bespotten, afsnauwen: Old — = oude soes; —ish = lastig, brommig,
ouderwetsch, slonzig; ordinair; —ish ways = ouderwetsche manier van
doen; —y = —ish.
Frustrate, frɐstreit, teleurstellen, verijdelen, tenietdoen; adj.
frɐstrit, ijdel, nutteloos; subst. Frustration.
Frustum, frɐst’m, brok, stuk: — of a cone (pyramid) = geknotte kegel
(zuil).
Frutescent, frûtes’nt, heesterachtig.
Fry, frai, bakken, braden; schoteltje, baksel; lever, longen, hart,
enz. van varkens, schapen, kalveren en ossen; school (jonge visschen),
jong goedje of volkje, kleinigheden, mindere lui; —ing-pan = bakpan:
Out of the frying-pan into the fire = van den regen in den drop, van
den wal in de sloot.
Fub, fɐb, bedriegen, stelen: To — off = onder valsche voorwendsels
uitstellen.
Fuchsia, fjûšə, foksia.
Fucus, fjûkəs, blaaswier.
Fuddle, fɐd’l, dronken maken, overmatig drinken, zuipen: He —d himself;
—r = dronkaard.
Fudge, fɐdž, subst. malligheid, onzin; interj. och loop! onzin!; —
verb. vervalschen, verzinnen; opsnijden: He —d his reports from another
paper = flanste samen.
Fuel, fjûəl, subst. brandstof; — verb. van brandstof voorzien, voeden:
That added (was as) — to the fire = dat was olie in ’t vuur; —-gas =
kookgas.
Fuff, fɐf, subst. trekje (aan sigaar of pijp); — verb. trekken, puffen;
—y = opgeblazen, buiïg.
Fugacious, fjugeišəs, vluchtig; vroeg afvallend; subst. Fugacity.
Fugh, fjû, Bah! Zie Faugh.
Fugitive, fjûdžitiv, subst. vluchteling, deserteur; adj. vluchtig,
voorbijgaand, voortvluchtig, zwervend: — compositions = werken van één
dag; —ness = vluchtigheid.
Fugleman, fjûg’lmən, vleugelman, guide; leider, woordvoerder.
Fugue, fjûg, fuga; Fuguist, fjûgist, componist van fuga’s.
Fulcrate, fɐlkrit, van steunorganen voorzien; —-stem = boom, waarvan de
takken tot de aarde reiken; Fulcrum, fɐlkr’m, steunpunt (van een
hefboom), stut, steun.
Fulfil, fulfil, vervullen, volbrengen, uitvoeren: This short note —s
the adage, for it is a merry one = dit korte briefje maakt het bekende
gezegde waar, want het is een vroolijk kattebelletje (i.e. Short but
merry); He was —led of this pleasure = had er genoeg van; subst. —ment.
Fulgency, fɐldž’nsi, glans, schittering; adj. Fulgent.
Fulgo(u)r, fɐlgə, schittering; Fulguration, fɐlgjureiš’n, weerlicht,
fonkeling; Fulgurite, fɐlgjurait, fulguriet, bliksembuizen.
Fulham, fuləm.
Fuliginous, fjulidžinɐs, roetachtig, rookerig, vuil, duister, somber.
Fulk, fɐlk, Folkert.
Full, ful, adj. vol, verzadigd, bezet, dik, gevuld, rijp, volkomen,
krachtig; subst. volle maat, grootste uitgebreidheid, hoogste punt: The
— of the moon = de tijd, dat de maan vol is; The moon was at the (its)
— = was vol; We are — = wij hebben geen plaats meer (in hotel of
school, etc.); The dogs were in — cry = blaften alle luide; He knows it
— well = hij weet het heel goed; To the —, In — = ten volle, geheel; —
and by = met volle zeilen, en scherp bij den wind; — age(d) =
meerderjarig(heid); —-armed = in volle wapenrusting; —-bloomed = in
vollen bloei, rijp; —-blown = geheel ontwikkeld, volkomen rijp;
—-bottom(ed wig) = allonge pruik, lange krulpruik (gedragen door
rechters); —-cry = samen blaffend; —-dress = gala; —-drive = in vollen
ren, met volle kracht; —-eyed = met groote oogen; —-faced = met groot
en dik gelaat; A —-fledged socialist = ten volle ontwikkeld, overtuigd;
—-out = geheel, voluit; —-stop = punt, plotseling einde; —-swing = in
vollen ren, volkomen vrij, druk bezig: We are in the — swing of
stopping managers to play our pieces = wij zijn druk bezig er een
stokje voor te steken, dat ...; —ness = volheid: In the —ness of time;
—y = ten volle; —y-committed = naar de Assizes verwezen.
Full, ful, vollen; —age = geld voor ’t vollen; —er = voller; —er’s
earth = vollersaarde; —ery = —ing-mill = vollersmolen.
Fulminate, fɐlmineit, donderen, losbarsten, ontploffen;
Fulminating-powder = donderpoeder; Fulminatory, donderend; Fulminic: —
acid = knalzuur.
Fulness = Fullness.
Fulsome, fɐls’m, aanstootelijk, overdreven, grof; subst. —ness.
Fulton, fult’n.
Fulvous, fulvəs, taan- of voskleurig.
Fumble, fɐmb’l, rondtasten, tastend zoeken, onhandig doen, knoeien met,
verward zijn, morrelen aan (with), verfrommelen (up).
Fume, fjûm, subst. uitwaseming, damp, reuk, toorn, woede; — verb. damp
uitwerpen, in damp opgaan, rooken (van vleesch, etc.), doorgeuren,
ontsmetten (door rook en damp), woedend zijn: He was in a — = hij was
woedend; To sleep off the —s of a debauch = zijn roes uitslapen; He
walked up and down, fretting and fuming = knarsetandend en woedend.
Fumigate, fjûmigeit, doorgeuren, ontsmetten (door rook); Fumigation =
berooking; rook, wierook: Fumigator = rook- of damptoestelletje;
Fumitory = duivenkervel; Fumous = damp of rook veroorzakend.
Fun, fɐn, subst. pretje, grap, vroolijkheid; — verb. grappen maken:
That was the — of it = dat was juist de aardigheid er van; It wouldn’t
be much — = niet erg leuk zijn; I did it for (in) —, for the — of the
thing = voor de grap, voor de aardigheid; To have good (great) — = veel
pleizier hebben; He made — of it = hij maakte er een grapje van; To
poke — at = voor de mal houden.
Funambulation, fjûnambjuleiš’n, het koorddansen; Funambulist.
Function, fɐŋkš’n, subst. verrichting, uitvoering, beroep, dienst (van
een bepaald orgaan), bijeenkomst, partij, feest, kerkelijk ambt; —
verb. een plicht, dienst of beroep vervullen: That railway —s no longer
= die baan is buiten dienst; —al-disease = organisch gebrek;
Functionary, fɐŋkš’nəri, ambtenaar, beambte.
Fund, fɐnd, subst. fonds, kapitaal, voorraad (—s = nationale schuld,
geld, financiën) — verb. beleggen (van geld), een fonds bestemmen voor;
—-holder = actiënhouder; —ed debt = staatsschuld, die de regeering niet
op een bepaalden tijd behoeft af te lossen; —ing-system =
amortisatie-stelsel.
Fundament, fɐndəment, grondslag, benedenste, achterste; —al,
fɐndəment’l, adj. den grondslag vormend, voornaamste, oorspronkelijk;
subst. basis, grondslag, grondtoon: —al bass = becijferde bas,
aanduiding der accoorden door hun grondtoon.
Fundi, fɐndi, Fundungi, f’ndɐnži, West-Afrikaansch koren.
Funen, fjûnən.
Funeral, fjûnər’l, subst. begrafenis, lijkstatie; ook adj.: — pile =
brandstapel; —-sacrifice = doodenoffer; —-sermon = lijkrede; —-train =
begrafenisstoet; —ize = als geestelijke dienst doen bij eene begrafenis
(Amer.); Funereal, fjunîriəl, begrafenis ..., treurig: A — gait =
begrafenispas.
Fungacious, fɐŋgeišəs; Fungal, fɐŋg’l, spons- of zwamachtig; Fungi,
fɐnžai, zwammen; Fungivorous, fɐndživərɐs, zich met zwammen of
paddestoelen voedend; Fungoid, fɐŋgôid; Fungous, fɐŋgəs, zwamachtig;
Fungus, fɐŋgəs, zwam, sponsachtige uitwas: — flesh = wild vleesch.
Fungible, fɐnžib’l, vervangbaar.
Funicle, fjûnik’l, dun snoer, vezel, navelstreng; Funicular,
fjunikjulə, kabel- of touwvormig: — railway = kabelspoorweg; Funiculus,
fjunikjulɐs = Funicle; Funiliform = vezelvormig.
Funk, fɐŋk, subst. stank, vrees, lafhartigheid, lafaard; schop,
knorrigheid; — verb. bang maken of zijn, schoppen of trappen (van
woede), woedend zijn: He was in a blue — = zat vreeselijk in de rats;
You seem to — it = gij schijnt het niet aan te durven; —er = bange,
benauwde vent; —y = angstig.
Funnel, fɐn’l, trechter, schoorsteen (van stoomboot of locomotief);
—-form (—-shaped) = trechtervormig; —-net = fuik.
Funniments, fɐnimənts = grapjes; Funny, fɐni, grappig, kluchtig; subst.
soort van roeiboot; —-bone = elleboogsknokkel: A rap on the — =
weduwnaarspijn.
Fur, fɐ̂, subst. bont, kleed met bont gevoerd, beslag op de tong,
ketelsteen; adj. van bont, met bont gevoerd of afgezet; — verb. met
bont voeren of afzetten, beslaan (van de tong); —below, subst.
geplooide rand aan japonnen of rokken; opschik, tooi; — verb. met bont
voeren of omzoomen; —-moth = mot; —-trimmed = met bont omzoomd; —red =
met bont gevoerd; —ring = pelswerk, beslag op de tong, ketelsteen,
spijkerhuid; —ry = met bont gevoerd, uit bont bestaand, bont ...
Furbish, fɐ̂biš, oppoetsen, polijsten, bruineeren; —er = polijster,
zwaardveger.
Furcate(d), fɐ̂kit (-eitid), gevorkt, in twee takken gedeeld; Furcation
= vertakking.
Furfur, fɐ̂fə, roos (op ’t hoofd); —aceous, fɐ̂fəreišəs, gekorst.
Furiosity, fjûriositi, krankzinnigheid; Furious, fjûriəs, woedend, dol,
geweldig, levenmakend; subst. —ness.
Furl, fɐ̂l, samenrollen, vastmaken (van zeilen).
Furlong, fɐ̂loŋ, ⅛ van eene E. mijl of ± 201 M.
Furlough, fɐ̂lou, subst. verlof; — verb. verlof toestaan: He is on — =
met verlof.
Furmenty, fɐ̂m’nti. Zie Frumenty.
Furnace, fɐ̂nis, subst. oven, vuurhaard; vuurproef, martelplaats.
Furnish, fɐ̂niš, voorzien, uitrusten, meubileeren, versieren; in betere
‘conditie’ komen (rensport): They —ed him forth with the best they
could get = zij rustten hem uit met, voorzagen hem van; —er =
leverancier, behanger.
Furniture, fɐ̂nitšə, uitrusting, huisraad; meubilair, tuig, sloten aan
deuren en vensters, monteering (van een kanon), masten en tuig:
Articles of — = meubelen; —-van = verhuiswagen; The coffin was
destitute of — = de kist had geen zilveren hengsels, etc.
Furrier, fɐ̂riə, bontwerker, bonthandelaar; —y = bontwerkerszaak,
bontwerken.
Furrow, fɐrou, subst. voor, groef, rimpel; — verb. doorploegen, groeven
of rimpels trekken in; —-drain = voor (om water af te voeren); —-faced
= met gerimpeld gelaat.
Further, fɐ̂dhə, adj. verder, meer, buitendien, behalve, bijgevoegd; —
verb. bevorderen; adv. bovendien, behalve: On the — side = aan den
anderen (tegenovergest.) kant; — than this = buiten dit alles; —ance,
fɐ̂dhər’ns, bevordering, hulp, bijstand: In —ance of = ter bevordering
van; —er = bevorderaar; —more = bovendien; —most = het verst
verwijderd; Furthest, fɐ̂dhist, adj. het verst; adv. verst: I shall come
to-morrow at the furthest = op zijn laatst.
Furtive, fɐ̂tiv, steelsgewijs, heimelijk, sluw.
Furuncle, fjûrɐŋk’l, bloedvin, zweer.
Fury, fjûri, woede, dolheid, onstuimigheid, razernij: The Furies = de
drie wraakgodinnen.
Furze, fɐ̂z, gaspeldoorn, stekelbrem; brem; Furzy = met brem begroeid.
Fuse, fjûz, smelten, vloeibaar maken, samensmelten; Fusion =
(samen)smelting, vereeniging.
Fuse, fjûz, (ook Fusee) sisser of lont.
Fusee, fjuzî, lont, windlucifer, spil (in een uurwerk); spoor van wild.
Fusibility, fjûzibiliti, smeltbaarheid; Fusible, fjûzib’l, smeltbaar.
Fusiform, fjûziföm, spilvormig.
Fusil, fjûzil, fuziel(geweer); ruit (in de heraldiek); —eer, —ier,
fjûzilîə, fuselier; —(l)ade, fjûzileid, fjûzileid, subst. geweervuur; —
verb. neerschieten, fusileeren.
Fuss, fɐs, subst. lawaai; noodelooze, opzienbarende drukte; — verb.
woelig en druk zijn, klateren, snel stroomen: — and feathers = veel
geschreeuw en weinig wol (Amer.); The river fretted and —ed over its
bed = schuurde en klaterde; The tug —ed and fretted, tossing over the
green waves = pufte en woelde; The animal was —ing and fuming after it
= liep er puffend en woedend achteraan; —iness = drukte, enz.; —y =
drukte makend, druk: A —y looking fellow = een opgewonden, druk
standje.
Fussock, fɐsək, dikke “moeke”.
Fust, fɐst, subst. vatlucht, muffe reuk; — verb. duf en muf worden; —y
= muf, duf, bedorven.
Fusteric, fɐstərik, fustiek, gele verfstof; Fustet = Hongaarsch geel
verfhout; Fustin = Fusteric.
Fustian, fɐstj’n, subst. fustein; bombast, gezwollen stijl; adj. van
fustein; opgeblazen, gezwollen.
Futhork, fûthök, runenalphabet.
Futile, fjût(a)il, beuzelachtig, nutteloos, waardeloos; Futility =
beuzelachtigheid.
Futtock, fɐtək, oplanger: —-shrouds = puttings.
Future, fjûtšə, subst. toekomst, “aanstaande”: To read the — =
waarzeggen; In the — = in de toekomst; In — = voortaan; adj.
toekomstig: — tense = toekomende tijd; Futurist, fjûtšərist, iemand die
gelooft dat de prophetieën der H. S. nog zullen vervuld worden;
Futurity, fjutjûriti, toekomst, toekomstige gebeurtenissen.
Fuzz, fɐz, subst. dons, kleine vezeltjes; stuifzwam; — verb. in kleine
deeltjes wegvliegen; —-ball = stuifzwam; —-wigged = met krullige pruik;
—iness, donzig(vlokkig)heid; —y = vlokkig, donzig, ruig, kroes,
aangeschoten, beneveld; ongezond, verrot.
Fy, fai, foei!
Fyke, faik, fuik; —-fisherman; —-net (Amer.).
Fytte, fit, zang, vers.
G.
G, džî, 7e letter van het alphabet, de G-snaar (op eene viool): He
possessed no final g’s to his name = was niet vulgair, van lage kom-af;
Gael(ic); G(reat) B(ritain); G(rand) C(ross of the) B(ath); G(rand)
C(ross of St.) M(ichael and St.) G(eorge) = koloniale orde; G(rand)
C(ommander of the) S(tar of) I(ndia); G(rand) D(uke); Gent(leman);
Geo(rge); Geol(ogy); Geom(etry); G(rand) L(odge); Gosp(el); Goth(ic);
Gov(ernment); Gov(ernor) Gen(eral); G(eneral) P(ost) O(ffice); Gr(ain);
Greg(ory); Gtt = druppels.
Gab, gab, subst. gewauwel, gesnap; — verb. praten, snappen, kakelen: He
has the gift of the — = hij kan praten als Brugman; —ble, subst. luid
gekakel, druk gerammel; — verb. wauwelen, praten, kakelen, rammelen,
druk en onduidelijk snappen; —ble-mill = het Congres (Amer.); —by =
praatziek.
Gabarage, gabəridž, grof paklinnen.
Gabardine, gabədîn, grof overkleed; kaftan.
Gaberlunzie, gabəlɐnzi, broodzak, rondreizend ketellapper, bedelaar
(Schotl.).
Gabion, geibj’n, schanskorf; —ade, geibjəneid, geibjəneid, versterking
van schanskorven, krib; —age = schanskorven; —ed = met —s.
Gable, geib’l, driehoekig bovendeel van den voorgevel: Stepped — =
trapjesgevel; —-roof = zadeldak; —-window = gevelvenster; —d = van
gevels voorzien.
Gabriel, geibriəl.
Gaby, geibi, sukkel, dwaas; gek, fat.
Gad, gad, subst. wig (van staal of ijzer), metalen staaf, stift, boor;
horzel; — verb. rondzwerven, uitloopen, zich verspreiden: He did not
know what to say on the — = zoo gauw; His imagination was —ding = zijne
fantasie was aan het dwalen; —-about = belust op rondzwerven of
uitloopen; uitlooper, uitloopster; He has a —-about spirit = hij houdt
van doelloos rondzwerven; —-fly = horzel, paardevlieg; —der = —-about;
—ling, subst. vagebond; adj. zwervend; —dle = aan het zwerven of in de
war brengen: That thought set all their little heads —dling = bracht al
hunne hoofdjes op hol.
Gadelle, gədel, roode bes.
Gadhelic, gədelik, gadəlik, Keltische taal of bewoner van Schotland,
Ierland en het eiland Man.
Gaekwar, geikwa, titel van den Maharaja van Baroda.
Gael, geil, Kelt; Gaelic, geilik, galik, Keltisch.
Gaff, gaf, subst. ijzeren haak, speer, gaffel, café chantant of theater
van de laagste soort; — verb. gevangen visch aan land brengen met een
ijzeren haak: To blow the — = verraden; —-topsail = gaftopzeil.
Gaffer, gafə, oude man, opziener, meesterknecht, baas.
Gaffle, gaf’l, ijzeren spoor (voor hanen bij hanengevechten).
Gag, gag, subst. prop (in den mond), de woorden die een speler in zijne
rol lascht; — verb. knevelen, eene prop in den mond stoppen, het
zwijgen opleggen, woorden inlasschen (in eene rol); —ger = knevelaar.
Gage, geidž, subst. pand, borgtocht, handschoen (als uitdaging), groene
pruim; peil (Z. Gauge); — verb. verpanden, op het spel zetten, peilen.
Gaggle, gag’l, snateren, kakelen.
Gaiety, geiəti, vroolijkheid, genot, mooie kleederen, vertoon; Gaily,
geili, vroolijk.
Gaikwar, geikwâ, titel van den Maharaja van Baroda.
Gain, gein, subst. winst, aanwinst, voordeel; — verb. winnen, voor zich
innemen, verkrijgen, bereiken, verwerven, overhalen: To — the day = de
overwinning behalen; They have —ed ground of late = zij hebben in den
laatsten tijd veld gewonnen; They —ed the other side = bereikten; That
will — us time = daardoor zullen wij tijd winnen; We have —ed the wind
of that ship = wij hebben dat schip de loef afgestoken; I have —ed him
into that act = er toe overgehaald; My good behaviour —ed on him = nam
hem voor mij in; I shall try to — him over to our side = voor onze
partij zien te winnen; The enemy —ed upon us = inhalen, voordeel
behalen op; —er = winner; —ing = het winnen of verkrijgen; —ings =
behaalde winst.
Gainsay, geinsei, geinsei, tegenspreken, weerspreken, loochenen; —er =
loochenaar; —ing = tegenspraak, ontkentenis.
Gainst, genst, geinst, verk. van against.
Gairdner, gâdnə: — Lake.
Gait, geit, pad, straat; gang, pas, loop, houding; graanschoof: The
pictures went off at a rattling — = gingen grif van de hand; —ed, in
samenstell.: Heavy —ed = langzaam.
Gaiter, geitə, subst. slobkous; valsche speler; — verb. van slobkousen
voorzien.
Gal, gal = girl.
Gala, geilə, gala, feestelijkheid; —-day = feestelijke dag; —-dress =
galakleeding.
Galactometer, galəktomətə, melkmeter; Galactophorous, galəktofərɐs,
melkhoudend.
Galage, galidž, klomp, overschoen.
Galantine, galənt(a)in, galantine.
Galatia, gəleišə, Galatië; —n, bewoner v. Galatië.
Galaxy, galəksi, melkweg, schitterende groep.
Gale, geil, subst. stijve bries; gagel; lied; twist, opgewondenheid,
periodieke rentebetaling; — verb. snel zeilen: Great events are in the
— = in de lucht, op til; —-day = rentedag.
Galenic(al), gəlenik(’l), volgens de geneeswijze van Galen (Grieksch
geneesheer, 131–200).
Galicia, gəlišə, Galicië; —n, gəliš’n, subst. Galiciër; adj. Galicisch.
Galilean, galilîən, subst. Galileër; adj. tot Galilea behoorend; tot
Galileo (1564–1642) behoorend; Galilee, galilî, Galilea, voorportaal of
kapel aan den ingang eener kerk.
Galimatias, galimatiəs, galimeišəs, dwaasheid, onzinnig gezwets.
Gal(l)iot, galiət, galjoot.
Gall, gôl, subst. gal, kwaadaardigheid, toorn, bitterheid; galnoot;
schram, schaafwond, vochtige plaats of bron (in een stuk land), kale
plek (in den oogst), laag, moerassig land; — verb. met (gal) doen
doortrekken; afschaven, schrammen, beschadigen, verslijten, kwellen,
vertoornen, kwetsen; —-bladder = galblaas; — of glass (Zie Sandiver);
—-fly = galwesp; —-nut = galnoot; —-sickness = galkoorts; —-stone =
steen (in de blaas).
Gallant, gəlant, subst. galant heer, hofmaker, verleider; adj. galant,
hoofsch, hoffelijk; — verb. het hof maken, hoofsch behandelen; —ly =
galant.
Gallant, gal’nt, schoon, schitterend, prachtig, dapper, fier, moedig;
—ly = dapper; —ry = dapperheid, uiterlijk vertoon; hoffelijkheid,
galanterie.
Galleon, galj’n, galjoen.
Gallery, galəri, galerij, gang, schilderijenverzameling,
schilderijenmuseum; tribune, “het schellinkje”, de menschen op tribune
of galerij, mijngang, overdekte gang, buitenbetimmering aan den spiegel
van een schip; tent: Shooting-— = schiettent; He is playing to the — =
hij tracht de toejuichingen van het plebs te winnen.
Galley, gali, galei, strafkolonie, kapiteinsgalei, boot, kombuis;
zetraam: The article went straight from the — to the stone = werd
ongecorrigeerd gedrukt; —-foist = vroegere staatsiesloep van den Lord
Mayor; —-pepper = kolenasch; —-slave = galeislaaf; —-worm = soort. v.
duizendpoot; —-west: That knocked the mystery —-west in a second = toen
was het in eens met alle geheimzinnigheid gedaan (Amer.).
Gallia, galiə, Gallië; —n, galiən, Gallisch.
Galliard, galjəd, subst. vroolijke kwant; soort dans; adj. vroolijk,
vlug, dartel; —ise, galjədîz, vroolijkheid, opgewektheid.
Gallic, galik, Gallisch, Fransch (ook: —an); uit galnoten getrokken;
—ism, galisizm, Fransch idioom; —ize = verfranschen.
Galligaskins, galigaskinz, wijde broek.
Gallimaufry, galimôfri, ragout; mengelmoes.
Gallinaceous, galineišəs, hoenderachtig.
Gallipot, galipot, likkepot.
Gallium, galiəm, gallium.
Gallivant, galivant, galivant, het hof maken, coquetteeren, veel
uitgaan.
Galliwasp, galiwosp, hagedis (W.-Indië).
Gallomania, galəmeinjə, manie voor alles wat Fransch is.
Gallon, gal’n, Engelsche maat van verschillenden inhoud: Imperial — = ±
4.54 L.
Galloon, gəlûn, lint, band, galon; —ed.
Gallop, galəp, subst. galop; — verb. (doen) galoppeeren, snel rijden,
haasten, vluchtig doorloopen; —ing-consumption = vliegende tering;
—ade, galəpeid, galəpâd, subst. (dansende, zijdelingsche) galop, de
dans “galop”; — verb. galoppeeren, een galop dansen.
Gallow, galou, doen schrikken.
Galloway, galəwei, kleine, sterke hit; een donker Schotsch runderras.
Gallowglass, galouglas, zwaar gewapende Iersche voetknecht (uit ouden
tijd).
Gallows, galouz, galg, galgebrok (= —-bird); —es = bretels (Amer.);
—-bits = galg (op een schip); —-free = van de galg gered; —-ripe;
—-tree = galg; —ness = ondeugendheid, boosheid.
Gally, gôli, verb. doen schrikken; adj. vochtig (van land). Zie Gall.
Galoche = Galosh.
Galoot, gəlût, lummel, kerel.
Galop, galəp, galop (dans).
Galore, gəlö, subst. overvloed; adv. in overvloed: She has jewellery —
= zij heeft een rijkdom aan juweelen.
Galosh, gəloš, elastieken overschoen; soort klomp met riemen
vastgemaakt.
Galvanic, galvanik, Galvanisch: —-battery = Galvanische batterij; —
current; — pile (Zie Voltaic); Galvanism, galvənizm, galvanische
electriciteit; Galvanize, galvənaiz, galvaniseeren, electriseeren.
Galveston, gavst’n, galvəst’n; Galway, gôlwei.
Gamba, gambə, gambe, soort violoncel.
Gambade, gambeid, luchtsprong, gril.
Gambado, gambeidou, slobkous; —es = aan het zadel bevestigde
rijlaarzen.
Gambeson, gambəz’n, wollen wambuis (onder het harnas).
Gamble, gamb’l, om geld dobbelen: They —d away their lives =
verdubbelden, vergooiden hun leven; —r.
Gamboge, gamboudž, gambûdž, guttegom.
Gambol, gamb’l, subst. (kromme) sprong; — verb. springen, huppelen.
Gambrel, gambr’l, knieboog v. h. achterbeen van een paard; kromhout
voor ’t ophangen van vleesch; —-roof = tentdak.
Game, geim, subst. spel, vroolijkheid, scherts, pretje, winst bij het
spel; wildbraad, wild, toeleg, tijdverdrijf; adj. wild - -; flink,
moedig, bereid; lam, onbruikbaar; — verb. spelen: A — at cards, at
dice, at (of) chess; A — of chance = hazardspel; Popular —s =
volksspelen; Is that your little —? = voer je dat in je schild? That is
not my — at present = daarom is ’t mij nu niet te doen; The — is not
worth the candle = de sop is de kool niet waard; He made — of us =
hield ons voor den gek; I am — to do it = ik ben bereid; He is — to
play that part = geschikt; All hoped he would die — = dat hij als een
man zou sterven; He went to America much —r than we could have expected
= met meer moed (flinker) dan ...; —-bag = weitasch; —-birds (—-fowls)
= kempvogels; —-cock = kemphaan; —keeper = jachtopziener, koddebeier;
—-laws = jachtwetten; —ful, —some = dartel, vroolijk, speelsch; subst.
—someness; —ster = speler, dobbelaar; Gaming: —-debt = speelschuld;
—-house = speelhuis; —-table = speeltafel.
Gamin, gamin, straatjongen.
Gamma, gamə, toonladder.
Gammer, gamə, moedertje.
Gammon, gam’n, subst. gerookte ham; spel (= Back—); bedriegerij; —
verb. ham zouten en rooken; verslaan (bij het backgammon), bedriegen,
bedotten, huichelen; interj. malligheid, loop! No — with me! = ’k laat
me niet bedotten!
Gamp, gamp, subst. besteedster (paraplu); adj. bol staande; — verb.
bollen of uitzetten.
Gamut, gamət, toonladder, toonschaal, omvang: The — of human feeling.
Gamy, geimi = Game (adj.).
Gander, gandə, gent: Sauce for the goose is sauce for the — = gelijke
monniken gelijke kappen.
Gang, gaŋ, troep, bende, kliek, deel van werklui of scheepsvolk voor
een bepaald doel aangewezen, ertsader, assortiment: —-board =
loopplank, valreepsbord; —-cask = watervat (op een schip); —way = pad,
doorgang, gangboord, trap, brug voor passagiers (schip), gangpad in ’t
Lagerhuis, dat de banken der regeeringspartij en die der oppositie in
twee helften verdeelt; The poor fellow was brought to the —way = de
arme kerel werd afgestraft; He sits below the —way = hij behoort tot de
onafhankelijke leden (die de achterbanken bezetten o.a. langs de
gangway te bereiken); —-week = rondgangweek (Z. Rogation); —er =
opzichter van een arbeidersploeg.
Ganges, gandžis, Ganges; Gangetic, gandžetik, tot den Ganges behoorend.
Ganglion, gaŋgliən, (Meerv. Ganglia), peesknobbel, zenuwknoop.