trekken (To — and mow), dweilen, afvegen: A — of waving hair = golvende
haardos; He —ped up the ink with blotting-paper = nam op; —-headed =
met een ragebol (haar); —stick = steel van een mop.
Mope, moup, suffen, gemelijk, droomerig of moedeloos zijn; subst.
droomer: To — away one’s time = versuffen; He is in the —s = knorrig,
gemelijk: —-eyed = bijziende, dom; Moping: To sit — = zitten suffen;
Mopish = sufferig, verdrietig; subst. —ness.
Moppet, mopət, lappenpop; kleine meid; soort langharig schoothondje;
Mopsey, mopsi, kleine meid.
Moquette, məket, trijpfluweel.
Moraine, mərein, moraine, gruiswal; adj. Morainic.
Moral, mor’l, subst. moraal, toepassing, bedoeling, evenbeeld,
zekerheid; adj. zedelijk, moraal..: It was what bookmakers call a —
that I should fall in love with her = vast en zeker; She is quite the —
of Auntie = het evenbeeld; The story points a — = bevat eene zedeles;
—s = zedelijk gedrag, levensgedrag, ethiek; — law = zedenwet; —
philosophy = zedenkunde; — sense = zedelijkheidsgevoel; —e, mərâl, moed
en volharding in vermoeienissen en gevaar: The enemy’s — (—e) is much
shaken = het moreel van den vijand heeft er zeer onder geleden; —ist =
bloot zedelijk (tegenover geloovig) mensch, zedenmeester; —ity,
məraliti, zedelijkheid, zedenleer, zedelijke eigenschappen, deugd; Spel
van “Sinne”; —ization, subst. v. —ize = moraliseeren; —izer.
Morass, məras, moeras: — ore = oer; adj. —y.
Moravia, məreivjə, Moravië; —n, subst. Moraviër; adj. Moravisch: The
—ns = The —n Brethren = Hernhutters; —nism.
Morbid, möbid, ziekelijk, ziekte..: — anatomy = pathologische anatomie;
Morbidity = sterfte; ziekelijkheid = —ness; Morbific(al) = ziekte
veroorzakend: — matter = ziektestof.
Mordant, möd’nt, bijtend, sarcastisch; subst. bijtmiddel.
Mordaunt, möd’nt; More, mö.
More, mö, meer, toegevoegd, verder, bovendien, opnieuw: — and — =
steeds meer; And — than that = en wat meer zegt; He never did it any —
= nooit weer; Much — = veel meer; No — = niet meer bestaande, dood,
evenmin; Not — = evenzeer; Once — = nogmaals; So much the — = des te
meer; The — the better (merrier) = hoe meer zieltjes hoe meer vreugde;
— or less = min of meer; — to the purpose = doelmatiger; —over =
bovendien.
Moreen, mərîn, moiré woldamast.
Morel, mor’l, mərel, donkerkleurig; subst. zwarte nachtschade;
morielje.
Morelle, mərel, zwarte nachtschade.
Morello, mərelou, morel.
Moresque, məresk, Moorsch; subst. arabesk.
Morganatic, mögənatik, morganatisch: — marriage = huwelijk met de
linkerhand.
Morglay, möglei, slagzwaard.
Moribund, moribɐnd, zieltogend(e).
Moril, moril, morielje.
Morion, môri[en], lichte helm.
Morish, möriš: It tastes — = smaakt naar meer.
Mormon, mömən, Mormoon; —ism; —ite, mömənait, Mormoon.
Morn, mön, morgen (dichterlijk).
Morning, möniŋ, ochtend, vóórmiddag; ook adj.: In the — = ’s morgens,
den volgenden morgen; Of a — = op een morgen; —-coat = jacket; —-gown =
ochtendjapon, kamerjapon; —-paper, —-print = ochtendblad; —-star =
morgenster.
Moroccan, mərok’n, Marokkaan; Morocco, mərokou, Marocco, marokijnleder.
Morose, mərous, gemelijk, knorrig; subst. —ness.
Morpheus, möfiɐs, möfjûz, Morpheus: In the arms of — = in Morpheus
armen.
Morphia, möfjə, Morphine, möfin, morphine: He is a confirmed
morphinomaniac = hij is aan de morphine verslaafd; Morphinism.
Morphologic(al), möfəlodžik(’l), adj. v. Morphology, möfolədži,
morphologie.
Morris(-dance), moris(dâns), oude (Moorsche) dans bij de Meifeesten: My
clown and his dog have morrised = zijn met de Noorderzon vertrokken.
Morrow, morou, de volgende dag: He takes no thought for the — = He
troubles himself about no —s = hij is niet bezorgd voor den dag van
morgen; To-— = morgen; To-— morning = morgenochtend; On the — = morgen,
den volgenden dag.
Morse, mös, walrus; zeeleeuw (Herald.): — alphabet (Telegr.).
Morsel, mös’l, bete, stukje, beetje: To be brought to a — of bread =
tot den bedelstaf gebracht worden.
Mort, möt, Hallali! (jachtsignaal als het wild gedood is); menigte,
hoop; zalm in het derde jaar; vrouw, meisje.
Mortal, möt’l, sterfelijk, dood(s)..., doodelijk, menschelijk,
doodvervelend; subst. sterveling; adv. doodelijk, diep: — enemy, foe =
doodvijand; — fright = doodsangst; — hour = stervensuur; Four — hours =
vier eeuwiglange uren; There is no — power that can release you = geene
macht ter wereld; — sin = doodzonde; You may wish any — thing = al wat
ge maar wilt; —ity, mötaliti, sterfelijkheid, sterfte, menschelijke
natuur; —ly offended = diep beleedigd; —ly wounded = doodelijk gewond.
Mortar, mötə, vijzel, mortier; mortel (kalk): —-apparatus for
life-saving = mortier waaruit reddingsvuurpijlen worden geschoten;
—-board = platte vierhoekige barret (Iron.).
Mortgage, mögidž, subst. hypotheek; — verb. hypothekeeren, verpanden: I
gave it him in — = heb het hem verpand; To foreclose a — = opzeggen; To
lend on —s; He took up money on —; —-bank = hypotheekbank; —-bonds =
pandbrieven; —-deed = hypothecaire acte: To prepare a —-deed = opmaken;
—e, mögidžî, hypotheekhouder; —r, mögidžə, hypothecair schuldenaar.
Mortification, mötifikeiš’n, bittere vernedering, verdriet,
zelfkwelling, zelfkastijding, koudvuur; Mortify, mötifai, tuchtigen,
dooden, kwellen, kastijden, vernederen; afsterven.
Mortise, mötis, subst. tapgat, vaste verbinding; — verb. met pen en gat
verbinden: To hold the — = weerstand bieden.
Mortmain, mötmein, doode hand (Jur.).
Mortuary, mötjuəri, graf.., begrafenis.., lijk..; subst. begraafplaats,
lijkenhuis.
Mosaic, məzeiik, subst. mozaïekwerk; adj. mozaïek, Mozaïsch: — law;
Mosaism, mouzəizm, de Mozaïsche leer.
Moscovy, moskəvi, Moscow, moskou.
Moselle, məzel, Moezel(wijn); Moses, mouziz.
Mo-sleigh = Motor-sleigh.
Moslem, mozl’m, mosl’m, subst. en adj. Mohammedaan(sch); —ism.
Mosque, mosk, Moskee.
Mosquito, moskîtou, muskiet: —-net.
Moss, mos, mos, zachte veengrond, turf; geld: —-clad, —-grown = met mos
bedekt of begroeid; —-land = veenbodem, veengrond; —-rose = mosroos;
—-trooper = bereden strooper of bandiet (op de grenzen van Engeland en
Schotland); —iness, subst. v. —y = met mos bedekt, mosachtig, donzig.
Most, moust, subst. meeste, grootste; adj. meest, grootst; adv. zeer:
At (the) — = op zijn meest, hoogstens; The — High = de Allerhoogste;
For the — part = meerendeels; To be as good as — people = nog zoo kwaad
niet zijn; To make the — of = zooveel mogelijk profiteeren van; I am —
happy to see you = erg blij; —ly = hoofdzakelijk, voornamelijk,
meestal, doorgaans.
Mot, mot, hallali; snol.
Mote, mout, stofje, vlekje, spikkel, kleinigheid: Dust —s dancing in a
sunbeam.
Mote, mout = may, might, must: So — it be! = zoo zij het! (formule bij
de Free-masons).
Mote, mout = To motor.
Moth, moth, mot; vlinder; kanker (fig.); ook verb.: She is a — = ze
hengelt, geeft zich veel moeite (voor een man); The cloth is —-eaten =
de mot is er in; To go —ing = op de vlindervangst gaan; —y = vol
motten.
Mother, mɐdhə, subst. moeder, moedertje, abdis; moer, droesem; — verb.
de moederplaats innemen, als kind aannemen: Where will you and the —
sit? = en moeder; —’s son = verwend kindje; — Carey’s Chicken(s) =
stormzwaluw(en); — Carey is plucking her goose = het sneeuwt; — Shipton
= eene beroemde waarzegster; —-church; —-country = moederland,
geboorteland; —-in-law = schoonmoeder (stiefmoeder); —-earth =
moederaarde; —-of-pearl = parelmoer; —-spot = moedervlek; —-tongue =
moedertaal; —-wit = gezond verstand, natuurlijke gevatheid; —hood =
moederschap; —less; —liness = moederlijkheid; —ly = als eene moeder,
zorgzaam.
Motion, mouš’n, subst. beweging, handbeweging, wenk, neiging, aandrift,
motie, voorstel; stoelgang; — verb. gebaren maken, door een beweging te
kennen geven: Of one’s own — = uit eigen beweging; Equable — =
gelijkmatige beweging; Laws of — = de drie bewegingswetten van Newton;
The — was agreed to unanimously = de motie werd met algemeene stemmen
aangenomen; The — was carried by 70 votes to 20 = aangenomen met; The —
was lost = verworpen; To make a — to a person = iemand wenken; To put a
— = een motie stellen; To second a — = ondersteunen; He —ed me to a
chair = wenkte mij te gaan zitten; —less = onbewegelijk.
Motivate, moutiveit, motiveeren, gronden; Motive, moutiv, subst.
beweegreden, oorzaak; adj. bewegend, beweeg...; — verb. motiveeren;
—-force = beweegkracht; —less = doelloos, zonder reden; Motivity =
beweegkracht.
Motley, motli, bont; subst. narrenpak, nar, bonte mengeling.
Motor, moutə, subst. motor, beweger, beweegkracht; adj. bewegend,
motorisch; — verb. met een motorrijtuig rijden; —-(bi)cycle; —-boat;
—-cab = autotax, taxi; —-car = automobiel; —-cycle = motorfiets;
—-cyclist; —-launch = motorboot; —-man = bestuurder van een electr.
tram; chauffeur; —-omnibus; —-sleigh = motorslede; He —ed over to A.;
—ist = automobilist.
Mottle, mot’l, stippelen, vlekken, schakeeren; ook subst.; —-faced =
met rood gevlekt gezicht; —d with wrath = rood van woede.
Motto, motou, motto, zinspreuk: —-kisses = ulevellen met deviezen.
Mouch, mautš, rondzwerven; —er = vagebond.
Mould, mould, subst. aarde, teelaarde, stof, schimmel, roestvlek,
gietvorm, mal; vorm, karakter; — verb. met teelaarde bedekken of
ophoogen; beschimmelen, schimmelig worden; vormen, modelleeren, gieten,
kneden: To contract — = beschimmelen; I am not fit for society at
present, I am covered with blue — = verboerd; —ed cheese; —-board =
strijkbord van een ploeg; —-candle = gegoten kaars; —-loft,
mallenzolder (scheepsb.); —warp = mol; —er, subst. (metaal)gieter; —
verb. tot stof vergaan, vermolmen, verrotten; —iness = beschimmeldheid;
—ing = vormen, enz.; lijst, fries; —y = beschimmeld, oud: —y cheese.
Mouline(t), mûlin(et), haspel, draaikruis.
Moult, moult, subst. het ruien, verharen, vervellen; de tijd daarvoor;
— verb. ruien, verharen, vervellen; —er = ruiende vogel.
Moultrie, mûtri.
Mound, maund, subst. aardverhooging, wal, graf, heuvel; rijksappel; —
verb. een wal opwerpen: A — of papers = een heele hoop papieren.
Mount, maunt, berg, bolwerk, blok (bij het bestijgen van een paard),
rijpaard, fiets, karton of monteering (voor teekeningen), signaal om op
te stijgen; — verb. opstijgen, opklimmen, zich verheffen, oploopen,
monteeren, versieren, een paard verschaffen, voeren: — Aetna; The
sermon on the — = de Bergrede; I will go out hunting with you, if you
give me a — = als ge een paard voor mij hebt; All the —s were strong
and serviceable = alle “karren”; I should like to see a little more
picture, and a little less — = en minder lijst; —! = opstijgen! (een
commando bij de cavalerie); He —ed the breach first = hij was het eerst
in de bres; To — a diamond = zetten; To — a drawing = opplakken,
omlijsten; The soldiers —ed guard = betrokken; The ship —s twenty guns
= voert twintig stukken; To — a horse = bestijgen; To — a piece = een
tooneelstuk monteeren; To — the trenches = bezetten; The fare to X. and
back —s up = loopt aan; —ed police = bereden politie; To be miserably
—ed = slechte paarden hebben; —able = beklimbaar; —ing = monteering,
montuur, affuit.
Mountain, mauntin, berg (ook fig.), soort Malagawijn: —s = gebergte;
The — = de Bergpartij (Fransche Revol.); The — has produced a mouse = A
— in labour; If the — will not come to Mahomet, M. must go to the —; To
make —s of molehills = van eene mug een olifant maken; A — is raised
off my spirits = er is me een steen van ’t hart gevallen; The waves
were —s high = bergen hoog; —-ash = gewone lijsterbes; —-chain =
bergketen; —-crystal = bergkristal; —-dew = Schotsche whiskey; —-pass =
pas; —-range = keten; —-soap = bergzeep; —eer, mauntənîə, bergbewoner,
bergbeklimmer; —eering = het beklimmen van bergen; —ous = bergachtig,
berg..., buitengewoon groot.
Mountebank, mountəbaŋk, subst. kwakzalver, marktschreeuwer, bluffer; —
verb. bedriegen.
Mourn, mön, rouwen, treuren, betreuren; —er = rouwdrager; —ful =
treurig, droevig; subst. —fulness; —ing, subst. smart, klacht, rouw;
They went into (were in, put on, took to; went out of, left off) —ing =
gingen (waren) in; gingen uit den rouw; First (deep), court, second
—ing = zware, hof, lichte rouw; —ing-brooch = gitten doekspeld;
—ing-coach = rouwkoets; —ing-establishment = magazijn voor rouwkleeren;
—ing-ring = ring ter herinnering aan een afgestorvene; —ing-suit =
rouwpak.
Mouse, maus, muis: —-colour; —-dung = muizenkeutels; —-hole; —-hunt =
muizen-jacht; —-trap = muizenval; souverein (ƒ 12): Parson’s —-trap =
huwelijk (ironisch).
Mouse, mauz, muizen vangen, aan stukken scheuren; Our cat is a good —r.
M(o)ustache, məstâš, snor, knevel.
Mouth, mauth, mond, muil, opening, monding, woordvoerder, grimas,
geblaf (aanslaan): An examination by word of — = mondeling examen; He
was down in the — = neerslachtig; To lead a life from hand to — = van
de hand in den tand leven; To run from — to — = rondgaan; Your success
is in everybody’s — = ieder heeft den mond vol van; To give — =
aanslaan; To keep one’s — shut = zwijgen: He laughed on the wrong side
of his —: Zie Laugh; To make a — (—s) at = gezichten trekken; It makes
my — water = het doet mij watertanden; I will stop that — of his = hem
den mond snoeren; —-made = onoprecht, niet van harte; —-organ =
mondharmonica; —-piece = sigarenpijpje, mondstuk; woordvoerder, orgaan:
Tennyson has become the —-piece of our century; —-wash = mondspoeling;
—ful; —less.
Mouth, maudh, met den mond grijpen, kauwen, eten; met vollen mond of
gemaakt spreken, gezichten trekken, schreeuwen: Deep-—ed = met zware
stem, dof; —y = babbelziek, gezwollen.
Movability, mûvəbiliti, subst. v. Movable, mûvəb’l, beweegbaar,
veranderlijk: —s and im—s = roerende en onroerende goederen; subst.
—ness.
Move, mûv, subst. zet (bij schaken, dammen, etc.), maatregel,
handeling, daad, beweging; — verb. bewegen, opwekken, roeren,
ontroeren, zetten, aanzetten, overhalen, voorstellen, verhuizen,
trekken, vervoeren, gaan naar of naderen: Whose — is it? = wie moet
spelen? To know a — or two = To be up to a — or two, To know all the —s
on the board = uitgeslapen zijn; The train is on the — = in beweging;
The minister —d the Army Estimates = stelde voor de behandeling der; To
— into = betrekken; To — off = heengaan, opbreken, aftrekken; — on,
Keep moving! = doorloopen! —able = Movable; —less = bewegingloos; —ment
= beweging, aandoening; omzet; tempo; mechaniek (van uurwerken),
stoelgang: —ment cure = heilgymnastiek; —ments = maatregelen; —r =
beweger, voorsteller, oorzaak, bron, drijfveer; Moving = roerend,
treffend, aandoenlijk, bewegend: —-day = verhuisdag; — force (spring);
—ness = roerendheid.
Mow, mou, subst. het in de schuur opgehoopte hooi; ’t koren in
schooven; — verb. aan hoopen zetten, opstapelen, maaien, hooien: The
troops were —ed down by the enemy’s breechloaders = werden weggemaaid;
—er.
Mow, mau, mou, subst. scheef of zuur gezicht; — verb. gezichten (een
zuur gezicht) trekken.
Mowat(t), mauət, Mowbray, moubri.
Moxa, moksə, moxa of bijvoetwol, een brandmiddel ter genezing van
jicht.
Moya, môiə, vulkaanmodder of slib (Zuid-Amer.).
Much, mɐtš, subst. groote hoeveelheid; adj. en adv. veel, zeer: As — =
evenveel; He said as — = zoo iets zei hij; I thought as — = dat dacht
ik al; As — again = nog eens zooveel; As — as to say = alsof hij zeggen
wou; In as — as = voor zooverre; By — taller = veel langer, grooter; He
is not — of a soldier = niet veel bijzonders als soldaat; It is not —
of a thing = niet veel zaaks; That is too — of a good thing =
overdreven veel, al té; Too — of a good thing is good for nothing =
overdaad schaadt; — good may it do you = wel bekome het u (vaak iron.);
That is — the same = vrijwel ’t zelfde; His words were — to this effect
= kwamen vrijwel hierop neer; He was made — of = hij werd hoogelijk
gewaardeerd, erg gevleid of aangehaald; He made — of himself = deed
zich erg te goed, gooide zichzelf niet weg; They are — of a —ness = zij
hebben vrij veel van elkaar; Our —-beloved friend = veelgeliefde.
Mucific, mjusifik, slijm afscheidend.
Mucilage, mjûsilidž, plantenslijm, slijmerige stof, (vloeibare) gom;
Mucilaginous, mjûsiladžinɐs, slijmerig.
Muck, mɐk, mest, drek; iets vuils of verachtelijks; — verb. bemesten:
It is all — = het is louter dwaasheid; —-cheap = dolgoedkoop; —-heap,
—-hill = mesthoop; —-rake = mestvork; —-worm = mestworm, vrek; —er: To
go a —er = druipen, failliet gaan, mislukken; —iness, subst. v. —y =
vuil.
Mucor, mjûkə, slijm; Mucosity, mjukositi, slijmerigheid; Mucous,
mjûkəs, slijmig, slijm...: — membranes = slijmvliezen; Mucus, mjûkəs,
slijm.
Mud, mɐd, modder, slijk; — verb. (zich) bemodderen, bevuilen: To stick
fast in the — = vast zitten (ook fig.); To throw — at = met modder
gooien (ook fig.); —-bath = modderbad; —-cart = vuilniskar; —-cottage =
leemen hut; —-dredger = baggermachine; —-guards = spatborden; —-hole =
modderpoel; slijkgat in een stoomketel; —-lands = wadden; —-lark =
vuilnisman. rioolkeerder; jongen die centen, opzettelijk daarin
gegooid, uit den modderigen (Theems)oever ophaalt, ook wel: —-scraper;
—-scow = modderpraam; —sill = drempel (onderste balk); de arbeidende
klasse (Amer.); —-wall = leemen muur; —diness, subst. v. —dy, adj.
modderig, bemodderd; aardsch, onduidelijk, verward, verdrietig; — verb.
troebel maken, bevuilen, verwarren.
Muddie, mɐdi, moesje (voor Mother).
Muddle, mɐd’l, subst. verwarring, poespas, “beroerde” boel; — verb.
troebel maken, omroeren, in de war brengen, dronken maken, verknoeien,
weggooien, vuil worden, in de war zijn: I will straighten out this — =
ik zal die (war)boel in orde brengen; He —d away his property in
speculations = verspilde; Let them — it out among themselves = laat ze
dat onder elkander uit- en goedmaken; He was rather —d = vrijwat
“aangeschoten”; A —-headed fellow = sufferig, verward, beneveld.
Mudie, mjûdi: —’s Library.
Muezzin, mjuezin, uitroeper der uren voor het gebed (bij de
Mahomedanen).
Muff, mɐf, subst. mof; huls, rol, wals; geknoei, sul; — verb. bederven,
verknoeien: You —ed it at starting = je bedierf den boel van het begin
af; To — a ball (bilj.); —-cap = berenmuts.
Muffetee, mɐfətî, polsmofje.
Muffin, mɐfin, een plat wit rond koekje, dat geroosterd en geboterd
wordt; —-cap = platte ronde muts (Mil.); —-faced = met bleek gezicht;
—eer, mɐfinîə, schotel om de geroosterde —s warm te houden; zout- of
suikerstrooier.
Muffle, mɐf’l, subst. handschoen (bij ’t boksen), moffel, sourdine;
snoet; — verb. warmpjes instoppen, den klank dempen, omfloersen,
omwinden (bel of riem), verbergen, blinddoeken, tot zwijgen brengen,
mompelen; —-furnace = moffeloven; —r (= Muffle), sluier, doek,
bokshandschoen, sourdine.
Mufti, mɐfti, Mahom. geleerde, die godsdienstige en jurid. kwesties
beslist: Officers in — = officieren in politiek; She is a saint in — =
eene heilige in menschengedaante.
Mug, mɐg, kroes, kopje; smoel; — verb. ploeteren, blokken; grimeeren,
gezichten trekken: To cut —s = gezichten trekken; I have got to —
uncommonly hard = buitengewoon veel te ploeteren.
Muggins, mɐginz, een kinderkaartspel, soort dominospel.
Muggy, mɐgi, nat, vochtig; schimmelig; aangeschoten.
Mugwump, mɐgwɐmp, subst. hoofdman; gewichtigdoend persoon;
onafhankelijk republikeinschgezinde; adj. gewichtig, onafhankelijk; —
verb. zich onafhank. gedragen, gewichtig doen (Amer.).
Mulatto, mjulatou, mulat; Mulattress.
Mulberry, mɐlb’ri, moerbezie(boom); donker purper.
Mulch, mɐltš, subst. bladaarde (tuinb.); — verb. bedekken met
bladaarde.
Mulct, mɐlkt, subst. geldboete; — verb. (met geldboete) straffen: He
was —ed of (in) 10 shillings = beboet voor; —uary, mɐlktjuəri: —
punishment = geldboete.
Mule, mjûl, muilezel; bastaardvorm, dwarskop; Jennymachine (= Spinning
—); —-driver = —teer, mjûlətîə, muilezeldrijver; Mulish = koppig,
bastaard; subst. —ness.
Mull, mɐl, subst. stof, molm; verwarring, mislukking; fijne mousseline;
kaap; soort snuifdoos; — verb. verwarren, verknoeien, warmen, zoetmaken
en kruiden (van wijn); verkruimelen: He made a — of his affairs =
bracht in de war; —ed wine = soort van bisschop, warme wijn; —er =
ketel voor warmen wijn; wrijfsteen.
Mullagatawny, mɐləgətôni, een met kerrie gekruide soep.
Mulle(i)n, mɐlin, grootbloemige toorts.
Mullet, mɐlət, harder; poon; spoorradje, 5 hoekige ster.
Mulligatawny, mɐligətôni = Mullagatawny.
Mulleygrubs, Mulligrubs, mɐligrɐbz, buikpijn; knorrepot, slecht humeur.
Mullion, mɐlj’n, versierde middenpost in een raam; — verb. verdeelen
door —s.
Mullock, mɐlək, puin, verwarring, vuil.
Mulready, mɐlredi.
Mulse, mɐls, honigwijn.
Multangular, mɐltangjulə, veelhoekig; subst. —ness.
Multifarious, mɐltifêriəs, verscheiden, veelvuldig; subst. —ness.
Multiflorous, mɐltiflôrəs, veelbloemig.
Multiform, mɐltiföm, met veel vormen; subst —ity.
Multilateral, mɐltilatər’l, veelzijdig.
Multi-millionaire, mɐltimiljənêə, mɐltimiljənêə, iemand die vele
millioenen bezit.
Multinomial, mɐltinoumj’l, uit meer dan drie termen bestaande.
Multiped, mɐltiped, Multipede, mɐltipîd, duizendpoot; adj. veelvoetig.
Multiple, mɐltip’l, adj. veelvoudig; veelvoud: (Least) common — =
(kleinste) gemeene veelvoud; Multiplex = veelvoudig.
Multiplicand, mɐltiplikand, vermenigvuldigtal; Multiplicate,
mɐltiplikit, mɐltiplikit, veelvoudig; Multiplication, mɐltiplikeiš’n,
vermenigvuldiging: —-table = tafel van vermenigvuldiging;
Multiplicative = vermenigvuldigend; Multiplicity = menigvuldigheid;
Multiplier, mɐltiplaiə, vermenigvuldiger; Multiply, mɐltiplai, (zich)
vermenigvuldigen: —ing glass, — lens = glas met tal van facetten, die
het voorwerp verveelvoudigen.
Multitude, mɐltitjûd, menigte, groot aantal: The — = “de groote hoop”;
Multitudinous = talrijk, veelvuldig.
Multum-in-parvo, mɐlt’minpâvou, veel in een klein bestek.
Mum, mɐm, stil; — verb. zwijgen; zich vermommen; subst. zoet, dik bier:
As — as a mouse; To be (keep) — = zijn mond houden; — then! = St.! —’s
the word! = mondje dicht! —-chance = lummel; een kaart of dobbelspel:
Am I to sit —-chance? = moet ik er voor niet (Piet Lut) bijzitten?
Mumble, mɐmb’l, mompelen, prevelen, mummelend kauwen; ook subst. = —r.
Mumbo Jumbo, mɐmboudžɐmbou, boeman; hocus pocus.
Mum(m), mɐm, zich vermommen of maskeeren, komedie spelen; —mer =
gemaskeerde, rondreizende acteur; —mer worship = overdreven vereering
van acteurs; —mery = pret, maskerade, misleiding; —ming =
maskeradepret, komediespelen.
Mummy, mɐmi, subst. mummie, entwas; maatje; — verb. balsemen: I’ll beat
you to a — = ik zal je tot mosterd slaan; Mummification, subst. v.
Mummify = balsemen, tot mummie maken.
Mump, mɐmp, mompelen, grijnzen, klagend bedelen, bedriegen; —er =
bedelaar.
Mumpish, mɐmpiš, verdrietig, gemelijk; subst. —ness; Mumps, mɐmps,
gemelijkheid; bof (Med.): To be in one’s — = uit zijn humeur.
Mumsy, mɐmzi, maatje.
Munch, mɐnš, hoorbaar, voorzichtig kauwen, smakkend eten; —er.
Mundane, mɐndein, wereldlijk, aardsch: — pleasures.
Mungo, mɐŋgou, grove wollen stof; slangenwortel.
Mungoose, mɐŋgûs = Mongoose.
Munich, mjûnik, München.
Municipal, mjunisip’l, gemeentelijk: — Corporations Act = Eng.
gemeentewet van 1835; — elections = verkiezingen voor den gemeenteraad;
— schools; —ity, mjûnisipaliti, (burgerlijke) gemeente.
Munificence, mjunifisens, mild(dadig)heid; Munificent = milddadig,
grootmoedig.
Muniment, mjûniment, versterking, bolwerk (ook fig.); acte, oorkonde;
—-room = archief.
Munition, mjuniš’n, krijgsvoorraad: —-bread = kommiesbrood.
Munshi, mûnši, tolk, taalgeleerde, secretaris.
Murad, mûrâd.
Mural, mjûr’l, wand..., muur...: — crown = gouden kroon voor den
Romeinschen soldaat die het eerst den muur beklom.
Murcia, mɐ̂šə.
Murder, mɐ̂də, subst. moord; — verb. vermoorden, vernielen, verknoeien:
To commit (a) — = bedrijven; — will out = komt altijd aan het licht;
The — is out = het geheim is verklapt, nu weet ge de waarheid; —er =
moordenaar; —ess = moordenares, moordenaarster; —ous = moorddadig,
bloedig.
Murex, mjûreks, stekelhorenslak.
Muriatic, mjûriatik, adj. zout...: — acid = zoutzuur; Muriate: — of
ammonia = salmiak; — of soda = keukenzout.
Muricate(d), mjûrikit, —eitid, stekelig.