beweegbaar deel van eene brug, voelhoren, onbeslist spel; — verb.
trekken, uithalen, sleepen; optrekken, terugtrekken, maken, aantrekken,
wekken, ontlokken, inzuigen, slaken, aftappen, vergieten, langzaam
bewegen, rekken, uittrekken, uitstrekken; teekenen, schetsen, malen;
leiden (door zedelijken invloed), overhalen; diepgang hebben: The — of
the concerts was immense = trokken ontzaglijk veel menschen; She was a
sure — = trok veel menschen; The game ended in a — = bleef onbeslist;
To — a bead upon = mikken op; To — blood = een bloedende schram of
wonde veroorzaken; To — bridle = stilhouden; To — a covert = het wild
opsporen en uit zijn schuilplaats jagen; To — a curtain = dicht
trekken; To — a fox = doen ‘uitvaren’; To — a letter = opstellen; To —
the long bow = met spek schieten; To — a man = door list (vleierij) aan
’t praten krijgen; — it mild = maak ’t niet te erg; To — money =
trekken, opnemen; To — a parallel; He —s a straight furrow = hij is een
eerlijke kerel (Amer.); What water do you — = hoe diep ligt gij? The
ship —s twenty feet (of water) = heeft een diepgang van; To — along =
voorttrekken; To — back = zich terugtrekken, achteruit wijken; To —
forth = uittrekken, ontlokken; To — in = intrekken, aantrekken,
inkrimpen, invallen, iemand bewegen of verlokken tot iets: The evenings
are —ing in = de dagen worden langer; The time —s near = nadert; His
negligence drew on much danger = veroorzaakte; Your confidence will be
able to — him out = zal hem voor zijne gevoelens doen uitkomen; I led
off on that subject to — out my guest = om mijn gast aan ’t praten te
krijgen; They don’t — well together = harmoniëeren niet; They were —ing
together = er ontstond toenadering; A report was —n up = opgesteld; To
— up a scheme = een plan maken; The coachman drew up instantly = hield
dadelijk stil; He drew upon me as often as he had a chance = hij trok
een wissel op mij, maakte gebruik van mij (mijn geld, mijn tijd, mijne
krachten, enz.); The train drew up at the station = hield stil voor;
The soldier drew himself up = nam de militaire houding aan, zette zich
in postuur; The troops were —n up in array of battle = opgesteld in
slagorde; She —s kindly with him = harmoniëert goed; —back, drôbak,
schaduwzijde, nadeel, bezwaar; teruggave van betaalde rechten,
uitvoerpremie: Being young is a — which disappears in time = een
gebrek; The —back is, that - - = er is tegen, dat...; —-bar, drôbâ,
koppelstang; —-bridge, drôbridž, ophaalbrug; —-gear, drôgîə, tuig;
koppeling; koppelstang; —-net, drônet, vogelnet; —-plate, drôpleit,
stalen plaat met conische gaatjes, waardoor metaaldraad wordt getrokken
om het te verdunnen of te rekken; —-well, drô-wel, put met ketting;
—ee, drô-î, hij op wien een wissel getrokken wordt; —er = trekker,
putter, tapper, trekdier, lade: A pair of —s = onderbroek; Bathing-—s =
zwembroek; Chest of —s = latafel; Drawing, drôiŋ, trekking, trekken,
teekenen, teekening, ontvangst: Out of — = slecht geteekend; —-board =
teekenplank; —-book; —-chalk; —-knife = polijststaal; snijmes; —-master
= teekenleeraar; —-paper; —-pen = trekpen; —-pin = punaise, stiftje;
—-room = salon, ontvangzaal: The Queen’s —-room = de receptie voor
dames en heeren in Buckingham-Palace; I feel —n to that conclusion =
voel mij getrokken tot: A —n battle (game) = onbeslist; —n butter =
gewelde; A —n fowl = schoongemaakte vogel; A —n and wrinkled face =
strak.
Drawcansir, drôkansə, bluffer, snoevende grootspreker (genoemd naar een
persoon in Buckingham’s Rehearsal).
Drawl, drôl, subst. temerige spraak; — verb. temerig spreken; adj. —y.
Dray(-cart), drei(kât), sleeperswagen; —-horse; —man = sleeper; —age =
gebruik en huur van een dray.
Dread, dred, subst. vrees, schrik, ontzag; adj. gevreesd,
verschrikkelijk, ontzagwekkend; — verb. vreezen, duchten: —nought,
drednôt, durfal, groot pantserschip, dikke duffel(sche jas); —ful =
vreeselijk, ontzagwekkend: Penny —s = goedkoope sensatieromans; subst.
—fulness; —less = onbevreesd; subst. —lessness.
Dream, drîm, subst. droom; — verb. droomen, in een droom zien, zich
verbeelden: —s go by contraries = komen altijd anders uit; He —s away
his life = hij verbeuzelt zijn leven; —er = droomer; —y = droomerig.
Drear, drîə, verlaten, woest, somber; akelig, treurig; vervelend;
subst. —iness; —y = Drear.
Dredge, dredž, subst. dreg, sleepnet, baggermachine; mengsel van haver
en gerst; — verb. met eene dreg of een sleepnet ophalen, uitbaggeren;
meel strooien op; —r = dregger, oestervisscher, baggermachine;
strooibus; Dredging: —box = strooibus; —-machine = baggermolen.
Dree, drî, dulden: To — one’s weird = zich schikken in zijn lot.
Dregginess, dreginəs, troebelheid, droesem; Dreggish = troebel, onrein;
Dregs, dregz, grondsel, droesem, uitschot, janhagel, schuim: To the — =
ten bodem toe.
Drench, drenš, doorweeken, doornat maken, verzadigen (met drank of
vocht), een drank toedienen; drenken; subst. drank (v. dieren): Christ
was —ed with vinegar; —er = plasregen.
Dresden, drezd’n, dreizd’n: — china, —-ware = Meisz(e)ner porselein.
Dress, dres, subst. kleed, kleeding, kleederen, japon; — verb. kleeden,
richten, klaar maken, bereiden, verbinden, in orde brengen,
appreteeren, besnoeien, braken, garneeren, opstrijken, bekappen,
roskammen, kappen, versieren (out), africhten, mores leeren, zich
kleeden: Full — = groot tenu, officieel kleed; High (Low) — = hooge
(laag uitgesneden) japon; Halt, —! = Sectie halt! Richt u!; The ships
were —ed = met vlaggen getooid; The shops were beautifully —ed = waren
mooi uitgestald; —ed to death = vreeselijk opgeschikt; To — up =
uitdossen, kostumeeren; —-ball = galabal; —-box = loge avant-scène;
—-circle = die rangen van den schouwburg waar het publiek in rok, of
gedecolleteerd is; —-coat = rok; —-improver = tournure; —-jacket =
‘smoking’; —maker = naaister; —-shield = sousbras; —-stand =
costuumpop; —-suit = rok, enz.; —-sword = galadegen; —-vest = ‘smoking’
(Amer.); —er = aanrechtbank of -tafel, dressoir, kast; aankleeder;
Dressing = kleeding, verband, mest, opvulsel (van vogels, enz.),
appretuur, enz.; —-case = toilet- of kapdoos, verbandkistje; —-gown =
kamerjapon, morgenjapon (voor dames), peignoir; —-room = kleedkamer;
—-station = plaats om gewonden te verbinden; —-table = toilettafel;
Dressy = pronkziek; fraai gekleed, chic.
Drew, drû, P. Imp. v. To draw.
Dribble, drib’l, druppelen, kwijlen, beuzelen, laten druppelen,
bekwijlen, zachtjes vooruit schoppen: Driblet = brokje, brokstukje,
kleine som, klein troepje.
Drift, drift, wat gedreven (of bijeengedreven) wordt door wind, water,
ijs, enz.; hoop (sneeuw, b.v.), drijfkracht, loop, gang, doel,
beteekenis, voornemen, strekking, drift (zeeterm), ruimnaald,
horizontale mijngang, doorwaadbare plaats; — verb. drijven (uit den
koers), saamgedreven of (voort)gedreven worden, zich ophoopen, een
doorgang in een mijn maken: The — of a current = richting en snelheid
van een stroom; He —ed about = zwierf rond; He —ed into practice =
kreeg zachtjes aan praktijk; —-ice = drijfijs; —-sand = stuifzand;
—-wood = drijf- of wrakhout; —age, driftidž, afdrijving (van een
schip); —less = doelloos.
Drill, dril, subst. (dril)boor, een soort zaaimachine, exercitie, dril
(= —ling): — verb. doorboren, boren, drillen, exerceeren, graan in
rijen zaaien: To be at — = aan het exerceeren: —-bow = drilboog;
—-ground exercitieveld; —-harrow = fijne egge; —-master = drilmeester,
gymnastiekleeraar; —-sergeant = sergeant-instructeur.
Drily, draili, droogjes, leuk.
Drink, driŋk, subst. teug, drank, borrel; — verb. drinken, zich goed
laten drinken, begeerig in zich opnemen: To be in — (= The worse for —)
= dronken; That brute of a fellow is always on the — and gamble = aan
’t zuipen en dobbelen; To — deep = sterk drinken; To — like a fish =
als een tempelier; He took to —(ing) = raakte aan den drank; You cannot
— him down = onder de tafel drinken; — off your glass = drink eens uit;
The guinea was drunk out = verdronken; I — to the bride and bridegroom
= drink op; I’ll — (to) your health = (op) uwe gezondheid; —-money =
drinkgeld, fooi; —offering = plengoffer; —able, drinkbaar; drank; —er =
Hard —er = drinkebroer; —ing-bout = slemp- of zuippartij: —ing-fountain
= drinkfontein; —ing-house = kroeg, bierhuis; —ing-song = drinklied.
Drip, drip, subst. neervallen in druppels, dakkant, goot; — verb.
druppelen, laten druppelen: The —ping air of the twilight = de met
waterdeelen bezwangerde avondlucht; The —ping(s) of the meat = het van
aan ’t spit gebraden vleesch afdruppelend vet (dit wordt opgevangen in
de —ping-pan); —ping-caves = benedenste dakrand.
Drive, draiv, ritje, oprijlaan, rijweg, drift (vee), opdrijven (v.
wild), krachtige slag: (The — Zie Rotten Row); — verb. drijven,
voortdrijven, voortstormen, jagen, doelen op, slaan naar, ijverig
werken, rijden, mennen, inslaan, aandrijven tot: Let —, boys! = slaat
er duchtig op, jongens! To — a good bargain = een voordeeligen koop
sluiten; You are driving a hard bargain = gij laat ook niets vallen; To
— a trade in = handeldrijven in; They drove the river = zij stuurden
het vlot, etc. de rivier af; To — away = wegrijden, verdrijven, er op
los gaan; I did not know what he was driving at = waar hij heen wou
(fig.); The enemies were driven in = genoodzaakt te retireeren; They
were driven off = teruggedreven; The carriages drove off = reden weg;
—-way = drijfpad voor vee, rijweg; —r = koetsier, voerman, veedrijver,
machinist, rijder, de play-club bij het golf-spel; blankofficier,
uitzuiger, drijfrad; Driving: —-band = drijfriem; —-box = bok; —-gear =
drijfwerk; —-glove; —-park = renbaan (Am.); —-wheel = drijfrad, voorrad
van een fiets; —-whip = zweep.
Drivel, driv’l, subst. speeksel, kwijl, gewauwel; — verb. wauwelen,
suffen; kwijlen; —ler = kwijler, suffer, dwaas, halfwijze.
Driven, driv’n, part. perf. van to drive.
Drizzle, driz’l, subst. stof- of motregen; — verb. mot- of stofregenen,
in fijne deeltjes neervallen; Drizzly = stof- - -.
Drogheda, drogidə; Droitwich, drôitidž.
Droll, droul, subst. grappenmaker, snaak; adj. snaaksch, grappig; —
verb, grappig zijn, grappen maken; —ery = snakerij; —y = grappig.
Dromedary, drɐməd’ri, dromedaris.
Dromio, droumiou.
Drone, droun, subst. hommel, luiaard; gebrom, gegons, geneurie, baspijp
(v. een doedelzak); — verb, gonzen, brommen, opdreunen, luieren: The
monotonous — of the wheel = gesnor; He —d out a little song = hij
neuriede een liedje; —-bee = mannetjesbij; luilak; —-fly = bromvlieg;
—-pipe = baspijp; Dronish = lui; subst. —ness.
Drool, drûl, kwijlen; druipen.
Droop, drûp, neerhangen, versmachten, kwijnen, zinken, dalen, laten
hangen; —ing-willow = treurwilg.
Drop, drop, subst. droppel, kleine hoeveelheid, oorknopje, bonbon,
daling, valluik, valdeur, tooneelscherm of gordijn (ook het vallen
daarvan), drupsje; — verb, druppelen, druipen, vallen, ophouden met,
zich laten vallen, verliezen, (jongen) werpen, uitlaten, ter zijde
leggen, opgeven, enz.: Kendal Black — = laudanum; A library — = het
stel schermen, dat een bibliotheek voorstelt; It was a great —, a fall
from the stars to the mire = een diepe val; To get the — on = den
vinger tijdig (eerder dan een tegenstander) aan den trekker hebben
(Amer.); He likes a — = houdt van een borrel; —s = droppels, borreltje,
prisma’s aan een luchter; bonbons: He is fond of his —s = houdt van een
borrel; The bear fell down some ten feet of — = viel zoowat tien voet
naar beneden; To — anchor; To — a bill = een wetsontwerp terugnemen; —
me a line = schrijf me een lettertje; Let us — the official = het
officieele laten varen; He —ped me a post-card = zond mij eene
briefkaart; We shall — Sicily, and return by Marseilles = niet aandoen;
He —ped his voice to a whisper = liet dalen: I never —ped a word on the
subject = ik heb er nooit over gesproken; The conversation halted, then
—ped = stokte, en hield toen op; To — asleep = in slaap vallen; The
steamer —ped astern = zakte, bleef achter; We —ped past a steamer =
dreven langzaam langs; We —ped down the river = zakten de rivier af;
Where did you — from = waar ben je zoo ineens vandaan gekomen; I will —
in one of these days = wel eens aanloopen; He —ped into his place = nam
zijne plaats in; After dinner I —ped off (to sleep) = viel ik ongemerkt
in slaap; To — on = uitvaren tegen, afsnauwen; —-curtain (= —scene),
Zie Act-drop; —letter = brief, geadresseerd aan iemand in dezelfde wijk
(Amer.); —-shutter = schuif met veer voor phot. instant.; —stone =
druipsteen; The —ping of doors = zakken; A —ping fire = ongeregeld
aanhoudend geweervuur; Some —ping cases of typhoid = alleenstaande en
onverwachte; —ping-bottle (-tube) = druppel-fleschje; —pings =
excrementen, mest.
Dropsical, dropsik’l, waterzuchtig, gezwollen = Dropsied; Dropsy,
dropsi, waterzucht.
Dros(h)ky, droski, vierwielig rijtuig (Rusl.).
Dross, dros, droesem, slakken of schuim (van metalen), afval: — of iron
= hamerslag; Drossiness = onreinheid, vuil; —y = vol droesem of
slakken, waardeloos.
Drought, draut, droogte, dorheid; adj. —y; Drouth, drauth = Drought.
Drove, drouv, P. Imp. van to drive; subst. kudde (groot of klein vee);
drom, hoop, drijfpad (voor vee, etc.), buis of nauwe greppel voor
besproeiing; —r = veedrijver, veekooper.
Drown, draun, (doen) verdrinken (= To be —ed), onder water zetten,
uitdooven, onderdrukken, overschreeuwen, overstelpen, smoren: While
intending to — his dog, he himself was —ed = verdronk hij zelf; We were
in danger of —ing = gevaar te verdrinken.
Drowse, drauz, subst. dutje; — verb. dommelen, slaperig zijn;
Drowsiness = slaperigheid; A drowsy-headed fellow = slaapkop, sufkop.
Drub, drɐb, subst. slag, stoot; — verb. slaan, trommelen (met de
vingers op), ranselen: You have brought me many —bings = veel ransel
bezorgd.
Drudge, drɐdž, subst. werkezel, slaaf, duivelstoejager, groote hark; —
verb. slaven, zich afsloven, hard werken, zwoegen; —ry = zware arbeid,
verachtelijk werk.
Drug, drɐg, subst. drogerij, kruid, narcotisch middel, onverkoopbaar
artikel; — verb. vermengen met kruiden, bedwelmen, (te veel) medicijnen
voorschrijven of gebruiken: Such things are a — in the labour market =
zijn niets waard, en brengen dus niets op; —gist, drogist; apotheker
(Amer.).
Drugget, drɐgət, droget; morskleed, stofkleed (laken), tafelkleed.
Druid, drûid, druïde; vr. —ess; adj. Druidic(al); —ism = dienst of leer
der druïden.
Drum, drɐm, trom, trommelvlies, mat (vijgen), trommelvisch; zuilsteen,
groote avondpartij; — verb. trommelen, hard kloppen (van het hart),
bijeentrommelen, werven; — of the ear = trommelvlies; The soldier was
—med out = werd voor het front der troepen weggejaagd; A — and trumpet
spirit = oorlogzuchtige geest; —-head = trommelvel; top van een
kaapstander; soort v. kool: At a —-head = op staanden voet; —-major =
tamboermajoor; —-stick = trommelstok; boutje van een kip of eend; —mer
= trommelslager, handelsreiziger.
Drumble, drɐmb’l, luilakken, luilak.
Drunk, drɐŋk, dronken: Ever —, ever dry = hoe meer je drinkt, hoe
dorstiger je wordt; To be —; To get — = dronken worden; —ard =
dronkaard; —en = dronken, drankzuchtig, dronkemans - -; subst. —enness.
Drupacious, drupeišəs, adj. v. Drupe, drûp, steenvrucht.
Drury, drûri: — Lane.
Druse, drûs, een korst van kristallen in een grot; een grot waarin dat
voorkomt.
Druses, drûziz, volk en secte in Syrië.
Dry, drai, adj. droog, dor (ook fig.), droog, niet zoet, dorstig,
sarcastisch; — verb. drogen, (laten) verdrogen, verdorren, van dorst
versmachten: A — blow = een flinke opstopper; A — old file = droog
komiek; —-wine = belegen (niet zoet); Madera — = belegen, niet zoet
meer; The conversation dried up = hield op (door gebrek aan stof); He
had dried up their souls by his story = opgevroolijkt (Amer.); He dried
up again = verviel weer tot stilzwijgen; —-as-dust = droog, saai; droog
kamergeleerde; —-beaten = flink afgeranseld; He is a —-bob = jongen te
Eton, die niet aan roeien doet maar wel aan andere sport, tegenover
wet-bob; —-boned = knokig; —-dock = droogdok; —-eyed = met droge oogen;
—-foot = droogvoets; het wild opsporen door de ‘lucht’ van de pooten
(vergl. To draw —-foot); hond hierbij gebruikt; —-goods = manufacturen;
—-measure = maat voor droge waren; —-nurse = baker, min; inferieur die
een superieur officier terecht helpt; — verb. met de flesch
grootbrengen, voor dry-nurse spelen; —-point = punteerijzer; —-rot =
vermolmde toestand van hout; de zwam, die dit veroorzaakt: He talks a
lot of — = hij kletst heel wat af; —-rub = droogschuren; —salt = zouten
en drogen; —salter = koopman in drogerijen en verfwaren, soms in
comestibles; —-shod = droogvoets; —-stove = broeikas (—ing-stove =
droogoven); —ing-lines = drooglijnen; —ly = droog(jes) = Drily.
Dryad, draiad, dryade.
Dual, djûəl, uit twee bestaande; dualis: The — alliance = het
tweevoudig verbond; —ism = dualisme; —ist = dualist; adj. Dualistic;
Duality = tweevoudigheid.
Duan, djûən, zang (van een gedicht).
Dub, dɐb, subst. tik, trommelslag; — verb. tot ridder slaan, titel of
naam geven; zachtmaken, bereiden, beknippen, besnoeien, een kort en dof
geluid maken: — a — = rataplan; We —bed him Charlie = noemden; The cock
was —bed = de kam en de lellen afgesneden, d.i. voor ’t (hanen)gevecht
klaar gemaakt; To — cloth = appreteeren; —bing = mengsel van traan en
talk om leer zacht te maken.
Dubash, dûbaš, Indische tolk.
Dubiety, djubaiiti, onzekerheid; Dubious, djûbjəs, twijfelachtig,
onzeker, weifelend, dubbelzinnig; subst. —ness; Dubitable =
twijfelachtig, onzeker.
Dublin, dɐblin.
Ducal, djûk’l, hertogelijk, hertogs—.
Ducat, dɐkət, dukaat (gouden ± ƒ 5,70; zilveren ± ƒ 2,20); —oon,
dɐkətûn, dukaton (ongeveer ƒ 3,20).
Duchess, dɐtšəs, hertogin; Duchy, dɐtši, hertogdom.
Duck, dɐk, subst. eend, grof linnen, dun zeildoek, tentdoek, knik,
buiging; lieveling; — verb. duiken, onderduiken, (zich) bukken, buigen,
kruipen: A lame — = iemand, die niet aan zijn financieele
verplichtingen kan voldoen; —’s egg = 0 (Cricket); The boys were making
(playing) —s and drakes = keilden steentjes over het water; He makes —s
and drakes of his money = gooit zijn geld weg; —s = grof linnen
matrozenbroek of kleeding; A —-billed bird = vogel met eendenbek;
—-meat (—’s-meat, —-weed) = eendenkroos; —-pond = eendenvijver,
(schertsend) de Atlantische Oceaan (Amer.); —er = kruiper; zeeduiker,
waterspreeuw; —ing = onderdanig; eendenjacht, nat pak: —ing-gun =
eendenroer; —ing-stool = stoel ter onderdompeling als strafoefening;
—ling = jonge eend; —y = snoes.
Duct, dɐkt, leiding, buis; —ile, dɐkt(a)il, leidzaam, handelbaar,
toegevend, rekbaar; subst. Ductility.
Dudder, dɐdə, trillen, beven, verdooven, verwarren.
Dude, d(j)ûd, fat, “gigerle” (Amer.).
Dudeen, djudîn, Iersch neuswarmertje (pijp).
Dudgeon, dɐdž’n, korte dolk, dolkgevest; verontwaardiging, toorn: She
left in (high) — = ging (zéér) boos weg; She broiled my bacon into — =
verknoeide.
Duds, dɐdz, oude kleeren, vodden, spulletjes.
Due, djû, subst. schuld, plicht, recht, eisch, aanspraak, rechten en
leges (de laatste twee steeds —s); adj. en adv. schuldig, verschuldigd,
vervallen, behoorlijk, gepast, vlak: That is my — = dat komt mij toe;
Give every man his — = geef ieder het zijne; I had been — at my office
for an hour = had al een uur op het kantoor moeten zijn; The train is —
at 7 = moet aankomen; The debt (becomes, falls) — on the twentieth =
vervalt op; The post is — out = de post vertrekt; In — course = op zijn
tijd; He came in — time = juist op tijd; — east = vlak oost; —-bill =
promesse; —ness = gepastheid.
Duel, djû’l, subst. duel; — verb. duelleeren; —list = duellant.
Duen(n)a, djuenə, oudere dame, die eene jonge begeleidt (Spanje); —ship
= het ambt van D.
Duet, djuet, Duetto, djuetou, duet: To play —s = quatre-mains;
Duet(t)ino, djûətînou, kort duet.
Duff, dɐf, zakkoek.
Duffadar, dɐfadâ, politieagent, onderofficier (Br. Ind.).
Duffel, dɐf’l, duffel.
Duffer, dɐfə, marskramer, bedrieger, sufkop, brekebeen, domoor; valsch
geldstuk: He is but a flat — = een echte sufkous.
Duffle, dɐf’l = Duffel.
Dug, dɐg, P. Imp. v. To Dig: —-out = boomkano, uitgegraven woning
(Amer.).
Dug, dɐg, tepel of uier.
Duke, djûk, hertog; —dom = hertogdom.
Dulcamara, dɐlkəmârə, bitterzoet.
Dulcet, dɐlsit, zoet, liefelijk; Dulcification = zoetmaking;
Dulcifluous = zoetvloeiend; Dulcify, dɐlsifai, zoet maken.
Dulcimer, dɐlsimə, ouderwetsch snaarinstrument, met roedjes bespeeld.
Dulcine, dɐlsin, Dulcose, dɐlkous, gekristall. zoete zelfstand. uit de
Dulcit-manna van Madagascar.
Dull, dɐl, adj. dom, suf, bot, slaperig, loom, zeurig, vervelend, stil,
saai, dof, stomp, stroef, ongevoelig, bewolkt; — verb. dof (bot, stom,
traag, donker, blind) maken, versuffen, stil worden, afstompen, mat
worden, bewolken, verdooven: A — market = slappe; — of hearing =
hardhoorig; — of sale = traag (van de hand); —-brained = stomp, traag
(van hersens); —-browed = somber uitziend; —-disposed = somber gestemd;
—-eyed = zwak van gezicht, suf kijkend; —-sighted = slecht van gezicht;
—-tempered steel = dof staal; —-witted = dom, sufferig; —ard, dɐləd =
domkop, botterik; —ish = sufferig; Dul(l)ness = sufheid, enz., slapte
in zaken.
Dulse, dɐls, roodwier.
Dulwich, dɐlidž.
Duly, djûli, behoorlijk, regelrecht, stipt.
Dumb, dɐm, adj. stom, sprakeloos: It has struck me — = het heeft mij de
spraak benomen; —-bells = halters (bij de gymnastiek); —-cake, gebak,
door meisjes zwijgend gebakken (24 April), om haar toekomstigen man te
ontdekken; —-show = pantomime; —-waiter = dientafeltje, stommeknecht.
Dumbarton, dɐmbât’n.
Dumbledore, dɐmb’ldö, hommel, meikever.
Dumbfound, dɐmfound, den mond snoeren, verplet doen staan.
Dumfries, dɐmfrîz.
Dumdum, dɐmdɐm, stad met munitiefabriek bij Calcutta: — bullets.
Dummy, dɐmi, subst. stomme, iets nagemaakts (pop, leege kist of
flesch), patroon (bij exercitie), blinde (bij het kaartspel), figurant;
persijzer; adj. nagemaakt: Most of these doors are dummies = blinde
deuren; He is not a man, he is a — = pop; Double — = whist met twee
personen.
Dump, dɐmp, plof, smak, somberheid, slechtgeluimdheid (meest —s: I am
in the —s = somber gestemd); — verb. neergooien, ledigen, hydraulisch
persen, neerploffen (Amer.); —ing-cart = stortkar; —ing-ground =
vuilnisbelt (ook fig.); —ish = verdrietig; subst. —ishness; —(t)y =
kort en dik, verdrietig.
Dumpling, dɐmpliŋ, appelbol, knoedel.
Dun, dɐn, subst. lastige schuldeischer, dringende maanbrief, aardwerk;
adj. dofbruin, somber; — verb. onophoudelijk manen; visch inzouten op
een bijzondere manier zoodat ze een bruine kleur krijgt; —-fish =
bruine gezouten kabeljauw; —-fly = kunstvlieg om mede te hengelen.
Dunbar, dɐnbâ; Duncan, dɐŋk’n.
Dunce, dɐns, ezel, domkop.
Dundalk, dɐndôk; Dundas, dɐndas; Dundee, dɐndî.
Dunderhead(ed), dɐndəhed(id), Dunderpate, dɐndəpeit, subst. domkop;
adj. dom.
Dundonald, dɐndonəld; Dundreary, dɐndrîri, banjer; Dunedin, dɐned’n.
Dune, djûn, duin.
Dunfermline, dɐnf(ɐ̂m)lin.
Dung, dɐŋ, subst. mest, drek; — verb. bemesten; —-beetle = mestkever;
—hill, subst. mesthoop, vuil hok; adj. laag, gemeen.
Dungaree, dɐngərî, grove (blauwe) katoenen stof.
Dungarvan, dɐngâv’n; Dungeness, dɐnžənes.
Dungeon, dɐnž’n, subst. kerker; — verb. inkerkeren.
Dungy, dɐŋgi, drekkig, vuil.
Dunkeld, dɐnkeld; Dunkirk, dɐnkɐ̂k, Duinkerken.
Dunlop, dɐnləp, Dunlop; —-tyre = fietsband (naar den uitvinder
genoemd); vette kaas (Schotl.).
Dunmow, dɐnmou: — flitch = zijde spek vroeger te D. vereerd aan paren,
die bezwoeren een jaar en een dag na het huwelijk geen ruzie te hebben
gehad.
Dunnage, dɐnidž, stuwhout; bagage, kleeren; — verb. stuwen.
Dunnish, dɐniš, dof bruinachtig.
Dunnock, dɐnək, bastaard nachtegaal.
Dunsinane, dɐnsinən, dɐnsinein; Dunwich, dɐnidž.
Duodecimo, djûoudesimou, subst. een boek in duodecimo (formaat); adj.
duodecimo (twaalf bladen of 24 bladzijden in een vel).
Duologue, djûəlog, tooneelstukje met zang voor eene dame en een heer.
Dupable, djûpəb’l, lichtgeloovig; Dupe, djûp, subst. bedrogene, iemand
die gemakkelijk bedrogen wordt; — verb. bedriegen; —ry = bedriegerij.
Duplicate, djûplikit, subst. afschrift, duplicaat; adj. dubbel,
tweevoudig; — verb. (djûplikeit) verdubbelen, een afschrift maken;
subst. Duplication; Duplicature = vouw; Duplicity, djuplisiti, bedrog,
huichelarij.
Durability, djurəbiliti, duurzaamheid; Durable, djûrəb’l, duurzaam.
Dura mater, dûrəmeitə, buitenste harde hersenvlies.
Duramen, djureim’n, kernhout.
Durance, djûrəns, gevangenschap, ontbering = — vile.
Duration, djureiš’n, duur.
Durban, dɐ̂ban, dɐ̂b’n.
Durbar, dâbâ, audientie-zaal of receptie van een Brit. Ind. vorst;
gala-receptie van den Viceroy.
Duress, djures, djûrəs, subst. dwang, gevangenschap, vrijheidsbeneming:
To be under —.
Durga, dɐ̂gə, godin (der Hindoes), vrouw van Siva.
Durham, dɐr’m.
Durian, djûriən, durîən, doerian (vruchtenboom).
During, djûriŋ, gedurende.
Durst, dɐ̂st, imperf. van to dare.
Dusk, dɐsk, subst. schemering, duisterheid: At (In) the — of the
evening; —iness = donkere kleur; droefheid; —ish = ietwat donker; —y =
somber, donker, droevig.