Prejudice, predžədis, subst. vooroordeel; nadeel, afbreuk, schade; —

verb. vóórinnemen, afbreuk doen, schaden: Last night’s events had —d me

in his eyes = hadden mij bij hem kwaad gedaan; I am not in the least —d

by what I heard about you = ik ben in het minst niet geïnfluenceerd;

Prejudicial, predžudiš’l, nadeelig, schadelijk: To be — to = afbreuk

doen aan.

Preknowledge, prînolədž, voorkennis.

Prelacy, preləsi, ambt van prelaat, alle prelaten, bisschoppelijke

regeering; Prelate, prelit, prelaat; —ship = prelaatschap; Prelatic(al)

= van een prelaat of prelaten; Prelatism = bisschoppelijke

kerkregeering; Prelatist = voorstander van bisschoppelijke

kerkregeering.

Prelect, prilekt, openbare redevoering of voorlezing houden; —ion =

redevoering, voorlezing; —or = voorlezer, redenaar; lector.

Preliminary, priliminəri, inleidend, voorafgaand; — articles =

preliminairen = Preliminaries.

Prelude, preljûd, prîl(j)ûd, subst. voorspel, inleiding; — verb.

(pril(j)ûd), inleiden, voorbereiden, een voorspel geven; Prelusive,

pril(j)ûsiv, inleidend, bij wijze van voorspel = Prelusory,

pril(j)ûsəri.

Premature, prîmətjuə, premətjuə, vroegrijp, ontijdig; subst. —ness,

Prematurity, prîmətjûriti, premətjûriti, vroegrijpheid, voorbarigheid.

Premeditate, primediteit, bepeinzen, beramen, vooraf overleggen: The

murder was —d; subst. Premeditation.

Premier, premjə, prîmjə, eerste, voornaamste; subst. premier; —ship =

waardigheid van eersten minister.

Premise, premis, premisse (ook Premiss gespeld); —s, premisiz, gebouw

met alles wat er bij hoort, huis en erf.

Premise, primaiz, vooropstellen.

Premium, prîmj’m, belooning, prijs, premie, opgeld, agio, waarde boven

pari, hooge prijs: The Russian railway-shares are at a — now = staan nu

boven pari; Pews in the centre aisle are at a — = zijn zeer gezocht.

Premonish, primoniš, vooraf waarschuwen; subst. Premonition,

prîməniš’n; Premonitive = Premonitory = vooraf waarschuwend.

Premunire; Zie Praemunire.

Prenatal, prîneit’l, vóór de geboorte.

Prentice, prentis, verk. van Apprentice; —ship.

Preoccupancy, prîokjupənsi, (het recht op) vroegere inbezitneming;

Preoccupant; Preoccupation = vroegere inbezitneming; vooringenomenheid,

vooroordeel; Preoccupied = in gedachten verzonken; Preoccupy = vooraf

bezetten; geheel innemen, vóórinnemen.

Preordain, priödein, vooraf bepalen of beschikken; Preordination =

voorafgaande bepaling, vroeger besluit.

Prepaid, pripeid: Address — to N.N. = men wende zich met franco brieven

tot N.N.

Preparation, prepəreiš’n, voorbereiding, voorbereidsel, huiswerk

(verkort: Prep.); Preparative, priparətiv, subst. en adj.

voorbereidend(e maatregel); Preparator; Preparatory, priparətəri,

voorbereidend, inleidend; Prepare, pripêə, voorbereiden, klaarmaken,

toebereiden: He —d for his departure = maakte zich klaar voor; He was

almost —d for anything = was haast op alles voorbereid; I am not —d to

pretend that = dat durf ik niet beweren.

Prepay, prîpei, vooruitbetalen, frankeeren: Send a telegram and — reply

= met antwoord betaald; —ment = vooruitbetaling.

Prepense, pripens, voorbedacht, vooruit beraamd: Malice —.

Preponderance, pripondər’ns, overwicht, overmachtige invloed;

Preponderant = overwegend; Preponderate, pripondəreit, zwaarder wegen,

het overwicht hebben; subst. Preponderation.

Preposition, prepəziš’n, voorzetsel; —al = als v. een voorzetsel;

Prepositive, pripozitiv, subst. en adj. voorop geplaatst (woord);

Prepositor, pripozitə, klassevoogd, monitor, prefekt.

Prepossess, prîpozes, vooraf in bezit nemen, voor zich innemen; —ing =

innemend; —ion = vroeger bezit, vroegere inbezitneming; voorafgevormde

meening, vooringenomenheid; —or = vroeger bezitter.

Preposterous, pripostərɐs, ongerijmd, belachelijk, dwaas, averechtsch;

subst. —ness.

Prepotence, pripout’ns, Prepotency, pripout’nsi, groote macht,

overmacht; Prepotent = overmachtig, zeer sterk, invloedrijk.

Prepuce, prîpjûs, voorhuid.

Pre-Raphaelite, prî-rafəlait, kunstenaar (dichter, schilder), die de

voorgangers van Raphael tot voorbeeld neemt; adj. angstvallig getrouw

aan de natuur; Pre-Raphaelitism = de kunstrichting dezer mannen.

Prerogative, prirogətiv, voorrecht, privilege, prerogatief: — court =

oudtijds eene geestelijke rechtbank, ook tot onderzoek van testamenten.

Presage, prîsidž, presidž, voorteeken, voorgevoel, voorkennis.

Presage, priseidž, voorspellen, een voorgevoel hebben van; subst.

—ment.

Presbyopia, presbioupjə, vèrziendheid; Presbyopic, presbiopik,

vèrziend.

Presbyter, prezbitə, presbitə, ouderling, geestelijke van de

Presbyteriaansche kerk; —ian, prezbitîriən, presbitîriən,

Presbyteriaansch, aanhanger v. Presbyterianism = stelsel v. kerkbestuur

door Presbyters; —y = raad van ouderlingen, het presbyterianisme.

Prescience, prîšiəns, vóórwetenschap, Prescient = voorafwetend.

Prescind, prisind, afsnijden; afzonderen.

Prescribe, priskraib, voorschrijven, geneeskundig behandelen (for),

ongeldig maken door verjaring, verjaren; —r; Prescript, prîskript,

subst. voorschrift, bevel; adj. voorgeschreven; Prescriptible = wat

voorgeschreven mag worden; Prescription = voorschrift, recept; recht

door verjaring; Prescriptive = verjaard, door lang gebruik verkregen: —

right.

Presence, prez’ns, tegenwoordigheid, gezelschap, nabijheid, uiterlijk,

spookverschijning, audientie: — of mind = tegenwoordigheid van geest;

In — of a crisis = bij, tegenover; Real — = het werkelijk aanwezig zijn

van het vleesch en bloed van Christus bij het avondmaal; Saving your —

= met allen eerbied voor u; de aanwezige(n) uitgezonderd; —-chamber,

—-room = audientiezaal; Present, prez’nt, subst. tegenwoordige tijd;

geschenk; de onderwerpelijke zaak; adj. tegenwoordig, bestaand, gereed,

onmiddellijk, gunstig; —s = (aanwezige) stukken of documenten: He made

me a — of it = hij gaf het mij ten geschenke = Gave it me as a —; At —

= op het oogenblik; For the — = voor het oogenblik; — tense; —ly =

dadelijk.

Present, prizent, formeel voorstellen, aanbieden, ten geschenke geven,

vertoonen, voorleggen, presenteeren, aanleggen (v. een geweer), voor

een kerkambt voordragen, beschuldigen: He —ed me with it = gaf het mij

ten geschenke; This noble subject ought to be —ed dramatically = in

dramatischen vorm behandeld worden; — arms = presenteer ’t geweer;

—able = presentabel: You do not look —able; —ation = voorstelling,

introductie, (recht van) voordracht, (voor een kerkambt); vertooning:

This is good material for dramatic —ation = uitstekend geschikt voor

eene dramat. bewerking; The book contains much humour and vivid —ation

= en eene levendige wijze v. voorstelling; —ation-copy =

present-exemplaar; —ative, prizentətiv, het recht hebbend v.

voordracht; op aanschouwing berustend; —ee, prez’ntî, die tot een

kerkambt of benefice wordt voorgedragen; —er; —ial, prizenš’l,

werkelijk aanwezig; —ive, prizentiv: — words = begripsnamen; —ment =

voorstelling, gedrag, aanbieding, klacht.

Presentient, prisenšiənt, vooraf voelend of bemerkend; Presentiment,

prisentiment, voorgevoel.

Preservable, prizɐ̂vəb’l, wat bewaard of goed gehouden kan worden;

Preservation, prezəveiš’n, bewaring, onderhoud, inmaak; Preservative,

Preservatory, prizɐ̂vətiv, —əri, subst. en adj. bewarend of goedhoudend

(middel); Preserve, prizɐ̂v, subst. ingelegde vruchten, gereserveerd

vischwater of wildpark: —rs = stofbril; — verb. redden, beschermen,

handhaven, bewaren, goed houden, inmaken; —r = bewaarder, beschermer,

inmaker (van vruchten).

Preses, prîsîz, praeses, voorzitter (Schotl.).

Preside, prizaid, presideeren, het opzicht hebben, leiden: He —d at the

meeting = leidde (als voorzitter); He must not — over us = moet zich

geen rechten over ons aanmatigen; Presidency, prezidensi,

presidentschap, (de waardigheid, het gebied, diensttijd v. een pres.);

voorzitterschap; President, prezident, voorzitter, president: — elect =

de verkozen, nog niet in functie zijnde president; —ial, prezidenš’l:

The —ial address was loudly cheered = de toespraak v. den president;

—ship = presidentschap, zijn tijd van dienst.

Presidial, prizidj’l, Presidiary, prizidjəri, garnizoens ...,

bezettings ...

Press, pres, subst. gedrang, menigte, druk, kast, linnen(pers),

drukpers, het gedrukte, couranten en tijdschriften, pressing (v.

zeelieden); — verb. drukken, persen, (uit)knijpen, omhelzen, pakken,

dringen, inprenten, geweld uitoefenen, aandringen, krachtig streven,

pressen: — of matters, work = hoop werk, dat “af” moet; I am correcting

the — = bezig de drukproeven na te zien; Just as we are going to — = op

het punt zijn, de copie naar den drukker te zenden; I have written it

out for the — = ik heb het voor den druk gereed gemaakt; The book is in

the — = wordt gedrukt; The ship was under a — of sail = het schip had

alle zeilen bij; We were very hard —ed = zeer in ’t nauw gebracht; I am

not going to — the point = hierop nader aan te dringen; He —es into his

service a saying of Macaulay = tracht met geweld zijne meening te

staven met een beroep op; To — on = voortdringen; We —ed the boat on =

lieten de boot op het land loopen; The messengers were —ing onward =

renboden spoedden zich voort; —-agency = agentschap voor de pers

(zooals Reuter’s Office); —-bed = samenvouwbaar bed, slaapbank;

—-buttons = drukknoppen (aan handschoenen, etc.); —-copy = afdruk met

een copieerpers gemaakt; —-gang = een troep zeelui met opdracht om

mannen door geweld of list tot dienstnemen op de vloot aan te werven;

—-man = drukker, dagbladschrijver; geprest, of tot een —-gang behoorend

zeeman: —-money = handgeld; —-work = drukken v. de vellen op de pers;

—er = perser, drukker; —ing = dringend: —ing necessity; Time is —ing;

—ion = drukking, persing; Pressure, prešə, druk(king); gedruktheid,

onderdrukking; moeilijkheid, dringendheid, kracht, drang: To put — upon

a person = pressie uitoefenen; He was leading a life at high — = hij

vergde veel van zijne krachten; These letters must be held over owing

to — on our space = wegens plaatsgebrek.

Prest, prest, gereed, klaar; —-money = handgeld.

Prestation, presteiš’n: —-money = vroeger door Archdeacons jaarlijks

aan hunnen bisschop te betalen geld.

Prestidigitation, prestididžiteiš’n, goochelarij; Prestidigitator.

Prestige, prestidž, prestîž, invloed, gewicht.

Presto, prestou, snel: Hey — = het “één, twee, drie: Passe” van den

goochelaar; Prestissimo = zeer snel.

Presumable, priziûməb’l, vermoedelijk; Presume, prižûm, vermoeden, voor

waar aannemen; wagen, durven, zich vermeten: To — too far = te ver

gaan; Do not — too much on my patience = verg niet te veel van; Mr.

Williams, I —? = heb ik niet het genoegen meneer W. te zien? Presuming

= verwaand, aanmatigend, trotsch, vermetel; Presumption, prizɐmš’n,

vermoeden, waarschijnlijkheid; verwatenheid, onbeschaamdheid;

Presumptive, prizɐmtiv, vermoedelijk, waarschijnlijk: — evidence =

derivatief bewijs = Circumstantial of Indirect evidence; Heir — =

vermoedelijk troonopvolger; Presumptuous, prizɐmtjuəs = aanmatigend,

vermetel; subst. —ness.

Presuppose, prîsəpouz, vooronderstellen, voor waar aannemen;

Presupposition, prîsɐpəziš’n, vooronderstelling.

Presurmise, prisəmais, vooraf opgevat vermoeden, argwaan.

Pretence, pritens, voorwendsel, voorgeven, schijn: He made — to laugh =

deed of hij lachte; He did it on (under) a — of friendship = deed het

onder (het valsche) voorwendsel van vriendschap; Pretend, pritend,

voorgeven, voorwenden, zich aanmatigen, (ten onrechte) beweren; He —s

to be your friend = neemt den schijn aan; Such people cannot — to

honour = kunnen op eer geene aanspraak maken; They make — that they

have got a nice dinner = zij verbeelden zich, dat ze een lekker

dineetje hebben; Pretended = voorgewend; Pretender = pretendent,

huichelaar; Pretension = aanspraak, voorwendsel, aanmatiging,

pretensie: I wonder whether he can make good his —s = het zal mij

verwonderen of hij verkrijgt, waarop hij beweert recht te hebben;

Pretentious = pretentieus; subst. —ness.

Preterhuman, prîtəhjûm’n, bovenmenschelijk.

Preter-imperfect, prîtərimpɐ̂fəkt, subst. en adj. onvoltooid verleden

(tijd).

Preterit(e), pretərit, prîtərit, voltooid verleden.

Pretermission, prîtəmiš’n, het voorbijgaan, uitlating; Pretermit,

prîtəmit, voorbijgaan, overslaan.

Preternatural, prîtənatjər’l, boven-, onnatuurlijk, abnormaal: — calves

= onmogelijk dikke kuiten; subst. —ism = —ness.

Preterperfect, pritəpɐ̂fəkt, volt. verl. (tijd).

Pretext, prîtekst, voorwendsel: He did it under a — of kindness = onder

den schijn van.

Pretty, priti, lief, aardig, snoezig, mooi, tamelijk: You are a —

fellow (one) = een mooie vent! (iron.); That is a — kettle of fish =

dat’s ’n mooie boel; He is — much as tall as you = vrijwel even lang; —

sure = vrij zeker; It was not — of her = niet lief van haar; My mother

had a number of — pretties: some china, some household silver, a few

books, etc. = een aantal keurige dingen; He is a —-spoken fellow = hij

is een aangenaam man om mee te praten.

Pretypify, prîtipifai. Zie Prefigure.

Pretzel, prets’l, krakeling.

Prevail, priveil, de overhand hebben, heerschen, van kracht zijn,

invloed hebben: The strong hand —ed = het recht van den sterkste gold;

I could not — on him to beg pardon = kon hem er niet toe krijgen; Such

arguments do not — with me = hebben geen vat op mij, laten mij koud; He

—ed himself of the opportunity = maakte zich de gelegenheid ten nutte;

—ing = heerschend; Prevalence, Prevalency, prevəlens(i), overmacht,

overwicht, het algemeen heerschen of voorkomen; Prevalent, prevəlent,

overwegend, heerschend, algem. geldend; krachtig.

Prevaricate, privarikeit, uitvluchten zoeken, dubbelzinnig handelen;

verdraaien, schenden; Prevarication = uitvlucht, verzaking van wat

waar, plichtmatig en goed is; Prevaricator = uitvluchtenzoeker,

plichtverzaker, knoeier.

Prevenient, privînj’nt, voorafgaand, voorkomend, hinderlijk.

Prevent, privent, voorkÚmen, verhinderen, beletten, tegenhouden: He

would — me from going there = mij beletten; —able (of —ible) = wat

voorkómen of belet kan worden; —ative, subst. voorbehoedmiddel; adj.

belettend, voorkomend; —er = beletter, verhinderaar; borgtouw,

borghout; —ion = verhindering: I did it for the — of worse things = om

erger te voorkomen; —ive = —ative: —ive detention = preventieve

hechtenis; —ive service = gewapende kustdienst tegen de smokkelarij.

Previous, prîvjəs, voorafgaand: Mr. Chairman, before putting this

proposal to the vote, I beg to move the — question = stel ik de

prealabele questie; subst. —ness.

Previse, privaiz, vooruitzien, aankondigen; subst. Prevision, priviž’n.

Prey, prei, subst. prooi, buit, slachtoffer, — verb. rooven, plunderen,

azen op, knagen aan: Beast (Bird) of — = roofdier (roofvogel); He fell

a — to despondency = hij viel aan algeheele wanhoop ten prooi; Tigers —

on living creatures = azen op; There is something —ing on your rest and

health = dat u de rust rooft en uwe gezondheid ondermijnt.

Priam(us), praiəm(ɐs), Priamus; Priapus, prai-eipəs.

Pribbles and Prabbles, prib’lzəndprab’lz, onzin.

Price, prais, prijs, waarde; verb. prijzen, den prijs vaststellen: We

settled on that — = zijn het over dien prijs eens geworden = Have

agreed on that —; A — was set on his head = er werd een prijs op zijn

hoofd gezet: Current — = courante (thans geldende) prijs; Reduced — =

verminderde; Set — = vaste; Starvation — = buitengewoon lage;

—-current, —-list = prijscourant, prijslijst; —less = onschatbaar.

Prick, prik, subst. prik, punt, stip, rolletje, print, teeken, prikkel,

wroeging, ongerustheid; — verb. prikken, steken, opsteken, aansporen,

knagen (van wroeging, enz.), door een prikje aanwijzen, zich opzichtig

kleeden, snel rijden: —s and compunctions of conscience = wroeging en

knaging van het geweten; It is no use kicking against the —s = het

helpt niet of men de verzenen al tegen de prikkels slaat; To — a hare =

een haas in de sneeuw speuren; The chart was —ed = de koers van het

schip werd op de kaart aangegeven (door prikjes); To — (for) a Sheriff

= een Sheriff benoemen, door een gaatje te prikken achter zijn naam in

de lijst der voorgedragen candidaten; Vergelijk: The Sheriffs, when

nominated annually, are said to be —ed, this is called: —ing for

Sheriffs; He was —ing on at full gallop = reed voort; —-madam =

vetkruid; —-punch = drevel of doorslag (van smeden); —er = priem; —le,

subst. stekel; verb. puncteeren; —le-back = stekelbaarsje; —liness,

subst. v. —ly = stekelig, vol prikkels; —ly-heat = warmtepuistjes (in

de Tropen); —ly-pear = vijgdistel.

Pricket, prikət, hert in het 2e jaar = spieshert; aansteker; muurpeper.

Pride, praid, subst. trots, hoogmoed, fierheid, aanmatiging, luister; —

verb. trotsch zijn op, hoogschatten: — will (is sure to) have a fall =

hoogmoed komt vóór den val; To bring down a man’s — = iemand

vernederen; That fellow is puffed up with family — = opgeblazen van

familietrots; She takes a — in her children = zij is trotsch op hare

kinderen; He —d himself on being = hij beroemde (verhief) er zich op,

dat hij was; —ful = hoovaardig, trotsch; subst. —fulness.

Prier, praiə, snuffelaar; spion. Zie Pry.

Priest, prîst, priester, geestelijke; —-ridden = onder de plak der

geestelijkheid; —craft = priesterlist; —ess = priesteres; —hood =

priesterschap, alle priesters; —like, —ly = priesterlijk, als priester.

Prig, prig, subst. verwaand en aanmatigend persoon; “brave Hendrik”,

“braaf Lijsje”; dief; — verb. stelen, ontfutselen: They are a set of

starched-up —s = een stelletje opgeprikte “kwibussen”; She —ged his

diamond shirt-pin = zij ontfutselde hem; —gish = verwaand, pedant;

subst. —gishness, —gism.

Prill, pril, tongschar.

Prim, prim, adj. netjes, vormelijk, gemaakt; — verb. zich keurigjes

kleeden en tooien: popperig mooi maken: She was very proprietous, and

even fainted —ly = en viel zelfs flauw in allen vorm; —ness =

stijfheid, affectatie.

Prima, prîmə, eerste, voornaamste; b.v.: —-buffa = eerste komieke

actrice; —-donna = eerste zangeres; To play — vista = van ’t blad.

Primacy, praiməsi, opperkerkvoogdschap.

Primage, praimidž, kaplaken (premie).

Primal, praim’l, eerste, voornaamste; Primary, praiməri, adj. eerste,

voornaamste, primair, elementair; subst. hoofdzaak: — colours =

primaire kleuren; — instruction, school = lager onderwijs, lagere

school.

Primate, praimit, opperkerkvoogd: — of England = aartsbisschop v. York;

— of all England = aartsb. v. Canterbury; —ship.

Prime, praim, eerste, voornaamste, prima, vroeg bloeiend, uitstekend;

subst. begin, eerste stadium, dageraad, jeugd, lente, bloei, premie,

priemgetal; — verb. kruit op de pan doen, gereed maken om af te

schieten, klaarmaken, instrueeren, africhten (voor een examen, b.v.),

in de grondverf zetten, opkoken (v. water in den stoomketel), water

door stoom uit den ketel in den cylinder brengen: To sell at — cost =

tegen inkoopsprijs; — meridian = eerste meridiaan; — minister =

minister-president; — mover = beweegkracht; — number = ondeelbaar

getal; He was still in his — = in den bloei zijns levens: Verg.: In the

— of life, not yet 50 years of age; —ness; The partisan judge —d the

audience and the jury = bewerkte het publiek en de jury; He —d his

pistol = deed kruit op de pan; The soldiers were —d for the battle with

liquor = kregen een stevigen borrel om hun moed te geven; Priming-iron,

Priming-wire = ruimnaald (Milit.).

Primer, primə, gebedenboek, boek voor beginners, inleiding, abc-boek;

soort van drukletter: A — of English Literature = eerste inleiding tot

de E. letterkunde.

Primeval, praimîv’l, oorspronkelijk: — Forest = oerwoud.

Primigenial, praimidžînj’l, eerst geschapen, oorspronkelijk.

Primitive, primitiv, subst. en adj. oorspronkelijk (woord), stamwoord;

subst. —ness.

Primo, prîmou, eerste: — Basso (Zie Prima).

Primogenial, praimədžînj’l, oorspronkelijk, eerst geboren;

Primogeniture, praimədženitjə, eerstgeboorterecht.

Primordial, praimödj’l, oorspronkelijk, van het begin bestaande;

primitief; subst. begin.

Primrose, primrouz, sleutelbloem: —-day = gedenkdag van Lord

Beaconsfields (B. Disraeli) dood, 19 April 1888, ingesteld door de —

League = een conservatieve bond, gesticht door Lady Randolph Churchill

in 1881.

Primula, primjulə, gemeene sleutelbloem.

Prince, prins, subst. vorst, prins: Crown —; Hereditary — = erfprins; —

Charming = de Prins uit het sprookje; — Consort = prins gemaal; — of

Wales = Engelsche kroonprins; — Royal (— Imperial) = kroonprins bij

Latijn. naties; —’s feather = kattestaart, Oostersche duizendknoop; —’s

metal = spinsbek: —dom; —like = vorstelijk (= —ly); —liness; Princess,

prinses, prinses: — Royal = kroon prinses; titel der oudste dochter van

den Eng. koning; — dress, gown, robe.

Principal, prinsip’l, subst. hoofd, president, chef, bestuurder,

hoofdsom, hoofdpersoon, lastgever of bedrijver; adj. voornaamste,

eerste, hoogste, hoofd ...: Only —s will be dealt with = op

tusschenpersonen wordt geen regard geslagen; — and interest = kapitaal

en intrest; — Librarian of the British Museum = hoofdbibliothecaris;

—ity, prinsipaliti, vorstelijke waardigheid, vorstendom; zevende orde

van engelen; —ness = voorrang, hoofdzaak.

Principia, prinsipiə, beginselen.

Principle, prinsip’l, subst. beginsel, oorsprong, element, grondslag; —

verb. beginselen inboezemen of inprenten: He acted from a noble — = uit

een edel beginsel; On — = uit beginsel; Act up to your —s = handel

volgens uwe beginselen; To hold a —; He laid down the following — = hij

stelde dit beginsel voorop.

Prink, priŋk, zich opsmukken; —er = fat.

Print, print, subst. indruk, teeken, merk, blad, prent; gravure,

geschrift; gedrukte katoenen stof: — verb. drukken, indrukken,

stempelen, uitgeven: When will the book appear in —? = in druk

verschijnen; He has put it into — = heeft het laten drukken; The first

edition is out of — = is uitverkocht; One of the conservative —s =

conservatieve bladen; Keeper of the —s in the British Museum =

directeur van het prentenkabinet; Let me — it on your minds = het

ulieden op het gemoed drukken; —-seller = handelaar in prenten en

gravures; —-shop = winkel van een —-seller; Employed at a —-works =

katoendrukfabriek; Printer = boekdrukker; —’s devil =

drukkersloopjongen; —’s errors = drukfouten: —’s reader = corrector;

Printing = het (boek)drukken: Letterpress — = boekdruk; Lithographic —

= steendruk; —-ink = drukinkt; —-machine = druk- of snelpers; —-paper =

drukpapier; —-press = drukpers; —-type = drukletter.

Prior, praiə, eer, vroeger, voorafgaand (met to); subst. prior =

Claustral —; Conventual — = prior, die niet aan de jurisd. van een abt

is onderworpen; —ate, praiərit, prioraat; —ess = priores; —ity,

praioriti, voorrang: Creditor by —ity = preferente; —ship = prioraat;

—y = klooster met een prior of eene priores aan het hoofd.

Prise, praiz, hefboom; — verb. opheffen, openen, openbreken.

Prism, prizm, prisma; —atical, prizmatik’l, prismatisch.

Prison, priz’n, subst. gevangenis; — verb. gevangen zetten, insluiten:

To be (sit) in — = gevangen zitten; To break (out of) — = uitbreken; To

put (throw) into — = gevangen zetten; To take to — = naar de gevangenis

brengen; —-bars = tralies; ook —-base of —er’s-base = diefjesspel (een

speler staat tusschen twee bases of goals en tracht de anderen, die

voorbijloopen te “tikken”; —-van = dievenwagen; —-yard = binnenplaats

van eene gevangenis; —er = gevangene: They were taken —er = gevangen

genomen; —ment = gevangenschap.

Pristine, pristin, eerst, oorspronkelijk, frisch.

Prithee, pridhî, eilieve!

Prittle-Prattle, prit’lprat’l, gewauwel.

Privacy, pr(a)ivisi, afzondering, eenzaamheid, eenzame plaats: Your —

will not be invaded = niemand zal u (in uwe afzondering) lastig vallen.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 90 / 141 段