Gravel, grav’l, subst. kiezel; graveel; — verb. met kiezel(zand)

bestrooien, op het zand laten loopen (van een bootje), verlegen maken:

The editor was —led for matter = de redacteur was verlegen om copie;

—-pit = kiezelkuil; —-walk = kiezelpad, grintpad.

Gravelin(e), gravəlîn, Grevelingen; Gravesend, greivzend.

Gravid, gravid, zwanger.

Gravitate, graviteit, (aan)getrokken worden, neigen: He is gravitating

towards conservatism = helt over, voelt zich aangetrokken tot;

Gravitation = zwaartekracht; Gravity, graviti, zwaarte, gewicht,

belang, ernst, deftigheid, diepte (van toon), zwaarte- of

aantrekkingskracht: Specific — = soortelijk gewicht; Centre of — =

zwaartepunt.

Gravy, greivi, jus, vleeschnat; sap (Amer.).

Gray, grei, subst. grijze kleur, grijsaard, schimmel; soort v. bont,

das; adj. grijs, aschkleurig, grauw, duister; —beard = grijsaard;

steenen kruik (Schotl.); —-fly = paardenvlieg; —-friar = Franciskaner

monnik; —-mare = schimmel; bazin, driedekker (eene vrouw, die de broek

aan heeft).

Grayling, greiliŋ, vlagzalm.

Graze, greiz, subst. schaafje of schram(metje); — verb. schaven,

strijken langs, even aanraken; grazen, (af)weiden, hoeden, zich voeden

met; —r = grazend dier; Grazier, greižə, vetweider.

Grease, grîs, subst. vet, smeer, kanen; — verb. grîz, grîs, (be)smeren,

olieën, omkoopen: In the — = ongezuiverd; We shall let him stew in his

own — = in zijn eigen vet laten gaarkoken: —-box; —-man (= —r, grîzə) =

smeerder; smeerlap; scheldn. v. een Mexicaan (Amer.); —-pot = vetpot;

smeerpoes; Greasiness, subst. v. Greasy = vettig, besmeerd, vuil,

mistig, modderig, zalvend.

Great, greit, groot, bekend, befaamd, berucht, gewichtig, voornaamste,

dik, gezwollen, enz.: We bought them by the — = wij kochten ze in de

massa; A — deal = zeer veel; A — many = vele; A — while = sedert lang;

—-coat = overjas; —-go of —s = examen voor de B.A. graad; —-grand-aunt

= overoudtante; —-grandfather = overgrootvader; —-grandson =

achterkleinzoon; —-hearted = dapper, grootmoedig; He rides the — horse

= hij zit op zijn paardje (fig.); — seal = grootzegel; — Spirit = naam

van het Opperwezen bij de Indianen; —ness = grootheid, enz.

Greaves, grîvz, scheen- of beenplaten (wapenrusting); (reuzel)kanen.

Grecian, grîš’n, subst. Griek, Hellenist; jongen der hoogste klasse in

Christ’s Hospital (Londen); adj. Grieksch; —ize, grîšənaiz,

vergriekschen; Grecism, grîsizm, Grieksch idioom; Grecize, grîsaiz, in

het Grieksch vertalen, vergriekschen.

Gre(e)be, grîb, fuut.

Greece, grîs, Griekenland.

Greed, grîd, hebzucht, begeerigheid = —iness; adj. —y = begeerig,

schrokkig: —y of honour = eerzuchtig; —y-gut = schrokker, slokop.

Greek, grîk, subst. Griek, Grieksche taal, bedrieger; adj. Grieksch; —

met — = twee Joden weten wat een bril kost; — Church = de Grieksche

kerk; — cross = kruis met vier gelijke armen; — fire = Grieksch vuur; —

orders = de Dorische, Ionische en Korintische bouwstijl.

Green, grîn, groen, bloeiend, frisch, nieuw, versch, onrijp, jong,

onervaren, sullig, onnoozel; —s = groenten; — verb. groen maken of

worden: Do you see any — in my eye = zie ik er zoo onnoozel uit? On the

— side of fifty = onder de 50 jaar; —back = Amer. bankbiljet; — cloth =

speeltafel: Board of — cloth = een soort van Hof-Rechtbank onder den

Hofmaarschalk; biljart; —-coloured = bleek, ziekelijk; —-crop =

groenteoogst; —-eyed = groenoogig; ijverzuchtig, jaloersch,

achterdochtig: The —-eyed monster = de jaloerschheid; —hand =

nieuweling; —-finch = groenling, vlasvink; —-fly = groene vlieg;

bladluis; —foil; zie Foil: — foil smalls = groenkleurige korte broek;

—gage = reine claude, groene pruim; —grocer = handelaar in groenten;

—horn = nieuweling, sul; —house = oranjerie, broeikas; —land(er) =

Groenland(er); —-room = kamer voor de niet optredende acteurs;

—sickness = bleekzucht; —-stall = groentenstalletje; —-sward =

grasveld; —wood = woud in den zomer; —ery, grînəri, massa groene

planten, plaats waar ze gekweekt worden; —hood = onrijpheid,

onervarenheid; —ish = groenachtig; groen (fig.); —ness = groenheid,

jeugd, onervarenheid; —y = —ish.

Greenwich, grînidž.

Greet, grît, begroeten, toespreken, gelukwenschen; schreien, weeklagen

(Schotl.); —ing = groet.

Gregarious, grigêriəs, in kudden of troepen levend, gezellig; subst.

—ness.

Gregorian, grigôrian, subst. en adj. Gregoriaansch (lied of muziek);

Gregory, gregəri, Gregorius.

Grein, grîn.

Gremial, grîmiəl, subst. gremiale, langwerpige zijden (of linnen) doek

(die de Liturgische kleur van den dag moet hebben), die den bisschop,

als hij bij den pontificalen dienst op zijn troon heeft plaats genomen,

op den schoot wordt gelegd om het misgewaad te sparen; ook adj.

Gremio, grîmiou, gremiou.

Grenada, grəneidə.

Grenade, grəneid, granaat; Grenadier, grenədîə, grenadier.

Grenadine, grenədîn, grenədin, grenadine.

Gresham, grešəm; Greville, grevil.

Grew, grû, imperf. van To grow.

Grewel, grûəl, straffen, verslaan.

Grewsome, grûs’m, ijselijk, leelijk.

Grey, grei, grijs (Zie Gray), rijp; subst. grauw, schemering, schimmel;

— verb. grijs maken of worden; The — mare = vrouw, die de broek aan

heeft; The —s = Schotsch cavalerieregiment (omdat de paarden alle

schimmels zijn = Scots —s); —-bird = lijster; —-hound = hazewind;

snelvarende stoomboot (= Ocean —-hound); —ish = grijsachtig; —ness =

grijsheid.

Grice, grais, speenvarken, jonge das.

Griddle, grid’l, pannekoekspan, rooster, zeef; —-cake = soort pannekoek

(Amer.).

Gride, graid, doorboren, knarsend snijden, knarsen, krassen.

Gridiron, gridaiən, rooster; vlag der U. S.; —-pendulum =

compensatieslinger.

Grief, grîf, smart, droefheid, hartzeer, fout, beleediging: The bridge

has come to — = is zeer bouwvallig; He came to — = het liep verkeerd

voor hem af, hij brandde de vingers, kreeg een ongeluk, het liep slecht

met hem af; He came to — over this obstacle = deze hinderpaal brak hem

den nek; Grievance, grîv’ns, grief, bezwaar; leed, kommer: —-monger =

eeuwige mopperaar, brompot; Grieve, grîv, bedroeven, smarten, krenken,

(be)treuren: To be —d at = betreuren, treuren over; Grievous, grîvəs,

smartelijk, moeilijk te dragen, betreurenswaardig, hatelijk,

wreedaardig; subst. —ness.

Griffe, grif, kind van een neger en eene mulattin.

Griffin, grifin, griffoen; witkoppige gier; baar (iemand, die pas in

Indië is gekomen).

Griffith, grifith.

Griffon, grifən, affenpinscher.

Grig, grig, krekeitje; smelt: As merry as a — = zoo vroolijk als een

vogeltje, erg gezellig.

Grill, gril, subst. rooster, op een rooster gebraden vleesch; — verb.

roosteren, braden (ook fig.); —-room = soort “lunchroom”, restaurant.

Grillage, grilidž, roosterwerk (als fundeering).

Grille, gril, traliewerk.

Grilse, grils, jonge zalm (tweede jaar).

Grim, grim, grimmig, streng, leelijk, wreed, onverbiddelijk; subst.

—ness.

Grimace, grimeis, grijns; — verb. grijnzen.

Grimalkin, grimalkin, grimôlkin, oude kat.

Grime, graim, subst. vuil, roet; — verb. bevuilen; Grimy = vuil.

Grimm’s law, grimzlô, Grimm’s wet der klankverschuiving.

Grin, grin, subst. grijns, gedwongen lach, grimlach, val; — verb.

grijnzen, de tanden laten zien, grinniken, lachen: To — and bear it =

zich goed houden.

Grind, graind, subst. het malen, blokken, ploeteren; — verb. malen,

slijpen, afslijten, knarsen, kneuzen, onderdrukken, uitmergelen,

drillen (voor een examen), blokken: It is a frightful — = een

verschrikkelijke toer; A man cannot be always on the — = kan niet

altijd ingespannen wezen; He ground the faces of the poor = onderdrukte

de armen (Jesaja III, 15); Do not — your teeth = knars niet met de

tanden; The employer ground us down = buitte ons uit; Two numbers have

been ground off the wheel = twee nummers (van het tijdschrift) zijn

afgewerkt; —stone, graindstoun of grin(d)stən, slijpsteen: He has kept

his nose to the —stone = heeft zich afgebeuld; I have been tied to the

—stone during the last weeks = door veel werk erg gebonden geweest; —er

= onderdrukker, maler, maaltand, kies, repetitor, blokker: He took a

—er = bracht zijn linkerduim aan zijn neus, en deed met zijne

rechterhand, alsof hij een koffiemolen draaide (als om te zeggen: ik

maal er wat om); —ery = slijperij; schoenmakersmateriaal, magazijn

daarvan; —ing = nijpend: — poverty.

Grip, grip, subst. greep, houvast, greb, greppel, voor, griep, naam

voor influenza in Amerika; — verb. grijpen, goed vasthouden,

droogleggen, greppels graven: He had a feeble — of my idea = begreep

mij maar half; Take a good — on that = onthoud dat goed; —-sack = reis

of knapzak (Amer.) —per = gierigaard; —ple, grip’l, subst. greep,

houvast; adj. grijpend, inhalig.

Gripe, graip, subst. greep, houvast, deel waar iets gegrepen wordt,

knauw, klauw, druk, smart, verachtelijke vrek; — verb. grijpen, goed

vasthouden met gesloten vingers, knijpen, onderdrukken, koliek

veroorzaken, erge buikpijnen hebben, afpersen, te kort bij den wind

liggen; —s = koliek, snijdingen in den onderbuik; bootstouwen; He felt

griping pains in the belly = ondragelijke buikpijn; —r, graipə,

afperser, onderdrukker.

Griqualand, grîkwəland, in Zuid-Afrika.

Griselda, griseldə, Grissel, gris’l, Griselda.

Griseous, grisiəs, grauw, grijsachtig.

Grisette, grizet, grisette.

Grisliness, grizlinəs, gruwelijkheid; Grisly, grizli, akelig,

vreeselijk, afschuwelijk; Zie Grizzly.

Grison grais’n, kleine veelvraat (soort marter).

Grisons (The), dhəgriz’nz, (bewoners van) Grauwbunderland.

Grist, grist, maalkoren, gemaald koren, voorraad: Such things bring —

to his mill = zulke zaken brengen hem voordeel aan; That’s — to his

mill = koren op zijn molen; —-mill = korenmolen.

Gristle, gris’l, kraakbeen: In the — = jong en weerloos; Gristly =

kraakbeenachtig.

Grit, grit, subst. grof gemalen gort (gewoonlijk meervoud), grof deel

van meel, gruis, ruwe deeltjes; vastberadenheid, moed; — verb. knarsen,

krassen, wrijven: They had not — enough to do it = geen flink heid; Her

father is full of — and go = is een kranige, vooruitstrevende kerel =

There is — in him; All Americans of the true — = van de echte

(energieke) soort; I —ted my teeth; —-stone = grof soort v. zandsteen;

—tiness, subst. van —ty = gruis bevattend, korrelig, hard; flink,

kranig (Amer.): A —ty novel = pittige roman.

Grizzle, griz’l, grauwe kleur; — verb. grijs worden (maken); —d =

grijs, grauw, geschimmeld.

Grizzly, grizli, grijsachtig; subst. (grijze) beer: I will send you a

skin, if I have any luck with the grizzlies = als ik succes heb op

mijne berenjacht; —-bear = N. Amer. beer.

Groan, groun, subst. gekreun, gebrom (afkeuring of spot te kennen

gevend); — verb. kreunen, diep zuchten, smart lijden, onderdrukt

worden, brommen (om afkeuring uit te drukken).

Groat, grout, groot (munt van vier stuivers), kleinigheid: Not worth a

—.

Groats, grouts, grutten.

Grocer, grousə, winkelier in koloniale waren, kruidenier; —ies =

kruidenierswaren; —y = kruidenierswinkel; drankwinkel (Amer.).

Grog, grog, grog; —-blossom = roode neus of gezicht; —-fight = zuipen;

—-shop = kroeg = —gery (Amer.); —giness, subst. v. —gy = dronken;

wankelend, stijf, afgejakkerd (van paarden).

Grogram, grogr’m, subst. half zijden stof, adj. van deze gemaakt.

Groin, grôin, lies, (graatrib aan een) kruisgewelf; —ed.

Gromet, gromət, grɐmət, strop: — of an oar = krans (van touwwerk).

Groom, grûm, subst. stalknecht, bruidegom, een titel van sommige

hofofficianten; — verb. (de paarden) verzorgen (voeren, roskammen,

enz.): — of the stole = opperkamerheer; He was well —ed and trimly clad

= zag er zeer verzorgd uit; —sman = bruidsjonker.

Groove, grûv, groef, voor, levensloop, sleur; — verb. groeven of voren

maken: He had got into the — of that kind of life = was gewoon geraakt

aan; Teaching tends to fall into —s = wordt gemakkelijk sleurwerk; A —

in teaching is fatal = sleur bij het onderwijs is noodlottig.

Grope, group, tasten, in het duister zoeken, zijn weg tastende vinden

(ook met back), in den blinde rondtasten: She had been walking in

—-light towards a precipice = tastende (in het donker).

Gros, grou, zware zijden, stof (— de Naples); oud Fransch muntstukje.

Gross, grous, grof, dik, zwaar, lomp, ruw, dom, suf, laag, plat,

gemeen, zinnelijk, onbeschoft, geheel, bruto; subst. gros, massa,

geheel, hoofdbestanddeel: In the — = in ’t algemeen, bij de roes, en

gros, bruto; —-headed = met een dikkop; dom, stomp; —-weight =

brutogewicht; —ness = dikte, grofheid, dichtheid, gemeenheid, ruwheid,

domheid, afschuwelijkheid.

Grossulaceous, grosiuleišəs, Grossular, grosiulə, tot de kruisbessen

behoorend; subst. groene granaat.

Grosvenor, grouvənə.

Grotesque, grətesk, grillig, vreemd, onregelmatig, belachelijk; subst.

grillig gevormde figuur; groot-tekst (typ.); grappenmaker; subst.

—ness.

Grotius, groušəs, Hugo de Groot.

Grotto, grotou, subst. grot, hol; —-work = kunstmatig grotwerk.

Ground, graund, subst. grond, bodem, aarde, grondgebied, land, vaste

bodem, basis, reden, achtergrond, speelterrein, eenvoudig lied,

grondtoon; P. Imperf. en P.P. van to grind; — verb. op of in den grond

plaatsen, vellen, grondvesten, grondverf aanbrengen, stichten,

onderwijs geven in de beginselen, op den grond leggen (— arms), aan den

grond of vast raken (schepen): — glass = matglas; —s = tuin bij een

huis; gronden of eerste beginselen; droesem, grondsop, koffiedik,

grondkleur: The —s will be cleared at ten = de tuin of het park wordt

om 10 uur ontruimd; We have broken — already = wij hebben al een begin

gemaakt; He has cut the — from under my feet = hij heeft mij het gras

voor de voeten weggemaaid; He changed his — = veranderde van positie,

methode, etc.; The plan has fallen to the — = is in duigen gevallen; We

have gained — = wij hebben succes gehad, zijn vooruit gekomen; That

idea seems to gain — = schijnt veld te winnen, algemeen te worden; They

have lost — = zij zijn achteruit gegaan, hebben hun aanzien verloren;

Our troops bravely stood their — = hielden moedig stand; —-angling =

visschen met grondangel; —-ash = esschescheut(-stek); —-bailiff =

mijnopzichter; —-bait = vischaas; —-bridge = brug van houten

dwarsliggers door een moeras (Amer.; Zie Corduroy-road); —-floor =

benedenverdieping; —-ice = grondijs; —-ivy = hondsdraf; —-oak =

eikenloot; —-plan = platte grond; —-plate = raam, grond-(fundatie),

plaat, zool; —-plot = bouwterrein, platte grond; —-rent = grondrente;

—-sea, —-swell = grondzee; —-tackle = ankertouwen, -kettingen; —-tier =

benedenloges (in een theater); —work = grond, grondslag, grondbeginsel,

geraamte (van iets); —ed: Well —ed = goed onderlegd; —less = ongegrond:

subst. —ness; —ling = kleine modderkruiper, bermpje: The —lings =

parterrebezoekers, het plebs.

Groundage, graundidž, liggeld (v. schepen).

Groundsel, graunds’l, gemeen kanariekruid; fundatie = Groundsill,

graundsil.

Group, grûp, subst. groep, vereeniging, familie (bij classificatie); —

verb. groepeeren.

Grouse, graus, korhoen (Black —); sneeuwhoen (Red —); — verb. schieten

op grouse; huiveren, morren.

Grout, graut, gruttenmeel, soort. v. wilde appel, kalk; — ale = soort

bier; —s = grutten (brij); droesem; —y, grauti, norsch, verdrietig.

Grove, grouv, boschje; (heilig) woud, (poet.): Image of the —, zie 2

Kon. XXI, 7.

Grovel, grov’l, (op de aarde) kruipen (ook fig.); liederlijk zijn; —ler

= kruiper, ploert.

Grow, grou, groeien, wassen, worden, voortkomen, vermeerderen,

aankleven, kweeken, voortbrengen: The leaf —s out of the stem = komt

voort uit; He grew up to manhood = bereikte den mannelijken leeftijd;

The book —s upon the reader = des lezers belangstelling in het boek

neemt bij het lezen toe; Drinking will — upon a man = de gewoonte van

drinken wordt gewoonlijk sterker; He —s a moustache = laat zijn snor

staan; They have —n together = zijn volkomen één geworden; —er =

verbouwer: Slow —ers = langzaam groeiende boomen; —ing weather =

groeizaam weer; —ing-ups = aankomende jongelui; —n = gegroeid, tot

volle rijpheid ontwikkeld: A full-—n man = volwassen man; Over half-—n

= meer dan half volwassen; Two thirds —n; When you are —n = groot; The

ground was —n over with weeds = bedekt met onkruid; —th = groei,

toeneming, gewas, aanwas, voortbrengsel, oorsprong: Wines of good —th;

Of one’s own —th = zelf gekweekt.

Growl, graul, subst. geknor, gebrom, geklaag; — verb. brommen, snauwen,

knorren; —er = brompot; rammelkast; —ery = studeerkamertje.

Grub, grɐb, subst. pop of larve, kort en dik manneke, dwerg, vuil en

slordig persoon, voedsel; — verb. (op)graven, uitgraven, ploeteren;

blokken, schransen, voeren: He knelt down a —, and rose a butterfly =

toen hij knielde was hij een plebejer, toen hij opstond was hij een

ridder; An intermediate — between sycophant and oppressor = een

nieteling tusschen vleier en tiran; In — = druk aan ’t werk; He is fond

of his — = hij houdt veel van eten; — and bub = eten en drinken; —ber =

schranser, blokker, schoffel; —bery = volksgaarkeuken; Money —bing =

geldschrapend; —bing-axe (—-hoe) = schoffel; —by = onzindelijk, vuil,

versleten, dwergachtig.

Grub Street, grɐbstrît, subst. de tegenwoordige Milton Street (in

Londen), waar arme loonschrijvers gewoonlijk woonden; vandaar ook:

nietswaardig letterkundig product, of prulschrijver; adj. armzalig,

nietswaardig.

Grudge, grɐdž, subst. wrok, haat, afgunst; — verb. wrok koesteren,

onwillig zijn, tegenzin hebben, misgunnen, met leede oogen aanzien,

aanmerkingen maken op: He bears me a — = heeft een wrok tegen mij; I

owe you a — for doing this = ik ben boos op je, datje...; He —s himself

nothing = ontzegt zich niets; He —s me the light of my eyes = hij gunt

mij ... niet; —r = afgunstige, brompot; Grudgingly = ongaarne.

Gruel, grûəl, gruwel of pap: I have given him his — = ik heb hem zijn

vet gegeven; Take your — like a man = houd je taai.

Gruesome, grûs’m. Zie Grewsome.

Gruff, grɐf, norsch, barsch, ruw; —ish; subst. —ness.

Grugru, grûgrû, de larve v. d. palmboomklander.

Grum, grɐm; adj. norsch, barsch, knorrig, grof.

Grumble, grɐmb’l, morren, grommen, rommelen; subst. klacht (—s =

ontevreden aard): He had a — to himself = mopperde in zichzelf; —r =

knorrepot, brompot = Grumbletonian; Grumbly = knorrig.

Grummet, grɐmət = Gromet.

Grumous, grûməs, geklonterd, geronnen; subst. —ness.

Grumpiness, grɐmpinəs, norschheid, brommerigheid, neerslachtigheid;

adj. Grumpish, Grumpy.

Grundel, grɐnd’l, kleine modderkruiper; bermpje.

Grundy, grɐndi: Mrs. — = de kritiseerende kwaadsprekende wereld: What

will Mrs. — say? = wat zal de wereld er wel van zeggen?

Grunt, grɐnt, subst. geknor; — verb. knorren, brieschen, klagen,

brommen; —er = varken; —ling = jong varken.

Grysbok, graisbok, Zuid-Afr. antilope.

Guaniferous, gwânifərɐs, guano opleverend; Guano, gwânou, gjuanou,

subst. guano; — verb. met guano bemesten.

Guarantee, gar’ntî, subst. waarborg, borg, zekerheid; — verb.

waarborgen, borgstellen, goed zeggen voor: This —s you in the

possession of your property = waarborgt u; Guarantor, gar’ntə, gar’ntö,

borg; Guaranty, gar’ntî; Zie Guarantee.

Guard, gâd, subst. bewaking, hoede, wacht, conducteur (van spoor of

diligence), stootplaat (van een degen, zwaard, etc.), beschermer

(ankle-—), veiligheids (horloge) ketting, rand, zoom, vuurscherm (—s =

garde in het leger); — verb. bewaken, behoeden, beschermen, zich

hoeden: I am off my — = ben niet op mijn hoede; Be (stand) on your — =

wees op uw hoede; He kept — over me = bewaakte mij; The soldiers

mounted — = betrokken de wacht; He put me on my — = waarschuwde mij; He

threw me off my — = hij wiegde me in slaap, verschalkte me; To relieve

the — = de wacht aflossen; The advanced — had to defend the bridge = de

voorhoede moest de brug verdedigen; You must — against mistakes = gij

moet oppassen voor fouten; —-boat = wachtboot; —-house = wachthuis;

—-room = wachtkamer (voor soldaten), arrestantenlokaal; —-ship =

wachtschip; —sman, gâdzm’n, bewaker; officier of soldaat van de garde;

—ed(ly) = omzichtig; —ian, gâdj’n, voogd, opziener, bewaarder,

geleider: —ians of the poor = armvoogden; —ian-angel = beschermengel;

—ianship = voogdij.

Guatemala, gwâtəmâla, gôtəmâla; Guayana, gwaiâna.

Gude-wife, gûdwaif, huisvrouw, vrouwtje (Schotl.).

Gudgeon, gɐdž’n, subst. grondel; vingerling van een roer; sukkel,

lokaas; adj. dom.

Guebre, Gueber, gîbə, geibə, subst. Perzisch vuuraanbidder; ook adj.

Guelders, geldəz, Guelderland, geldəland, Gelderland.

Guelf, Guelph, gwelf, naam van de hertogen van Beieren, de nationale

partij in Italië, die den Paus ondersteunde (Z. Ghibelline); —ic = tot

de Guelfen behoorende; —ic-order = ridderorde voor het oude Hannover

(in 1815 ingevoerd).

Guerdon, gɐ̂d’n, belooning.

Guer(r)illa, gərilə, guerilla (oorlog); franctireur; beunhaas, knoeier.

Guernsey, gɐ̂nzi, Guernsey; trui; roode patrijs.

Guess, ges, subst. gis, gissing; — verb. gissen, onderstellen, raden:

He gave a — at it = hij raadde er naar; I’ll give you a hundred —es,

and you won’t be on it = ik zet het je het te raden; I — = ik geloof,

ik denk (Amer.); He —ed at it = hij raadde er naar; —-work = gissing,

onderstelling.

Guest, gest, gast, logeergast; —-chamber.

Guffaw, gəfô, subst. luide lach; — verb. brullen (van lachen).

Guggle, gɐg’l. Zie Gurgle.

Guiana, giâna.

Guidable, gaidəb’l, leidzaam, bestuurbaar; Guidance, gaid’ns, geleide,

richting, bestuur; Guide, gaid, subst. gids, geleider, bestuurder,

regulateur, reisgids; — verb. geleiden, besturen, leiden: —-board =

wegwijzer; —-book = reisgids; —-post = wijspaal, wegwijzer; Guider =

leider (Zie ook: Guidon).

Guidon, gaid’n, ruiterstandaard, richtvaantje, vaandrig.

Guild, gild, gilde, vereeniging: —-brother = gildebroeder; —-hall =

gildenhuis; gebouw waar het bestuur van de City vergadert; —er = gulden

(Nederl.); —ry = gilde (Schotl.).

Guildenstern, gildənstɐ̂n; Guildford, gilfəd.

Guile, gail, bedrog, list, valschheid; —ful = arglistig; subst.

—fulness; —less = argeloos; subst. —lessness.

Guillotine, gilətîn, subst. guillotine; — verb. gilətîn,

guillotineeren.

Guills, gilz, gele ganzebloem.

Guilt, gilt, schuld, misdaad; —iness = schuld, strafbaarheid; —less =

onschuldig, onschadelijk; subst. —lessness; —y = schuldig: He was —y of

that theft = schuldig aan; He looked —y-like = hij zag er uit, alsof

hij schuldig was.

Guinea, gini, subst. guinje (= 21 sh.; deze munt bestaat alleen nog als

rekenpenning), Guinea; adj. v. Guinea; —-corn = doerrah; panikkoorn;

—-fowl = paarlhoen; —-grains = paradijskorrels; —-pepper = Spaansche

peper; —-pig = Guineesch biggetje; waterzwijn; iemand, die zijn naam

leent voor industrieele ondernemingen en oorspronkelijk een guinea als

presentiegeld ontving.

Guinevere, gwinəv(î)ə, Ginevra.

Guise, gaiz, mode, uiterlijk, voorkomen, manier: In the — (light) of =

bij wijze van.

Guitar, gitâ, guitaar.

Gulch, gɐlš, diep ravijn (Amer.).

Gulden, guld’n, Oostenrijksche florijn.

Gules, gjûlz, rood, keel (Herald.).

Gulf, gɐlf, subst. afgrond, draaikolk, boezem, groot verschil; laagste

nummer op de lijst der geslaagden bij het Mathem. Tripos (Camb.): There

is a great — fixed between the two; —-stream = golfstroom.

Gull, gɐl, subst. meeuw; sterentje, Jan van Gent; onnoozele hals; —

verb. bedriegen, beetnemen; —-catcher = bedrieger, kwartjesvinder;

—ible = gemakkelijk beet te nemen; subst. Gullibility.

Gullet, gɐlət, keel, slokdarm, waterafvoer, geer (in een hemd).

Gully, gɐli, subst. geul, riool, ijzeren rail; — verb. met geraas

stroomen; —-hole = rioolgat.

Gulp, gɐlp, subst. het verzwelgen, inslokken, mondvol, braking; — verb.

met groote teugen inzwelgen, slokken: He —ed up what he had taken =

braakte uit; They are a brace of gulpings = stelletje drinkebroers.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 50 / 141 段