Wind, wind, wind, tocht, lucht(druk), adem, opgeblazenheid,

blaasinstrument; — verb. luchten, laten doorwaaien, achter adem

brengen, afjakkeren, op adem laten komen: Wood-—s = houten

blaasinstrumenten; The delicacy of the — in the prelude = het fijn

opgevatte gedeelte voor de blaasinstrumenten; —s and strings = blaasen

strijkinstrumenten; The four —s = streken van het kompas; Short — =

korte adem; Sound of — and limb = gezond van lijf en leden; Before the

— = vóór; Close to the — = scherp bij den wind; Down the — = vóór, met

den wind mee; Everything here is going down the — = alles gaat te niet,

naar de maan; We were steaming in the teeth of the — (= in the —’s eye)

= vlak in den wind; There is something in the — = aan de hand, er

broeit wat; To have a thing in the — = lucht van iets hebben; He was

three sheets in the — = aangeschoten; Near the — = scherp bij: To sail

near the — = iets zeggen, dat “bij ’t kantje af” is; You must go as

near the — as you possibly can = het zoo zuinig mogelijk aanleggen; To

preach to the —s = te vergeefs; To throw to the —s = zich niet

bekommeren om; He sails with the — = hij waait met alle winden; With

the — aft, ahead = met den wind van achteren, van voren in; I wish to

ascertain how the — blows = uit welken hoek de wind waait; Sits the —

in that corner? = waait de wind uit dien hoek; To break — = een boer

laten; The horse carries (the) — = draagt zijn kop (neus) hoog; To

change the — = van koers veranderen; He got his second — = kwam op

adem; I got — of it = kreeg er lucht van; The affair got — = de zaak

werd ruchtbaar; I have (take) the — of you = ik ben je de baas; To

raise the — = geld los krijgen; I will take the — out of his sails = de

loef afsteken; (The part of a ship) between — and water = het deel dat

door het rollen van het vaartuig of den golfslag dikwijls boven het

water uit komt; gevaarlijke plaats; — and weather permitting = wind en

weder dienende; Trade —s (= Trades) = passaatwinden; —bag = windzak,

bluffer, praatjesmaker; —bag sleeves = pofmouwen; —bound = door

tegenwind opgehouden; —-break = heining of hek om den wind te breken;

—-broken = dampig (= Broken-—ed); —-dropsy = trommelzucht (Med.); —-egg

= windei; —fall = wat door den wind af- of neergewaaid is,

meevallertje, buitenkansje; —fallen = door den wind afgewaaid; —-flower

= gentiaan, paarsche anemoon; —-furnace = windoven; —-gall = gezwel

onder aan de pooten van een paard; —-gauge = windmeter; —-gun =

windroer; —-guard = vóórruit (van auto); —-hatch = mijnschacht waaruit

het erts naar boven wordt gebracht; —-instrument = blaas- of

windinstrument; —mill = windmolen: You are tilting at —mills = vecht

tegen windmolens; —pipe = luchtpijp; —-rode = door den wind tegen den

stroom in gedraaid (van een geankerd schip); —-row = zwad gras of een

hoop turf (om te drogen); — verb. in regels leggen; —-sail = koelzeil

(als ventilator beneden in het schip); —-side = windzijde; —-tight =

ondoordringbaar voor den wind; —age = luchtdruk, zuiging, speelruimte

(kanon), invloed van den wind op de afwijking van een kogel; —ed:

achter adem; vooral gebruikt in samenst.: Long-—ed = van langen adem;

Short-—ed = kortademig; —less = zonder wind of adem, glad, vlak; —ward,

subst. loefzijde; adj. naar den wind: To —ward = te loever; I have laid

my anchor to the —ward = heb tijdig mijne maatregelen genomen; I have

got (to) the —ward of him = hem de loef afgestoken; —iness, subst. v.

—y = winderig, wind... (— side), opgeblazen.

Wind, waind, winden, draaien, rollen, kronkelen, krom trekken,

wikkelen, telkens veranderen; blazen: To — a call = een commando geven

met het bootsmansfluitje; The horn was wound = er werd op den hoorn

geblazen; To — a ball of worsted = opwinden; He cleverly wound it into

his speech = vlocht dat in; The skein was wound off = werd afgewonden;

He wound himself out of it = redde er zich uit, draaide er zich uit; He

wound his way through all the intricacies of the debate = hij kwam goed

en wel door het ingewikkelde debat heen; To — up a letter = besluiten;

The thread was wound up = werd opgewonden; — (up) your watch = wind uw

horloge op; The band wound up with the national anthem = het orkest

speelde het volkslied tot besluit; The business was wound up = werd

gelikwideerd; If this sort of thing goes on any longer, I shall be

wound up in the bankruptcy court = zal het einde van het liedje een

failliet zijn; —-up = likwidatie: —-up sale = finale uitverkoop;

—ing-up = slot (van een rede), uitverkoop, faillissement; —er, subst.

wie of wat windt, enz., haspel, slingerplant. Zie Winding.

Windhover, windhɐvə, windhovə, torenvalk.

Winding, waindiŋ, subst. bocht, kronkeling, draai; adj. draaiend,

kronkelend, krom, draai...: —-engine = kraan; —-horn = waldhoorn;

—-sheet = lijkwa; dief (aan een kaars); —-staircase = —-stairs =

wenteltrap; —-tackle = hijschtakel.

Windlass, windləs, lier, gangspil; — verb. opwinden met een lier of

gangspil.

Windle-straw, wind’lstrô, boender-(struik-, kam-)gras.

Window, windou, venster, loket; Have you got French —s or sash-—s in

your room? = openslaande (ramen) deuren of schuiframen; The book was in

the — at Green’s = lag voor het raam bij; He broke all the —s = sloeg

alle ruiten in; He came in at the door and got out at the — = en ging

weg door het raam; He looked out at the — = hij keek door het raam naar

buiten; He looked out of the — = hij keek uit het raam naar buiten;

—-blind = zonneblind, jalouzie, (rol) venstergordijn = —-curtain =

gordijn; —-cleaning company = glazenwasscherij; —-dresser = étaleur;

—-dressing; —-duty = belasting op vensters; —-frame = vensterkozijn;

—-glass = vensterglas; —-pane = ruit; —-sash = het op- en neergaande

deel van een raam; —-seat = vensterbank; —-slot = venstergleuf;

—-tapper = porder; —-tax = belasting op de vensters; —ed = met (veel)

vensters.

Windsor, winzə, stad: —-chair = met hoogen rug; —-soap = soort

toiletzeep.

Wine, wain, wijn, dronkenschap, wijnfuif: Still — = niet parelende

wijn; Sparkling —s = parelende wijnen; — and water = grog van wijn;

Spirit of — = wijngeest, alcohol; It is a pity to dilute this — = te

verdunnen; He never mixes his —s = drinkt nooit door elkaar; Good —

needs no bush = behoeft geen krans; When — is in, wit is out = als de

wijn is in den man, is de wijsheid in de kan; When the — is drawn it

must be drunk = men moet het ijzer smeden als het heet is; —-bag =

wijnzak; —-bibber = pimpelaar; —-bin = wijnkist; —-biscuit =

wijnbeschuitje; —-bottle; —-cask = wijnvat; —-cellar = wijnkelder;

—-cooler = koelvat (voor wijnen); —-decanter = karaf; —-glass =

wijnglas; —-grower = wijnbouwer; —-growing; —-lees = wijnmoer;

—-merchant = wijnkooper; —-press = wijnpers; —-shop = wijnhuis; —-skin

= wijnzak; —-stone = wijnsteen; —-vault = groote wijnkelder; —-vaults =

proeflokaal; —-vinegar = wijnazijn.

Winfred, winfred, Winfried.

Wing, wiŋ, subst. vleugel, wiek, vlerk, vlucht, coulisse, épaulet,

molenwiek; — verb. van vleugels voorzien, bevleugelen, vliegen,

doorvliegen, onschadelijk maken (in den vleugel, arm of been treffen):

Swallows on the — = vliegende zwaluwen; We are on the — = aan den

arbeid; The general was on the left — = aan den linker vleugel; She

went there under the —(s) of her mother = onder moeders vleugels; We

went there upon the —s of the wind = op de vleugelen des winds; The

bird beat its —s against its prison = sloeg met; To clip a person’s —s

= iemand kortwieken; His soul has taken — = is (het lichaam) ontvloden;

They took — = gingen aan den haal; The angel —ed his flight (way) to

the earth = richtte zijne vlucht naar de aarde; I doubt if I can — the

ruffian = onschadelijk kan maken; —-case = vleugelschild; —-shell =

vleugelhoren; —-shot = schot op een vliegenden vogel; —-stroke =

vleugelslag; —ed = ge- of bevleugeld, vlug: —ed words = gevleugelde

woorden; —less = zonder vleugels, met rudimentaire vleugels; —let =

vleugeltje.

Wink, wiŋk, subst. knipoogje, wenk, oogenblikje, blink; — verb.

knipoogen, wenken: I did not get a — of sleep last night, I never slept

a — = heb geen oog dichtgedaan; To give (tip) a — to a person = To tip

a person the — = een wenk geven; I will just take forty —s = ga even

dutten; He —ed at my shortcomings = zag door de vingers; —-a-peep =

guichelheil; —er = wimper, oog, oogklep; It was done like —ey, like

—ing = zeer snel en flink.

Winkle, wiŋk’l, alikruik.

Winkle-hawk, wiŋk’lhôk, winkelhaak, scheur (Amer.).

Winnipeg, winəpeg; Winipiseogee, winipisôkî.

Winnow, winou, wannen, ziften, schiften; —er; Winnowing: —-basket

(-machine, -sieve).

Winslow, winzlou.

Winter, wintə, subst. winter; ook adj.; — verb. overwinteren, de

winterkwartieren betrekken, gedurende den winter bewaren (vertoeven),

overhouden (van planten, etc.): It happened at (the) death of —, in the

depth of — = in het hartje van den winter; — apple = winterappel; —

barley = wintergerst; — citron = soort v. winterpeer; — cough =

chronische bronchitis; — crop = winteroogst, wintervrucht; — moth =

wintervlinder; — pear = winterpeer; — quarters = winterkwartieren; They

went into — quarters = betrokken de winterkwartieren; — solstice =

winterzonnestilstand; — suit = winterpak; —-garden = wintertuin; —green

= wintergroen; —-ground = eene plant tegen de koude met stroo bedekken;

—-kill = door strenge koude dooden (Amer.); —-service = winterdienst;

—-time = wintertijd; —-weather = winterweer; —ly = wintersch,

winterachtig, koud, somber = Wint(e)ry.

Winy, waini, naar wijn smakend; dronken.

Wipe, waip, subst. veeg, het vegen, slag; lik (fig.); — verb. vegen,

afvegen, afwisschen, uitwisschen, ranselen: To give a thing a — =

afvegen; He gave me a — = gaf me een lik; I —d his eye = stak hem de

loef af; To — one’s feet (shoes) = voeten vegen; The past cannot be —d

away as we — writing from a slate; Everything was —d off = afgeveegd,

weggevaagd; To — off a score = een rekening vereffenen; To — out = het

levenslicht uitblazen; He was —d (out) of his watch = zijn horloge werd

hem ontfutseld; — it out = veeg of wisch het uit; I have —d up the

floor with him = ik heb hem tegen den grond gesmakt; —r = veger,

stoffer, wisscher; Wiping-cloth (—-clout) = doek.

Wire, waiə, subst. draad, ijzerdraad, telegraafdraad, telegram; — verb.

met een metalen draad vastmaken, aan een draad rijgen, in een strik

(van metaal) vangen, telegrapheeren, met ijzerdraad omringen: He

replied by — = per draad, telegrafisch; To manipulate (pull, work) the

—s = de draden in handen hebben, in ’t geheim besturen; To send a — =

telegram; That boy seems to be all on —s = kan niet stil zitten, heeft

kwik in zijn lijf; He has —d away (in) = is met kracht aan den arbeid

gegaan; — back, please = antwoord per draad verzocht; —-blind =

horretje; —-bridge = hangbrug; —-brush; —draw = trekken of rekken van

metaaldraden, uitspinnen, muggenziften; —drawer = draadtrekker;

—drawing (fig.) = zaniken; —-edge = draad (van een pas geslepen mes,

schaats, etc.); —-entanglement = draadversperring; —-grate = chassinet;

—-gauze = fijn metaalgaas; —-puller = die de draden in handen heeft,

(politieke) intrigant; —-pulling = geheime invloed, intrige(s);

—-stitching = het hechten van de bladen met ijzerdraad; Wireless

telegraphy (— station); Wiriness, subst. v. Wiry = van of sterk als

ijzerdraad, borstelig, mager en gespierd, taai, scherp: His — chin =

zijn scherpe, puntige kin; I am rather —, and can stand a good deal of

fatigue = ik ben nogal taai.

Wisconsin, wiskonsin.

Wisdom, wizd’m, wijsheid, wetenschap; —-tooth = verstandskies: Has he

cut his —-tooth yet? = heeft hij zijn verstandskies al.

Wise, waiz, wijs, verstandig, vroom (Bijb.), ernstig, ervaren, bekwaam:

The three — men of the East = de Wijzen uit het Oosten; — woman =

waarzegster; vroedvrouw; It is easy to be — after the event = wie wist,

die won; Why, man, take it, who is the —r? = wie weet er wat van, wordt

er wat van gewaar; A word to the — is enough = een goed verstaander

heeft maar een half woord noodig, —acre, waizeikə, waanwijze, wijsneus;

—-hearted = wijs, bekwaam; —ness = Wisdom.

Wise, waiz, wijze: In any — = op de een of andere manier; In no — = op

geenerlei manier, geenszins; On this — = op deze manier.

Wish, wiš, subst. wensch, verlangen, begeerte; — verb. wenschen,

verlangen, hopen: To give a person his — = iemands wensch vervullen; To

have one’s — = zijn wensch vervuld krijgen; I — he may do it = ik wou

dat ....; I — you joy (of it) = ik feliciteer u (er mee); I — you well

= ik mag u graag, ben u goed gezind; To — a person at the devil

(Jericho); I —ed for your return = verlangde naar; I —ed him over the

moon = wou dat hij op de Mookerhei zat; —(ing)-bone = borstbeen van een

vogel: To divide a —(ing)-bone, (gezegd van een jongen en een meisje,

die ieder aan een eind trekken; die het langste stuk in de hand houdt,

zal het eerst trouwen of een wensch vervuld zien); —ing-cap (-rod) =

tooverhoedje (roede); —er; —ful = wenschend, verlangend, smachtend: To

be —ful of; subst. —fulness.

Wishart, wišət.

Wish-wash, wišwoš, slap, waterig; ook subst.; Wishy-washy = slap,

onbeduidend, sentimenteel.

Wisp, wisp, wisch, bosje of bundeltje, vegertje, dwaallicht; — verb.

afvegen: A — of a girl = een nietig, schraal meisje, klein ding; — of

hair; adj. —y.

Wist, wist, oud imperf. van to wit.

Wistful, wistful, peinzend, ernstig, droefgeestig, vol droef verlangen;

subst. —ness.

Wistiti, wistiti, soort v. Z. Am. aap.

Wistonwish, wist’nwiš, prairiehond.

Wit, subst. kennis, verstand, vernuft, rede, scherpzinnigheid,

grappigheid of geest(igheid), geestig man, humorist; ook verb. in: To —

= namelijk, te weten: Mother — = natuurlijk gezond verstand; Ready — =

gevatheid; He is at his —’s end, at his —s’ end = ten einde raad; Are

you in your —s? = hebt gij “de vijf” bij elkander; He is out of his —s

= is de kluts kwijt, gek; He has all his —s about him = al zijne zinnen

goed bij elkaar; To come to one’s —s again = weer tot bezinning komen;

To drive a person out of his —s = dol maken; You have frightened them

out of their —s = ze vreeselijk doen schrikken; To live by one’s —s

only = op de een of andere manier zonder werken door de wereld komen;

That will set your —s to work = u alle overleg doen gebruiken; Use your

—s = gebruik uw verstand; —less = dom, onverstandig, dwaas; subst.

—lessness; —ted: Dull-—ed, Quick-—ted = suf, scherpzinnig; —tingly =

voorbedachtelijk.

Witch, witš, subst. heks; — verb. beheksen, betooveren: He is no — =

geen heksenmeester; —craft = —ery; —-elm = bergiep; —-hazel =

hamamelis; —-meal = groote wolfsklauw; —ery = betoovering, bekorting.

Witenagemot(e), witənagəmout, nationale vergadering (bij de

Angel-Saksers).

With, widh, met, mede, door, bij, van, etc.: Blind — fear; Frantic —

despair = gek van wanhoop; Stiff — cold; Thirsty — walking; I have no

power — him = invloed op hem; One year — another = het eene jaar door

het andere; I am — you there = met u eens; Withal, widhôl, daarbij,

bovendien, verder.

Withdraw, widhdrô, terugtrekken, weggaan, onttrekken, terugnemen,

inhouden (bij verkoop): He withdrew his support = onthield ons zijn

steun; He —drew from business = trad uit; —al = terugroeping,

terugtrekking, terugneming, opvraging van inleg; —er; —ing: —ing-room =

Drawing-room; —ment = —al; —n, p.p. van Withdraw.

Withe, w(a)idh, with, subst. wilgentwijgje, rijsje. Zie Withy.

Wither, widhə, verwelken, verdorren, vernietigen: One of those mornings

when it is hot and cold, wet and dry, bright and lowering, sad and

cheerful, withering and genial, in the compass of an hour = akelig

(guur) en lekker; —ed = verdord, uitgedroogd; —ing = vernietigend

(fig.).

Wither, widhə: —-lock = boschje haar, waaraan de ruiter bij het

opstijgen zich vast grijpt; —-wrung = aan de schoft bezeerd of

geschaafd; Withers = schoft van een paard: The — are wrung = de schoft

is stuk geschuurd; mijn geduld is ten einde; To press on the wrung — =

de gevoelige snaar aanroeren; My — are unwrung = ik ben van alle werk

ontslagen, vrij.

Withheld, widhheld, imp. en p.p. van Withhold, widhhould, weerhouden,

onthouden, onttrekken: The permission was withheld from him = werd hem

geweigerd; —er; —ment = onthouding, etc.

Within, widhin, adv. en prep, binnen, in, van binnen, inwendig, niet te

buiten gaande: His room is — mine = men komt in zijne kamer door de

mijne; — call = te beroepen; — doors = binnenshuis; — my memory = voor

zoolang ik mij kan herinneren; — a mile of = nog geen mijl; It is not —

my power = in mijne macht; — my price = in mijn prijs; — a month’s time

= binnen eene maand; The deer was — range = onder schot; — sight; He

was — a little of being killed = het scheelde maar weinig of; Who’s — =

wie is daar? To live — one’s income = niet meer uitgeven dan men te

verteren heeft; To think — oneself = by zich zelf.

Without, widhaut, adv. en prep. zonder, buiten, van buiten, uitwendig,

vrij, beroofd van, onafhankelijk van: — day = zonder een dag te bepalen

voor samenkomst of behandeling; geheel van de baan; — doors =

buitenshuis; — funds in hand = zonder dekking; — one’s reach = buiten

bereik; The station is — the town = buiten de stad; I can get ready —

you = zonder u; I can do — it = ik kan het missen, heb het niet noodig.

Withsay, widhsei, tegenspreken, ontkennen.

Withstand, widhstand, weerstaan, zich verzetten; —er = tegenstander,

die zich verzet; Withstood, widstud, imp. en p.p. van to withstand.

Withwind, widhwaind, akkerwinde, haagwinde.

Withy, withi, w(a)idhi, uit wilgentwijgen, taai, buigzaam.

Witness, witnəs, subst. getuigenis, getuige, ooggetuige (= Ocular —); —

verb. getuige zijn van, als getuige teekenen, ondervinden, beleven: In

— whereof = ten bewijze waarvan; — for the crown, for the prosecution =

getuige à charge; — for the defence, defendant (prisoner) = getuige à

décharge; To bear — to = getuigenis afleggen, betuigen; To call to — =

tot getuige roepen; When we turn to the art of education, the English

educationist does not leave himself without — = laat zich niet

onbetuigd; I took him to — = nam hem tot getuige; You have been

romping, — your hot face = getuige je vuurroode gezicht; The most

violent storm I ever —ed = dien ik ooit beleefd heb; Did you ever —

such a thing? = ooit zóó wat gezien; The signatures were —ed = door

getuigen gestaafd; —-box = getuigenbank.

Witticism, witisizm, geestige zet; Wittiness, subst. v. Witty =

geestig, scherp, snedig.

Witwal, witwôl, groene specht.

Wive, waiv, trouwen, tot vrouw nemen: Hanging and wiving goes by

destiny = hangen en trouwen is eene loterij; This Hottentot chief is

the most —d man (scherts.) = heeft de meeste vrouwen.

Wiveliscombe, wilsk’m.

Wivern, waivən; Zie Wyvern.

Wizard, wizəd, subst. waarzegger, toovenaar.

Wizen, wiz’n, adj. dor, droog, verschrompeld; — verb. verwelken,

verschrompelen; —-faced = met verschrompeld gelaat.

Woad, woud, weede (plant); —ed = met weede, blauw gekleurd.

Wobble, wob’l, waggelen(d loopen); op en neer gaan (van effecten):

“Quawk”, said the pig, and —d off; These pictures are wobbly = onzeker

in prijs. Zie Wabble.

Woburn, wubən, woubən.

Woe, wou, subst. smart, verdriet, wee: — is me = wee mij; — worth the

chase = wee zij de jacht; — worth the day = wee den dag; —begone =

naargeestig, in smart gedompeld; —ful = treurig, ellendig, naargeestig,

droevig; subst. —fulness; —-worn = door smart verteerd; Woful = Woeful.

Wolcot(t), wulkət.

Wold, would, woud, bosch, heuvelland.

Wolf, wulf, subst. wolf, harde wanklank, lupus; — verb. op de

wolvenjacht gaan, gulzig verslinden: A — in sheep’s clothing = een wolf

in een schapevacht; He always cries — = maakt altijd valsch alarm; I

have a — by the ears = ik heb mijn man gevonden; To have a — in the

stomach = een razenden honger hebben; We could hardly keep the — from

our door = nauwelijks den mond open houden; —-dog = wolfshond; —-fish =

zeewolf; —-net = wonderkuil (soort v. net); —’s bane = gele monnikskap;

—’s-claw, —’s foot = wolfsklauw; —’s-peach = tomaat; —ish = wolfachtig,

wreed, vraatzuchtig; —kin, —ling = jonge wolf.

Wolfe, wulf; Wolfram, wulfram, Wolfram; wolframium; Wollaston,

woləst’n; Wolstonecraft, wulst’nkrâft; Wolseley, wulzli; Wolsey, wulzi;

Wolton, wult’n; Wolverhampton, wulvəramt’n.

Wolverine, wulvərin, veelvraat.

Wolves, wulvz, mv. v. Wolf.

Woman, wum’n, vrouw, vrouwelijke bediende: — of the town = prostituée;

— of the world = vrouw van de wereld; My good — = vrouwtje; Kept women

= maîtressen; Lady’s — = kamenier; The New — = de (ultra) moderne

vrouw; The Scarlet — = de moeder van alle ontucht en onheiligheid

(Openb. XXII, 4); That frivolous Winsley — = dat wijf (die meid) van

die W.’s; He played (acted) the — = speelde de rol der zwakke vrouw;

There is a — in the wind = daar zit eene vrouw achter; —-born = uit

eene vrouw geboren; —-built = door vrouwen gebouwd; —-doctor =

doctores; —-hater = vrouwenhater; —-saint; —-servant; —hood =

vrouwelijke staat, vrouwelijkheid; —ish = vrouwelijk, vrouwen...; (—

tears), verwijfd; subst. —ishness; —kind = het vrouwelijk geslacht, de

vrouwen, het vrouwvolk; —like = vrouwelijk, zacht; —liness, subst. v.

—ly = —like; Women, wim’n, vrouwen; —-folk = vrouwvolk; —’s rights =

rechten der vrouw; —’s (Woman’s, Woman-) suffrage = vrouwen-stemrecht;

—kind = Womankind.

Womb, wûm, subst. baarmoeder, schoot: Falling and displacement of the —

= uitzakken; —-fury (med.); —-passage = (hals der) scheede.

Won, wɐn, imp. en p.p. van to win.

Wonder, wɐndə, subst. wonder, verbazing, bewondering; — verb. verbaasd

staan, zich verwonderen, nieuwsgierig zijn, benieuwd zijn: —s will

never cease = de wonderen zijn de wereld nog niet uit; To do (perform,

work) —s = wonderen doen; To look all — = groote oogen opzetten; It

caused considerable scandal, and remained a nine days’ — = en bleef een

korten tijd de aandacht trekken; No article in a review is a nine days’

— = baart ooit lang opzien; In the name of — = om ’s hemels wil; It is

no — he refused = het is heel natuurlijk; He is here, for a — = zoowaar

(vreemd genoeg); The seven —s of the world = de zeven wonderen der

wereld; I — where he can have been = ik ben benieuwd; I — how much he

left me = ik ben toch nieuwsgierig, ben benieuwd; —land = land der

wonderen; —-stricken = —-struck = verbaasd, door verwondering

getroffen; —-working = wonderdadig; —er = wie zich verbaast, etc.;

Wonderful = verwonderlijk, vreemd, verbazend; subst. —ness; Wonderment

= verwondering, verbazing; Wondrous = verwonderlijk, vreemd.

Won’t, wount, samentr. v. Will not: It — do = dat gaat niet.

Wont, wount, wɐnt, gewend; subst. gewoonte, gebruik; — verb. gewend

zijn, plegen; zich gewennen (— oneself): —ed = gewoon, gewend; —less =

ongewoon, niet gewend.

Woo, wû, vrijen naar, dingen naar, het hof maken, trachten te winnen:

They — the battle = zoeken den strijd; —er; —ing: To go a-—ing = uit

vrijen gaan.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 139 / 141 段