—ation; —er.
Supple, sɐp’l, adj. buigzaam, lenig, meegevend, meegaande, vleierig,
kruipend; — verb. buigzaam en lenig maken of worden, buigen (fig.),
afrijden, zich schikken; —-jack = gladbladige paulinia; sterke en
lenige wandelstok; subst. —ness.
Supplement, sɐpliment, subst. toevoegsel, aanvulling, supplement,
toelage; — verb. aanvullen (sɐpliment); —al, —ary, sɐpliment’l,
sɐplimentəri, aanvullend, bijvoegend, bijgevoegd.
Suppliant, sɐpliənt, Supplicant, sɐplikn’t, subst. smeeker, nederig
verzoeker; adj. smeekend, verzoekend; Supplicate, sɐplikeit, smeeken,
vragen, bidden: Supplication = smeeking, smeekgebed; Supplicatory =
smeekend.
Supplier, səplaiə, verzorger, leverancier; Supply, səplai, subst.
aanvulling, bijdrage, aanbod, voorziening, voorraad, versterking,
vervanger; — verb. aanvullen, verschaffen, voorzien, leveren,
verzorgen, de plaats vervullen van: Demand and — = vraag en aanbod;
Supplies = benoodigdheden, versterking, toevoer, voorraad, de door het
parlement aan de regeering toegestane gelden: The supplies were voted =
de gelden werden toegestaan; They were supplied with the necessaries of
life = voorzien van; Will you — my place for a while? = mij vervangen;
To — a (felt) want = in eene (gevoelde) behoefte voorzien.
Support, səpöt, subst. ondersteuning, onderstand, hulp, steun,
onderhoud, verzorging, stut, onderstel, statief, voet, begeleiding; —
verb. steunen, onderhouden, stutten, helpen, uithouden, volhouden,
verdedigen, (goed) spelen, begeleiden, leven, lijden, dulden: He cannot
— himself = zichzelf niet onderhouden; Sugar —s itself = is vast; I
won’t — such insults = niet verdragen; — arms = schouder ’t geweer;
—able = verdraagbaar, steunbaar, houdbaar; subst. —ableness; Supporter
= steuner, helper, verdediger, voorspraak, aanhanger, verband,
schilddrager (Herald).
Supposable, səpouzəb’l, onderstelbaar, vermoedelijk; subst. —ness.
Suppose, səpouz, onderstellen, vermoeden, voor waar aannemen,
onderstellingen maken: Let it be —d that... = laten we aannemen,
dat...; Supposing this to be true = aangenomen dat dit waar is; — we go
= zouden we niet eens gaan?; That being —d = in deze veronderstelling;
They are soldiers, I — = het zullen wel zijn; I — = niet waar?
Supposition, sɐpəziš’n, onderstelling, stelling, gissing, vermoeden:
—al, sɐpəzišən’l, vermoedelijk; Supposititious, səpozitišəs,
ondergeschoven, onecht, nagemaakt, valsch: — case = aangenomen of
ondersteld geval; A — child = ondergeschoven; The — joys of basking in
luxury = het twijfelachtig genot; subst. —ness; Suppositive, səpozitiv,
subst. onderstellend woord; adj. ondersteld, onderstellend.
Suppository, səpozitəri, zet- of steekpilletje.
Suppress, səpres, onderdrukken, dempen, verhelen, weglaten, stelpen,
stoppen, opheffen: The circulation of the letters was —ed = werd
verhinderd; —er; —ible = onderdrukbaar; Suppression = onderdrukking,
weglating, verheling, stopping: The — of one letter may give an
entirely different sense = het weglaten van eene letter; —ist =
voorstander van onderdrukking (van den handel in sterke dranken);
Suppressive = onderdrukkend, verbergend; Suppressor.
Suppurate, sɐpjureit, zweeren, etteren; Suppuration = het etteren,
etter; Suppurative, subst. en adj. ettering bevorderend (middel).
Supra, siûprə, (in samenst.) boven, aan de andere zijde: —-axillary =
boven den oksel; —clavicular = boven het sleutelbeen; —costal = boven
of op de ribben; —lapsarian = voorstander van een Calvinistische leer
die de verkiezing vóór den zondenval stelt; —maxillary = boven de
kaken; —mundane = bovenaardsch, hemelsch; —renal = boven de nieren;
—scapular(y) = boven het schouderblad.
Supremacy, siupreməsi, oppermacht: Oath of — = eed waarbij de
oppermacht van den Engelschen souverein in geestelijke zaken erkend
wordt.
Supreme, siuprîm, hoogste, opperste: The — = de Allerhoogste; His will
ought to be — = zijn wil moet het hoogste zijn; — command = opperbevel;
— Court of Judicature = het in 1875 gevestigde hof, waarin de High
Court of Chancery, Courts of Queen’s Bench, Common Pleas, Exchequer en
het High Court of Admiralty, Court of Probate for Divorce and
Matrimonial Cases en London Court of Bankruptcy werden vereenigd; het
bestaat uit twee afdeelingen: het High Court of Justice en het Court of
Appeal; — folly = grootste dwaasheid; To rule —ly = de
opperheerschappij hebben.
Sura, sûrə, hoofdstuk van den koran.
Surah, s(j)ûrə, soort van zijden stof.
Sural, siûr’l, kuit...
Surat, sûrat, sûrât, grof katoen (Voor-Indië).
Surbase, sɐ̂beis, lijstwerk langs een zuilvoet; —d, sɐ̂beist: —d arch =
elliptisch gewelf.
Surcease, sɐ̂sîs, subst. ophouding, dood, staking; — verb. ophouden, een
einde maken aan.
Surcharge, sɐ̂tšɐ̂dž, overladen, te veel vragen, oververhitten; subst.
overlading, overvraging, strafport, oververhitting, 2de of 3de
hypotheek; —r.
Surcingle, sɐ̂siŋg’l, sɐ̂siŋg’l, zadelgordel, riem; — verb. met een
gordel(riem) bevestigen.
Surcoat, sɐ̂kout, overjas, wapenrok.
Surd, sɐ̂d, subst. onmeetb. grootheid, zooals √ 2; adj. stemloos (van
medeklinkers), onmeetbaar.
Sure, šuə, zeker, ongetwijfeld, onfeilbaar: As — as death and taxes =
zoo zeker als 2 × 2; As — as a gun = zoo zeker als wat = As — as can
be; He is a good fellow to be — = buiten kijf; I am — I shall not go =
ik ga bepaald niet; I am — I don’t know = ik weet het heusch niet; I
won’t be — = ik durf het niet zeker zeggen; He is — not to come = hij
komt bepaald niet; Be — not to forget = denk er om; That’s — enough =
dat is vast en zeker; That’s him, — enough = hij is het waarachtig; I
will make — where he is = mij vergewissen; —footed = vast van voet,
stevig op de beenen, vertrouwbaar; subst. —footedness; I can do that
—ly = dat mag ik toch wel doen, he? —ness = zekerheid; Surety =
veiligheid, zekerheid, pand, borgtocht, gerustheid: Of a — = zeer
zeker; I’ll be — for you, be your — = voor u instaan, borg voor u zijn;
To stand — = borg blijven; —ship = het borg zijn, borgschap.
Surf, sɐ̂f, branding; —-boat = boot om mee door de branding te varen;
—-duck (-scoter) = brileend; adj. —y.
Surface, sɐ̂fis, subst. oppervlakte, buitenkant, uiterlijk, vlak; adj.
oppervlakkig (= —-deep); — verb. eene zachte oppervlakte geven, glad
wrijven: Her information is of the most — kind = is zoo oppervlakkig
mogelijk; —-man = wegwerker, lijnopzichter; —-survey = landmeten;
—-water = overdag van de oppervlakte der aarde in een mijn dringend
water.
Surfeit, sɐ̂fit, subst. overlading, walging; — verb. (zich) de maag
overladen; oververzadigd zijn: —ed with too much appetite = overladen
(volgepropt) door.
Surge, sɐ̂dž, subst. groote golf, stortzee; — verb. golven, hooge baren
vormen, een touw laten schrikken (scheepst.): The audience —d down the
corridors = stroomde.
Surgeon, sɐ̂dž’n, heelmeester, chirurg: Royal College of —s = —s’ Hall =
Kon. Instituut ter examineering van chirurgen; —cy = betrekking van
arts (in leger of vloot); Surgery = heelkunde, operatiekamer,
spreekkamer en apotheek van een dokter; Surgical, sɐ̂džik’l, heelkundig:
— instruments = chirurgische instrumenten.
Suricate, siurikeit, palm eekhorentje.
Surinam, sûrinâm, Suriname.
Surliness, sɐ̂linəs, subst. v. Surly, sɐ̂li, norsch, knorrig, gemelijk,
afsnauwend.
Surmise, sɐ̂maiz, subst. vermoeden, gissing, argwaan; — verb. vermoeden,
onderstellen; —r.
Surmount, sɐ̂maunt, te boven komen, overwinnen: A heavy gilt club —ed by
a crown = met een kroontje er op; A weathercock-—ed cupola = koepeltje
met een weerhaan er op; —able = overkomelijk, verwinbaar; —er.
Surmulot, sɐ̂mjulot, groote woudrat.
Surname, sɐ̂neim, subst. familienaam, bijnaam; — verb. ook sɐ̂neim, een
bijnaam geven, bij een bijnaam noemen.
Surpass, sɐ̂pâs, overtreffen, te boven gaan: —able = overtrefbaar; —ing
= uitstekend, buitengewoon: A maiden of —ing beauty = van weergalooze
schoonheid.
Surplice, sɐ̂plis, koorhemd, stool.
Surplus, sɐ̂pləs, subst. overschot, toegift; adj. overtollig: In — =
bovendien; Surplusage, sɐ̂pləsidž, overschot, groot aantal,
overtolligheid: He has a — of daughters = eene heele collectie.
Surprise, sɐ̂praiz, subst. verrassing, overrompeling; — verb.
overrompelen, verrassen, ontstellen, verlegen maken: By — = bij
verrassing; That was a — to me = dat verraste me zeer; I am —d at what
you say = ik ben getroffen; The beggars —d Brielle = verrasten; To —
oneself = zich betrappen op; —-party (in Amerika) = een troepje
personen, dat ongenood in het huis van een gemeenschappelijken vriend
komt, en waarvan ieder zijne bijdrage voor een souper levert; —-visit =
onverwacht (inspectie)bezoek; —r; Surprising = verbazingwekkend,
buitengewoon; subst. —ness.
Surrebut, sɐ̂ribɐt, voor de vijfde maal repliceeren (jur.); —ter =
vijfde wederantwoord; Surrejoin, sɐ̂ridžôin, voor de derde maal
repliceeren; —der = derde wederantwoord.
Surrender, sərendə, subst. overgave, uitlevering; — verb. overgeven,
uitleveren, afstaan, afstand doen, zich overgeven (aan): The town —ed
to the enemy at discretion = gaf zich over; To — upon terms = op
voorwaarden; —er.
Surreptitious, sɐrəptišəs, op slinksche wijze, bedriegelijk, heimelijk:
— edition = nadruk.
Surrey, sɐri.
Surrogate, sɐrəgit, subst. plaatsvervanger; —ship.
Surround, səraund, subst. soort buffeljacht door omsingeling, de keten
van jagers die omsingelt; — verb. omringen, omsingelen, insluiten: —ing
country = —ings = omgeving: London and its —ings = zijne omgeving.
Sursolid, sɐ̂solid, vijfde macht v. een getal.
Surtax, sɐ̂taks, extra belasting.
Surtax, sɐ̂taks, extra belasten.
Surtout, sɐ̂tût, overjas.
Surveillance, sɐ̂veil(j)’ns, toezicht.
Survey, sɐ̂vei, overzicht, inspectie, taxatie, meting; douanedistrict
(Amer.): He took a — of the matter = nam op, onderzocht.
Survey, sɐ̂vei, overzien, het toezicht houden op, nauwkeurig opnemen,
scherp onderzoeken, meten (van land), peilen; —ing-chain = meetketting;
—or = opziener, opzichter, administrateur, landmeter; verificateur
(Amer.); —orship.
Survival, sɐ̂vaiv’l, het overlèven, het blijven bestaan, in leven
blijven, laatst overgeblevene, overblijfsel: — of the fittest = het
overlèven van de krachtigste individuen.
Survive, sɐ̂vaiv, overlèven, nog leven, in leven blijven: He will — his
next birthday = zal nog halen; They are all dead, but he —s = hij is er
nog; Those who — = de overlèvenden; Surviver, Survivor = langstlevende:
The —s of the wreck = zij die er het leven hebben afgebracht; —ship =
voordeel, dat den langstlevende toevalt.
Susan, sûz’n, siûz’n, Suzanne, Suze; Susanna, s(j)uzanə, Susanna.
Susceptibility, səseptibiliti, subst. v. Susceptible, səseptib’l,
vatbaar, toegankelijk, gevoelig, teeder; —ness = teergevoeligheid;
Susceptive, səseptiv, vatbaar, toegankelijk; subst. —ness.
Suspect, səspekt, vermoeden, verdenken, wantrouwen, achterdocht
koesteren, vreezen; subst. een verdacht persoon; —ed = verdacht; subst.
—edness; —er.
Suspend, səspend, ophangen, hangen aan, opschorten, schorsen, doen
ophouden, staken, suspendeeren, stremmen: The lamp was —ed by a chain
to the ceiling = hing; To — hostilities = schorsen; I wish to — my
judgment = op te schorten; The officer was —ed = de ambtenaar werd
geschorst; The firm —ed payment = staakte hare betalingen; To stand —ed
= weifelen, in tweestrijd zijn; Suspenders = kous-ophouders, bretels: —
they were called, braces not being a parliamentary word = ze werden
suspenders genoemd, aangezien braces niet fatsoenlijk is; Suspense,
səspens, onzekerheid, besluiteloosheid, uitstel: He was in a mortal — =
in doodelijken angst; To keep in — = in spanning of onzekerheid laten;
Suspensible = zwevend; Suspension, səspenš’n, (op)hanging, ophouding,
opschorting, uitstel, onzekerheid, schorsing, stremming, staking: — of
arms, of hostilities = eene staking der vijandelijkheden, een
wapenstilstand; — of pain; — of payment; —-bridge = hang- of
kettingbrug; Suspensive = twijfelachtig, onzeker; Suspensor =
breukband; suspensoir, zaadstreng; Suspensory = hangend, dragend.
Suspicion, səspiš’n, achterdocht, vermoeden, verdenking, “schijntje” of
kleinigheid; Suspicious, səspišəs, achterdochtig, verdacht: A — frame
of mind = achterdochtige aard; subst. —ness.
Suspiration, sɐsp(a)ireiš’n, diepe ademhaling; Suspire = diep
ademhalen.
Susquehanna, sɐskwəhanə; Sussex, sɐsəks.
Sustain, səstein, dragen, ondersteunen, schragen, volhouden, handhaven,
lijden, dragen, helpen, bijstaan, onderhouden, verdedigen, beweren,
aanhouden, verdragen: To — authority = het gezag hoog houden; To — a
loss = lijden; To — one’s part = zijn rol volhouden; This admirable
spirit is —ed throughout the work = wordt het geheele werk door
volgehouden; —able = wat volgehouden, enz. kan worden; —er; —ment =
ondersteuning, etc. Sustenance, sɐstən’ns, onderhoud, levensmiddelen;
Sustentation, sɐst’nteiš’n, steun, onderhoud: — fund = fonds ter
verbetering van de traktementen der bedienaren van den godsdienst
(vooral in de Free Church of Scotland).
Susurrant, siusɐr’nt, fluisterend, zacht ruischend; Susurration,
siûsəreiš’n, gefluister, geritsel; Susurrus, siusɐrəs, geruisch,
gefluister.
Sutherland, sɐdhəland.
Sutler, sɐtlə, zoetelaar; —ship; Sut(t)ling, sɐtliŋ: —-wench =
marketentster, zoetelaarster.
Suttee, sətî, verbranding der weduwe met haren overleden echtgenoot,
weduwe die met haar overleden echtgenoot verbrand wordt; —ism =
vrijwillige vuurdood der weduwe.
Suttle, sɐt’l: — weight = netto gewicht.
Sutural, siutjûr’l, naad..; Suture, siûtjuə, het naaien, zoom, naad.
Suzerain(e), siûzərən, subst. leenheer, opperheer; adj. heerschend,
machtig; —ty.
Swab, swob, subst. zwabber, wisscher; zuiplap; — verb. dweilen,
zwabberen, afwisschen: You drunken — = jij drankorgel; He —bed the
perspiration from his face = veegde zich het zweet af; —ber = zwabber
(scheepst.).
Swabia, sweibjə, Zwaben; —n = Zwaab(sch).
Swad, swod, kort en dik persoon; pummel; klomp, massa (Amer.).
Swaddle, swod’l, zwachtelen, inbakeren; —r = scheldnaam aan Methodisten
gegeven; Swaddling: —-bands = —-clothes = —-clouts = luren, pak (waarin
een klein kind gewikkeld wordt).
Swag, swag, subst. ongelijke of hortende beweging, doorzakking,
gestolen goed, buit; ransel (Austral.); — verb. los en zwaar hangen,
heen en weer slingeren; —-belly = iemand met een hangbuik; swagman =
reizend gezel; houder van een —shop = uitdragerij; —sman = heler.
Swagger, swagə, subst. gebluf, ijdel snoeven, zwaaiende gang, rottinkje
der Engelsche militairen (= —-cane); — verb. snoeven, met gemaakte
gewichtigheid rondstappen, schetteren: — houses = huizen der “groote
lui”; —er = bluffer, grootspreker, tiran.
Swain, swein, jonge man, boerenknecht, (landelijk) minnaar.
Swale, sweil, laag gelegen land (Amer.).
Swallow, swolou, subst. zwaluw; keel, afgrond, vraatzucht, groote hap
of slok; — verb. verzwelgen, doorslikken, opslorpen, verteren, slikken
(ook fig.): At one — = in één slok, hap; I won’t — such insults = zulke
beleedigingen slik ik niet; He —ed all this nonsense like gospel-truth
= slikte; The poor fellow was —ed by the waves = werd verzwolgen;
—-fish = groote zeehaan; —-tail = zwaluwstaart, rok, wimpel,
vooruitgeschoven bastion; —-tailed = met een zaluwstaart, gevorkt, met
smal uitloopende slippen (als een rok): —-tailed butterfly =
koninginnepage; —er = verzwelger, gulzigaard.
Swam, swam, imperf. van to swim.
Swamp, swomp, subst. moerassig of drassig land; — verb. in een moeras
zinken, vol water loopen (van eene boot), doen zinken, overstroomen,
overtreffen, het overwicht hebben, ruïneeren; in onoverkomelijke
moeilijkheden geraken, ondergaan: The Chinaman —s the labour-market of
America = overstroomt; We got —ed = wij kwamen er leelijk in te zitten,
waren geruïneerd; —-fever = moeraskoorts; —-hickory = Noord-Amerik.
hickory-noot; —-honey-suckle = kleverige azalea; —y = moerassig,
drassig.
Swan, swon, zwaan: A black — = een witte raaf (fig.); —-down, —’s down
= zwanendons; —herd = hoeder; —-hopping (—-upping) = het merken van
zwanen; —-shot = ganzenhagel; —skin = soort van gekeperd flanel,
zwanevel; —-song = zwanenzang; —wort = soort van orchidee.
Swang, swaŋ, laag gelegen grasland.
Swank, swaŋk, bluf, opsnijderij.
Swansea, swonsî.
Swap, swop, subst. slag; ruil; — verb. neerploffen; ruilen, wisselen: I
had a — with him = ruilde; We fell to —ping notes about customs in
Germany = onze bevindingen uit te wisselen (te vergelijken); We smoked
a final pipe, and —ped a final yarn = vertelden nog een laatst verhaal;
To get —ped = de bons krijgen.
Swape, sweip, lang roer (bij een vlot); zwengel eener pomp; —-well =
pomp.
Sward, swöd, grasveld; huid, bast; —-cutter = ploeg (voor grasvelden),
grasschaar.
Sware, swêə, imperf. van to swear (dichterl.).
Swarm, swöm, subst. zwerm, dichte menigte; — verb. zwermen (van bijen),
krioelen, wemelen, zich verdringen; in een boom of mast klimmen (gew.
met up): —ing time (van bijen).
Swarry, swori, verbastering van soirée.
Swart(h), swöt(h), zwart, donker; Swarth(i)ness, subst. v. Swarthy =
getaand, bruin.
Swash, swoš, subst. gepoch, gezwets, het “geuren” of bluffen;
watergeklots of -gekabbel; adj. dronken; overrijp, murw; ovaal; — verb.
klotsen, kabbelen; bluffen, zwetsen; —-buckler = schetteraar, bluffer,
vechtersbaas = —er; —ing = bluffend, zwaar neerploffend, verpletterend;
—y = papperig.
Swath, swôth, zwad, rij gemaaid en bijeengelegd gras of koren, wat eene
zeis of maaimachine bereikt: To cut a — = gewichtig doen.
Swathe, sweidh, subst. zwachtel; — verb. zwachtelen, bakeren;
Swathing-clothes = luren, pak (zie Swaddle).
Sway, swei, subst. zwaai of slag, overwicht, overmacht, heerschappij,
invloed, het doorslaan (van den balans); — verb. zwaaien, slingeren,
hanteeren, overhellen, neerdrukken, richten, (be)heerschen, invloed
oefenen: He was —ed by my advice = liet zich leiden; — on = vooruit
maar; —ed (in the back) = lendenlam (van paarden).
Sweal, swîl, afloopen (van een kaars), walmen, schroeien van een dood
varken.
Swear, swêə, subst. eed, vloek; — verb. zweren, vloeken, bezweren,
beëedigen, onder eede bevestigen: The jury was sworn = werd beëedigd;
To — an oath = een eed doen; To — the peace against a person = iemand
bij den vrederechter aanklagen wegens bedreiging; To — false = een
meineed doen; He swore by all that is holy = (be)zwoer bij al wat
heilig is; I — by you for the best of friends = ik vertrouw u; The new
mayor was sworn in = werd beëedigd; I — off lying = ik beloof plechtig
niet meer te zullen liegen; They were sworn to silence = moesten onder
eede beloven te zullen zwijgen; —er = vloeker, hij die een eed doet.
Sweat, swet, subst. zweet, zware arbeid, het bezweet zijn; — verb.
zweeten, uitbuiten, huiden zweeten: In the — of thy face shalt thou eat
bread; It gave him (put him in) a cold — = maakte dat hem ’t koude
zweet uitbrak; You’ll — for it = er voor bloeden; The —ed carry on
their miserable lives = de slachtoffers van hongerloon voor harden
arbeid; Sweater, swetə, zweeter, uitbuiter; dikke wollen trui;
Sweating: —-bath = zweetbad; —-house = zweethuis; —-iron = roskam;
—-room = zweetkamer, droogkamer (kaas); —-sickness = zweetziekte;
—-system = hongerloon voor hard werk (vooral bij thuiswerkende
arbeiders); Sweatiness, subst. v. Sweaty = zweeterig, bezweet,
zwoegend, zwaar.
Swede, swîd, Zweed, Zweedsche raap; —n = Zweden.
Swedenborgian, swîd’nbödžiən, subst. en adj. (volgeling) van
Swedenborg; —ism = leer van de —s.
Swedish, swîdiš, subst. en adj. Zweedsch(e taal).
Sweep, swîp, subst. het vegen, veger, veeg, zwaai, draai, omvang,
uitgestrektheid, vluchtige blik, sleep, schoorsteenveger, ploert, lang
roer, zwengel, half cirkelvormig oprijpad van een buiten; — verb.
vegen, wegvegen, even aanraken, voorbij vliegen of schieten, langs
schuren, zwaaien, reiken, zich uitstrekken, dreggen, bestrijken, snel
overzien: We heard the —s of the oars = de riemslagen; He killed them
at one — = met éénen slag; Give this room a — = veeg eens aan; To make
a clean — = schoon schip maken, een flinke opruiming houden;
Lamp-chimney — = lampeglasveger; — before your own door = veeg uw eigen
pad schoon; Our cannon swept the walls = veegde(n) schoon; Everything
was swept away = werd weggevaagd; He was swept from our sight =
plotseling aan ons oog onttrokken; The waves — (over) the deck = slaan
over het dek, vegen het dek schoon; —-net = sleepnet; —-stakes = spelen
of wedstrijden waarbij de prijzen hoofdzakelijk bestaan uit de
inleggelden; die prijzen zelf: They got up —-stakes = zij zetten samen
geld in, dat den winner tebeurt zou vallen; —-washings = afval in goud
en zilversmederijen; —er = wie of wat veegt; Sweeping: — assertions =
algemeene; The motion was carried by a — majority = met eene
verpletterende meerderheid; A — reduction = kolossale
prijsvermindering; —s = op- of uitvaagsel, vuilnis: His troops were the
—s of the galleys = uitvaagsel der galeien; Sweepy = voorbijsnellend,
trotsch stappend, met kleine golven, kronkelend.
Sweet, swît, subst. zoetigheid, liefelijkheid, lieverd; adj. zoet,
geurig, welluidend, schoon, lief, aangenaam, frisch, bevallig: A dear
little — = lieve snoes = Dearest —; My —; Have a —? = wil je een
zoetigheidje; The — of the district = de bekende snoeperij van het
district; The —s and bitters of life = het zoet en zuur des levens; —s
to the — = het lieve voor de lieve; —s = bonbons, lekkernijen,
suikerwerken, enz.; — airs = lieve melodiën; — corn = soort Turksche
maïs; — herbs = tijm en marjolein; — manners = zachte, vriendelijke
manieren; —mouth = lekkerbek; — oil = olijfolie; — orange =
sinaasappel; He has a — tooth = hij is een zoetekauw; — violet =
welriekend viooltje; At your — will = naar uw welbehagen; No — without
sweat = kermis is een bilslag waard, voor wat hoort wat; He is — on her
= verliefd, dol op; —bread = zwezerik; —-briar = eglantier, hondsroos;
—-broom = priemkruid; —heart, subst. minnaar, minnares, lieveling; —
verb. het hof maken: My master is —-hearting inside = aan het vrijen;
—meat = suikerwerken, bonbons, gecandeerde vruchten; —-pea = pronkerwt;
—-potato = bataat; —-scented = geurig, welriekend = —-smelling; —-tea =
thee, waarbij brood, jams, etc. wordt gepresenteerd; —-william =
duizendschoon, ruwe anjer; —wort = elke plant van zoeten smaak; Sweeten
= verzoeten, parfumeeren, verzachten, aangenaam maken, zuiveren,
reinigen, ontsmetten: She —ed up the apple-sauce = zoette aan; Sweeting
= St. Jansappel; lieveling; Sweetish = tamelijk zoet; subst. —ness;
Sweetly pretty = snoezig; Sweetness = zoetheid, welluidendheid,
geurigheid, wellevendheid; The — of his manners was only equalled by
his liberality = de vriendelijkheid zijner manieren; Sweety =
ulevelletje, bonbon.
Swell, swel, subst. zwelling, gezwel, aanzwellen, stijging, hoogte,
deining; groote heer, “heele piet”, fat, bram; crescendo- of
decrescendoteeken; adj. fijn, chique, fatterig; — verb. zwellen,
opzwellen, toenemen, zich verheffen, opgeblazen zijn, buiken,
vergrooten, vermeerderen: You are quite a — with your new suit = een
heele piet; He does the — = hij hangt den fijnen meneer uit; What was
called a — 25 years ago is a dude or an effete youth now; He has —ed
all expenses = alle uitgaven vermeerderd; The wind had —ed the sails =
doen zwellen; My book —s to an unexpected size = groeit aan tot; He was
swollen with pride = opgeblazen van trots; —-mob = bende van als heeren
gekleede gauwdieven of zakkenrollers; —-mobsman = fortuinzoeker,
oplichter; —dom = nageaapte voornaamheid: An ounce of comfort is worth
a pound of —dom = zoogenaamde “chic”; Swelling: The — of the sea = het
deinen der zee; Swellish = als een fatje.
Swelter, sweltə, smoren of braden van de hitte, in zijn zweet baden,
verdorren, verzengen: It was a —ing morning = een smoorheete morgen.
Swept, swept, imp. en p.p. van to sweep.