tweede macht verheffen, etc.: A — of
carpet = karpet; The — of a = a2; To bring (raise) to a — = in ’t
kwadraat verheffen; They are at —s = staan vierkant tegen elkaar over;
We met each other on the — = op voet van gelijkheid; He did everything
on the — = eerlijk en wel; To play on the — = eerlijk; How do the —s
go? = hoe staat het met het spel (dam of schaak); That will break (no)
—s = heeft niet veel te beduiden; You moved two —s = hebt eene ruit
(bij dammen of schaken) overgesprongen; You will be set all —s
to-morrow morning = geheel op streek zijn; Everything is — and above
board = is eerlijk en kan het licht lijden; Three-—, five-—, etc. = met
drie, vijf, enz. gelijke zijden; The — man in the — hole = de rechte
man op de rechte plaats; — meal = stevig; — number = het vierkant van
een getal; — party = gezelschap van 4 personen; — root =
vierkantswortel; I had a good — talk with him = oprecht, eerlijk
gesprek; It is not the — thing to do so = billijk, eerlijk; A — set man
= vierkante; I will see if I can come — (= even) with you = het u
betaald kan zetten; He tried to — the circle = trachtte de quadratuur
van den cirkel, d.i. het onmogelijke, te vinden of te doen; Let us —
the constable = zien om te koopen; To — difficulties = uit den weg
ruimen; He —ed his enemy = overwon, maakte onschadelijk; I will — these
fellows = afrekenen met; The yards were —d = de ra’s werden vierkant
gebrast; He —d himself up to more than his usual height = verhief zich,
rekte zich; He —d himself = zette zich in postuur; I will — my
behaviour by yours = naar het uwe richten; After this I was —d for a
start on my own hook = was ik geschikt op eigen hand te beginnen;
Though he might be —d to bolt, he could not be —d to do murder = al kon
hij tot de vlucht, hij kon niet tot moord overgehaald worden; This does
not — with what you told me = dat klopt niet met; How shall we — our
duty to the State with our duty to God? = overeenbrengen met; —-built =
breedgeschouderd; —-dealing = eerlijkheid, rechtschapenheid; —-face =
Hollandsche jenever; —-rigged = met razeilen, fijn gekleed; —sail =
razeil; —-set = —-built = —-shouldered; —-toed = pedant, ouderwetsch;
—-toes = pedant, ouderwetsch mensch; subst. —ness; Squarish, skwêriš,
ongeveer vierkant.
Squarson, skâs’n, Squire, die te gelijk geestelijke der parochie is.
Squash, skwoš, subst. iets zachts dat licht te kneuzen is, iets
onrijps, onrijpe peulschil, schok of val van zachte dingen; pompoen; —
verb. kneuzen, verpletteren, tot pulp maken of slaan; —y = zacht en
week als pulp.
Squat, skwot, subst. gehurkte houding, losse ertsmassa; adj.
(neer)hurkend, kort, dik, plomp; — verb. neerhurken, zich zonder recht
op land neerzetten: A — volume = dik (naar evenredigheid der lengte en
breedte) deel; He was —ting like a frog on the other side of the fire =
zat dik en opgeblazen als een kikker; A —-domed tower = met een als
ineengedrongen koepel; —ter = kolonist; —ty = kort en dik.
Squaw, skwô, vrouw (N. Amer. Indianen).
Squeak, skwîk, subst. gegil, gepiep; — verb. gillen, piepen: We had a
narrow (near) — = ontkwamen ternauwernood; —er = jonge vogel, wie of
wat piept.
Squeal, skwîl, subst. gil, geschreeuw (van varkens); — verb. gillen,
schreeuwen.
Squeamish, skwîmiš, walgend, overdreven kieskeurig; subst. —ness.
Squeegee, skwîdžî, gummi-zwabber.
Squeezable, skwîzəb’l = wat geperst of samengedrukt kan worden;
Squeeze, skwîz, subst. druk, drukking, gedrang, afdruk, omhelzing; —
verb. drukken, afdrukken, persen, verpletteren, innig omarmen: He gave
my hand a parting — = drukte mij tot afscheid de hand; My friend was —d
into, and his place was filled by another = mijn vriend werd er uit
gedrongen; To — oneself through a crowded street = zich een weg banen;
—r = drukker, harde slag, pers.
Squelch, skwelš, subst. harde slag, smak; — verb. verpletteren,
onderdrukken, uitdooven: This —ed animosity = maakte een einde aan; He
tried to — his wife and failed = trachtte zijne vrouw tot onderwerping
te krijgen.
Squib, skwib, subst. voetzoeker; schotschrift; — verb. schotschriften
schrijven, stekelig zijn, laten ontploffen, paffen.
Squid, skwid, pijl-inktvisch.
Squiggle, skwig’l, zich den mond spoelen; zich kronkelen (Amer.).
Squill, skwil, sterhyacint, scilla; garnaalkreeft.
Squint, skwint, subst. het scheel- of loensch zien, loensche blik,
trek, zucht; adj. loensch, scheel, scheef; — verb. scheel zien, hellen;
—-eyed = scheel, wantrouwend.
Squire, skwaiə, subst. schildknaap, landjonker, chaperon; — verb. als
schildknaap dienen, vergezellen, geleiden: — of dames = saletjonker;
Squirearchy, skwairâki, de gezamenlijke landjonkers of agrariërs en hun
politieke invloed ± 1832 in het Lager Huis; Squireen, skwairîn,
landjonkertje.
Squirm, skwɐ̂m, kronkelen, kriewelen, klauteren.
Squirrel, skwir’l, eekhorentje: To hunt the — = kat en muis spelen.
Squirt, skwɐ̂t, subst. spruit, straal, parvenu, fat; — verb. spuiten,
uitspuiten: The oil kept —ing up = spoot met een krachtigen straal uit
den grond.
Stab, stab, subst. steek, boosaardige aanval of beleediging; — verb.
doorsteken, doodsteken, stooten, steken naar, wonden, belasteren: He
—bed my good name = gaf mijn goeden naam den doodsteek; He —bed at my
heart = stak naar, doorstàk mijn hart; That —bed me to the heart =
griefde mij diep; —ber = prikker, sluipmoordenaar.
Stability, stəbiliti, stabiliteit, duurzaamheid, standvastigheid,
soliditeit.
Stable, steib’l, stabiel, duurzaam, standvastig; subst. —ness.
Stable, steib’l, subst. stal, renstal; — verb. stallen: They shut the
—-door after the steed is stolen = zij dempen den put als het kalf
verdronken is; —-boy = staljongen (—-help); —-keeper = stalhouder;
—-man = stalknecht; Stabling, steibliŋ, het stallen, stalling.
Stablish, stabliš, verk. van establish.
Stack, stak, subst. korenschoof, houtmijt (= 108 cubic feet), opper,
stapel, rot, groep naast elkander staande schoorsteenen, alleenstaande
rots (op de Orkney Isl.); — verb. tot een hoop vormen, opstapelen, in
rotten zetten: A — of arms = een rot geweren; The soldiers were ordered
to — arms = de geweren aan rotten te zetten; To — shot = kogelstapels
maken; —-yard = plaats voor hooimijt of graanschoven.
Stadium, steidj’m, stadium, zekere maat (184 M.); één stadium lange
renbaan.
Stadtholder, stadhouldə, stadhouder; —ate (—it), —ship.
Staff, stâf, subst. stok, staf, steun, paal, schacht, notenbalk,
personeel, bureau: —-of-life = brood; —-appointment = aanstelling bij
den staf; —-college = soort krijgsschool (Passed the —-college = de
krijgsschool doorloopen); —-map; —-officer = stafofficier; —-wood =
hout voor duigen.
Stag, stag, (mannetjes)hert; os; mannetjesvos; woerd, speculant,
shilling; — verb. speculeeren; —-beetle = vliegend hert; —-dinner =
heerendiner; —hound = hond voor de hertenjacht; —-party = heerenfuif.
Stage, steidž, subst. tooneel, steiger, stellage, tribune,
schouwplaats, station of pleisterplaats, phase, stage, etape, trap,
graad, stadium, postwagen, dilligence; — verb. ten tooneele brengen, in
scene brengen, in ’t openbaar tentoonstellen, met een postwagen reizen:
To be on the — = bij (op) het tooneel zijn; To bring (put) upon the — =
opvoeren; To get up for the — = bewerken voor; To go on the — = bij het
tooneel gaan; To leave (quit) the — = het tooneel verlaten (ook fig.);
He was dressing by easy —s = dood op zijn gemak; The illness is in its
first — = eerste stadium; He contracted an imprudent passion for
horsing long —s = om lange ritten te doen vóór te pleisteren; The piece
was well —d = het stuk was goed gemonteerd; —-box = loge avant-scène;
—-coach = dilligence; —-driver = koetsier eener dilligence; —-fright =
tooneelvrees; —-manager = tooneeldirecteur, regisseur; —-painter =
schilder van het decoratief; —-play = tooneelspel; —-player =
tooneelspeler; —-right = recht van opvoering; —-struck = verzot op het
tooneel; The —-waits never reached two minutes = pauzen tusschen de
tooneelen; —-whisper = door een acteur terzijde gesproken woorden; luid
gefluister; —r = ervaren tooneelspeler, man van ervaring, slimmerd;
postpaard; —ry = tooneelvertooning, het spelen.
Staggard, stagəd, vierjarig hert.
Stagger, stagə, subst. plotseling wankelen, schok; — verb. waggelen,
wankelen, suizebollen, verbluffen, verbluft doen staan: It gave me a —
= het gaf me een schok; —s = kolder, duizeling, draaiziekte: It gave me
the blind —s = deed me suizebollen; Such an assertion —s belief = is
ongelooflijk; The price for our independence will — humanity = zal
verstomd doen staan; I am fairly —ed at what you say = verbaast mij ten
hoogste; That’s a —er = dat is kras.
Staging, steidžiŋ, tribune, stellage, het ondernemen van een
diligence-dienst, monteering van een tooneelstuk.
Stagirite, stadžirait, naam voor Aristoteles naar zijne geboorteplaats;
Stagira, stədžairə.
Stagnancy, stagn’nsi, stilstand, malaise: The — in the sugar-trade =
“malaise”; Stagnant, stagn’nt, stilstaand, flauw, stil; Stagnate,
stagneit, stilstaan, flauw worden; Stagnation = stilstand, stremming,
malaise.
Stagy, steidži, theatraal.
Staid, steid, kalm, vast, ernstig, solide: A — journal = een ernstig
blad; subst. —ness.
Stain, stein, subst. smet, vlek, schande, smaad; — verb. vlekken,
tinten, verven, met figuren drukken, besmetten, bezoedelen: A —ed floor
= be- of geschilderde vloer; —ed glass windows = beschilderde ramen;
—ed paper-hangings = (bont)gekleurd behang; —ed wood = gebeitst hout;
—er = verver, bezoedelaar; —less = smetteloos, onbesmet.
Stair, stêə, trap, trede, graad; —s = trap, aanlegplaats: A flight of
—s, A pair of —s = trap; A room two pair (of —s) high = kamer op de
tweede verdieping; Back-—s = geheim, slinksch; He is down —s, up —s =
beneden, boven; A down-— room = eene benedenkamer; —-carpet =
traplooper; —case = trap; Grand —case = hoofd- of eeretrap; Private
—case = geheime trap; —-rod (—-wire) = traproede; —-way = trap.
Staith(e), steith, spoorlijn, om de kolen uit de wagens in schepen over
te laden; kade, werf, pakhuis.
Stake, steik, stok, staak, paal, paalwerk, brandstapel, martelaarschap;
inzet, prijs, aandeel, belang; — verb. met palen steunen of stutten,
afpalen, met een paal doorsteken, stokken zetten bij, wedden, inzetten,
als pand zetten: Your life is at — = staat op het spel; He went to it
as a bear goes to the — = met loome schreden; Their father perished at
the — = stierf den marteldood op den brandstapel; They played for the
—s = speelden om den inzet; To put to the — = op ’t spel zetten; He has
swept the —s = hij heeft den pot gewonnen; I — my life on the truth of
what I tell = ik verpand mijn leven er onder; —-head = paal in een
lijnbaan om de touwen te steunen; —-holder = inzethouder, potbewaarder;
—-net = staaknet.
Stalactite, stəlaktait, druipsteen (kegel).
Stalagmite, stəlagmait, druipsteenvorming van den vloer af naar boven.
Stale, steil, subst. ier (van paarden en runderen); adj. verschaald,
oud, oudbakken, muf, afgejakkerd, flauw, verzwakt door te sterk trainen
(= Gone —); — verb. waardeloos maken, (laten) bederven, verflauwen,
wateren (van paarden en runderen): — joke; — news; — wine; To grow — =
zich afsloven, oud worden: The public has gone — on party politics =
heeft genoeg van; —mate, subst. schaakmat; — verb. mat zetten, in ’t
nauw brengen; subst. —ness.
Stalk, stôk, subst. stengel, steel, schacht; trotsche en statige gang;
— verb. voorzichtig besluipen; trotsch stappen, schrijden: We —ed the
deer = beslopen de herten; —ed plants = stengelplanten; —er = hij die
—s; soort van vischnet; trotsche stapper; —ing: —ing-horse = paard of
paardevorm, waarachter de jager zich met zijn boog verborg;
voorwendsel, masker, dekmantel; —less = stengelloos.
Stall, stôl, subst. stal, stalletje, kraam, afdeeling in een Stable;
stoel van een domheer, stalles in een schouwburg; — verb. in een stal
plaatsen, in den modder vastrijden (vastzitten); van zich afschuiven:
Butcher’s —; To keep a — = met een stalletje staan; She would not be
—ed off, and contended that her opinion was right = zich niet laten
afschepen; —-feed = in den stal (met droog voeder) voederen; —-keeper =
houder van een stalletje; —age = recht om met een kraam te staan,
staan- of marktgeld (= —-money).
Stallion, stalj’n, (dek)hengst; —-fees = dekgelden.
Stalwart, stôlwət, stalwət, stolwət, krachtig, flink, stoer,
stoutmoedig, geducht; subst. kopstuk, hoofdman; subst. —ness.
Stamboul, stambûl.
Stamen, steim’n, meeldraad.
Stamina, staminə, vaste deelen van een lichaam die dit tot steun
dienen, weerstands- en volhardingsvermogen.
Stamin, steimin, etamine.
Staminiferous, staminifərɐs: — flower = mannelijke bloem.
Stammel, stam’l, soort v. wollen stof v. hardroode kleur.
Stammer, stamə, subst. gestamel; — verb. stamelen, stotteren, aarzelend
uitbrengen; —er.
Stamp, stamp, subst. stempel, zegel, postzegel, postmerk, merk,
karakter, aard, prent (—s = papiergeld, Amer.), het stampen,
ertsstamper; — verb. stempelen, zegelen, inprenten, een postzegel doen
op; stampen, stampvoeten, onderdrukken: Of the right — = van het rechte
soort; They are all of the same — = van dezelfde soort; To have (bear)
the — of = den stempel dragen van; To — on the mind = inprenten; The
fire was —ed out = werd uitgetrapt; Their nationality was —ed out =
vernietigd; We must try to — these abuses out = die misbruiken uit te
roeien; — Act = zegelwet; —-album = postzegelalbum; —-collection;
—-collector = (post)zegelverzamelaar; —-duty = zegelrecht; —-office =
zegelkantoor; —er = stempel(aar).
Stampede, stampîd, subst. plotselinge schrik, wilde vlucht, groote
beroering; — verb. plotseling op de vlucht (doen) slaan: There was a
regular — of teachers to the sea-side = een ware uittocht.
Stanch, stânš; Zie Staunch.
Stanchion, stanš’n, steun, paal, stut, schoor.
Stand, stand, subst. stand, stilstand, ophouding, halt, weerstand,
verlegenheidrang, standertje, statief, onderstel, stomme, knecht,
staanplaats (voor rijtuigen), stalletje, kraam, ton, stel, tribune; —
verb. staan, gaan staan, stilstaan, standhouden, bestaan, van kracht
zijn, vast zijn, berusten op, luiden, koersen, verdragen, dulden,
opgewassen zijn tegen, doorstaan, staan voor, van belang of nut zijn,
etc.: Then ministers were at a — = zaten met de handen in het haar; To
jump at a — = met gesloten voeten springen; Things came to a sudden — =
toen stokten plotseling de zaken geheel; The troops made a — against
the enemies = hielden stand; I take my — by you and on my right = sta u
ter zijde en houd mij aan mijn recht; A — of arms = geweer met
toebehooren; Fifty — of colours were taken = standaarden (vaandels); A
— for bottles (casks); These towns are one night —s = in deze steden
geven wij maar ééne voorstelling; Watch — = horlogestandaard; — there =
ga (blijf) daar staan; I take the thing as it —s = zooals het is; I
will — you a bottle (a treat) = trakteer; He —s six feet in his boots =
hij is 6 voet lang; To — fire = standhouden onder vijandelijk vuur; To
— one’s ground = standhouden, volhouden; I will — you halves = sta je
half; I stood the flowerpot in the window = zette den bloempot voor het
raam; He stood my friend = toonde te zijn; He stood sentence on that
count = had zich te verantwoorden wegens die aanklacht; I have stood
sentry here for ever so long = sta hier ik weet niet hoe lang al op
post; I stood them a supper = onthaalde ze op een souper; I stood a
supper for them = betaalde hun souper; To — the test = proef doorstaan;
To — the tooth of ages = den tand des tijds weerstaan; To — trial =
terecht staan; To — in awe of = ontzag hebben voor; That will — in hand
= uwe belangen bevorderen; You — in my light = staat me in den weg,
werkt me tegen; This passage —s sorely in need of correction = heeft
ernstig verbetering noodig; The money will — me in good stead = zal mij
goed te pas komen; His hairs — on end = rijzen te berge; It —s to
reason that you cannot go there = het spreekt vanzelf: To — to make a
profit on = kans hebben te verdienen op; He stood to win much in that
case = hij had kans; To — affected = geneigd zijn; It —s agreed = is
uitgemaakt; — aside = ga op zij; — clear = uit den weg! To — corrected
= ongelijk bekennen; He —s fair for (getting) that place = heeft veel
kans; To — well (ill) with a person = op goeden (slechten) voet staan
met; He stood against fearful odds = had een enorme overmacht tegen
zich; To — by a person through thick and thin = met iemand meegaan door
dik en dun; I will not — by and see you offended = er geen getuige van
zijn; You must — by = u gereed houden; The witness was told to — down =
naar zijne plaats te gaan, te gaan zitten; He stood for this borough at
the election = was candidaat voor dit district; He —s for that place =
solliciteert naar; The ship stood for the Atlantic = stak ... in; —
forth = kom naar voren; He stood forth against his enemies = bood het
hoofd aan; We stood from the shore = hielden van de kust af; The boats
stood in from sea = koersten naar binnen; He stood in with the thief =
maakte gemeene zaak met; He —s off = houdt zich op een afstand; The
ship stood off and on = hield nu eens van den wal af, en dan er weer op
aan; You must stand on your defence = je flink verdedigen; Don’t stand
on ceremonies = sta niet op; To — out = naar voren treden, uitsteken,
uitkomen, in ’t oog springen, volharden, standhouden, staan op,
uitstaan, zich terugtrekken: — out of my sight = ga uit mijne oogen; To
— out to sea = zee kiezen; He higgles and —s out till the shopman gives
in = hij dingt en houdt vol; To — over = blijven staan, blijven liggen,
onbetaald blijven; I — to (by) what I said = blijf bij (houd vol); They
stood to their guns = wisten van geen wijken; To — towards the shore =
aanhouden op; He has stood under many troubles = veel smart geleden;
The whole people stood up to a man = stond op als één man; I — up for
my right = kom op voor; They stood up (for the dance) = namen hunne
plaats in, traden aan; To — up with a lady = eene dame ten dans leiden;
To — up to = krachtig weerstand bieden; She always stood upon her
dignity = stond op; —-by = toeverlaat; He is awfully —-off = erg op een
afstand; —-offish = op een afstand (fig.); —-ups = —-up collars =
staande; It was a —-up fight = felle strijd; A —-up supper = loopend
souper; —-cask = ligger; —-fast = steunpunt; —-pipe = standpijp;
—-point = standpunt; —-still = stilstand: To come to a —-still = tot
staan komen, stoppen; —er = wie staat, etc.; Several —ers-by =
omstanders. Zie Standing.
Standard, standəd, subst. standaard, vlag, normaal gewicht (sterkte,
prijs, maat), gehalte, richtsnoer, graad; adj. vastgesteld, standaard -
-: — of beauty = ideaal; The — of length = de lengtestandaard of
-éénheid; —-bearer = vaandeldrager; — clock; — works = standaardwerken.
Standing, standiŋ, subst. stand, post, plaats, duur, rang, standplaats
(voor rijtuigen, enz.); adj. vast, bepaald, vaststaand, stilstaand: She
took him for his — = om zijn hoogen rang, positie; A debt of several
years’ — = die al eenige jaren oud is; Cronies of old — = oude
kameraden; There’s no — it = dat is niet uit te staan; — army = staand
leger; — dish = vaste schotel; He is a — question = hij is een echte
vraagal, hij vraagt altijd door; — rigging = staand want: I have no —
room = plaats om te staan; —-stones = vóórhistorische, door menschen
opgerichte steenen; —-out debts = achterstallige schulden.
Stang, staŋ, lange paal of schacht: To ride the — = op een paal door de
plaats gedragen worden (oude straf voor mannen, die hun vrouw hadden
geslagen).
Stanhope, stanhoup, stanəp, licht vierwielig wagentje zonder kap;
—-press = soort van drukpers.
Stank, staŋk, imperf. van to stink.
Stannary, stanəri, subst. tinmijn; adj. tot tinmijnen behoorende;
—-courts = rechtbank voor de tinmijnwerkers in Cornwall; Stannic acid;
Stanniferous, stənifərɐs, tinhoudend.
Stanza, stanzə, vers.
Staphyle, stafilî, huig.
Staple, steip’l, subst. stapel, vezel of draad van wol, katoen, of
vlas; stapelplaats, markt, voornaamste product of artikel,
hoofdbestanddeel; kram; adj. vast, voornaamst; — verb. de verschillende
draden of soorten uitzoeken: That is the — amusement of our village =
hoofdamusement; — goods = hoofdproducten; —-house; —-town; —-trade; —d
= met een draad of vezel.
Star, stâ, subst. ster (ook fig.), sterretje (*); — verb. met sterren
versieren, een stervormige breuk maken of vertoonen, gastvoorstellingen
geven: Fixed, Falling, Flying, Shooting, Polar — = vaste (vallende,
pool) ster; To be born under a lucky —; He is a — of the first
magnitude = eene ster van de eerste grootte; If you don’t shut up, you
see —s = krijg je er een, dat de vonken je uit de oogen springen; I
thank my —(s) for it = de hemel zij gedankt; Oh, my —s (and halters) =
O goeie genade! The actor was —ring in the provinces = gaf
gastvoorstellingen; —-blind = halfblind; —-Chamber = voormalig
gerechtshof te Westminster, dat naar eigen opvatting in plaats van
volgens de wet vonniste, afgeschaft in 1640; —-crossed = ongelukkig;
—finch = roodstaartje; —fish = zeester; —-flower (= — of Bethlehem) =
vogelmelk; —-fort = sterreschans; —-gazer = sterrenwichelaar; —-gazing
= sterrenkijken; verstrooidheid; —light = sterrenlicht; —lit = helder,
door de sterren verlicht; —-shoot = lichtbol; aardgelei of
sterrenspeeksel; —-spangled = met sterren bezaaid: The —-spangled
(American) banner; —-stone = variëteit van saffier; —-trap =
tooneelluik (waardoor een geest plotseling verschijnt en verdwijnt);
—-like; —red = gesternd: His ill (evil)-—red father = zijn ongelukkige
vader; —riness, subst. v. —ry = met sterren bezaaid, schitterend,
gelijk eene ster.
Starboard, stâböd, subst. stuurboord; adj. aan stuurboordzijde,
rechtsch.
Starch, stâtš, subst. stijfsel; adj. stijf, gemaakt, keurigjes; — verb.
stijven: Not a bit of — left in him = zoo “mak” mogelijk; —
respectability = het fatsoen, dat in stijve boorden, manchetten, enz.
zit; —-maker (—-manufacturer); —ed = stijf (fig.); subst. —(ed)ness;
(Clear) —er = stijfster; —y = van stijfsel, formeel, precies.
Stare, stêə, subst. starende blik; — verb. aanstaren, aangapen,
verschrikt of verbaasd kijken, in ’t oog springen: To give a person a —
= aanstaren; To take a long — at; Don’t stand staring at me = sta mij
niet aan te gapen; He —d me down = zijn blik deed mij de oogen
neerslaan; Don’t — me in the face = kijk me niet zoo strak aan; It —s
you in the face = het is zoo klaar als een klontje, ligt vlak bij je;
The contract is always staring me in the face = staat mij altijd
dreigend voor de oogen; He —d me out of countenance = maakte me
verlegen; —r; He looked staringly at me = met opengesperde oogen.
Stark, stâk, streng, stijf, geheel: Stiff and — = stijf en strak; —
nonsense = groote onzin; — blind = stekeblind; — mad = stapelgek; He
told the —-naked truth = de naakte waarheid; —en = stijf aantrekken.
Starling, stâliŋ, spreeuw; ompaling van een brug, ijsbreker of
stroombreker vóór een brug.