droogleggen; met sewage bemesten; Sewer, siûə, riool: Court of
Commissioners of —s = soort van gezondheidsraad die heeft te waken
tegen de vervuiling van rivieren, etc.; Sewerage, siûəridž,
rioolstelsel.
Sewn, soun, part. perf. van to sew.
Sex, seks, geslacht: The fair, gentle, softer, weaker — = de schoone,
zwakke sekse; The sterner, stronger — = de mannelijke sekse; The (dhî)
— = de vrouwen; —less = geslachtloos.
Sexagenarian, seksədžənêriən, zestigjarig(e); Sexagenary, seksadžənəri,
seksədžənəri, subst. zestigjarige; adj. uit zestig deelen bestaande,
zestigjarig.
Sexagesima, seksədžesimə, tweede Zondag voor de Vasten = — Sunday.
Sexagesimal, seksədžesim’l, zestigtallig.
Sext, sekst, het derde der zoogenaamde “kleine uurtjes” van het
brevier.
Sextain, sekstein, zesregelig vers.
Sextant, sekst’nt, sextant.
Sextillion, sekstilj’n, 1 met 36 (Amer. meest 21) nullen.
Sexton, sekst’n, koster, doodgraver; —ship.
Sextuple, sekstjup’l, zesvoudig.
Sexual, sekšuəl, geslachts ...: — commerce (connection, intercourse) =
geslachtelijke omgang; — disease; — selection = teeltkeus; —ity,
sekšualiti, geslachtsonderscheid(ing).
Seymour, sîmə; Seyton, sît’n.
Shabbiness, šabinəs, schunnigheid, kaalheid, etc.; Shabby, šabi, kaal,
haveloos, min, laag: Our — genteel people = onze kale chique; I call
that — = dat noem ik gemeen; The book is — of covering = heeft een
slordigen omslag, band.
Shack, šak, subst. uitgevallen koren; recht van winterweide; vagebond
(Amer.); — verb. uitvallen (van rijp koren); op het stoppelland sturen:
To send hogs a-—ing.
Shackle, šak’l, subst. schakel, boei, kluister (ook fig.); — verb.
boeien, ketenen, belemmeren, koppelen (Amer.), hinderen.
Shad, šad, elft.
Shaddock, šadək, pompelmoes.
Shade, šeid, subst. schaduw, schim, schakeering, (lampe)kap, scherm; —
verb. beschaduwen, overschaduwen, in de schaduw zetten, verduisteren;
met een shade bedekken, beschermen, verbergen, langzaam verminderen of
overgaan (off): A lamp with a green cardboard — = kartonnen kap; A
glass — = stolp; Chinese —s = Chineesche schimmen; The latest —s of
gloves = nuances, kleuren: No — of difference = geen zweem; This is a —
stronger = een tikje sterker; This is, by a —, not so good = een tikje
minder goed; He was particular to a — = verschrikkelijk sekuur, tot op
een haartje nauwkeurig; He kept in the — = bleef op den achtergrond,
hield zich gedekt; To put in (cast, throw into) the — = in de schaduw
stellen; The (realm of) —s = het schimmenrijk, Hades; —less; Shadiness
= lommerrijkheid, dubbelzinnigheid. Zie Shady.
Shadow, šadou, subst. (scherp omlijnde) schaduw, schaduwbeeld,
duisternis, donkerheid, mom, aanduiding; geest; — verb. schaduwen,
bewolken, in donkere kleuren schilderen, beschermen, verbergen,
voorstellen, volgen (als eene schaduw): The —(s) of death = de
schaduwen des doods; Coming events cast their —s before; He wrongly
took the — for the substance = nam den schijn voor het wezen; The
police are —ing him = de politie gaat al zijne gangen na; —iness,
subst. v. —y = schaduwrijk, donker, onwezenlijk, hersenschimmig: A —y
idea = vaag idee.
Shady, šeidi, lommerrijk, beschaduwd, dubbelzinnig, verdacht: A —
business = zaak die geen licht kan verdragen; On the — (sunny) side of
seventy = boven (onder) de 70 jaar.
Shaft, šâft, pijl, schacht, werpspies, steel, as, disselboom, deel van
een zuil tusschen voetstuk en kapiteel, mijnput (schacht): —-horses =
de achterste (aan den disselboom loopende) paarden van een vierspan;
—ed = door zuilen gedragen; gesteeld (herald.).
Shaftesbury, šâftsb’ri.
Shag, šag, subst. pluis, ruw haar, nop (van laken, enz.) soort van
tabak; adj. ruig; — verb. ruig maken; Shaggedness, Shagginess =
ruigheid; Shaggy = ruig, met lang, wollig haar: A — pony, bear = ruige
hit, beer.
Shagreen, šəgrîn, subst. en adj. (van) segrijn leder.
Shah, šâ, keizer of vorst van Perzië.
Shake, šeik, subst. schok, ruk, trilling, scheur (in hout), (hand)druk;
— verb. schudden, schokken, beroeren, trillen, verzwakken, aan ’t
wankelen brengen, roeren: Your cordial — did me good = uw hartelijke
handdruk; He is no (not any) great —s = niet veel zaaks of bijzonders;
— of wind = stoot; When taken to be well —n = vóór het innemen goed
schudden; I think I shook him = dat ik hem diep getroffen heb; To —
(bedroom) carpets = kleedjes uitkloppen; We have —n hands over it, have
—n each other by the hand = elkaar de hand er op gegeven, een handdruk
gewisseld; A limp —-hands = slappe handdruk; I congratulated myself
that the —-hands was disposed of = dat het handjesgeven over was; To —
down (gaan) slapen; A —-down = een kermisbed; I shook him off like a
dog = wierp hem van mij af; To — up = wakker schudden, opmonteren; To —
(all over) with laughter = schudden van; —r = lid van een godsdienstige
secte; —rism = beginselen der —rs. Zie Shakiness.
Shakespeare, šeikspîə; —an, Shakespearian, šeikspîriən,
Shakespeariaansch.
Shakiness, šeikines, subst. v. Shaky; Shaking: Give him a — = schud hem
eens door elkaar.
Shako, šakou, sjako.
Shaky, šeiki, slapjes, zwakjes, bouwvallig, trillerig: The candidate
was rather — = vrij zwak; Your mathematics are — = je wiskunde is dun;
To feel — = bang zijn; The government has grown — = staat onvast.
Shale, šeil, leisteen.
Shall, šal, zullen.
Shalloon, šəlûn, soort v. wollen stof.
Shallop, šaləp, sloep (vaartuig).
Shallot, šəlot, sjalot.
Shallow, šalou, subst. ondiepe zandbank; adj. ondiep, oppervlakkig: His
high collars get —er as he advances in years = worden lager; —-brained,
—-pated, —-witted = oppervlakkig; —ness = ondiepheid, bekrompenheid.
Shalm, šôm, Zie Shawm.
Shalott, šəlot.
Shaly, šeili, leisteenachtig.
Sham, šam, subst. bedrog, bedotterij, voorwendsel, bedrieger; adj.
geveinsd, voorgewend; — verb. bedriegen, valschelijk voorwenden: He cut
a — = hij bedroog; There were many cases of —ming mad = voorgewende
krankzinnigheid; — check = valsche check; — door = blinde deur; —
errand = gemaakte boodschap; — fight = spiegelgevecht; He is a —mer =
bedrieger, veinsaard.
Shamble, šamb’l, schuifelen, onvast of lummelig loopen.
Shambles, šamb’lz, vleeschbankjes, vleeschhal, slachtplaats, abattoir:
Tribunals then were an unclean public —.
Shame, šeim, subst. schaamte, schande, bescheidenheid; — verb.
beschamen, te schande maken, op de kaak stellen, zich schamen: Fie, for
— = foei! schaam u; He is lost to every sense of — = heeft alle
schaamtegevoel verloren; It is a downright — = een ware schande; Such a
small boy should not put you to — = mag u niet beschaamd maken; She was
—d = stond beschaamd; To speak the truth and — the devil = waarheid
boven alles stellen; You — your worth = doet uwe waardigheid schande
aan; —-faced = bedeesd, schaamachtig; subst. —-facedness; —ful =
schandelijk; subst. —fulness; —less = schaamteloos; subst. —lessness.
Shammy, šami, gems(leder); Shamoy, šamôi, šamôi.
Shampoo, šampû, na een warm bad het lichaam wrijven of knijpen, het
hoofd wrijven en wasschen (bij een kapper); —ing.
Shamrock, šamrok, klaverblad (nationaal zinnebeeld v. Ierland); Rose,
Thistle and — = Engeland, Schotland en Ierland.
Shandry(dan), šandrid’n, ouderwetsch Iersch karretje, rammelkast.
Shandygaff, šandigaf, mengsel van bier en gemberbier.
Shanghai, šaŋhai.
Shank, šank, scheenbeen, beenstuk, buis, pijp, steel, oog: — of a
button; Long —s = langbeen; Spindle —s = spillebeenen, spillebeen; —ed
(in samenst.) = met een been of steel.
Shanty, šanti, ruwe hut, loods, woning, kroeg, liedje bij het
ankerlichten gezongen; —man = Backwoodsman.
Shapable, šeipəb’l, vormbaar; Shape, šeip, subst. gedaante, gestalte,
taille, vorm, leest, wezen; — verb. vormen, scheppen, richten,
inrichten, uitwerken: A few poems in the — of sonnets = in sonnetvorm;
To be out of —; Straight to the — = strak, glad zittend; To put in — =
vorm geven; To sit well in (to) the — = goed passen; They —d a course
for the island = zetten koers naar; She —d her life to her duties =
regelde naar; —-shifting is common in nursery tales = plotselinge
transformaties; —able = Shapable; —less = vormloos; subst. —lessness;
—liness, subst. v. —ly = goed gevormd, welgemaakt, schoon.
Shard, šâd, potscherf, eierschaal, slakkeschelp, vleugelschild: The —s
of life = de harde of wreede levensomstandigheden.
Share, šêə, subst. aandeel, gedeelte, ploegschaar; — verb. verdeelen,
deelen, deelnemen: For my — = wat mij aangaat; —s were at a premium =
de aandeelen stonden hoog; Let me bear a — = ook meedoen of bijdragen;
It fell to my — = viel mij ten deel; Shall we go —s? = samen doen, elk
een gelijk deel bijdragen; Personal, nominal — = aandeel op naam;
Scrip, Transferable — = aandeel aan toonder; I — your opinion = ben het
met u eens, deel uwe meening; We did not — in these transports =
deelden niet in; These nations — in the traffic = doen mee aan; We must
— and — alike = gelijkop deelen; —-bone = schaambeen; —-broker =
makelaar in effecten, enz.; —-holder = aandeelhouder; —r = deelhebber.
Shark, šâk, subst. haai, schurk, zwendelaar, smulpaap; — verb.
gauwdieverij plegen, sluw meenemen, schuimen, smullen: He —ed out of it
= draaide er zich uit; —er = gauwdief, smulpaap.
Sharp, šâp, scherp, spits, puntig, doordringend, glad, slim,
scherpzinnig, zuur, waakzaam, bij-de-hand; subst. (noot met een) kruis,
slimmerd, zwendelaar; — verb. scherp maken, van een kruis voorzien,
bedriegen: — at 8 o’clock = precies om = At 8 —; He is — at sums = vlug
in ’t rekenen; A — little boy = bij-de-hand; As — as a ferret = zoo
scherp van oog als een fret; I had a — fit of gripings = hevigen
aanval; He is a — hand = gladde, gewikste, gewetenlooze vent; — dodges,
dealing, practices, tricks = bedriegerijen, knoeierijen; Poverty is a —
weapon; He has a — wit = is gevat; — work = vlug werk; Look — = vlug,
haast u wat; F-— = fis (muz.); —-cut features = scherp belijnde,
scherpe; —-set = gretig, hongerig; —-shod = op scherp (v. paarden);
—-shooter = scherpschutter; —-sighted = met een scherp oog,
scherpzinnig; The sails were —-trimmed = scherp bij den wind gebrast;
—-witted = schrander, scherpzinnig; Sharpen = scherpen, wetten,
aansporen, scherp worden; Sharper = bedrieger, afzetter; Sharpness =
scherpheid, etc.
Shaster, šastə, šâstə, wetboek der Hindoes.
Shatter, šatə, verbrijzelen, verpletteren, scheuren, in stukken vallen,
krenken, ruineeren; —ed = beschadigd; —s = brokken.
Shave, šeiv, het scheren, sneetje, kleinigheid, woekerrente,
afzetterij; — verb. scheren, zich scheren, in sneetjes verdeelen of
snijden, langs strijken, afschuimen, villen: I should like a — = wou
graag geschoren worden; Close — = kort geknipt haar: It was a close
(narrow) — = dat scheelde een beetje; I want to get —d = ik wou me
laten scheren; He —s notes = hij koopt schuldbewijzen op tegen hoog
disconto (Amer.); —-grass = schaafstroo of schuurbies; —ling =
geschorene, monnik; Shaver = barbier, woekeraar, schurk, grappenmaker,
ventje: The baby is a nice — = een aardig rakkerdje; That was a — = dat
liepen we net vrij; Shaving: (—s = krullen); —-basin = scheerbekken;
—-brush; —-glass = scheerspiegel; —-shop; —-soap.
Shaw, šô, kreupelboschje, klein bosch.
Shawl, sôl, subst. sjaal, doek; — verb. met een sjaal omhullen; —-strap
= plaidriem.
Shawm, šôm, schalmei.
Shay, šei = Chaise.
She, šî, subst. vrouw; adj. vrouwelijk; pron. zij: A —-ape =
wijfjesaap; His wife is a —-boss = driedekker, baas (Amer.); A —-man =
manwijf.
Sheaf, šîf, subst. schoof, bundel; — verb. in schoven of bundels
binden; adj. —y.
Sheal, šîl, doppen, schillen; subst. hut.
Shear, šîə, scheren, plukken, villen (fig.); subst. scheerwol,
kromming: A pair of —s = een groote schaar; —-bill = schaarbek (vogel);
—-steel = bruineerstaal; —er = scheerder; maaier; —ling = eens
geschoren schaap; —lings = de wol daarvan; —water = pijlstormvogel.
Sheat-fish, šîtfiš, meerval.
Sheath, šîth, scheede, vleugelschild; —-winged = schildvleugelig;
Sheathe, šîdh, in de scheede steken, intrekken, steken, bekleeden,
koperen: They —d (šîdhd) the sword = staken het zwaard in de scheede;
He —d a dagger into the enemy’s breast = stak in; The cat’s claws were
—d; Sheathing, šîdhiŋ, het bedekken, dubbeling (d.i. bekleeding van den
bodem van een houten schip met een koperen of zinken huid).
Sheave, šîv, schijf van blok of katrol; —s = schooven.
Shebeen, šibîn, stille kroeg (Schotl. en Ierl.).
Shed, šed, subst. keet of loods, hut, afdak, fabrieksgebouw van één
verdieping, hut.
Shed, šed, storten, vergieten (van bloed en tranen), verspreiden,
afwerpen, loslaten: My hair ceased to — = viel niet meer uit; Fowls —
their feathers = ruien; The stag has — its horns = zijne horens
afgeworpen; To — one’s teeth = tanden wisselen; Snakes — their skins =
vervellen; This coat —s water = is waterdicht; —der-crab = krab die pas
zijne schaal heeft afgeworpen; —ding tooth = melktand.
Sheen, šîn, subst. glans, pracht, schittering; adj. glanzend,
schitterend; — verb. schitteren; —y: —y changes = weerschijn.
Sheep, šîp, schaap, schapen (ook fig.): Wolf in —’s clothing; —’s-eye =
bedeesde, verliefde blik, lonk, “oogje”: She has been casting —’s-eyes
at him many a day = toegelonkt; —’s-head = schaapskop, schapekop; To
part (divide) the — from the goats = de bokken van de schapen scheiden;
He is the black — of the family = het schurfte schaap; She seems to
have become a white — = haar leven gebeterd te hebben; —-cot, —-cote =
kleine schaapskooi; —-dog = (schaap)herdershond; —-faced = bedeesd,
schaapachtig, dom; —fold = schaapskooi; —-hook = herdersstaf; —-market
= schapenmarkt; —-master = schapenhouder of -fokker; —-run =
schapenweide; —-shearer = schapenscheerder; —-shearing; —-shears; —skin
= schaapsvel, perkament; —-tick = schapeteek of -luis; —walk =
schapenweide; —-whistling = schapen hoeden; —ish = schaapachtig,
sullig, bedeesd; subst. —ishness.
Sheer, šîə, subst. vorm, lijnen van een schip; adj. en adv. zuiver,
rein, eenvoudig, zeer dun, loodrecht, plotseling, ineens; — verb. geren
of gieren: — nonsense = groote onzin; He pitched him — into the water =
pardoes in; — off = afgieren; — up (alongside) = aangieren
(scheepstermen); —-hulk = schip van —s (= eene hijschstelling)
voorzien, om masten in te hijschen.
Sheerness, šîənes.
Sheet, šît, subst. laken, bedlaken, vel papier, brief (spelden), zeil,
watervlak, schoot van een zeil: — of copper = plaat; — of fire =
vuurzee; — of snow = sneeuwlaken; — of water = waterplas; A weekly — =
weekblaadje; I was quietly between the —s = lag lekkertjes onder de
wol; It came down in —s = in stroomen, het goot; I have got the work in
—s = in losse bladen of vellen; We were sailing with flowing —s = met
gevierde schoten; —-almanac = wandkalender; —-anchor = plechtanker: He
held on to it as by a —-anchor; Courage is the —-anchor of
independence; —-copper = bladkoper; —-iron = plaatijzer; —-lightning =
weerlicht; Sheeted: — corpse = in lijkwade gehuld; — cow = lakenvelder;
— rain = stroomende regen; — smoke = hangende of zwevende rook;
Sheeting = linnen of katoen voor lakens, beddelaken.
Sheik(h), šaik, šeik, šîk, sheik.
Shekel, šek’l, šîk’l, gewicht (± 8 dr.), munt (ƒ 1,50); geld = —s.
Sheldrake, šeldreik, zaagbek; Shelduck = ’t wijfje daarvan.
Shelf, šelf, plank, boekenplank, vak, zandbank- of plaat, laag, rots:
To be laid on the — = ziek, buiten functie zijn; To put (cast) on the —
= ter zijde leggen; To remain on the — = onverkocht blijven; —y = vol
ondiepten, rotsig.
Shell, šel, subst. schaal, schil, bolster, schelp, lier, dop, geraamte
(van een gebouw), romp, ruwe lijkkist, bom, granaat; — verb. schillen,
doppen, ontbolsteren, schrapen, bombardeeren, uitvallen, afschilferen,
opdokken, afvallen (van schil of bast): Shot and — = kogels en
granaten; To — peas = erwten doppen; If you don’t — out promptly, I
shall dun you = dadelijk opdokt; —-almond = kraakamandel; —-back =
zeerob; —-fire = granaatvuur; —-fish = schaaldier; —-jacket = werkkiel
(mil.); —-lime = schelpkalk; —-mounds, Zie Kitchen-middens; —-proof =
bomvrij; —-work = schelpwerk; —y = vol schelpen.
Shellac, šelak, šəlak, schellak.
Shelter, šeltə, subst. beschutting, schuilplaats; — verb. beschutten,
beschermen, eene schuilplaats geven, schuilen, verschuilen: To take (To
seek) —; —less.
Sheltie, Shelty, šelti, Shetlandsche hit.
Shelve, šelv, op een plank plaatsen, wegzetten, ter zijde leggen,
negeeren, zacht hellen: The land —s away to the water = loopt zacht
naar zee af; The shore —d gently up from the water’s edge = liep zacht
hellende op; Society —d him = negeerde hem; Shelving, hellend: This is
a —-trap for the admission of casks = een luik met zacht afloopende
plank.
Shelves, šelvz, pl. v. Shelf.
Shelvy, šelvi, schuin.
Shem, šem, Sem; —itic = Semitic.
Sheol, šîoul, Hebreeuwsche onderwereld.
Shepherd, šepəd, subst. (schaap)herder; — verb. hoeden, passen op;
—-boy; —-dog; —’s crook = herdersstaf; —’s-dog = herdershond;
—’s-needle = naaldenkervel; —’s pouch = herderstaschje; —’s rod (staff)
= behaarde kaardebol; —ess = herderin, landmeisje.
Sherbet, šɐ̂bət, sorbet; soort ijs.
Sherd, šɐ̂d, brok, stuk.
Shereef, šərîf, šerif, Mohamm. vorst of heerscher, eerste magistraat v.
Mecca.
Sheridan, šerid’n.
Sheriff, šerif, schout, bestuurder van een graafschap; —-clerk =
griffier aan het —’s Court; —-officer = deurwaarder bij dit Court;
—alty, —dom, —ship = rechtsgebied of ambt van een Sheriff.
Sherlock, šɐ̂lok; Sherman, šɐ̂m’n.
Sherry, šeri, sherry(wijn); —-cobbler = sherry, suiker en ijswater, dat
door een rietje opgezogen wordt.
Sherwood, šɐ̂wud, Shetland, šetland, eilandengroep = — Islands; —-pony;
—er.
Shew, šou; Zie Show.
Shibboleth, šibəleth, wachtwoord, kenmerk, etc. eener partij.
Shield, šîld, subst. schild, scherm, schut, beukelaar; — verb.
beschermen: God — you from your enemies = bescherme u voor; —less =
onbeschut; subst. —lessness.
Shieling, šîliŋ, hut in de Hooglanden.
Shift, šift, subst. verandering, vervanging, verwisseling, schoft,
(vrouwen)hemd, list, uitvlucht, hulpmiddel; — verb. verschuiven,
overbrengen, omleggen, overgieten, verwisselen (v. kleeren), verhuizen:
That’s my only and last — = redmiddel; He made — to get there in time =
legde het zóó aan; He made — to live = hij redde zich, sloeg er zich
door; This is only a make— = behelp, behulp; Within a week we had —ed,
bag and baggage = waren we met pak en zak over; You are always —ing
about = ge weet niet wat ge wilt; He was —ing about on his chair =
bewoog zich zenuwachtig heen en weer; You must — for yourself = uzelf
redden; I have —ed it off = de zaak uitgesteld; You — off my arguments
= ge ontduikt; The wind —ed to the east = draaide naar; To — one’s
berth = van ligplaats veranderen; To — the helm = omleggen; The scene
was —ed = werd veranderd; We —ed our shirts = deden een ander hemd aan;
—er = rangeermachine, slimmerd; —iness, subst. v. —y; —ing sand =
drijfzand; —less = onbeholpen; subst. —lessness; —y = veranderlijk,
slim, loos.
Shikar, šikâ, jacht; Shikaree, šikârî, jager, sportsman (Brit. Ind.).
Shillalah, šileila, Shillela(g)h, šəlîlag, šəlîla, dikke eiken stok of
knots (Ierland).
Shilling, šiliŋ, Eng. munt (= ƒ 0,60): To take the King’s (Queen’s) — =
dienst nemen; —-dreadful, —-shocker = sensatieroman (van één shilling).
Shilly-shally, šilišali, subst. besluiteloosheid, aarzeling; adj.
besluiteloos; — verb. aarzelen = To be at —.
Shimmer, šimə, subst. schemering, schittering; — verb. schemeren,
gloren: The snow lay —ing brightly in the wintry sun = helder te
glanzen.
Shin, šin, subst. scheen(been); — verb. rondloopen om geld los te
krijgen (= — about); klimmen (= — up): A — of beef = lendestuk; —-bone
= scheenbeen; —-plaster = beenpleister, papiergeld (vooral beneden een
dollar, Amer.).
Shindy, šindi, standje, herrie; voorliefde (Amer.): Eat your words or
there will be a — = of we krijgen ruzie; To kick up a — = herrie maken.
Shine, šain, subst. zonneschijn, glans; standje, ruzie; — verb.
schijnen, schitteren, blinken, krachtig uitkomen (out); glimmend maken:
You were true to me through good and evil, storm and —, in — or rain =
onder alle omstandigheden des levens; Have a —, Sir? = poetsen,
Mijnheer? To take the — off = den glans der nieuwheid ontnemen; He took
the — out of him = stelde hem in de schaduw; The busy bee improves each
shining hour = gebruikt den dagtijd goed; It shone forth in all its
glory = schitterde; —r = goudstuk, schoenpoetser.
Shingle, šiŋg’l, subst. dakspaan, keisteentjes, klein uithangbord
(Amer.); — verb. met dakspanen dekken, kort afscheren (—s =
gordelroos): To hang out one’s — = een zaak openen; —-beach = strand
met keisteentjes.
Shininess, šaininəs, glans; Shining, šainiŋ, glimmend, uitstekend.
Shinny, šini = Shinty, šinti, soort v. kolfspel, kolfstok; — verb.
kolven.
Ship, šip, subst. schip; — verb. inschepen, aan boord nemen;
verschepen, verzenden, monsteren, innemen, over krijgen: His — has come
home = zijn schip met geld is aangekomen; — of the desert = de kameel;
— of the line = linieschip; —’s company = bemanning; To burn one’s —s
(fig.); To take — = zich inschepen; To — off = verschepen, verzenden;
To — the oars = innemen; To — a sea = een stortzee over krijgen;
—-biscuit; —-board: To be (To go) on —-board = aan boord zijn (gaan);
—-breaker = slooper; —-broker = cargadoor; —-builder =
scheepsbouwmeester: —-builder’s yard = werf; —-canal; —-carpenter =
scheepstimmerman; —-chandler = handelaar in scheepsbenoodigdheden;
—-chandlery; —-load = vracht (ook fig.); —mate = scheepskameraad;
—-meter = scheepsmeter; —-money = belasting vroeger in Eng. geheven op
havensteden en aan de zee grenzende graafschappen ten behoeve van de
landsverdediging; —-owner = reeder; —-shape = netjes, behoorlijk in
orde: To put —-shape; —’s-husband = walkapitein; —’s-roll = monsterrol;
—-timber = spant; —wreck = schipbreuk; — verb. schipbreuk lijden, te
gronde richten: We were —wrecked; —wright = scheepsbouwmeester
(-timmerman); —yard = werf; —ment = verscheping, lading; Shipped: —
weight = aan boord genomen vracht; Shipper = inscheper, verscheper,
exporteur; Shipping, subst. alle schepen te zamen, scheepsmacht, vloot,
tonnenmaat; adj. scheeps...: They took — = gingen scheep; —-agent =
scheepsbevrachter; —-articles = monsterrol.
Shire, šaiə (in samenst.: šə, als Wiltshire, wiltšə), graafschap;
—-mote = vroegere graafschapsrechtb. bestaande uit: Sheriff, Bishop en
Ealdorman.
Shirk, šɐ̂k, vermijden, op slinksche wijze ontduiken, zich onttrekken
aan, spijbelen: He never —ed his work; subst. —er.
Shirr, šɐ̂, ingeweven elastiek: —ed garters = elastieken kousebanden.
Shirt, šɐ̂t, subst. hemd; — verb. een hemd aandoen, bedekken, bekleeden:
— of mail = maliënkolder; He has not a — to (put on) his back = hij is
zoo arm als Job; To take one’s — off = uittrekken; —-bosom (= —-front);
—-button; —-collar; —-cuff; —-pin = borstspeld; —-sleeve: In one’s
—-sleeves; —-stud; Shirting = katoen voor hemden.
Shive, šaiv, schijfje, sneetje.
Shiver, šivə, subst. brok, schaard, schilfer, leirots, rilling; — verb.
verbrijzelen, beven, rillen, sidderen, huiveren: The glass fell in —s =
in gruzelementen; To put the —s on a person = doen rillen; To send a —
through = doen huiveren; —ing; —y = broos, trillend.
Shoal, šoul, subst. groote troep, school, menigte; zandbank, ondiepte;
adj. ondiep; — verb. wemelen, samenscholen, ondieper worden; —iness,
subst. v. —y = vol ondiepten.
Shoat, šout, speenvarken; luilak (Amer.).
Shock, šok, subst. schok, botsing, hevige aanval, beroerte, hoop
graanschoven, dikke haarbos, ruigharige hond; — verb. stooten, botsen,
aanstoot geven, kwetsen; adj. ruigharig: A — of earthquake was felt; —s
of yellow hair; To be —ed at = getroffen, gekwetst, geërgerd zijn over;
—-headed = met een dikken bos haar; —er = wie of wat schokt; een draak
v. een roman; —ing = aanstootelijk, stuitend, ijselijk, omgehoord; —ist
= schrijver van sensatieromans.
Shod, šod, beslagen, imp. en p.p. van to shoe.