overvloed hebben van: This part of the country —s with gold = bevat
veel goud.
Teens, tînz, de jaren v. dertien tot negentien: In her — = beneden
twintig (maar minstens twaalf); Out of her — = boven de negentien;
Since his middle — = sedert zijn 14de, 15de jaar.
Teeter, tîtə, wippen (Am.).
Teeth, tîth, Meerv. van Tooth = tand; — verb. (tîdh) = tanden krijgen:
From one’s — = niet van harte; In the — of the westerly gale = vlak
tegen in; He did it in the — of opposition = trots allen tegenstand; In
the — of the doctor’s prohibition = geheel in tegen; He cast those
reproaches in my — = wierp mij voor de voeten; He escaped by the skin
of his — = ontsnapte ternauwernood (Job. XIX, 30); —-drawing (fig.) =
bellen moeren; —ing, tîdhiŋ, het tanden krijgen.
Teetotal, tîtout’l, onthoudend: — drinks = alcoholvrije; —ism =
geheelonthouding; —ler = geheelonthouder.
Teetotum, tîtout’m, A-al tolletje: To spin a —.
Tegument, tegjument, omhulsel, huid, zaadhuid, vleugeldeksel; adj.
Tegumentary.
Tehee, tîhî, subst. gegichel; — verb. gichelen; interj. hihi.
Teheran, tehərân; Teignmouth, teinməth, tînməth.
Teil, tîl, lindeboom (= —-tree).
Teind, tînd = Tithe (Schotl.).
Teith, tîth; Telamon, teləm’n, mannenfiguur als zuil, At as.
Teledu, telədû, Javaansche bunzing.
Telegram, teləgram, telegram; adj. —mic; Telegraph, teləgraf, subst.
telegraaf; — verb. telegrafeeren, seinen: —-cable; —-operator = —er,
təlegrəfə, teləgrafə, telegrafist; Telegraphic, teləgrafik,
telegrafisch: — address = telegramadres; Telegraphist, təlegrəfist,
teləgrafist, telegrafist(e); Telegraphy, təlegrefi, teləgrafi,
telegraphie.
Telemachus, təleməkɐs.
Teleological, teliəlodžik’l, tîliəlodžik’l, teleologisch; Teleology,
teliolədži, tîliolədži, teleologie.
Telepathic, teləpathik, telepathisch: Card-guessing, bank-note-finding
and the various other forms of — hide and seek; Telepathy, təlepəthi,
teləpathi, telepathie.
Telepheme, teləfîm, telephonisch bericht; Telephone, teləfoun, subst.
telephoon; — verb. telephoneeren; Telephonic = telephonisch;
Telephonist, təlefənist, teləfounist, telephonist(e); Telephony,
təlefəni, teləfouni, telephonie.
Telescope, teləskoup, subst. telescoop, verrekijker; soort van
langwerpige spiraalschelp; — verb. in elkander schuiven, zooals een
telescoop: The book tries to be an encyclopaedia, —d into a dictionary
= in een woordenboek saamgevat; The first and the second carriage were
—d (into each other) = werden in elkander geschoven; —-table =
uittrektafeltje; Telescopic(al), teləskojpik(’l), telescopisch, in- en
uitschuifbaar.
Telesia, təlîžə, varieteit van saffier.
Tell, tell, vertellen, mededeelen, melden, berichten, bevelen,
optellen, onderscheiden, uitwerking hebben, indruk maken, klikken: I
can — = ik kan je verzekeren; Who can —? = wie weet; Never — me = maak
me niet wijs; Can you — the clock yet? = kun je al op de klok kijken; I
had my fortune told by an old gipsy = liet me waarzeggen; Don’t —
stories (fibs) = jok nu niet; Every shot told = was raak; He never
preached “I told you so” = hij zanikte nooit van “Dat heb ik je wel
gezegd”; They numbered 100 all told = met hun allen; That —s against
you = pleit tegen je; You can — this wine from vinegar only by the
label = slechts onderscheiden van; It is difficult to — good paste from
diamonds = simili van diamant te onderscheiden; That —s for something =
dat is lang niet mis, telt mee; You can — them off by hundreds =
aanwijzen bij honderden; One of the clerks was always told off to sleep
in the house = werd aangewezen; I shall — the priests on you = u
verklappen aan; The heavy work has told on his constitution = zijn
gestel aangegrepen; His troubles have told on him = hem erg
aangegrepen; The speech told on the hearers = maakte indruk; To — out =
uittellen; Told out = op, blut; This told with him = dit hielp (bij
hem); —-tale, subst. babbelaar, verklikker, klikspaan; adj. babbelziek,
lasterend, verraderlijk; They are —able on the fingers = die kan je op
de vingers tellen; —er = verteller, teller, stemopnemer, klerk in een
bank die met de klanten rekent; harde slag. Zie Telling.
Tellina, təlainə, platschelpen.
Telling, teliŋ: With — effect = met goed gevolg, krachtige uitwerking;
A — phrase = kernachtig; A — speech = een rede, die pakt; That’s —(s) =
dat mag ik niet zeggen.
Tellurian, təl(j)ûriən, aardsch —; bewoner der aarde; Telluric =
tellurisch; Tellurion, təl(j)ûriən, tellurium; Tellurium, təl(j)ûriəm,
tellurium (Chemie).
Telotype, telətaip, druktelegraaf.
Telpher, telfə, subst. inrichting voor electrisch kabelvervoer; adj.
behoorende tot —age, telfəridž, vervoer door electriciteit; —-line =
electr. kabelspoorlijn.
Temerity, təmeriti, vermetelheid, roekeloosheid.
Temper, tempə, subst. aard, natuur, temperament, humeur, gemoed,
prikkelbaarheid, opvliegendheid, hardheid (v. metaal); — verb. matigen,
regelen, verzachten, doen bedaren, temperen, harden: Equal, Even — =
gelijkmatig humeur; Hot — = drift; The — of the nation = stemming; Your
friend is not a good (is a horrid) — = heeft geen gemakkelijk (een
vreeselijk) humeur; He kept his — better than we had supposed = bleef
bedaarder; He lost his — = raakte uit zijn humeur, verloor zijn geduld;
He was in a black — = verschrikkelijk slecht gehumeurd; What a — you
are in! = hè, wat ben jij knorrig; You must keep him in — = hem in zijn
humeur houden; He was out of — this morning = uit zijn humeur;
Temperament = gestel, geaardheid, temperament; Temperance = matigheid,
gematigdheid, onthouding: —-bar = koffiehuis voor onthouders;
—-meeting; —-society = matigheids- of afschaffersgenootschap;
Temperate, tempərit, bedaard, kalm, gematigd: — zone = gematigde
luchtstreek; subst. —ness; Temperature, tempərətjə, temperatuur: To
take one’s — = opnemen; Tempered: Good-, Ill-—; Even-— = van
gelijkmatig humeur; Quick-— = opvliegend; A sweet-— girl = zacht.
Tempest, tempəst, hevige storm, orkaan, zwaar weer: —-beaten = door de
stormen gebeukt; —-tossed = door de stormen geslingerd; Tempestuous,
tempestjuəs, stormachtig, hevig; subst. —ness.
Templar, templə, tempelier; student in de rechten, advocaat of jurist:
Order of “Good —s” = vereeniging tot het verleenen van wederzijdschen
steun bij ouderdom, etc.
Temple, temp’l, tempel, godshuis, slaap (van het hoofd): Inner-—,
Middle-— (Londensche colleges voor opleiding van juristen).
Templet, templət, schabloon, vormhout.
Tempo, tempou, tempo, maat (Meerv. Tempi).
Temporal, tempər’l, tijdelijk, tijds - -, wereldlijk; slaap - -: — bone
= slaapbeen; — Lords = wereldlijke, ter onderscheiding v. geestelijke,
pairs van Engeland; Temporality = tijdelijk of wereldlijk bezit;
Temporalities = temporaliën, inkomsten der geestelijken uit land,
tienden, enz.; Temporariness, subst. v. Temporary = tijdelijk, niet
duurzaam; Temporize, tempəraiz, zich naar de omstandigheden schikken,
den gunstigen tijd afwachten, trachten tijd te winnen: —r = iemand die
met de wolven meehuilt, de huik naar den wind hangt, etc.
Tem(p)se, tems, zeef, vergiet(test); —-bread = brood van fijngebuild
meel.
Tempt, tem(p)t, verleiden, verlokken, in verzoeking brengen: He —ed me
into giving up my plan = verlokte mij; —able = te verlokken;
Temptation, tem(p)teiš’n, verlokking, verzoeking, aanvechting: To lead
into —; He yielded to — = bezweek voor; Tempter = verleider: The — = de
duivel; Tempting = verleidelijk; subst. —ness; Temptress = verleidster.
Ten, ten, tien: There were — of them = They were — = ze waren met hun
tienen; The — Tribes = tien stammen Israëls; Nine in — = negen van de
tien; — to one = tien tegen een; —fold = tienvoudig; —-pin = kegel:
—-pin alley = kegelbaan (Amer.); —-spot = een tien (kaartspel); He made
many —-strikes = gooide dikwijls alle tien; —-seater = fiets voor tien;
—ner = bankbiljet van 10 £; —th = tiende (deel).
Tenability, tenəbiliti, subst. v. Tenable, tenəb’l, houdbaar,
verdedigbaar: The scholarship is — for one year = de beurs geldt voor;
subst. —ness.
Tenace, tenis, de “fourchette” (de hoogste en op twee na de hoogste
kaart) in handen van den vierden speler (Whist); —-minor = kleine
“fourchette” (de hoogste en op drie na de hoogste kaart).
Tenacious, təneišəs, vasthoudend, sterk, hardnekkig, kleverig, taai: He
has got a — memory = sterk geheugen; He is — of whatever he gets =
houdt vast; To be — of life = taai zijn; —ness = Tenacity, tənasiti,
vasthoudendheid, kleverigheid, getrouwheid.
Tenail(le), təneil, tangwerk ter dekking v. een courtine (Vestingb.);
Tenaillon, təneiljon, klein tangwerk.
Tenancy, ten’nsi, subst. huur, pacht; Tenant, subst. huurder, pachter,
bewoner; — verb. in pacht of huur hebben, bewonen: — at will =
opzegbare huurder; — for life; — in capite, — in chief = huurder direct
van de kroon; — in tail = houder van een pachthoeve, die bij versterf
op bepaalde erfgenamen (in pacht) overgaat; —able = geschikt om ge- of
verhuurd te worden, bewoonbaar; subst. —ableness; —less = onverhuurd,
leeg; Tenantry = de gezamenlijke pachters of huurders.
Tench, tenš, muithond, zeelt.
Tend, tend, bewaken, verzorgen, letten op, denken om; strekken,
streven, zich richten; bijdragen, om het anker zwaaien: That way
instruction ought to — = dien kant moet het onderwijs uit; Tendency =
strekking, neiging, aanleg voor.
Tender, tendə, aanbod, offerte, inschrijving; betaalmiddel (Legal —); —
verb. aanbieden, inschrijven: He made a — of his friendship, services =
bood aan; Private — = onderhandsche inschrijving; To let by public — =
publiek uitbesteden; To — cordial thanks = hartelijk dank zeggen; To —
for the dredging of a harbour = inschrijven op; To — and contract for =
aannemen (v. een werk).
Tender, tendə, teeder, zwak, zacht, malsch, teergevoelig, vriendelijk,
zorgvuldig; — verb. zacht maken, hoogschatten: At a — age = op
jeugdigen leeftijd; The — passion(s) = de liefde; He was still — of
her, though she had betrayed him = hij hield nog van haar; —-foot =
gevoelige voet; nieuweling (Australië); —-hearted = teergevoelig;
subst. —-heartedness; —-loin = filet; —-minded = teerhartig; —ling =
vertroetelde lieveling; een van de eerste hoorns van een hert; —ness =
teederheid, vriendelijkheid, bezorgdheid voor (met of).
Tender, tendə, tender (v. een locomotief), (sleep)bootje, oppasser.
Tendon, tend’n, pees: — of Achilles.
Tendril, tendril, rank (van klimplanten).
Tenebrae, tenəbrî, donkere metten, die op Woensd., Donderd. en Vrijdag
van de week vóór Paschen tegen den avond gezongen worden; Tenebrosity =
duisternis; Tenebrous = duister.
Tenement, tenəment, woning, huis, stel vertrekken door één gezin
bewoond, pachthoeve; —-house = huis, dat bij gedeelten aan
verschillende gezinnen verhuurd wordt; —al, tenəment’l, verpacht of
verhuurbaar, huur ... = —ary, tenəmentəri.
Tenerife, tenərif.
Tenet, tenət, leerstuk, beginsel.
Tennessee, tenəsî.
Tennis, tenis, tennis; —-ball; —-court = tennisbaan; —-net; —-racket.
Tennyson, tenis’n.
Tenon, tenən, subst. pen, pin, tap, neut ter verbinding; — verb. met
een tenon verbinden.
Tenor, tenə, subst. gang, loop, richting, inhoud, geest, wezen,
afschrift, tenor, altviool: The — of this man’s life = de richting van
zijn leven; The — of this work = bedoeling of hoofdgedachte: The even —
of the session was never ruffled = de gelijkmatige gang.
Tense, tens, tijd (gramm.).
Tense, tens, streng. strak, gespannen; subst. —ness; Tensibility =
rekbaarheid; adj. Tensible; Tensile, tens(a)il, rekbaar, spannings - -:
— force = spankracht; Tension, tenš’n, spanning, gespannenheid,
spankracht, groote inspanning; Tensive, spannend; Tensor, tensə,
spanspier.
Tent, tent, subst. tent, kap, overtrek, wiek (om eene wond open te
houden), donkerroode Spaansche wijn; — verb. van tenten voorzien,
tenten opslaan, onder tenten wonen; sondeeren, peilen of openhouden van
eene wond; —-bed = ledikant met hemel; —-cloth; —-maker = tentenmaker;
—-pin; —-pole; —-rope.
Tentacle, tentək’l, zuig- of tastorgaan; Tentacular, tentakjulə, zuig
..., tast ...; Tentaculate(d), tentakjulit(-eitid), van zuigorganen
voorzien.
Tentative, tentətiv, subst. proeve, proef, poging; adj. pogend,
beproevend.
Tenter, tentə, subst. spanraam, spanhaak, voeldraad; — verb. opspannen,
rekken: To be on the —(s) = op heete kolen zitten; To keep on the —(s)
= in angstige spanning houden; —-ground = plaats voor het stellen van
spanramen; —-hook = spanhaak: We are on (the) —-hooks = on the
tenter(s).
Tenuifolius, tenjuifouljəs, met fijne en smalle bladen; Tenuity,
tənjûiti, fijnheid, dunheid, ijlheid; Tenuous, tenjuəs, dun, ijl, fijn,
klein.
Tenure, tenjə, eigendomsrecht, leendiensten, bezit: — of life =
levenstijd; — of office = diensttijd.
Tepefaction, tepifakš’n, matige verwarming; Tepefy = matig verwarmen,
lauw worden; Tepid, tepid, lauw; subst. Tepidity = —ness.
Teraph, terəf (mv. Teraphim), huisgod der oude Israëlieten.
Terce, tɐ̂s, ± 190,830 L. (wijn, brandewijn, azijn, olie, etc.) ook ±
158,963 L.; ± 137,892 of ± 152,407 K.G. (vleesch voor schepen); —-major
= de drie hoogste kaarten.
Tercel(et), tɐ̂səl(et), mannetjesvalk.
Tercentenary, tɐ̂sentənəri, subst. en adj. driehonderdjarige
(gedenkdag).
Tercet, tɐ̂set, drieregelig gedichtje.
Terebinth, terəbinth, terpentijnboom: Oil of — = terpentijnolie;
Terebinthine, terəbinthin, terpentijn ....
Teredine, terədin, Teredo, tərîdou, paalworm.
Tergiversate, tɐ̂dživəseit, uitvluchten zoeken, draaien; Tergiversation,
draaierij, uitvlucht, afvalligheid.
Term, tɐ̂m, subst. grens, beperking, termijn, vervaldag, betaaldag,
collegetijd, berechtingstijd, lid, uitdrukking, bewoording (In plain
—s); —s = voorwaarden, condities, honorarium, prijs, schoolgeld;
stonden (med.); — verb. noemen, benoemen, uitdrukken: A naval — =
zeemansuitdrukking; To bring to —s = tot toegeven noodzaken; Couldn’t
you come to —s? = het eens worden; Why don’t you express yourself in
more definite —s = niet juister; I got on —s with him = kwam op goeden
voet; They married on equal —s = in gemeenschap van goederen; To be on
even —s = gelijk staan; To be on good —s = goed met elkaar; They are on
intimate —s, —s of intimacy = zeer intiem met elkaar, op intiemen voet;
To be on poor —s = niet al te best met elkaar; What are your —s? = wat
vraagt u daarvoor? — of life (of a person’s natural life) = levensduur;
— of office = diensttijd; — of payment = betalingstermijn.
Termagant, tɐ̂məg’nt, subst. helleveeg; adj. kijfachtig.
Terminable, tɐ̂minəb’l, begrensbaar; subst. —ableness; Terminal, subst.
einde, grens, uiterste; adj. eindigend, begrenzend: — station =
kopstation; Terminate, tɐ̂minit, begrensd, beperkt; — verb. tɐ̂mineit,
begrenzen, eindigen, een einde maken aan: I shall soon be —d with you =
tusschen ons beiden zal het gauw uit zijn; Termination = grens, einde,
begrenzing: To draw to a — = ten einde loopen; —inative = begrenzend,
uitsluitend; Terminology, terminologie; Terminus = grenssteen,
eindstation.
Termite, tɐ̂mait, witte mier.
Ternary, tɐ̂nəri, subst. drietal, groep van drie; adj. van of bij
drieën, drietallig.
Terpsichore, tɐ̂pksikərî, Terpsichore; —an, tɐ̂psikərîən, dans —.
Terra, terə, de aarde: — del Fuego, terədelfjûgou, Vuurland; — alba =
pijpaarde; —-cotta = terracotta; — firma = vaste grond; — incognita =
onbekend land.
Terrace, teris, subst. terras, plat dak; — verb. tot terrassen vormen.
Terrapin, terəpin, moerasschildpad (Amer.).
Terraqueous, təreikwiəs, tərakwiəs, uit land en water bestaande.
Terrestrial, tərestriəl, ondermaansch, aard—, land—; subst.
aardbewoner: — animal; — globe.
Terret, terət, de ring waar doorheen de leidsels worden gestoken.
Terrible, terib’l, verschrikkelijk, ontzagwekkend, ijselijk, kolossaal;
subst. —ness.
Terrier, teriə, terrier.
Terrific, tərifik, schrik- of ontzagwekkend; Terrify, terifai, doen
verschrikken, schokken: I was terrified to death = schrikte me dood.
Territorial, teritôriəl, territoriaal; subst. soldaat behoorende bij
het — Army (— Force) i e. een corps van vrijwilligers, dat in 1908 de
oude Volunteers verving; —ize = vergrooten; tot een territory maken
(Amer.); Territoried, teritərid, land in eigendom hebbende; Territory,
teritəri, gebied, (ook fig.), landstreek, bereik; gebied met minder dan
60.000 inwoners en zonder vertegenwoordiging in het Congres (Amer.).
Terror, terə, schrik, ontsteltenis: The King of —s = de Dood; The Reign
of — = het Schrikbewind; I am struck with —, —-struck, —-stricken = van
schrik verpletterd; —ism = schrikbewind; —ist = lid van het
schrikbewind, terrorist; Terrorize, terəraiz, schrik aanjagen, door
schrik dwingen.
Terry, teri, soort van pluche; —-velvet = soort katoenfluweel.
Terse, tɐ̂s, beknopt, kort en bondig; subst. —ness.
Tertian, tɐ̂š’n, derdedaagsch: — fever; Tertiary, tɐ̂šəri, tertiair: —
epoch, formation.
Tertullian, tɐ̂tɐlj’n, Tertulianus.
Terza-rima, tɐ̂tsə-rîmə, tercine; Terzetto, ter-tsətou, terzet (muz.).
Tessellar, tesələ, geruit; Tesselated, tesəleitid, geruit, als mozaïek;
Tessellation = ruit- of mozaïekwerk; Tessera, tesərə, klein kubusje van
marmer, etc. voor mozaïekwerk; Tesseral = Tessellar.
Test, test, subst. toets, toetssteen, onderzoek, proef, reagens,
oordeel, kroes tot zuiveren van metaal; — verb. toetsen, beproeven,
keuren, onderzoeken, attesteeren: Crucial — = vuurproef (fig.); That’s
a fair — = een geschikte opgaaf (bij een examen, b.v.); To apply a
severe — to = aan een streng onderzoek onderwerpen; To put to the — =
op de proef stellen; To stand the — = de proef doorstaan; — Act = Eng.
wet van 1678–1828, die voor ambtenaren een eed voorschreef waarbij ze
betuigden niet Katholiek te zijn; State —ed unadulterated liquor = van
rijkswege gekeurde, onvervalschte sterke drank; —-paper =
lakmoespapier; —-tube = reageerbuisje; —-types = letters om de
gezichtsscherpte te keuren; —able = wat geattesteerd kan worden, in
staat een testament te maken of getuigenis af te leggen; —er = toetser.
Zie Tester.
Testacea, testeišə, schelpdieren; —n, subst. schelpdier; adj. tot de
schelpdieren behoorende; Testaceous, testeišəs, schaal - -; bruingeel:
— animals = schaaldieren.
Testament, testəment, testament, verbond: New —; Old —; —al, —ary,
testəment’l, testəmentəri, testamenteel; Testamur, təsteimə,
testimonium; Testate, testit, subst. die een testament gemaakt heeft;
adj. een testament nalatend: To die —; Testator, testeitə, Testatrix,
testeitriks, erflater, erflaatster.
Tester, testə, oude shilling (onder Henry VIII); vierkante
ledikantshemel, plat klankbord (kansel): —-bed = met een hemel. Zie
Test.
Testicle, testik’l, zaadbal; Testiculate, təstikjulit, Testicular,
təstikjulə, gelijk een bal.
Testification, testifikeiš’n, getuigenis; Testifier = getuige; Testify,
testifai, plechtig verklaren, getuigen, getuigenis afleggen: I shall
never — against you = tegen u getuigen; He testified to my good conduct
= hij gaf getuige van.
Testimonial, testimounj’l, subst. getuigschrift, verklaring,
attestatie, hulde, huldeblijk; ook adj.: — dinner = feestmaaltijd ter
eere van; — letter; Testimony, testiməni, getuigenis, betuiging,
openbaring, Gods woord: In — whereof = ten bewijze waarvan; To bear — =
getuigenis afleggen; To call in — = tot getuige roepen.
Testiness, testinəs, subst. v. Testy, testi, eigenzinnig, knorrig,
gemelijk, prikkelbaar.
Tetchiness, tetšinəs, subst. van Tetchy = knorrig, gemelijk.
Tether, tedhə, subst. touw waaraan een grazend dier is gebonden,
speelruimte, bevoegdheid; — verb. vastbinden, beperken: He came to the
end of his — = zijne middelen waren uitgeput; To go to the end of one’s
— = zoo ver gaan als men kan; To — a person by a short rope = iemand
kort houden.
Tetra, tetrə, (in samenst.), vier: —chord = halve octaaf (van c tot f
of van g tot c); viersnarige lier; —dactyl(e), tetrədaktil,
viervingerig; —diapason, tetrədaiəpeiz’n, viervoudige octaaf; —gon,
tetrəgon, vierhoek; adj. —gonal, tətragən’l; —hedron, tetrəhîdr’n,
tetrəhedr’n, regelmatig viervlak; —meter, tətramətə, viervoetige
versregel; —petalous, tetrəpetəlɐs, vierbladig; —pod = vierpootig;
—pteran, tətraptər’n, viervleugelig (insect); —pterous, tətraptərɐs,
viervleugelig; Tetrarch, tetrâk, tîtrâk, gouverneur van het vierde van
een wingewest (Rom.): —ate, tetrâkit, tîtrâkit, —y, tetrâki,
grondgebied van een T.; Tetrastich, tetrəstik, tətrastik, vierregelig
gedicht.
Tetter, tetə, subst. naam voor verschillende huidziekten (Eating — =
lupus); — verb. eene huidziekte bezorgen.
Teuton, tjût’n, iemand v. Teutonischen stam; Teutonic, tjutonik,
Teutonisch, Germaansch: — languages = Germaansche talen; Teutonicism,
tjutonisizm, Germaansch idioom; Teutonize = germaniseeren.
Teviot, tiviət; Tewk(e)sbury, tjûksb’ri; Texan, teks’n; Texas, teksəs;
(The) Texel, dhəteks’l.
Text, tekst, tekst, onderwerp, inhoud; —book = handboek, schoolboek;
—-hand = groot loopend schrift; —ual = volgens den tekst; —ualist =
schriftgeleerde, iemand die zich streng aan den tekst houdt.
Textile, tekst(a)il, subst. geweven stof; adj. geweven: — industry;
Texture, tekstjə, het weefsel, structuur.
Thackeray, thakər(e)i; Thaddeus, thədîəs, thadiəs; Thaisa, theiizə,
thəîzə.
Thaler, tâlə, thaler.
Thales, theilîz; Thalia, thəlaiə, Thalia: —n = komisch; Thaliard,
thaliəd.
Thames, temz, Theems: He will not set the — on fire. Zie Fire.
T(h)ammuz, t(h)aməz, vierde maand van het Joodsche burgerlijk jaar.
Than, dhan, dan (alléén na comparatieven): He is older — I by seven
years.
Thane, thein, Angelsaksische titel der grootere grondbezitters tot de
12de eeuw; —dom; —-lands; —ship.
Thanet, thanət.
Thank, thaŋk, subst. dank (thans steeds meervoud); — verb. danken,
bedanken (dikwijls ironisch): —s to thee, I am safe = ik ben veilig,
dank zij u; —s = ik dank u; No, —s! = dank u; geen dank; —s to your
eagerness = dank zij; —s be to God = God zij dank; To give —s = danken
(na den maaltijd); To return —s = dank betuigen; No — you = ik dank u;
— you, yes = alstublieft; — you for nothing = ik zou je danken; — God
we are rid of him = Goddank; He has only to — himself for = ’t is zijn
eigen schuld, dat...; I’ll — you to shut the door = doe alstublieft de
deur dicht; I’ll — you not to do it = gij doet me plezier als gij het
laat; I’ll — you for the potatoes (for a cup of tea) = mag ik
alstublieft; —-offering = dankoffer; —sgiver = bedanker, dankzegger;
—sgiving = dankzegging (aan God); —sgiving-day = dankdag; —ee = dank u;
—ful = dankbaar; subst. —fulness; —less = ondankbaar: —less task;
subst. —lessness; —worthiness, subst. v. —worthy = dankenswaard,
verdienstelijk.
That, dhat, gene, die, dat; opdat: — is me (I) = dat ben ik; He is a
good fellow for all — = toch een goede vent; And — for this reason = en
wel om deze reden; Nothing follows, nothing — is, which is of any real
weight = namelijk niets; While his family, his mother — is, were living
in D. = zijn moeder namelijk; No human being ever spoke like — = op
zoo’n manier; This is horrible, — is = dit is bepaald af grijselijk;
Mrs Quilp — is = de tegenwoordige; Mrs Corney — was = de vroegere; He
has been here, but what of —? = wat zou dat, bewijst dat; I was the
eldest son and not much of a help at — = en trouwens als zoodanig nog
geen groote steun; ‘Christmas comes but once a year’, and adds the
cynic, ‘once too often at —’ = en dat is trouwens nog één keer te vaak;
I send you word — you may be prepared = opdat gij voorbereid zijt; It
is not — I believe = niet omdat ik geloof; Do tell me, —’s a good girl
= dan ben je eene beste meid; — much is certain = zooveel; I am — sorry
= het spijt me zóó! I suppose you are worth all — = wel zóó rijk; I am
tougher than — = daar ben ik te taai voor.
Thatch, thatš, subst. dakstroo, dakriet, stroodak, hut; — verb. met
stroo of riet dekken; —er = rietdekker.
Thaumatrope, thômətroup, thaumatroop; Thaumaturge, thômətɐ̂dž,
wonderdoener = Thaumaturgist; Thaumaturgic(al), thômətɐ̂džik(’l),
wonderdadig; Thaumaturgy, thômətɐ̂dži, wonderdoenerij.