dienst treden (— oneself), bewegen tot, verplichten, zich bezig houden
met, aan den gang brengen, wikkelen (in een strijd), slaags raken, zich
begeven in, op zich nemen, zich verbinden: I am —d = ben bezet, niet te
spreken, heb al eene uitnoodiging; They —d in general conversation =
het gesprek werd algemeen; Engagement = afspraak, verplichting,
verloving, aanstelling, bezigheid; gevecht: A general and close — =
algemeen gevecht van man tegen man; I am under an — to him = ik ben
jegens hem gebonden; To break, enter into, stand by an — = eene
verbintenis verbreken, aangaan, houden; Meet your —s = betaal uwe
schulden; Engaged-wheels = in elkander grijpende raderen; het drijvende
rad heet engaging, het gedrevene engaged wheel; Engaging = innemend,
boeiend.
Engender, əndžendə, voortbrengen, telen, veroorzaken.
Engine, endžin, machine, locomotief (= Fire-—, Locomotive-—); — verb.
van machines voorzien: Light — = losse machine; —-driver = machinist;
—-hose = brandspuitslang(en); —-house = machineloods, brandspuithuisje;
—-man = machinist, spuitgast; —-wright = locomotiefconstructeur.
Engineer, endžinîə, subst. ingenieur, machinist v. een trein (Amer.),
officier of soldaat van de genie, technicus, machinist (op een schip);
— verb. aanleggen, op touw zetten, klaarspelen: Civil —; Electric —;
Practical — = werktuigkundige; Then the Dreyfus case was —ed = op touw
gezet; With a little tact it could be —ed = met een beetje tact kon het
wel klaargespeeld worden; Civil and Military —ing = burgerlijke en
militaire bouwkunde of genie; —ing-drawing = machineteekenen.
Engird, əngɐ̂d, omgorden = Engirdle.
England, iŋlənd; —er = Brit, Engelschman: A Little —er = tegenstander
van de uitbreiding van het rijk.
English, iŋgliš, Engelsch, ook subst.; — verb. verengelschen, in het E.
overbrengen; She (He) is — = zij (hij) is een(e) Engelsche(-man); The
King’s (Queen’s) — = zuiver Engelsch; —man = Engelschman; —woman = eene
Engelsche; —ry = bewoners (in een ander land) van Engelschen stam.
Engorge, əngödž, gulzig verslinden; —d = volbloedig; —ment =
vraatzucht; congestie.
Engraft, əngrâft, enten, indrukken, inplanten; subst. —ment.
Engrail, əngreil, kartelen, versieren; —ment = gekartelde of uit een
kring van puntjes bestaande rand op een geldstuk.
Engrain, əngrein, in de wol verven, drenken in, inwortelen: —ed with
filth = door en door vuil.
Engrave, engreiv, graveeren, inprenten, indrukken; —r (on copper, on
steel, on stone, on wood); Engraving = gravure, houtsnee.
Engross, əngrous, geheel innemen of bezitten, geheel in beslag nemen,
aan zich trekken, in ’t groot opkoopen; in ’t net schrijven; —er =
copiïst; subst. —ment.
Engulf, əngɐlf, verzwelgen, verzwolgen worden, zich uitstorten,
verdwijnen (onder de aarde).
Enhance, ənhâns, verhoogen, verheffen, vermeerderen, verzwaren; subst.
—ment.
Enid, înid.
Enigma, inigmə, raadsel; —tic(al), ook enigmatik(’l), raadselachtig,
duister; —tize = in raadselen spreken.
Enisle, ənail, tot eiland maken, isoleeren.
Enjoin, əndžôin, opleggen, bevelen, verbieden, vermanen (met on).
Enjoy, əndžôi, genieten, zich verheugen over, zich laten smaken,
bezitten; zich vermaken (= — oneself): Did you — your holiday = hebt ge
plezier gehad in de vacantie? —able = genietbaar, genotvol; —er =
bezitter, genieter; —ment = genot, vreugde.
Enkindle, ənkind’l, aansteken, doen ontvlammen, opwekken.
Enlace, ənleis, omstrengelen, omgeven.
Enlard, ənlâd, lardeeren.
Enlarge, ənlâdž, grooter maken, verwijden, uitzetten, uitweiden over,
in vrijheid stellen, grooter worden: Such an education —s the heart =
maakt het hart ontvankelijker; subst. —ment.
Enlighten, ənlait’n, verlichten, beschaven, duidelijk maken, inlichten;
subst. —ment.
Enlink, ənliŋk, aaneenschakelen.
Enlist, ənlist, inschrijven, registreeren, in dienst nemen, winnen
voor, werven, dienstnemen (into): I got him —ed into my company; I — my
pity in your behalf = ik heb medelijden met u; subst. —ment: Voluntary
—.
Enliven, ənlaiv’n, verlevendigen, opwekken, opvroolijken; —er =
opwekkend middel.
Enmesh, ənmeš, in een net vangen, omstrikken.
Enmity, enmiti, vijandschap, vijandige gezindheid.
Ennea..., eniə (in samenstellingen), negen: —gon, eniəgon, negenhoek;
adj. Enneatic(al): — days = iedere negende dag van eene ziekte; — years
= ieder negende jaar van een menschenleven.
Enniskillen, eniskilən.
Ennoble, ənoub’l, adelen, veredelen, verheffen; subst. —ment.
Enoch, înok.
Enormity, inömiti, kolossaalheid, buitengewoonheid, gruwelijke misdaad,
wreedheid, afschuwelijkheid; adj. Enormous; subst. —ness.
Enough, inɐf, genoeg, voldoende (hoeveelheid): Hold, — = schei uit, ’t
is genoeg; That is an easy pillow — = zeer gemakkelijk; That’s right —
= volkomen juist; Sure — = voorzeker, inderdaad; It is true — = maar al
te waar; Well — = vrij goed, voldoende; — and to spare = meer dan
genoeg; — is as good as a feast = de tevredenheid gaat boven alle
schatten.
Enow, inau = Enough.
Enquire, əŋkwaiə = Inquire.
Enrage, ənreidž, woedend maken, vertoornen.
Enrapt, ənrapt, verrukt; subst. —ure, ənraptšə.
Enravish, ənraviš, verrukken; subst. —ment.
Enrich, ənritš, verrijken, tooien, vruchtbaar maken; subst. —ment.
Enrobe, ənroub, (be)kleeden, tooien.
Enrockment, ənrokm’nt, steenstorting, hordenwerk voor havenhoofden,
wallen, dammen, enz.
Enrol(l), ənroul, inschrijven, registreeren, opnemen, aanmonsteren:
They —led themselves members of the university = lieten zich
inschrijven als; They were prepared to — themselves = bereid dienst te
nemen; —ment = inschrijving, register, oorkonde.
Enroot, ənrût, doen wortel schieten.
Enschedule, ənšedjûl, opteekenen, inschrijven.
Ensconce, ənskons, zich verbergen, zich neerzetten: They —d themselves
on one of the sofas = zij doken in; —d in an angle = verscholen,
verdekt opgesteld.
Enshrine, ənšrain, wegsluiten (als iets heiligs), koesteren (met
heilige liefde).
Enshroud, ənšraud, omhullen, bedekken.
Ensiferous, ensifərɐs, zwaarddragend; Ensiform, ensiföm, zwaardvormig.
Ensign, ensain, vlag, standaard, signaal, vaandrig,
(onderscheidings)teeken, insigne, verhuurbordje, uithangbord; —-bearer
= vaandeldrager; —cy, —ship = vaandrigrang.
Ensilage, ensilidž, subst. ingekuild voeder, inkuiling van groen
veevoeder en vruchten; — verb. inkuilen = Ensile.
Enslave, ənsleiv, tot slaaf maken, onderwerpen; subst. —ment.
Ensnare, ənsnêə, in eene val lokken, verstrikken, verlokken.
Ensphere, ənsfîə, omringen, een bolvorm geven aan.
Ensue, ənsiû, volgen, voortkomen; Ensuing: — ages = het nageslacht.
Ensure, ənšûə. Zie Insure.
Entablature, əntablətjuə, Entablement, ənteib’lm’nt, entablement,
architraaf, fries en kroonlijst samen.
Entail, ənteil, subst. = Entailed estate, grondbezit, dat van vader op
zoon moet overgaan; de regeling van de overdracht van goederen; — verb.
vermaken (zóó, dat het vermaakte onvervreemdbaar is), na zich sleepen,
meebrengen, leiden tot: My property has got no — on it = ik kan vrij
beschikken over; To cut off the — = The Estate in Tail veranderen in
een Estate in Fee Simple, waarover de erflater vrij beschikken mag;
subst. —ment.
Entangle, əntaŋg’l, verstrikken, verwarren, verlegen maken; subst.
—ment = verwikkeling, verwarring, verlegenheid, valstrik,
havenversperring.
Enter, entə, binnengaan, binnenkomen, instroomen, intreden, zich
begeven in, lid worden van, toelaten, inschrijven, boeken, aanvangen,
beginnen, inklaren (v. goederen), indringen, ingaan (fig.), indrijven:
To — the cargo = bij de douane aangeven; To — the church = geestelijke
worden; He —ed the lists against a formidable adversary = trad het
strijdperk binnen, bond het gevecht aan met; He —ed his office = trad
binnen; To — a protest against = aanteekenen tegen; To — into
conversation = aanknoopen; I — into your feelings = begrijp volkomen,
deel in; To — into the Kingdom of Heaven = binnengaan; To — into (on)
one’s rest = de eeuwige rust ingaan; He was —ed of the Inner Temple =
werd lid van; A new actor —ed on the scene = trad op; She —ed to him =
zij kwam bij hem op het tooneel; —ed to national account = geboekt voor
het rijk; To — upon the joys of Heaven = deelachtig worden; He —ed upon
his office = aanvaardde zijn ambt.
Enteric, ənterik, darm...: — fever = typheuse koorts; Enteritis,
entəraitis, ingewandsontsteking; Entero..., entərou (in
samenstellingen), ingewands..., buik...
Enterclose, entəklous, doorgang tusschen twee kamers.
Enterprise, entəpraiz, subst. onderneming, waagstuk, speculatie,
energie, ondernemingsgeest; ook verb.; Enterprising = ondernemend,
vermetel.
Entertain, entətein, onthalen, zich onderhouden, bezighouden,
handhaven, voeden of koesteren, in overweging nemen, vermaken: I do not
— the idea of it = ik denk er niet over; To — an offer, an overture =
op een aanbod (voorstel) ingaan; To be —ed at (to) dinner = de gast
zijn; —er = onderhouder, patroon, gastheer: I am the — = ik betaal;
—ing = amusant; —ment = onthaal, gastvrijheid, feestmaal, vermaak,
geestesgenot, koesteren (van gedachten).
Enthral, ənthrôl, tot slaaf maken, onderwerpen, betooveren; subst.
—ment.
Enthrone, ənthroun (Enthronize, ənthrounaiz), ten troon verheffen,
zetelen, wijden (een bisschop); subst. —ment.
Enthuse, ənthjûz, in geestdrift (in vuur) geraken, vol geestdrift zijn
(Am.): To — over; Enthusiasm, ənthjûziazm, geestdrift, overdreven
ijver; Enthusiast = geestdriftig, vurig bewonderaar of vereerder; adj.
Enthusiastic(al).
Entice, əntais, verlokken of verleiden; subst. —ment.
Entire, əntaiə, adj. geheel, volkomen, oprecht, onbetwist, zuiver;
subst. bier (direct v. de brouwerij), niet gecastreerd paard; subst.
—ness = —ty.
Entitle, əntait’l, aanspraak of recht geven op, betitelen, noemen.
Entity, entiti, zijn, aanwezen, bestaand iets: That remarkable —, the
French people = dat merkwaardig geheel.
Entoil, əntôil, verstrikken.
Entomb, əntûm, (levend) begraven; —ment = begrafenis.
Entomologic(al), entəməlodžik(’l), entomologisch; Entomologist =
entomoloog; Entomology, entəmolədži, insectenleer.
Entozoön, entəzouən, ingewandsworm.
Entrails, entreilz, ingewanden, binnenste.
Entrain, əntrein, ten gevolge hebben, meesleepen; inladen (in een
trein): The troops —ed for Kimberley.
Entrammel, əntram’l, verwarren, verstrikken.
Entrance, entr’ns, binnenkomst, intrede, intocht, optreden,
aanvaarding, toelating, ingang, monding, inklaring: His — into his
office = het aanvaarden van zijn ambt; —-examination =
toelatingsexamen; —-duty = invoerrecht; —-fee = inleggeld,
entrée(geld); — money = toegangsprijs; — subscription = entree (bij het
lid worden.)
Entrance, əntrâns, verrukken, in geestverrukking brengen; subst. —ment.
Entrant, entr’nt, optredende, deelnemer.
Entrap, əntrap, in eene val vangen, verstrikken.
Entreat, əntrît, smeeken, dringend verzoeken: —ive words = smeekbeden;
—y = dringend verzoek, smeekbede.
Entrée, Fr. uitspr., toegang; —s = Entremets, Fr. uitspr.,
tusschengerechten (in Engel.).
Entrench, əntrenš, verschansen (m. loopgr.); subst. —ment.
Entrepot, Fr. uitspr., hoofdstapelplaats, magazijn, entrepôt.
Entrust, əntrɐst (Zie Intrust): He was —ed with your interests = hem
werden toevertrouwd.
Entry, entri, ingang, (binnen)komst, intocht, optreden, steeg, boeking,
post, inklaring, declaratie, inbezitneming: To make one’s — = zijn
intocht houden; To make an — = declareeren (van goed); Will you make an
— of this = dit opschrijven? The entries were six in all = deelnemers;
(Book-keeping by) Double, Single — = dubbel, enkel boekhouden; Bill of
— = lijst der voor invoer in te klaren goederen; —-money.
Entwine, əntwain, Entwist, əntwist, omwinden, omslingeren.
Enucleate, injûklieit, ontwarren, ophelderen; subst. Enucleation.
Enumerate, ənjûməreit, optellen, opnoemen; Enumeration = optelling,
lijst; adj. Enumerative.
Enunciate, inɐnšieit, uiten, uitspreken, verklaren; Enunciation =
uitdrukking, bewoordingen, uitspraak, verklaring; adj. Enunciative.
Envelop, ənveləp, omringen, omwikkelen, verbergen; —e, envəloup,
omslag, enveloppe; de coma (zie dit woord) van een planeet, omhulsel,
versterkte wal: A visiting-card is carried in an open —e for one
centime — kan worden verzonden; Envelopment = inwikkeling, omslag.
Envenom, ənvenəm, vergiftigen, verbitteren.
Enviable, enviəb’l, benijdenswaardig; Envied, envid, benijd; Envious,
enviəs, afgunstig: The — flood = de boosaardige golven (vloed); subst.
—ness.
Environ, ənvair’n, omringen, omgeven, insluiten; —s ook envir’nz,
omstreken, omgeving; subst. —ment.
Envisage, ənvizidž, onder de oogen zien, beschouwen.
Envoy, envôi, afgezant, bode; slotstrophe welke een opdracht bevat (ook
ənvôi); —ship = ambt v. envoy.
Envy, envi, subst. nijd, afgunst, voorwerp van afgunst;
kwaadaardigheid; — verb. benijden, misgunnen: In — = uit jaloerschheid,
nijd.
Enwrap, ənrap, omwikkelen, inwikkelen, omhullen.
Enwreathe, ənrîdh, be-, omkransen.
Eolian, ioulj’n, Eolic, iolik, Eolisch.
Eon, îən, eeuw, eeuwigheid.
Eostre, îəstə, Angelsaksische godin.
Epact, îpakt, epakt, epacta.
Eparch, epək, gouverneur, bisschop (Grieksche kerk); —y = provincie;
diocees.
Epaule, əpôl, hoek van een bastion; —ment = epaulement, borstwering.
Epaulet(te), epôlet, epaulette.
Epenthesis, ipenthisis, epenthesis.
Ephemera, ifemərə, ééndagsvlieg, ding van één dag; —l, kortstondig,
ephemeer; Ephemeris, ifeməris (Meerv. Ephemerides, îfemeridîz),
sterrekundige tafel, astronomische almanak; Ephemeron, ifeməron, =
Ephemera.
Ephesian, ifîž’n, subst. Ephezer; adj. van Ephesus, efəsɐs.
Ephialtes, efialtîz, nachtmerrie.
Ephod, efod, rijk en kort opperkleed der Joodsche (hooge)priesters.
Ephor, efö, opziener; mv. —s of Ephori, efərai, ephoren (Sparta).
Epic, epik, adj. episch, verhalend; subst. epos, heldendicht.
Epicede, episîd, lijk- of klaagzang.
Epicene, episîn, gemeenslachtig.
Epicure, epikjuə, epicurist, gastronoom; —an, epikjurîən, adj.
epicuristisch, weelderig; subst. epicurist, lekkerbek; —anism,
epikjurîənizm = Epicurism = epicurisme.
Epidemic, epidemik (Epidemy, epidəmi), epidemie: An — of typhoid was
raging; Epidemic(al) = heerschend, epidemisch.
Epidermis, epidɐ̂mis, opperhuid.
Epigastric, epigastrik, tot het bovendeel van den onderbuik (=
Epigastrium) behoorende.
Epiglottis, epiglotis, keelklep; adj. Epiglottic.
Epigram, epigram, puntdicht, epigram; adj. Epigrammatic(al); —matist,
epigramətist, maker van puntdichten; — verb. Epigrammatize.
Epigraph, epigraf, opschrift, motto.
Epilepsy, pilepsi, vallende ziekte; Epileptic, epileptik, subst.
epilepticus; adj. epileptisch (= —al).
Epilogical, epilodžik’l, Epilogistic, epiləžistik, epilogisch, tot een
epiloog behoorend; Epilogue, epilog, epiloog.
Epiphany, əpifəni, Driekoningen (6 Jan.).
Epiphyte, epifait, woekerplant.
Epirus, epirəs.
Episcopacy, əpiskəpəsi, bisschoppelijke regeering der kerk; Episcopal,
əpiskəp’l, episcopaal; Episcopalian, əpiskəpeilj’n, subst. lid v. de
episcop. kerk; adj. bisschoppelijk; Episcopate, əpiskəpit, subst.
bisdom, waardigheid van bisschop; het episcopaat.
Episode, episoud, episode, voorval, tusschenverhaal; Episodial,
episoudj’l; Episodic(al), episodik(’l), tot eene episode behoorend,
toevallig.
Epistle, ipis’l, subst. brief, Zendbrief; gedeelte van de Zendbr., dat
bij ’t Avondmaal wordt voorgelezen; — side = rechterzijde van het
altaar (als men er vóór staat) waar dit voorgelezen wordt; Epistolary,
əpistələri: — style = briefstijl.
Epistyle, epistail, architraaf.
Epitaph, epitaf, grafschrift.
Epithalamium, epithəleimj’m, bruiloftsdicht of lied.
Epithelium, epithîliəm, opperhuid, slijmhuid.
Epithet, epithet, subst. epitheton, toenaam, bijnaam.
Epitome, əpitəmî, korte inhoud, kort begrip; Epitomist = maker van een
epitome; — verb. Epitomize = condenseeren.
Epoch, epok, îpok, tijdstip, tijdperk; —-making; —al, epək’l,
opzienbarend.
Epode, epoud, epode, slotzang, refrein.
Epopee, epəpî, Epos, epos, heldendicht.
Epsom Salts, eps’msôlts, Engelsch zout.
Equability, îkwəbiliti, ekwəbiliti, gelijkmatigheid; Equable, îkwəb’l,
ekwəb’l, gelijkmatig, gelijkvormig.
Equal, îkw’l, subst. gelijke, wederga; adj. gelijk, gelijkvormig,
opgewassen tegen; — verb. gelijk zijn (worden, maken), evenaren: His
mental (social) —; He is not (does not feel) — to it = hij is er niet
tegen opgewassen; — to the occasion = berekend voor zijn taak,
slagvaardig; Not to be —led = zijns gelijke niet hebben; —ity,
ikwoliti, gelijkheid, enz.; —ization, ikwəl(a)izeiš’n, gelijkmaking;
—ize = gelijkmaken.
Equanimity, îkwənimiti, gelijkmoedigheid.
Equate, ikweit, herleiden tot een gemiddelde, in den vorm van een
vergelijking brengen; Equation, ikweiš’n, vergelijking, equatie of
verevening: — of time = tijdsverevening.
Equator, ikweitə, evenaar, aequator; —ial, îkwətôri’l, adj.
aequatoriaal, ook subst. = bepaalde astronomische kijker; —ial current
= aequatoriaalstroom; —ial regions = de tropen.
Equer(r)y, ekwəri, ikweri, stalmeester.
Eques, îkwiz = Equites.
Equestrian, ikwestriən, subst. ruiter, kunstrijder; adj. te paard
zittend, tot het rijden behoorend: Fair — = amazone; —ism = rijkunst;
Esquestrienne, ikwestrien, ikwestrien, kunstrijderes.
Equiangular, îkwiaŋgjulə, gelijkhoekig.
Equibalance, îkwibal’ns, subst. evenwicht; — verb. in evenwicht zijn
met.
Equidifferent, îkwidifər’nt, met gelijke verschillen.
Equidistant, îkwidist’nt, op gelijken afstand.
Equilateral, îkwilatər’l, subst. en adj. gelijkzijdige (figuur).
Equilibrate, îkwilaibreit, in evenwicht zijn (houden, brengen), in
evenwicht blijven; Equilibration = evenwicht; Equilibrist, ikwilibrist,
ikwilaibrist, koorddanser; Equilibrity, îkwilibriti, evenwicht;
Equilibrium, îkwilibriəm.
Equimultiple, îkwimɐltip’l, subst. en adj. met hetzelfde getal
vermenigvuldigd (getal).
Equine, îkw(a)in, paardachtig, paarde...
Equinoctial, îkwinokš’l, subst. evenachtslijn; adj. tot de e.
behoorende: Equinox, îkwinoks, ekwinoks, dag- en nachtevening: Vernal
and autumnal — = lente- en herfstnachtevening.
Equip, ikwip, uitrusten; —ment = equipement.
Equipage, ekwipidž, uitrusting, stoet, gevolg, (staatsie)rijtuig.
Equipoise, îkwipôiz, evenwicht.
Equipollence, îkwipol’ns, gelijkheid van macht of kracht,
gelijkwaardigheid; Equipollent = gelijkwaardig.
Equiponderance, îkwipondər’ns, gelijk gewicht; Equiponderant,
îkwipondər’nt, van gelijk gewicht; Equiponderate, îkwipondəreit,
opwegen tegen, in evenwicht brengen.
Equitable, ekwitəb’l, billijk, onpartijdig; subst. —ness.
Equitation, ekwiteiš’n, rijkunst; Equites ekwtîz, de tweede adellijke
orde in het oude Rome, die oorspronkelijk de cavalerie vormde.
Equity, ekwiti, billijkheid, rechtvaardigheid; soort van
aanvullingsrecht (meer naar den geest dan naar de letter der wet) voor
gevallen waarin de oude Common Law niet voorzag: — of redemption = de
tijd, iemand toegestaan, om de hypotheek op zijne landerijen af te
lossen; het hem toekomende overschot na verkoop; Court of — = rechtbank
waar Equity-recht werd gesproken, vroeger ressorteerend onder het oude
Court of Chancery; sedert 1878 onder de Chancery Division van het High
Court of Justice.
Equivalence, ikwivəlens, gelijkwaardigheid; Equivalent = equivalent,
adj. en subst.
Equivocal, ikwivək’l, dubbelzinnig, verdacht, onzeker; subst. —ness;
Equivocate, ikwivəkeit, dubbelzinnig spreken, het niet nauw met de
waarheid nemen; subst. Equivocation; Equivocator = draaier.
Equus, îkwɐs, paard.
Era, îrə, tijdperk, jaartelling.
Eradicate, iradikeit, met wortel en tak uitroeien, verdelgen; subst.
Eradication; Eradicative, iradikətiv, subst. en adj. radicaal
uitroeiend (middel).
Erase, ireis, uitschrappen, uitwisschen; —ment = uitkrassing,
uitschrapping; —r = radeermesje; radeergomelastiek; Erasure, ireižə,
uitkrassing, geradeerd gedeelte.
Erasmus, irazməs.
Erastian, irastj’n, Erastiaan(sch), genoemd naar Erastus, irastəs, die
de Kerk wilde ondergeschikt maken aan den Staat.
Ere, êə, eer, vroeger dan, vóór: — ever = voordat; —long = eerlang;
—now = vóór dezen; — this = vroeger, te voren; —while = vroeger.
Erebus, eribɐs, Erebus, onderwereld.
Erect, irekt, adj. rechtop, loodrecht, vast, flink; — verb. oprichten,
stichten, bouwen, monteeren, verheffen, uitzetten, stijf worden, zich
verheffen: To — a perpendicular = eene loodlijn oprichten; —ile,
irektil, wat opgericht kan worden; —ing-shop = stelkamer; —ion =
oprichting, verheffing, stichting; erectie; gebouw; —ive = oprichtend;
—ness = opgerichte stand of houding; oprechtheid; —or = oprichter,
spier, die ter oprichting dient.
Eremite, erəmait, (h)eremiet, kluizenaar; adj. Eremitic(al).
Ergo, ɐ̂gou, dus, derhalve.
Ergot, ɐ̂gət, moederkoren; —ism = moederkoren, vergiftiging hierdoor.
Eric, îrik, erik.
Erica, iraikə, heidekruid.
Erie, îri: Lake —; Erin, îrin, Ierland: Son of — = Ier.
Erinnys, irinis, irainis, Erinnyen, wraakgodinnen; furiën; Erlking,
ɐ̂lkiŋ, elfenkoning.
Ermin(e), ɐ̂min, hermelijn, hermelijnen mantel; rechterlijke
waardigheid: —ed = met rechterl. of pairs-waardigheid bekleed.
Ern(e), ɐ̂n, zee-arend.
Ernest, ɐ̂nəst.
Erode, iroud, wegvreten, invreten: —nt = wegvretend (middel).
Eros, îros.
Erosion, irouž’n, wegvreting, weggevreten plaats; kanker; adj. Erosive,
irousiv.
Erotic, irotik, erotisch; minnedicht.
Erotomania, əroutəmeinjə, Erotomany, erətoməni, minnewaanzin,
erotomanie.
Err, ɐ̂, dwalen, een fout begaan, zondigen.
Errand, er’nd, boodschap: Bent on an — = op een boodschap uit; To go
(on) an —, To run —s = boodschap(pen) doen; To be sent on a fool’s — =
voor gek loopen; —-boy = loopjongen.
Errant, er’nt, dolend, dwalend: Knight — = dolende ridder; —ry =
zwerftocht, leven van een dolenden ridder.
Errata, əreitə, Meerv. v. Erratum = fout, vergissing; Erratic(al),
əratik(’l), dwalend, doelloos, opvallend, excentriek: — block =
erratisch rotsblok.
Erroneous, ərouniəs, verkeerd, onjuist; subst. —ness.
Error, erə, dwaling, vergissing, fout, onregelmatigheid, zonde,
overtreding: Writ of — = bevel tot revisie van een vonnis wegens een
gebrek in den vorm.
Erse, ɐ̂s, subst. en adj. oud-Schotsch of Iersch.
Erskine, ɐ̂skin.
Erst, ɐ̂st, (superl. van ere), vroeger, eerst: —while = vroeger.
Erubescence, erubes’ns, roodworden of blozen; adj. Erubescent.
Eructation, irɐkteiš’n, oprisping; uitbarsting, uitwerpsel.
Erudite, erudait, geleerd; Erudition, erudiš’n, geleerdheid.
Erupt, irɐpt, uitbarsten; Eruption, irɐ̂pš’n, uitbarsting, eruptie,
uitval, huiduitslag; Eruptive: — countenance = gezicht vol uitslag; —
matter = uitgeworpen stoffen (van een vulkaan b.v.).
Ervalenta, ɐ̂vəlentə, revalenta.
Erysipelas, erisipəlɐs, roos; adj. Erysipelatous.
Esau, îsô.
Escalade, eskəleid, subst. escalade, beklimming met stormladders; —
verb. met stormladders beklimmen.
Escalop, əskaləp = Scallop.
Escapade, eskəpeid, moedwillige streek, gekke kuur, kwajongensstreek.
Escape, əskeip, subst. ontsnapping, ontkoming, vlucht, ontwijking,
ontduiking, reddingtoestel; — verb. ontsnappen, ontkomen, vrijkomen;
ontvallen, uitstroomen, ontgaan: We had a narrow — = ontsnapten
ternauwernood; We made our — = wij maakten ons uit de voeten; —-ladder
= brandladder; —-pipe = afvoerpijp; —-valve = ventiel; —-warrant =
bevel tot inhechtenisneming v. een ontsnapt gevangene; —ment =
échappement, schakelrad.
Escarp, əskâp, subst. binnentalud; — verb. tot eene steile helling
maken; —ment = steilte.
Eschalot, ešəlot, sjalot.
Eschar, eskâ, korst; Escharotic, korstvormend (middel).