Handsome, han(d)s’m, mooi, knap, goedgevormd, edel, mild, royaal, ruim:

— is, what — does = aan de vruchten kent men den boom; To come down —ly

= over de brug komen, zich royaal betoonen.

Handy, handi, handig, vlug, bij de hand, nabij: The book has found a

place on the handiest shelf of every student = staat voor het grijpen

bij; The children were playing at —-dandy = de kinderen speelden: “Ra,

ra, in welke hand?”; —man = helper, handlanger.

Hang, haŋ, subst. helling, verbindingswijze, neiging, richting; — verb.

hangen, ophangen, behangen: He has got the — of it (Amer.) = hij is er

volkomen mede vertrouwd, heeft er den slag van beet; The general — of

the work is disappointing = gang, richting; He —s about her = maakt

veel werk van haar, is altijd om en bij haar; Many boys were —ing about

the stables = hielden zich op bij de stallen; Do not — back = krabbel

niet terug, doe het niet met tegenzin; He hung down his head = liet

hangen; All the hearers — on his lips = hangen aan; The thing was hung

on by the eyelids = was er slechts even of onvoldoende mee verbonden;

He —s on his party as faithfully as may be expected = hij kleeft zijne

partij aan; Where do you — out = waar woont gij, hangt gij uit?; All

the flags were hung out = uitgestoken; I — over to that opinion = hel

naar die meening over; They — together like burs = hangen als klissen

aan elkander; The matter was hung up = bleef onbeslist; Be —ed to ’em =

laten ze naar den duivel loopen; The suit hung = het proces werd

gerekt, uitgesteld; To — fire = niet dadelijk afgaan, besluiteloos

zijn, op zich laten wachten, niet willen gelukken; Time —s heavy on my

hands, —s heavy to-day = valt mij lang; We have been —ing in doubt = in

onzekerheid verkeerd; Men have —ed for less than this = kregen den

strop; —-dog = galgebrok, schurk: A —-dog look = een

armezondaarsgezicht, -blik; —man = beul; —-nail = nijdnagel; —-nest =

hangend nest; —-net = hangnet; —er = hangstuk, haak, ophanger,

hartsvanger, korte sabel; woud of boschje (langs eene heuvelhelling);

—er-on = aanhanger, afhangeling, klaplooper; —ing, subst. het hangen of

ophangen, vertoon; behang, wandtapijt, adj. steil, den dood verdienend,

strafbaar met den dood: That is a —ing-affair = eene halszaak;

—ing-clause = bepaling, met wier niet-nakoming het leven gemoeid is;

—ing-garden = hangende tuin; —ing-guard = verdedigende houding met een

sabel; —ing judge = rechter, die het doodvonnis uitspreekt; —ing-shelf

= boekenhanger.

Hangar, haŋgâ, hangar.

Hank, haŋk, subst. streng (garen, zijde, etc.); neiging, lust; greep,

macht; — verb. tot strengen vormen, krachtig aanhalen: His tales are

excellent; the first in the — is the best = het eerste in de

verzameling is het beste.

Hanker, haŋkə, hunkeren, verlangen: I felt a —ing after her = een

onweerstaanbaar verlangen naar haar bekroop mij.

Hank(e)y-Pank(e)y, haŋkipaŋki, subst. hocus-pocus: — bloke =

goochelaar.

Hanley, hanli.

Hanover, hanəvə; —ian, hanəvîriən, subst. en adj. Hannoveraan(sch).

Hansard, hansəd, koopman uit eene hanzestad; officiëel verslag van de

handelingen van het Parlement.

Hanse, hans, verbond, vereeniging: — towns = hanzesteden en hun

verbond; —atic, hansiatik, van de Hanzesteden: —atic league =

hanzeverbond.

Hansom (cab), hans’m (kab), tweewielig huurrijtuig (de koetsier zit

achterop en de leidsels gaan over de kap heen).

Ha’n’t, Han’t, hânt, (Amer.) heint = Have not, Has not.

Hants, hants = Hampshire.

Hap, hap, subst. toeval, toevallige gebeurtenis; mantel, hulsel; —

verb. toevallig gebeuren; inwikkelen; —hazard = kans, gelukje, toeval:

I did it at —hazard = op den bof, op goed geluk af; —less = ongelukkig,

rampzalig; —ly = bij toeval, misschien.

Happen, hap’n, gebeuren: I —ed to meet him = ik ontmoette hem

toevallig; As it —ed I found him = toevallig vond ik hem; Just — in at

my office to-morrow (Amer.) = wip morgen even aan; I —ed on it

yesterday = trof (vond) toevallig; I have not seen the —ings with my

own eyes (Amer.) = ik heb zelf niet gezien wat er voorgevallen is.

Happiness, hapinəs, subst. v. Happy, hapi, gelukkig, voorspoedig,

verheugd, blij, handig, bekwaam: — man be his dole = moge het hem goed

gaan! — family = vreedzaam samenlevende menschen of kleine dieren v.

verschillenden aard (zooals honden en katten, etc.); —-mean, subst. het

ware midden: The —-mean man = de man van ’t ware midden; —-go-lucky =

onbezorgd, zorgeloos.

Harakiri, hârəkîri. Zie Harikiri.

Harangue. həraŋ, subst. redevoering, toespraak; — verb. toespreken,

eene rede houden; —r.

Harass, harəs, kwellen, vermoeien, uitputten, onophoudelijk

verontrusten; subst. —ment.

Harbinger, hâbinžə, subst. voorlooper, voorbode, kwartiermaker,

fourier; — verb. voorafgaan als bode, aankondigen.

Harbour, hâbə, subst. schuilplaats, haven, herberg, woning; — verb.

herbergen, een schuilplaats verleenen, voeden, koesteren; —-dues =

havengeld; —-light; —-master = havenmeester; —-watch = ankerwacht; —age

= toevlucht, onderkomen; —less.

Harcourt, hâköt.

Hard, hâd, adj. hard, vast, moeilijk, vermoeiend, streng, wreed,

verhard, onbuigzaam, grof, onsmakelijk, wrang, hevig; subst. steiger;

meer conserv. democraat (Amer.): No — and fast line can be drawn in

this matter = geene scherpe, bepaalde grens kan in deze zaak worden

getrokken; As — as the nether millstone = buitengewoon hard; They live

— by = zij wonen kort bij, in de buurt; These people were — up = hadden

groot geldgebrek; It is — upon seven = dicht bij; Move the rudder —

a-starboard = leg het roer zoover mogelijk naar stuurboord; — of

hearing = hardhoorig; He died — = hij verdedigde zich tot het laatst

toe, stierf onbekeerd; zijn doodstrijd was moeilijk; It will go — with

him = het zal hem slecht vergaan; This reward was — won = deze

belooning werd met moeite verkregen; —-bake = soort van kokinje;

—-believing = ongeloovig; —-beset = eng ingesloten, in ’t nauw

gebracht; —-bitted = hard in den bek; —-bound = verstopt, hardlijvig,

traag; —-cash = baar geld; —-coal = anthraciet; —-drinker = zuiplap;

—-earned = zuur verdiend; —-fish = gedroogde kabeljauw, schelvisch of

leng; —-fisted = met harde handen; gierig; —-fought = hardnekkig

gestreden; —-grained = grofkorrelig; grof (ook fig.); —-got(ten) = zuur

verdiend; —-handed = hardhandig, ruw, streng; —-head = zwart

knoopkruid; knorhaan; soort keisteen; —-headed = sluw, helder van

hoofd; —-hearted = hardvochtig; subst. —-heartedness; —-labour =

dwangarbeid; —-luck = tegenspoed; —-mouthed = hard in den bek (van

paarden), ruw, grof (van taal); —-pressed = in moeielijke

omstandigheden; — rubber = caoutchouc; —-set = krachtig vervolgd, in

het nauw; streng, onbuigzaam; —shell = met harde schaal; streng

orthodox of conservatief (Amer.); —-tack = scheepsbeschuit; —-water =

hard (wasch)water; —working = zeer arbeidzaam; —-ware = ijzerwaren,

vooral potten en pannen, enz.; —en = harden, verharden, hard of

gevoelloos maken (worden); —ihood, hâdihud, koenheid, onversaagdheid,

onbeschaamdheid; —iness = gehardheid; —ly = nauwelijks, bijna niet,

waarschijnlijk niet; hard, moeilijk, streng: —ly .... when = nauwelijks

.... of; —ness = hardheid (ook fig.), moeielijkheid; —ship = ontbering;

—y = gehard, sterk, stoutmoedig.

Hardicanute, hâdikənjût.

Hare, hêə, haas: As mad as a March — = zoo gek als wat; To hold with

the — and run with the hounds = een dubbel spel spelen; He wanted to

make a — of me = trachtte mij belachelijk te maken, te foppen, beet te

nemen; Jugged — = hazepeper; —-bell = grasklokje, knikkende vogelmelk;

—-brained = nietig, onbesuisd, dwaas; —-hound = hazewind; —-lip =

hazenlip; —’s-foot = hazepoot (door acteurs gebruikt).

Harem, hêr’m, hâr’m, harem.

Haricot, harikou, harikot, ragout van vleesch met groenten, snijboon.

Harikiri, hârikîri, zelfmoord, door den buik dwars open te snijden

(Jap.).

Hark, hâk, luisteren: — ye = luister eens; — away, — forward = vooruit!

— back = hier! een uitroep, waarmede de jager de het spoor voorbij

hollende honden terugroept; terugloopen als het spoor verloren is: She

always —s back to her old grievances = komt altijd terug op.

Harl, hâl, vezels van vlas, haar of wol; koppel van 3 honden, vrij

groote hoeveelheid.

Harleian, hâliən, hâlîən, van Harley, naar wien de door hem gevormde,

thans in het British Museum aanwezige bibliotheek genoemd is.

Harlem, hâləm.

Harlequin, hâlək(w)in, subst. harlekijn, potsenmaker, grappige vent; —

verb. voor harlekijn spelen; —ade, hâlək(w)ineid, harlekinade (dat deel

in eene Christmas-pantomime, dat op de transformation-scene volgt).

Harlot, hâlət, hoer; adj. ontuchtig; subst. —ry.

Harm, hâm, subst. nadeel, schade, kwaad; — verb. kwaad doen, schade

aanbrengen: — watch — catch = wie een ander een kuil graaft, valt er

zelf in; —-doing = het kwaaddoen; —ful = nadeelig, schadelijk; subst.

—fulness; —less = onbeschadigd, onschadelijk, argeloos; subst.

—lessness.

Harmattan, hâmat’n, harmattan, droge en heete wind, die van December

tot Maart v. Midden-Afrika naar het Noorden waait.

Harmonic, hâmonik, harmonisch; —a, hâmonikə, mondharmonica,

glasharmonica, collectie verschillend gestemde en met de vingers

bespeelde glazen; —al: —al proportion = harmonische verhouding

(tusschen vier grootheden): —on, hâmonik’n, orchestrion; —s, hâmoniks,

harmonieleer: Grave —s = bijtonen van twee overeenstemmende klanken;

Harmonious, hâmouniəs, harmonisch, eensgezind: subst. —ness;

Harmoniphon, hâmonifoun, klavierhobo; Harmonist, hâmənist, componist,

iemand, die de overeenkomstige plaatsen van verschillende schrijvers,

vooral der Evangelisten, opspoort; Harmonists = communistische secte

van Gebr. Rapp, in 1803 uit Wurtemburg naar de Vereen. Staten

getrokken; Harmonium, hâmounj’m, harmonica, harmonium; Harmonize,

hâmənaiz, overeenstemmen, in overeenstemming brengen, in vrede leven,

congrueeren; Harmony, hâməni, harmonie, eensgezindheid,

overeenstemming: Artificial — = oplossing van dissonanten tot harmonie;

— of the spheres = de leer van Pythagoras omtrent de harmonie der

tonen, door de planeten in hunne beweging en al naar hare grootte,

snelheid en afstand voortgebracht.

Harness, hânəs, subst. harnas, wapenen, paardetuig, gareel; — verb. het

tuig aandoen, de wapenrusting aantrekken: He died in — = midden in zijn

werk; The thing is well in — = goed bewerkt; —-cask, (—-tub) = vat met

pekel vleesch op dek vastgesjord; —-maker = zadelmaker; —-room =

tuigkamer.

Harold, harəld, Harold.

Harp, hâp, subst. harp; — verb. op de harp spelen, steeds hetzelfde

onderwerp aanroeren: He is still —ing on his first love = hij heeft het

nog steeds over; To — on the same string; —er = —ist = harpspeler.

Harpoon, hâpûn, subst. harpoen; — verb. harpoeneeren; —-gun = kanon

voor het afschieten van een harpoen; —-rocket = harpoen, die als een

raket wordt afgeschoten; —er = harpoenier.

Harpsichord, hâpsiköd, spinet.

Harpy, hâpi, harpij (ook fig.).

Harquebus(s), hâkwəbɐs, haakbus; —ier (—îə) = haakbusschutter.

Harr, hâ, grommen.

Harridan, harid’n, oude feeks, oud wijf.

Harrier, hariə, brak; kuikendief; plunderaar.

Harrow, harou, subst. Harrow; egge; — verb. eggen, kwellen,

verontrusten.

Harry, hari, plunderen, verwoesten, kwellen, strooptochten doen.

Harry, hari, subst. andere vorm v. Henry; verpersoonl. v. den echten

Londenaar uit de volksklasse = ’Arry: To box — = geen eten krijgen

(schooljongens slang); To play Old — with a person = iemand leelijk te

pakken nemen.

Harsh, hâš, zuur, wrang, scherp, wreed, streng, ruw; subst. —ness.

Hart, hât, mannetjes hert (na het vijfde jaar): — of ten = hert met een

gewei van tien takken; —’s-tongue = hertstong, tongvaren; —(e)beest,

hât(ə)bîst, soort van antilope (Z.-Afrika); —-shorn, hâtshön, (geest

van) hertshoorn.

Harum-scarum, hêr’mskêr’m, lichtzinnig, roekeloos, wild, slordig;

subst. —ness.

Harvard, hâvəd.

Harvest, hâvəst, subst. najaar, oogsttijd, oogst, opbrengst; — verb.

inzamelen, oogsten; —-bug = soort van boktor; —-feast = oogstfeest;

—-festival = dankdag voor het gewas; —-home = oogsttijd, oogstfeest,

oogstlied; —-lady = de tweede maaier van eene rij; —-lord = voormaaier,

eerste maaier; —-man = oogster, maaier; —-month = September; —-moon =

(bijna) volle maan ten tijde der dag- en nachtevening in den herst;

—-mouse = dwergmuis; —-queen = oogstkoningin (pop, Ceres voorstellende,

rondgedragen op den laatsten oogstdag); —-spider = hooiwagen (spin);

—er = oogster.

Harvey, hâvi; Harwich, haridž.

Hash, haš, subst. gehakt vleesch met groenten; mengsel, poespas; —

verb. hakken, fijnmaken, bederven: Trust him for making a — of it = je

kunt er op aan, dat hij de boel in de war stuurt, verknoeit; I have

settled his — = ik heb een appeltje met hem geschild, hem zijn vet

gegeven, afgeranseld, geruïneerd; I have —ed my goose altogether = ik

heb mijne zaak totaal bedorven.

Hashish, hašiš, Hasheesh, hašîš, gedroogde bladeren van de hennepplant,

die gekauwd worden en waaruit een bedwelmende drank wordt bereid.

Haslemere, heiz’lmîə.

Haslet, hazlət, omloop (v. een varken), lever, hart, ingewanden (v.

schapen of kalveren).

Hasp, hâsp, subst. grendel, beugel; — verb. met een klamp of grendel

vastmaken.

Hassock, hasək, pluim, een soort van rietgras; dikke mat, dik

voetkussen om op te knielen.

Hastate, hastit, speervormig.

Haste, heist, haast, spoed, drift, overhaasting, ijver: Why do you not

make — = waarom maakt gij niet voort? In — = haastig, vlug; Hasten,

heis’n, haast maken, zich haasten; Hastiness = haast.

Hastings, heistiŋz.

Hasty, heisti, haastig, snel, vlug, driftig, hartstochtelijk; —-pudding

= pap (meel in kokende melk geroerd en gekookt).

Hat, hat, hoed, kardinaalshoed, waardigheid v. kardinaal: To do up a —

= opmaken; He has hung up his — in my house = hij heeft zijn anker bij

mij neergelegd, zijne tenten bij mij opgeslagen; To raise one’s — to a

person = afnemen; They have sent (passed) the — round = hebben eene

collecte gehouden; To take one’s — off (to) = afnemen (voor); —-band =

rouwband (om den hoed); —-maker = hoedenfabrikant; —-rack = hoedenrek,

kleerenstander; —-work = werk waar niets in zit; —-writer, die —-work

maakt; —ter, hatə, hoedenkoopman of -maker: He is as mad as a —ter =

hij is stapelgek; tureluursch.

Hatch, hatš, subst. halve deur, poortje, schuif, traliewerk op een

luik, luik; broedsel, gebroed, samenzwering, fijne streep; — verb. met

bouten vastmaken, met een deksel sluiten; broeden, uitbroeden, beramen,

voortbrengen, arceeren: Under —es = onder de luiken geconsigneerd,

beneden opgesloten, zeer verdrukt, er slecht aan toe; welbewaard,

gestorven; —-boat = soort van visscherspink met een half dek; —way =

luik; muil; —er = uitbroeder; incubator; —ery = inrichting voor

kunstmatige vischteelt.

Hatchel, hatš’l; —ler. Zie Hackle.

Hatchet, hatšət, bijl, bijltje; fooi om de kommiezen om te koopen

(Amer.): Let us bury the — = laten we vrede sluiten; To sling the — =

er uit snijden; They took up the — = zij vatten de wapens op; Do not

throw the — = vertel geen leugens; —-face = scherp geteekend gezicht.

Hatchment, hatšm’nt, ruitvormig rouwschild, symbool.

Hate, heit, subst. haat; — verb. haten, verafschuwen; —ful = hatelijk,

boosaardig; subst. —fulness; —r; Hatred, heitrəd, haat,

kwaadaardigheid, kwaadwilligheid.

Hathaway, hathəwei.

Hatti-sheriff, hatišerîf, door den sultan van Turkije uitgevaardigd

onherroepelijk bevel.

Hauberk, hôbɐ̂k, maliënkolder.

Haugh, hô, laag gelegen, vruchtbaar oeverland.

Haughtiness, hôtinəs, subst. v. Haughty, hôti, trotsch, fier,

hoogmoedig, aanmatigend.

Haul, hôl, subst. haal, trek; — verb. halen, trekken, sleepen, den

koers van een schip veranderen, veranderen van richting, zich

terugtrekken, komen, gaan: The sheets were —ed home = de schooten

werden aangehaald; — the wind = bras het zeil bij den wind; The ship

was enabled to — off from the shore = af te houden van de kust; He was

—ed over the coals = kreeg een uitbrander; He —ed out a knuckle-bone of

ham = haalde voor den dag; —age = trekkracht; transportkosten; —er =

soort hengel.

Haulm, hôm, halm, stroo.

Haunch, hônš, hânš, dij, lendestuk, bout.

Haunt, hônt, hânt, subst. dikwijls bezochte plaats, verblijfplaats; —

verb. omgaan, verkeeren, bezoeken of kwellen (v. een geest): This house

is —ed = het spookt in dit huis; —er = stamgast; druk bezoeker.

Haut, hôt, weekmarkt; el (Indië).

Hautboy, houbôi, hobo.

Havan(n)a(h), həvana, Havana(sigaar); Havanese, havənîz, havənîs,

subst. bewoner(s) van H.; adj. van Havana.

Have, hav, hebben, bezitten, houden, bij zich hebben, genieten,

ontvangen, ondervinden, dulden, laten, te pakken hebben, bedriegen,

beetnemen: — at him, boys! = pakt hem, raakt hem, jongens! — a care =

pas op! To — the ear of the House = tot die sprekers in ’t Huis

behooren, naar wie gaarne geluisterd wordt; Let us — lots of room here

= maak hier eens flink ruimte; — done = schei uit; I had as lief die as

be a slave = zou evenlief sterven; I had rather do that = dat zou ik

liever doen; Do well and — well = die wel doet wel ontmoet; You can’t

eat your cake and — it = je kunt niet het midden en de beide einden

hebben; As Shakespeare has it = zooals S. zegt; As the mood has the

reader = al naar de lezer gestemd is; I — no money about me = ik heb

geen geld bij mij; — the tea-things away = ruim weg; You — nothing for

it but to go = je kunt niet anders doen dan, er zit niets anders op; He

had on his best coat = droeg; He had his watch out = haalde voor den

dag; I’ll — it out of you = zal je wel krijgen, het je wel inpeperen; I

will — it out with you before I go = met je afrekenen.

Havelock, havlok, sluier (tegen zonnesteek in de Tropen); soort mantel.

Haven, heiv’n, subst. haven, veilige ligplaats, schuilplaats; — verb.

eene schuilpl. bieden.

Haver, havə, haver; — verb. wauwelen, raaskallen (Schotl.); —sack =

knapzak, ransel, reiszak; —s, heivəz = onzin.

Haverhill, heivəhil (Amer.), havəhil.

Havildar, havildâ, Inlandsch sergeant (Brit. Ind.).

Having, haviŋ, bezitting, eigendom; —s = (goed) gedrag (Zie Havers).

Havoc, havək, subst. verwoesting, vernieling; de kreet der krijgslieden

wanneer geen kwartier werd gegeven; — verb. verwoesten, vernielen,

dooden: To cry —; The boys have played — with my furniture = mijne

meubels vernield.

Haw, hô, interj. hu! ö! subst. haag; hof, grasland in een dal; bes van

de haagdoorn; aarzeling, hapering; — verb. haperen, ö - - ö zeggen,

aarzelen; door hu! te roepen een paard links wenden (Amer.): He spoke

in his —-—-style = hij sprak op zijne “ö ö” manier; He was a —-— swell

= geaffecteerd, lijmerig sprekend fatje; I felt —, like a fish out of

water = ik voelde mij zoo lam en lusteloos; It is — and gee here,

instead of woo and gee in the old country = aansporing naar links of

rechts te gaan (Zie Gee).

Hawaiian, hawaij’n, bewoner, taal van Hawaii; Hawaii, hawaii.

Hawbuck, hôbɐk, kinkel.

Hawarden, hô-âd’n, hâd’n; Haweis, hôis; Hawes, hôz.

Hawfinch, hôfinš, appelvink.

Haw-haw, hôhô; Zie Ha-ha en Haw.

Hawk, hôk, subst. havik, valk; zwendelaar, bedrieger; schrapende hoest;

— verb. met valken jagen, als een valk vliegen, jacht maken op;

schrapen; rondventen; —’s-bill = haviksbek; —-eyed = met scherpen blik;

—-moth = sfinx, avondvlinder; —-nosed = met arendsneus; —er =

marskramer; valkenier.

Hawik, hôik; Hawkesworth, hôkswəth.

Hawse, hôz, kluisgat: Athwart (the) — = dwars voor den boeg; He has

crossed my — = hij is mij dwars voor den boeg gekomen; To ride — fallen

(— full) = waterscheppen door de kluisgaten bij het op zijn anker

rijden van een schip in stormweer; —-hole, (—-pipe) = kluisgat: He came

in at the —-holes = hij is van gewoon matroos opgeklommen, van onderop

begonnen; —r = kabel, tros.

Hawthorn, hôthön, hagedoorn.

Hawthorne, hôthön.

Hay, hei, hooi, haag, boerendans: To make — = hooien: Make — while the

sun shines = smeed het ijzer, terwijl het heet is; He was making — in

his papers = gooide zijne papieren door elkaar; This boy is always

making — with (of) his hair = maakt altijd zijne haren in de war;

—-asthma, (—-fever) = hooiasthma (hooikoorts); —-box = hooikist; —-cock

= hooiopper; —-field = hooiland; —-fork = hooivork; —-loft =

hooizolder; —-knife = hooisteker; —-maker = hooier; boerendans;

—-market; —-mow = hooiberg, hooirook (in eene schuur); —-rick = —stack;

—-seed = graszaad; boerenlummel: You didn’t see any — in my hair? = zag

ik er zoo lummelachtig uit? —stack = hooiberg; Amer. fighting-top,

waarbij de mast door traliewerk is vervangen; That is like looking for

a needle in a —stack = onbegonnen (monniken) werk.

Hayes, heiz.

Hazard, hazəd, subst. kans, toeval, gevaar, dobbelspel, stoot om te

stoppen (bij ’t biljartspelen), stopbal, waarbij a winning — is, als de

bal der tegenpartij, en a losing —, als des spelers bal gestopt wordt;

— verb. gevaar loopen, wagen, in gevaar brengen: He did it at the — of

his life = met gevaar voor zijn leven; To put to the — = op het spel

zetten; I intend to run the — = de kans te wagen; —er = waaghals; —ous

= gevaarlijk, gewaagd; subst. —ousness.

Haze, heiz, subst. damp, mist, waas, nevel, duisterheid,

onduidelijkheid; — verb. misten; pesten, plagen en straffen met

overwerk (matrozentaal), kastijden, berispen; pret maken, rondzwieren;

in ’t ootje nemen, groenen.

Hazel, heiz’l, subst. hazelaar; adj. lichtbruin, hazelkleurig; —-earth

= mengsel van zand en klei; —-eyed = met lichtbruine oogen; —-nut =

hazelnoot; —-tree; —-wood.

Haziness, heizinəs, subst. v. Hazy, mistig, nevelig, duister,

aangeslagen, aangeschoten, beneveld.

He, hî, he!

He, hî, subst. man; vn.w. hij; adj. mannelijk, mannetjes....

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 52 / 141 段