een zeil, slappe tijd, slapte in handel, steenkoolgruis; adj. slap,
los, traag, soezerig, niet levendig, stil; ook verb. (= —en): He
performed on the — rope (wire) = het slappe koord (draad); Business is
— = de zaken gaan slapjes; The ship is — in stays = wendt moeielijk; —
season, time = komkommertijd; — water = doodtij; Slacken = slap worden,
verslappen, verminderen, vertragen, vieren: He —ed his pace =
verminderde; The train —ed speed, —ed up to the station = de vaart van
den trein verminderde, hij reed langzaam binnen; Slacker = luibak;
Slackness: — of business = slapte in zaken.
Slag, slag, metaalschuim, sintels; adj. —gy.
Slain, slein, part. perf. van to slay: To be — = sneuvelen.
Slake, sleik, lesschen, blusschen, onderdrukken, verminderen, afnemen.
Slam, slam, subst. bons, harde slag, aluinmeel, “slem” (in whist); —
verb. hard dichtslaan, slaan, “slem” maken.
Slam(mer)kin, slam(ə)kin = Slattern.
Slander, slandə, subst. smaad, laster(ing); — verb. (be)lasteren; —er;
—ous = lasterlijk; subst. —ousness.
Slang, slaŋ, subst. spraakgebruik van een bepaalden stand (van een
beroep, een bedrijf), dieventaal, omgangstaal; adj. slang..; — verb.
slang gebruiken, zich plat uitdrukken, scheiden: Commercial —,
Theatrical —; — expression; John swears at him and —s him = en raast
tegen hem; I was —ed = uitgescholden; —ey = —y; —ish = slang-achtig;
—y: Your friend is rather —y = uw vriend is vrij plat in zijne taal.
Slant, slant, subst. helling, neiging, gunstige gelegenheid (Austr.);
sarcastische opmerking; adj. hellend, schuin; — verb. hellen, schuin
zijn, eene schuine richting hebben (geven); —ing(ly), —ly, —wise.
Slap, slap, subst. klap, “schmink”; — verb. een klap geven; adv.
plotseling, pats, pardoes: He —ped me in the face, in my face = gaf mij
een klap in het gezicht; To — up = gulzig eten of drinken; —-bang =
pardoes, plotseling, met geweld: —-bang shop = gaarkeuken; —-dash =
zorgeloos, haastig, oppervlakkig, elegant, kranig, eensklaps: —-dash
hurry and flurry = overgroote haast en drukte; To pay — down = in
contanten; —-jack = soort pannekoek; —-up = uitstekend, piekfijn,
forsch: He had made some —-up acquaintances in Paris = heeft met fijne
lui kennis gemaakt; She is a —-up girl = een aardige flinke meid.
Slash, slaš, subst. snede, veeg, jaap, split; — verb. snijden, een
langen jeep geven, hakken, om zich heen slaan; —ing = scherp,
vernietigend, grof, kolossaal: A —ing article = vernietigend scherp.
Slat, slat, lat (van jalouzie); zalm die juist kuit heeft geschoten.
Slatch, slatš, het slappe eind v. een touw; voorbijgaande bries, tijdje
van mooi weer.
Slate, sleit, subst. lei; voorloopige lijst van candidaten (Am.); —
verb. met leien dekken; scherp hekelen, afranselen: He has a — (tile)
loose (off) = is niet recht snik; —-club = onderling
ondersteuningsfonds (het voordeelig saldo wordt jaarlijks onder de
leden verdeeld); —-pencil = griffel; —-quarry = leigroeve; —r =
leidekker; scherp criticus; Slating: He gave the government a sound — =
gaf er duchtig van langs; Slaty = leiachtig: He wore a —-grey
dressing-gown = een leigrauwe kamerjapon.
Slatter, slatə, slordig zijn, slonzig gekleed gaan; —n, subst. slons;
adj. slonzig, slordig = —nly.
Slaughter, slôtə, subst. slachting, bloedbad, slachten; — verb.
slachten, vermoorden; —(ing)-house = slachthuis, abattoir; —er: To be
led to the —er = naar de slachtbank.
Slav, slâv, slav, subst. een der Slaven; —ic = Slavisch(e taal).
Slave, sleiv, subst. slaaf, slavin, arme ploeteraar; — verb. slaven,
hard zwoegen: A — to drink = verslaafd aan; He is a — to his wild
passions = de slaaf zijner; —-coast = slavenkust; —-dealer =
slavenhandelaar; —-dealing; —-driver = slavendrijver; —-grown = door
slavenarbeid voortgebracht; —-holder = slavenhouder; —-owner; —-states
= staten waar de slavenhandel bestond (Amer.); —-trade = slavenhandel;
—r = slavenhandelaar; —ry = slavernij, afmattende en ploeterende
arbeid; —y = dienstmeisje.
Slaver, slavə, subst. speeksel, kwijl; — verb. kwijlen; —er = kwijler,
idioot.
Slavish, sleiviš = slaafsch; subst. —ness.
Slavonia, sləvouniə; —n = Slavonisch; Slavoniër = Slavonic.
Slaw, slô, koolsla (Amer.).
Slay, slei, dooden, vernietigen, vermoorden, te gronde richten; —er.
Sleave, slîv, subst. streng vlos- of vlokzijde (= —-silk); — verb. in
strengen verdeelen, opwinden.
Sleazy, slîzi, dun, licht.
Sled, sled, subst. slede; — verb. in een slede vervoeren.
Sledge, sledž, subst. slede; vóórhamer; — verb. in eene slede vervoeren
of reizen: —-chair = slede; —-coach = sleepkoetsje; —-hammer =
vóórhamer.
Sleek, slîk, zacht, glanzend, glad, sluw, slim, handig, vlug; — verb.
glad maken (kammen), kalmeeren, vergoelijken (over); sluipen: — hair =
glad, glanzend haar; —-headed = met glad gekamd haar; —-stone =
polijststeen; —ness = gladheid, etc.; —y = glad, zacht, sluw.
Sleep, slîp, subst. slaap, doodslaap; — verb. slapen, sluimeren,
soezen, staan (van tollen): To take a —; Beauty — = slaap vóór
middernacht; To — the — of the just; I am dying with — = val om v.
slaap; The mother lulled (sang) her child to — = suste (zong) haar kind
in slaap; To start from one’s — = wakker schrikken; To — the clock
round; I have slept like a top = geslapen als een roos; He has slept
himself sober = zijn roes uitgeslapen; He slept away the best part of
(the) day = versliep het mooiste deel v. den dag; He slept far into the
following day = een gat in den dag; I have got a headache, and must try
to — it off = moet er door slapen zien af te komen; To — on (upon) =
zich beslapen op; I never — out = ben ’s nachts nooit buitenshuis; I
will — over it = zal er mij eens op beslapen; —-drunk; —-headed;
—-walker = slaapwandelaar; —-walking; —er = slaper, dwarslegger
(spoor); slaapwagon (Amer.); —iness = slaperigheid; Sleeping: — Beauty
in the Wood = de Schoone Slaapster; —-car = —-carriage = slaapwagon;
—-cup = slaapdrank; —-dropsy (—-evil, —-sickness) = slaapziekte;
—-partner = stille vennoot; —-room = slaapkamer; Sleepless; subst.
—ness; Sleepy = slaperig: — drink (potion) = slaapdrank; —head =
slaapkop.
Sleet, slît, subst. natte sneeuw(bui) met hagel; — verb. sneeuwen (of
hagelen) met regen; adj. —y.
Sleeve, slîv, subst. mouw; — verb. van mouwen voorzien: He chuckled
(laughed) in his — = lachte in zijn vuistje; To creep up a person’s —s
= in de mouw (zak) kruipen, vleien; To have in one’s — = (iets) achter
de hand hebben; He had several cards up his — = in de mouw; To wear
one’s heart on one’s — = zijn hart op de tong hebben; —-button; —-link
= kettingknoopje; —less = zonder mouwen.
Sleigh, slei, slede (Am.); — verb. sledevaren; —-bells = sledebellen;
—ing-party = sledevaart.
Sleight, slait, kunstgreep, behendigheid, listige zet: — of hand =
handhabiliteit (bij het goochelen).
Slender, slendə, slank, dun, zwak, spichtig, gering, onvoldoende,
armzalig, bescheiden: He is a man of — parts = van geringe talenten;
subst. —ness.
Slept, slept, imperf. en part. perf. van to sleep.
Sleswick, sleswik, Sleeswijk.
Sleuth, slûth, spoor; —-hound = bloed- of speurhond.
Slew, imperf. van to slay; zie ook Slue.
Slice, slais, subst. sneetje, schijfje; vischlepel (= Fish-—), spatel,
vuurschop; — verb. in dunne sneden snijden: A — of bread and butter =
boterham; They had their ears —d = hun werden de ooren afgesneden; —r.
Slick, slik, gestampt en gewasschen erts.
Slick = Sleek (Amer.).
Slid, slid, imp. en part. perf. van to slide.
Slidder(y), slidəri = slippery.
Slide, slaid, subst. glijbaan, hellend vlak, schuif, aardverschuiving;
— verb. glijden, zacht overgaan, schuiven: He took a — down the street
= ging baantje glijden op straat; He slid back the door (slid the door
close) = open (dicht)schuiven; We slid down the slope = gleden de
helling af; We will let things — a little = een tijdje op hun beloop
laten; Sliding = glijdend, glij.., schuif.., onzeker; subst.
overtreding: —-case = stoomschuif; —-doors; —-knot = slipknoop; —-seat
= glijbank in een giek: I am used to fixed seats and not to —-seats (=
Sliders); —-scale = schaal die al naar de omstandigheden verandert; His
—s are many = overtredingen.
Slight, slait, subst. minachting, verwaarloozing, geringschatting; adj.
gering, onbeteekenend, zwak, dun, tenger, oppervlakkig, vluchtig; —
verb. versmaden, verwaarloozen, verachten: To make — of =
geringschatten; My letters and advice were —ed (off) = werden versmaad,
verachtelijk ter zijde gelegd; You have —ed over your work =
afgeroffeld; —-built = tenger gebouwd; —er; Slightness = zwakheid,
onbeduidendheid, geringschatting, minachting, vluchtigheid,
oppervlakkigheid.
Sligo, slaigou.
Slily, slaili, op listige wijze.
Slim, slim, dun, slank, schraal; subst. —ness.
Slime, slaim, slijk, slik, slijm; — verb. met slijm bedekken, het slijm
verwijderen; Sliminess, subst. v. Slimy = slibbig, slijkachtig,
kleverig.
Sling, sliŋ, subst, slinger, zwaai, slag, draagband, riem, strop; soort
van grog (met geraspte muskaat); — verb. slingeren, werpen, zwaaien,
met lange, veerkrachtige stappen loopen: He had his arm in a — = in een
doek; He slung his hook = hij schuurde zijne piek (fig.); —er.
Slink, sliŋk, (weg)sluipen, ontijdig werpen; subst. te vroeg geworpen
dier; adj. onrijp, lang en dun, waardeloos.
Slip, slip, subst. ontglipping, vergissing, abuis; takje, loot, stekje,
reepje, koppel of ketting voor honden, jong ding, saut-de-lit,
(scheeps)helling, rij plaatsen in een kerk (Amer.), nauwe gang achter
de loges; — verb. glippen, uitglijden, wegsluipen, struikelen (fig.),
zondigen, zich verpraten, laten glijden, loslaten, ontijdig werpen,
schuiven, heimelijk stoppen in, snel aanschieten, afsnijden (van takken
of loten): I saw some rosy little —s in the nursery = blozende
snoesjes; A — of a fellow = dreumes; A — of a girl = kleine peuter; A —
of the memory, the pen, the tongue = vergissing, verschrijving, etc.;
He gave me the — = hij ontglipte mij, liet mij zitten; To get the — =
een korf krijgen; My health often makes a — = laat mij vaak in den
steek; To make a — = een “misstap” doen; My foot —ped and I fell = ik
gleed uit; The cable was —ped = men liet slippen; To — the collar = de
halster strijken, vrij komen: To let — the dogs = loslaten; It has —ped
my memory = is mij ontgaan; To — one’s foot = uitglijden; To — away =
heimelijk weggaan; You must not allow the opportunity to — (by) = niet
laten voorbijgaan; My socks will — down = zakken altijd af; Many errors
—ped into the first edition = slopen in; I —ped off my mantle = legde
af; I —ped on my trousers and —pers = ik schoot aan; To — out = zich
handig ergens afmaken; laten vallen; —-bolt = grendel; —-carriage =
slipwagon; —-cover = stofkleed; —-knot = schuifknoop; —-rope =-
sliplijn (op een kabel); —shod = met afgetrapte hakken, slordig: It is
written in —shod English = in slordig E.; He went —shod all over the
house = slofte het geheele huis door; —-train = sliptrein; Slipper =
pantoffel, remschoen; morsschort (Amer.): They played at hunt the — =
speelden “slofje onder”; —iness, subst. v. —y = glibberig, glad,
onvast, onzeker, sluw, listig: It’s a —y ground to walk upon = dat is
wagen op glad ijs; He is the slipperiest rascal I ever heard of = de
gladste schurk; Slipping of the soil = grondverschuiving.
Slipslop, slipslop, subst. slappe drank, prullerig werk, slordig
gebruik van een woord voor een ander, als: prodigy voor protégé, etc.;
adj. armzalig, prullerig.
Slish, sliš, slag, houw: — and slash = klits klats.
Slit, slit, subst. split, reet, lange snede, sponning; — verb. in de
lengte snijden, in lange reepen snijden, verdeelen, splijten, klooven:
His mouth was of a reptilian width of — = hij had een mond als een
brievenbus; I shot the letter into the — = gleuf; His eyes were like
two shining —s = glinsterende streepen; —ter; —ting-mill = machine om
hout, metaal of steenen te splijten; —like = als een spleet: —like
eyes.
Sliver, sl(a)ivə, subst. afgesneden of afgescheurd stuk, sneetje, tak;
— verb. in lange, dunne stukken verdeelen, splijten, spouwen.
Sloam, sloum, leemlaag tusschen zand- en kolenlagen.
Slobber, slobə, kwijlen, kindsch zijn, bekwijlen; subst. kwijl: They
will — their gowns without the pinafores = ze bemorsen hare jurken;
—er; —y = modderig, vochtig, kwijlend.
Sloe, slou, sleepruim, sleeboom; —-black = blauwzwart.
Slog, slog, ranselen; subst. kloppartij; —ger = bokser, die er op los
beukt.
Slogan, sloug’n, oorlogskreet der Hooglanders.
Slojd, slôid, slojd.
Sloop, slûp, sloep: — of war = corvet.
Slop, slop, subst. gestort water, poel, kleermaker (—s = spoelwater,
slappe thee, slap soepje voor patienten); goedkoope confectiekleeren;
wijde broek, kleeren en beddegoed tegen kostenden prijs aan
marinematrozen verstrekt; — verb. morsen, storten: Woodcuts loosely
—ped over with watercolours = slordig met waterverf besmeerd; —-basin,
—-bowl = spoelkom; —-made = saamgeflanst; —-pail = toilet-emmer;
—-seller = houder van een —-shop = winkel voor —s; —-work = prullewerk;
goedkoope schoenen (kleeren, meubelen); —piness, subst. v. —py = nat,
modderig, morsig, slordig: —py, slithery turf = drassige, glibberige
zoden.
Slope, sloup, subst. helling of schuinte; — verb. hellen, schuin
afloopen, bedriegen en zich uit de voeten maken, doen hellen, schuin
houden: — arms! = over geweer!
Slosh, sloš, natte sneeuw en modder.
Slot, slot, subst. gleuf, sponning, spoor (van een hert); —-machine =
automaat; —-meter = muntmeter.
Sloth, slouth, traagheid, luiheid, onverschilligheid; luiaard of ai;
—ful = lui, traag; subst. —fulness.
Slouch, slautš, subst. het laten hangen van het hoofd, slappe en
boersche gang, lompe en logge vent, sukkel; — verb. slungelig loopen
(zitten), slap neerhangen, laten hangen, neerdrukken (van den hoed): No
— at a party canvass = hij weet zijn mondje te roeren (bij); —-hat =
hoed met breeden, slappen rand.
Slough, slau, poel, moeras; —y = moerassig.
Slough, slɐf, subst. afgeworpen slangevel, korst of roof (van eene
wond); — verb. scheiden, afwerpen, afvallen (als een roof, korst of
huid); —y = korstig.
Slovak, sləvak, Slavisch bewoner v. Noord-Hongarije = Slovakian.
Sloven, slɐv’n, vuilpoes, morsebel; —liness = slordigheid.
Slow, slou, adj. langzaam, bedachtzaam, traag, achterlijk, saai,
vervelend, levenloos; — verb. de snelheid verminderen: Safely and —,
they stumble who run fast = hardloopers zijn doodloopers; — and sure
(steady) wins the race = langzaam maar zeker; — coach = langzaam,
vervelend persoon; A — dinner, person, town = saai; — fever =
binnenkoorts; A — train = boemeltrein; My watch is — = is achter;
Writing a dictionary is — work = schiet niet op; The ship was —ed down
= de vaart werd verminderd; The ascent —ed up the vehicle = deed
langzamer gaan; —-gaited = zich langzaam bewegend; —-match = lont;
—-paced = met langzamen schred; —-witted = traag van begrip; —-worm =
hazelworm; —ness = langzaamheid, etc.
Slub, slɐb, subst. grof gesponnen wol; — verb. voor- of grofspinnen.
Slubber, slɐbə, bezoedelen, bemorsen.
Sludge, slɐdž, modder, modderige sneeuw, ijsmassa; adj. Sludgy.
Slue, slû, omdraaien (om eene spil).
Slug, slɐg, luipaard; (naakte) slak (= —-snail); onregelmatig gevormd
stuk metaal als kogel; —-a-bed = langslaper; —gard = luilak; —gish =
lui, traag; subst. —gishness.
Sluice, slûs, subst. sluis, sluiswater (inspuit)kraan; — verb. eene
sluis openen, laten uitstroomen, bevloeien, spoelen: It is sluicing
down = het valt met emmers uit de lucht; —-chamber = kolk; —-door,
—-gate = sluisdeur; —-keeper = sluiswachter.
Sluit, slût = Sluice. (Z. Afr.).
Slum, slɐm, subst. slop, achterbuurt, vuil straatje, — verb. de
achterbuurten bezoeken: —-born child; The —s of the low London press =
de (vuile) kolommen der Londensche vuile kranten; To go —ming = de
achterbuurten bezoeken.
Slumber, slɐmbə, subst. sluimering; — verb. sluimeren; —er; —ous =
slaapwekkend, slaperig.
Slump, slɐmp, plotseling dalen van prijzen; — verb. zakken door ijs, in
sneeuw, plotseling dalen in prijs: Then the — came = toen kwam de
“krach”; A — in the sale of Christmas cards = plotselinge vermindering.
Slung, slɐŋ, imperf. en part. perf. van to sling; —-shot = soort
ploertendooder (Amer.).
Slunk, slɐŋk, imperf. en p. perf. van to slink.
Slur, slɐ̂, subst. vlek, smet, schandvlek, verwijt, verbindingsteeken
(muz.); — verb. bevlekken, besmetten, bezoedelen, losjes overheen
loopen, bemantelen, onzuiver uitspreken, slepen (muz.): He cast a — on
me = heeft een smet geworpen; She —s her th’s; He —red it over = liep
er losjes overheen.
Slush, slɐš, subst. natte half gesmolten sneeuw, weeke modder; smeer; —
verb. boenen, smeren; —-lamp = soort vetlamp; —y = slijkerig, modderig,
nat.
Slut, slɐt, slons, slet, morsebel; —tery = vuilheid, slordigheid; —tish
= slordig, morsig, vuil; subst. —tishness.
Sluys, slôis, Sluis.
Sly, slai, sluw, loos: He did it on (by) the — = in ’t geniep; —-boots
= slimmerd, looze kwant; subst. —ness.
Smack, smak, subst. smaak(je), geur, oppervlakkige ondervinding of
kennis, harde slag, klap, klapzoen; smak (schip); — verb. een smaak of
geurtje hebben van (met of), een harden klap geven, barsten of kraken,
laten knallen, smakken; interj. klets; klap!: To — one’s lips; To — a
whip = doen knallen; What you say there —s of heresy = riekt naar
ketterij.
Small, smôl, subst. het dunne of smalle deel van iets; adj. klein,
gering, zwak, fijn, licht, onbeduidend, kleingeestig: — of the back =
kruis, lendenstreek; —s eerste examen voor het Bachelorship te Oxf.;
(ook = —-clothes); I never felt so — in my life = zoo klein
(onbeteekenend, zoo deemoedig); — beer = licht bier: He thinks no —
beer of himself = heeft een grooten dunk van; Do you think I will
chronicle all the — beer you talk? = uw gewauwel; — card = lage; I was
invited to a — and early dinner; how I hate those —s and earlies =
familiare en vroege diners; — fry = kleingoed (kinderen); The house sat
into the — hours = tot na middernacht; — master = klein baasje; — nuts
= hazelnoten; He is a — partner = heeft een aandeeltje in de zaak; He
is an autocrat in a — way = een klein autocraatje; — wonder! = geen
wonder; — wares = galanterieën, garen en band; They broke their — wits
upon him = haalden hunne flauwiteiten tegen hem uit; —-arms = draagbare
wapenen; —-clothes = korte broek; —-coal = kolengruis; —-craft = kleine
vaartuigen; —-hand = loopend schrift; —pox = kinderpokken; —-talk =
gesnap, gepraat; They are literary —-talkers = letterkundige
wauwelaars; —ish = vrij klein, peuterig, popperig; subst. —ness.
Smalt, smôlt, smalt, kobaltglas.
Smaragdine, sməragdin, als smaragd.
Smart, smât, subst. vinnige pijn, groote smart; adj. pijnlijk, vinnig,
doordringend; krachtig, vlug, levendig, geestig, knap, sluw,
bij-de-hand, elegant, fijn, kranig; — verb. scherpe pijn voelen, pijn
doen, boeten, smart veroorzaken, lijden: You shall feel the — of it =
het zal je bitter berouwen; He laved his — in thoughts of his greatness
= verzachtte zijne smart; The characters are clever without being — =
knap geteekend zonder “mooidoenerij”; There is a danger in being — = in
het “aardig” willen wezen; That kind of society which is known as — =
als de groote wereld; He is as — as threepence (sixpence) = zoo keurig
alsof hij uit een doosje kwam; As — as a steel trap = zoo glad als een
aal; He is —er than anything = iedereen te glad af; Isn’t he a — little
boy? = een bij-de-hand jongetje; My eyes — a little; You’ll — for it =
er voor “hebben” of boeten; He is still —ing under his loss = lijdt nog
onder; —-looking = chic; —-money = rouwgeld, smartegeld, handgeld;
—-ticket = bewijsstuk van ontvangen wonden, waardoor de drager
aanspraak op —-money = smartegeld, heeft; Smarten = opschikken, mooi
maken: I am going to — myself up = mij opknappen; Smartness: His — mars
several passages = poging om aardig (geestig) te zijn.
Smash, smaš, subst. bankroet, smeet, botsing, vernieling, ontreddering;
— verb. verpletteren, vernielen, stukslaan, verbrijzelen, platdrukken,
breken, bankroet gaan, valsche munt in omloop brengen; adj. kapot,
verloren: Gone to — = op de flesch; The windows were —ed = werden
ingegooid; —-up = vermorzeling, verbrijzeling; —er = meisje, dat veel
breekt, grof antwoord, scherp artikel, iets buitengewoons, valsch geld,
iemand, die dit uitgeeft: —ers out (of doors) = uitsmijters; The real
purpose goes — = gaat verloren; —ing critique = vernietigende.
Smatter, smatə, subst. geringe en oppervlakkige kennis; — verb. geringe
kennis hebben van, oppervlakkig spreken: He —s words in several
languages = kakelt zoo’n beetje in allerlei talen; He has a —ing of
Spanish = weet een beetje van het Spaansch; A —ing musketry was going
on yet = hier en daar hoorde men nog een enkel geweerschot; —er =
halfweter, oppervlakkig kenner.
Smear, smîə, subst. vlek, smet; — verb. besmeren, insmeren, bezoedelen.
Smell, smel, subst. reuk, geur; — verb. ruiken, rieken, speuren: You
retain the — = je ruikt er nog naar; He never smelt powder as yet = is
nog nooit in ’t vuur geweest; He smelt it out = heeft het uitgevorscht;
The wine —s of the cork = ruikt naar den kurk; —er = baardhaar (v. een
kat), (slag op den) neus; Smelling: —-bottle = reukfleschje; —-salts;
—-water; Smelly children = viesruikende.
Smelt, smelt, imperf. en part. perf. van to smell.
Smelt, smelt, subst. spiering: He is as dead as a — = zoo dood als een
pier.
Smelt, smelt, smelten; —er; —ery = smelterij; Smelting: —-furnace =
smeltoven; —-pot; —-works.
Smerk(y), smɐ̂k(i), keurig, netjes, fijn, kranig.
Smew, smjû, nonnetje (vogel).
Smiddy, smidi, Zie Smithy.
Smiffle, smif’l, verk. van Smithfield.
Smile, smail, subst. glimlach, vriendelijk gezicht, gunst, “hapje” of
slokje (Amer.); — verb. glimlachen, vriendelijk kijken, een “hapje”
nemen: She was all —s (and graces) = poeslief; He gave me a — = hij
glimlachte tegen mij; We —d our thanks = drukten uit door een glimlach;
He —d at me = glimlachte tegen mij; I have —d away his cares = door een
vriendelijken blik zijne zorgen verdreven; We —d him into good humour =
door onze vriendelijke blikken brachten we hem weer in zijn humeur;
Fate —s upon us = is ons gunstig of genegen; The idea does not — upon
me = lacht me niet toe; —r.
Smirch, smɐ̂tš, bekladden, bevuilen, besmeren; subst. klad.
Smirk, smɐ̂k, subst. gemaakte glimlach; adj. fijn, keurig; — verb.
gemaakt glimlachen, meesmuilen.
Smite, smait, slaan, treffen (on), dooden, vernietigen, overkomen; —r.
Smith, smith, smid: —’s coal = smeekolen; —work; —y, smithi, smederij.
Smithereens, smidhərînz: The powder blew the house to — = vernietigde
het huis geheel; To knock to — = tot gruis slaan.
Smitten, smit’n, p.p. v. to smite: Arctic-— = verzot op
Noordpoolreizen; — with astonishment = verbluft; — with her, with love
= verliefd.
Smock, smok, (vrouwen)hemd, (boeren)kiel = —-frock; —-mill =
Hollandsche windmolen waarbij slechts het bovenstuk draaibaar is.
Smoke, smouk, subst. rook, damp, uitwaseming, iets onbeduidends; —
verb. rooken, uitkloppen, afkloppen, uitrooken: There is no — without a
fire = men noemt geen koe bont of er is een vlekje aan; Will you have a
—? = eens opsteken; I’ll make your back — for it = je een pak ransel
geven; Put that in your pipe and — it = steek dat in je zak (fig.); To
— off = in een stofwolk wegrennen; —-black = lampzwart; —-consumer =
rookverdrijver (werktuig); —-dried = gerookt (van vleesch b.v.); —-jack
= toestel om een braadspit door den rook in den schoorsteen te doen
draaien; —-room = rookkamer; —-stack = pijp; —d spectacles = bril met
zeer donkere glazen; —r = rooker, rookcoupé: A great (heavy) —r;
Smokiness = rookerigheid; Smoking: No — allowed = hier mag niet gerookt
worden; —-cap = kalotje, mutsje; —-carriage; —-compartment; —-room =
rookkamer.
Smollett, smolət.
Smolt, smoult, jonge zalm in ’t 2de jaar.
Smooth, smûdh, subst. grasvlakte (Amer.); adj. glad, vlak, zacht,
glanzig, effen, aangenaam, vriendelijk, vleiend; — verb. glad maken of
worden, glad strijken, bemantelen, kalmeeren, uit den weg ruimen,
gemakkelijk maken: To give a — to one’s hair = zijn haar glad strijken;
That song —ed his forehead = streek zijne rimpels weg; He —ed the path
for me = effende; The report was —ed down a little = werd verzacht; I
shall try to — him down = te kalmeeren; A —-bore gun = gladloop (kanon
of geweer); —-chinned = baardeloos; —-faced = met glad, baardeloos,
vriendelijk gelaat; —-shaven = glad geschoren; —-speeched, —-spoken;
—-tongued = vleierig; —ing: —ing-iron = strijkijzer; —ing-plane =
gladschaaf; subst. —ness.
Smote, smout, imperf. van to smite.