Chevrotain, ševrət(e)in, bisamhertje.
Cheyne, tšein, tšain.
Chew, tšû, kauwen, pruimen, overdenken (on, upon); subst. mondvol,
pruim: To — the cud = herkauwen; overleggen.
Chian, kaiən, van Chios.
Chiante, kianti, Tosc. roode wijn.
Chiaroscuro, kjâroskûrou.
Chibouk, Chibouque, tšibûk, Turksche pijp.
Chic, šîk, chic, chiek.
Chicago, šikâgou, šikôgou, šikeigou.
Chicane, šikein, subst. chicane; — verb. chicaneeren; —ry = chicanes,
haarklooverij.
Chichester, tšišəstə.
Chick, tšik, kuiken: bamboejalouzie (Brit. Ind.), snoes: He has neither
— nor child = kind noch kraai; —ling = kuikentje; —-pea = keker; —-weed
= gewone sterrenmuur.
Chickeen, tšikîn, 4 ropijen.
Chicken, tšik’n, kuiken: You must not count your —s before they are
hatched = je moet de huid niet verkoopen voor de beer gevangen is;
Mother Carey’s — = stormzwaluw; iemand die altijd slecht weer heeft;
—-broth = kippesoep; —-hearted = lafhartig; —-pox = waterpokken;
—-rising apparatus = broedmachine.
Chicory, tšikəri, cichorei, suikerij: As much like a gentleman as — is
like coffee.
Chide, tšaid, beknorren, berispen, twisten, kijven.
Chief, tšîf, adj. voornaamste, hoogste, opperste; subst. hoofd,
bevelhebber: Command(er) in — = opperbevel(hebber); To hold land in — =
land onmiddellijk in leen hebben van den souverein; —-baron = president
van het vroegere Court of Exchequer; Lord —-justice = President van de
King’s Bench Division van het Hooggerechtshof; —ly = voornamelijk;
—tain = hoofd, aanvoerder; —taincy, —tainry, —tainship = leiderschap.
Chiffonier, šifənîə, voddenraper; chiffonière.
Chignon, šinjon, chignon.
Chikara, tšikâra, Bengaalsche antiloop.
Chilblain, tšilblein, builen aan handen en voeten door de koude.
Child, tšaild (Meerv. Children, tšildr’n), kind: The — is father of
(to) the man = zoo kind, zoo man; This — = mijn persoontje (Amer.);
From a — = van kindsbeen af; With — = zwanger; —bearing = baren; In
—bed = in het kraambed; —birth = bevalling; —ermasday, tšaildəmasdei,
herdenking (in de Eng. Kerk) van den kindermoord (28 December);
—’s-play = kinderspel (ook fig.); —hood = kindsheid; Second —hood =
kindschheid; —ing = kinderen barend; —ish, —like, —ishminded =
kinderlijk, kinderachtig; —ishness = kinderlijkheid.
Childe, tšaild, jonker.
Chili, tšili; Chilian, tšilj’n, Chiliaan(sch).
Chiliad, kiliad, duizend jaren.
Chill, tšil, kil, koel, koud, ontmoedigend; subst. koude rilling,
koude, koudheid; — verb. koud maken (worden), verstijven, ontmoedigen,
temperen, huiveren: To catch a — = een bekleuming opdoen; To take the —
off = laten beslaan; —(i)ness = koude, etc.; —ing blast = snijdende
wind; —y = kil, kleumsch; onhartelijk.
Chiltern Hundreds, tšiltənhɐndridz, Domeingoederen in Bucks. en
Oxfords., waarover het nominale rentmeesterschap wordt gegeven aan een
parlementslid, dat aftreden wil, daartoe niet het recht heeft, doch als
Steward hiertoe verplicht is.
Chimb, tšaim, kim van een vat.
Chime, tšaim, klokkenspel (—s = carillon, melodie), rhythmus, harmonie,
kim; — verb. harmonisch luiden (klinken), harmonieeren, instemmen,
invallen (in); overeenstemmen (with).
Chimera, kai- of kimîrə, Chimaera; schrikbeeld; hersenschim;
Chimeric(al) = hersenschimmig.
Chimere, šimîə, tšimə, wit opperkleed van een bisschop.
Chimney, tšimni, schoorsteen, lampeglas: The — smokes = de schoorsteen
rookt, de lamp walmt; —-cap = gek; —-corner = hoekje v. d. haard;
—-hook = ketelhaak, vuurhaak; —-money = belasting op schoorsteenen;
—-piece = schoorsteenmantel; —-pot = schoorsteenpot; kachelpijp (fig.)
= —-pot (silk) hat; —-shaft = deel van den schoorsteen boven het dak;
—-sweep(er) = schoorsteenveger.
Chimpanzee, tšimpanzî, tšimpanzî, chimpansé.
Chin, tšin, kin: To thrust the — into the neck = den neus in den wind
steken; Up to the — = tot over de ooren; Double —ned = met onderkin;
—-music = gesnater; —-scale = (helm)ketting; —-strop = kinriem.
China, tšainə, China; porselein; adj. porseleinen: —-clay =
porseleinaarde; —man = Chinees; schip, dat op China vaart; —-orange =
sinaasappel; —-shop = porseleinwinkel; —ware = porselein; Chinee =
Chinees; Chinese, tšainîz, tšainîs, Chinees(ch), Chineezen: — lantern =
lampion.
Chinch, tšinš, graanworm; wandluis (Amer.).
Chinchilla, tšintšilə, chincilla (bont).
Chine, tšain, subst. ruggegraat, ruggestuk, rug; kloof.
Chink, tšiŋk, subst. spleet, reet; gerinkel; geld; — verb. stoppen;
rinkelen.
Chinka, tšinka, soort hangende brug (Brit. Ind.).
Chintz, tšints, sits.
Chios, kaios.
Chip, tšip, subst. brokje, splintertje, spaan, afval (= —s), soort hoed
van gevlochten bast; — verb. stuk snijden, bekappen, afbreken,
afschilferen, afbrokkelen, openspringen: He is a — of the old block =
hij heeft een aardje naar zijn vaartje; Not to care a — for = geen lor
geven om; A little — of an old lady = een oud dametje; From —ping comes
—ping = men hakt geen hout of er vallen spaanders; —-axe =
timmermansbijl, snik, houweel.
Chippendale, tšipəndeil, een meubelmaker uit het midden van de 18de
eeuw.
Chippy, tšipi, katterig.
Chirk, tšɐ̂k, levendig, vroolijk; — verb. tjilpen (Amer.).
Chiropodist, Chiropedist, kairopədist, spécialist voor ziekten aan
handen of voeten; likdoornsnijder.
Chirp, tšɐ̂p, tjilpen, kweelen; subst. gekweel, getjilp; —er.
Chirr, tšɐ̂, kirren.
Chirrup, tširəp, verb. tjilpen, opvroolijken; interj. allo! —py =
levendig, opgewekt.
Chirurgeon, kairɐ̂dž’n, wondheeler, chirurg.
Chisel, tšiz’l, subst. beitel; — verb. beitelen, uitbeitelen,
beeldhouwen; bedriegen.
Chisholm, tšiz’m, Chislehurst, tšiz’lhɐ̂st; Chiswick, tšizik.
Chit, tšit, kind, klein nest, jong ding: A — of a child; A little — of
a nurse-girl; —ty = klein en mager, kinderachtig; subst. brief, pas.
Chit-chat, tšitšat, gekeuvel, gebabbel, praatjes.
Chitter, tšitə, huiveren, rillen, klapperen (van tanden).
Chitterlings, tšitəliŋz, varkensdarmen.
Chivalresque, šiv’lresk = Chivalric, šiv’lrik, šivalrik = Chivalrous =
ridderlijk; Chivalry, šiv’lri, ridderschap, ridderlijkheid.
Chiv(e)y, tšivi, (op)jagen.
Chloe, kloui.
Chloral, klôr’l, chloraal; —-eater = aan ’t gebruik van chloraal
verslaafde; —ism = vergiftiging door onmatig gebruik van chloraal.
Chlorine, klôr(a)in, chloor; adj. groen.
Chloroform, klôrəföm, chloroform; — verb. chloroformiseeren.
Chlorosis, klərousis, bleekzucht; Chlorotic = bleekzuchtig.
Chock, tšok, klos; — verb. vastzetten.
Chock, tšok: —-a-block = —ful = stikvol.
Chocolate, tšokəlit, subst. chocolade; adj. chocoladekleurig: —-cake =
koekje; —-creams = pralines; —-drop = flikje.
Choice, tšôis, subst. keus, keur, assortiment; adj. uitgelezen, keurig;
For — = bij voorkeur; To make — = kiezen (of); To have (make, take)
one’s — = een keus doen; To have Hobson’s — = van den nood eene deugd
moeten maken; —ness = uitgelezenheid.
Choir, kwaiə, subst. koor, zangkoor; — verb. in koor zingen; —-screen =
koorhek.
Choke, tšouk, worgen, verstikken, naar adem snakken, stikken;
verstoppen, versperren (up); remmen: To — off = door worgen dwingen tot
loslaten, smoren, den mond snoeren, afschrikken, remmen; subst. baard
van de artisjok; snik; —-damp = stiklucht, mijngas; —-pear, —-plum (=
—r) = aftroeving; —weed = bremraap; —ful = stikvol; —rs = witte das,
vadermoorders (fig.): White —rs = geestelijken, kellners; A speckled —r
= hooge das met stippels; Choky, verstikkend.
Choler, kolə, gal; toorn; Choleric, kolərik, galzuchtig, opvliegend.
Cholera, kolərə, cholera; Cholerine, kolər(a)in, cholerine.
Cholmondeley, tšɐmli.
Choltri, tšoultri, herberg (Brit. Ind.).
Choose, tšûz, kiezen, verkiezen, uitkiezen, liever hebben (— rather):
There is not much to — between them = ’t is één pot nat; I cannot — but
say = ik kan het niet helpen, maar....
Chop, tšop, subst. cotelet of ribbetje, houw, korte golfslag, stempel,
douanebiljet, kwaliteit; — verb. afkappen, kappen, hakken, voortdurend
veranderen; —s = kinnebak, bek, monding: —s and changes = wisselingen;
To — and change = koopen en verkoopen; voortdurend veranderen; To —
logic = redekavelen; —-fallen (Zie Chap-fallen); — house = gaarkeuken;
—-sticks = eetstokjes; —per = hakmes: Logic —per = wauwelaar; —ping =
flink, kort (van golfslag), plotseling omslaand (wind); —ping-block =
hakbord; —ping-knife = hakmes; —py = vol barsten; onstuimig.
Chopin, tšopin, oude vochtmaat 0,85 L. (Schot.) 0,23 L. (Eng.).
Choral, kôr’l, tot een koor behoorend, in koor gezongen; Chorale,
kərâl, koraal.
Chord, köd, subst. snaar, pees, accoord, koorde; — verb. besnaren.
Chore, tšö huiswerk (Amer.). Zie Chare.
Chorea, kərîə, St. Vitusdans.
Chorister, koristə, koorzanger, leider van een kerkkoor (Amer.).
Chortle, tšöt’l, grinniken.
Chorus, kôrəs, koor, refrein; — verb. in koor zingen.
Chose, šouz, zaak (jur.).
Chose, tšouz, imperf. van To choose; —n, part, van To choose: My —n
friend = boezemvriend.
Chough, tšɐf, kauw.
Choultry, tšoultri, tšaultri, herberg (Brit. Ind.).
Chouse, tšaus, bedrog; — verb. bedriegen; —r = bedrieger.
Chow-chow, tšautšau, subst. Chineesche maaltijd; soort mixed pickles;
adj. vermengd.
Chowder, tšaudə, subst. gerecht, bestaande uit visch, varkensvleesch en
scheepsbeschuit; een picnic waarbij dit de hoofdschotel is; —-headed =
dom, suf.
Chowree, Chowry, tšauri, vliegenwaaier (Brit. Ind.).
Chrestomathy, krəstoməthi, bloemlezing.
Chrism, krizm, heilige olie; Chrismation = toediening van het oliesel;
Chrismatory = fleschje met gewijde zalfolie.
Chrisom, kriz’m, doek, gezalfd met heilige olie, en den kinderen bij
het doopen op het hoofd gelegd; doopkleed, pasgedoopt kind; kind, dat
binnen eene maand na den doop sterft.
Christ, kraist, Christus; —-cross-row, kriskrosrou, ’t alphabet; —en,
kris’n, doopen, noemen; —endom, kris’nd’m, Christenheid; —ian,
kristj’n, subst. Christiaan; Christen; adj. Christelijk: —ian era =
Chr. jaartelling; —ian name = doopnaam; —ianity, krist’janiti,
Christendom; Christianize = bekeeren.
Christmas, krisməs, subst. Kerstmis; adj. tot het Kerstfeest
behoorende: —-box, krisməsboks, kerstgeschenk; —-carol, krisməskar’l,
kerstzang; —-day = Kerstdag, Kerstfeest; —-eve, krisməzîv, (de avond
van) 24 December; —-flower = —-rose = helleborus, zwarte nieswortel;
—-tide = Kersttijd; —(s)y = kerstfeestachtig.
Christina, kristînə.
St. Christopher, s’ntkristəfə.
Chromatic, krəmatik, chromatisch: —s = kleurenleer; — scale =
chromatische toonladder.
Chrome, kroum, Chromium, kroumjəm, chromium.
Chromolithography, krouməlithogrəfi, chromolithographie = Chromo: You
will find insurance —s in all my rooms = gekleurde platen van
levensverzekeringmaatschappijen.
Chronic, kronik, chronisch; —al = tijdelijk.
Chronicle, kronik’l, subst. kroniek; — verb, boekstaven; —r =
kroniekschrijver; Chronologic(al) = chronologisch; Chronology,
krənolədži, chronologie.
Chronometer, krənomətə, chronometer.
Chrysalis, krisəlis (Meerv. Chrysalides, krisalidîz) pop (van een
vlinder).
Chrysolite, krisəlait, chrysoliet.
Chub, tšɐb, wimber.
Chubbiness, tšɐbinəs, dikwangigheid, molligheid; adj. Chubby.
Chubb-lock, tšɐblok, slot, naar een bekend slotenmaker, Chubb, genoemd.
Chuck, tšɐk, subst. geklok, lieverd, aai (onder de kin), worp (tot op
kleinen afstand); — verb, klokken, roepen, aaien, gooien, er uit gooien
(out): To — the whole business (thing) = er den brui van geven, met
iets uitscheiden; To — under the chin = strijken; To — up the sponge =
zich gewonnen geven; —-farthing = subst. een spel, waarbij centen in
een kuil worden geworpen: To play —-farthing with = weggooien, op ’t
spel zetten; adj. ondoordacht: —-farthing politics.
Chuckle, tšɐk’l, subst. klokken, gegrinnik; — verb, klokken, kakelen,
liefkoozen, grinniken: To — up (in) one’s sleeve = in zijn vuistje
lachen; —-head = domkop; —-headedness = domheid.
Chudleigh, tšɐdli.
Chum, tšɐm, subst. contubernaal, kameraad, intieme vriend; — verb. met
iemand samen eten of wonen; —my = intiem, gezellig.
Chump, tšɐmp, subst. houtblok; kop, schaapskop (fig.): He’s off his — =
niet recht snik; — verb. eten kauwen.
Chunam, tšunâm, kalk ter bestrijking der in sirihbladeren gewikkelde
areka.
Chunk, tšɐŋk, brok, klomp: We’ve cut off a bigger — than we can chew =
onze oogen waren grooter dan onze maag; —y = kort en dik.
Chupatti, tšûpati, ongezuurde koek (Brit. Ind.).
Chuprassy, tšûprasi, boodschaplooper (Brit. Ind.).
Church, tšɐ̂tš, subst. kerk, de geestelijkheid; ook verb.: To be —ed =
den kerkgang doen; in de kerk genoemd worden bij wijze van afkeuring
(Amer.); Anglican — = — of England; Broad — = kerk met meer liberale
leerstellingen; High — = Angl. kerk; Low — = het Calvinistisch gezinde
gedeelte der Angl. Church; To be at (in) —; To attend — = bijwonen; To
go to —; He was as fast asleep as a — = hij sliep zeer vast, als een
marmot; They were asked in — = zij stonden onder de geboden; —-burial =
begrafenis naar den ritus der kerk; —-goer = kerkganger; —-living =
prebende, predikantsplaats; —man = geestelijke; lid van de Angl. kerk;
—-music = koraalmuziek; —-rate = kerkbelasting; —warden = kerkmeester,
kerkvoogd; lange pijp; —yard = kerkhof; —ing = kerkgang na bevalling;
—y = kerksch.
Churl, tšɐ̂l, landman, vlegel, vrek; —ish = boersch, lomp, vrekkig.
Churn, tšɐ̂n, subst. karn; — verb. karnen, krachtig roeren, koken of
zieden.
Chute, šût, vangzeil (= Canvass —), goot, stroomversnelling; opening in
een dam voor vlotten (Amer.).
Chutnee, Chutney, tšɐtni, Ind. kruiderij.
Chyle, kail, chijl.
Chyme, kaim, chym of spijspap.
Ciborium, sibôrj’m, ciborie, hostiekastje, hostievaas.
Cicada, sikeidə, cicade, zingende krekel, soms sprinkhaan = Cicala,
sikâlə.
Cicatrice, sikətris, litteeken, nerf. Zie Cicatricle.
Cicatricle, sikətrik’l, nerf; hanetred.
Cicatrix, sikeitriks, sikətriks, litteeken, nerf; Cicatrization =
vergroeiing; Cicatrize = vergroeien.
Cicero, sisərou; Ciceronian, Ciceroniaansch.
Ciceron(e), tšitšərouni, sisərouni = cicerone.
Cichory, sikəri; Zie Chicory.
Cicuta, sikjûtə, dolle kervel, waterscheerling.
Cid, sid, opperhoofd, aanvoerder (Spaansch).
Cider, saidə, cider, appelwijn.
Cigar, sigâ, sigaar; —-box = kistje; —-case = koker; —-cutter =
knipper; —-divan = rooksalon, waar men voor 1 sh. een sigaar en een kop
koffie krijgt; —-factory = fabriek; —ette, sigəret, cigarette.
Cilia, siljə, oogharen; Ciliate(d), met wimpers; Ciliary, wimper - -.
Cimbric, simbrik, Kimbrisch(e taal.)
Cimmerian, simîrj’n: — darkness = uiterste duisternis.
Cinchona, sinkounə, kinaboom.
Cincinnati, sinsinâti, sinsinati.
Cincture, sinktjə, gordel, band; — verb. omgorden.
Cinder, sində, sintel, slak: Yours to a — = tot mijn laatsten snik;
—-pail = doofpot; —-woman (—-wench) = kolenraapster; —y = slakvormig.
Cinderella, sindərelə, Asschepoetster (ook fig.): —’s glass slipper.
Cinematograph, s(a)inəmatəgraf, kinematograaf.
Cineraria, sinirêriə, cineraria.
Cinerary, sinərəri, subst. urn; adj. asch...: —-vase (—-urn).
Cingalese, siŋgəlîz, siŋgəlîs, Cingaleesch; subst. Cingalees.
Cinnabar, sinəbâ, cinnaber.
Cinnamon, sinəm’n, kaneel; —-stick = pijpkaneel; —-stone = kaneelsteen.
Cinque, siŋk, vijf: —foil = vijfvingerkruid; —-ports = vijf
havenplaatsen: Dover, Sandwich, Hastings, Romney en Hythe, waarbij
later nog kwamen Winchelsea, Rye (en Seaford), onder bevel van den Lord
Warden of the —-ports, ter verdediging van de kust; het ambt is thans
een sinecure.
Cipher, saifə, subst. de 0, cijfer, naamletter, cijferschrift; — verb.
berekenen, cijferen, ontcijferen, meeklinken: To be (stand for) a mere
— = een nul in ’t cijfer zijn; What’s the —? = wat kost het? —-key =
sleutel; —ing-book = rekenboek.
Circassia, sɐ̂kašə, Circassië: —n = Circassiër; Circassisch.
Circe, sɐ̂sî, Circe; Circean, betooverend.
Circensian, sɐ̂senš’n, circus...
Circle, sɐ̂k’l, subst. cirkel, kring, omtrek, cirkelgang, rang, diadeem;
— verb. zich in het rond bewegen, zwenken (v. cavalerie), omringen: To
go round in a — = in een kringetje ronddraaien (ook fig.); —-trains =
ceintuurbanen; —d in on all sides = rondom ingesloten; —t = cirkeltje,
ringetje.
Circuit, sɐ̂kit, omloop, omtrek, geregeld bezoek of rondgang,
(rechts)gebied, omweg: — verb. zich in een kring bewegen; Ten miles in
— = in omtrek; To make a — = omweg; To go the — = zijne tournée maken;
To put in —, out of — = aansluiten (van telefoon, b.v.), in-
uitschakelen; —or = rondreizend inspecteur; —ous, sɐ̂kjûitəs, met een
omweg; —y, sɐ̂kjûiti, kringloop, cirkelgang, omweg.
Circular, sɐ̂kjulə, subst. circulaire; adj. cirkelvormig, rond,
rondgaand; — announcement (— letter) = circulaire; — letter of credit
(— note) = kredietbrief: —-sailing = het zeilen langs den boog van een
grooten cirkel; — ticket = rondreisbiljet; Circularity = rondheid;
Circularize = circulaires zenden; Circulate = (laten) circuleeren,
rondgaan, verkeeren; Circulating: — decimal = repeteerende breuk; —
library = leenbibliotheek; — medium = ruilmiddel; Circulation,
circulatie, omloop: — of the blood; Bank of — = girobank; — of matter =
stofwisseling; To be (To put) in —; Circulative = circuleerend;
Circulator = repetent: — of scandal = lastertong; Circulatory =
circuleerend, rondtrekkend.
Circumambient, sɐ̂k’mambj’nt, omgevend; Circumambulate = rondwandelen;
polsen; Circumambulation = rondgang, etc.; Circumbendibus = omweg.
Circumcise, sɐ̂k’msaiz, besnijden; Circumcision = besnijdenis.
Circumference, sɐ̂kɐmfər’ns, omtrek; adj. Circumferential.
Circumflex, sɐ̂k’mfleks, circonflex; rondbuigen, van een circonflex
voorzien.
Circumfluent, sɐ̂kɐmfluent, omstròòmend.
Circumfuse, sɐ̂k’mfjûz, omgieten; Circumfusion = verbreiding (fig.).
Circumgyrate, sɐ̂k’mdžaireit, ronddraaien; Circumgyration =
ronddraaiing.
Circumjacent, sɐ̂k’mdžeis’nt, omliggend, omgevend.
Circumlocution, sɐ̂k’mləkjûš’n, omschrijving; noodelooze omslag;
Circumlocutory, sɐ̂k’mlokjutəri, omschrijvend.
Circumnavigable, sɐ̂k’mnavigəb’l, omvaarbaar; Circumnavigate = omvaren;
Circumnavigation = òmvaring; Circumnavigator.
Circumpolar, sɐ̂k’mpoulə, om de pool.
Circumscribe, sɐ̂k’mskraib, omschrijven, beperken; Circumscription =
begrenzing, beperking.
Circumspect, sɐ̂k’mspekt, omzichtig; Circumspection = omzichtigheid.
Circumstance, sɐ̂k’mst’ns, subst. omstandigheid, voorval, gebeurtenis,
toestand; — verb.: To be —d = in een bepaalden toestand zijn; Not a —
to = niets in vergelijking met (Amer.); Circumstantial, omstandig,
toevallig: — evidence = derivatief bewijs, bewijs door reductie;
tegenover Direct evidence = blijk; Extenuating —s = verzachtende
omstandigheden; Circumstantiate = omstandig meedeelen, verifieeren.
Circumvallation, sɐ̂k’mvəleiš’n, circumvallatie.
Circumvent, sɐ̂k’mvent, misleiden, bedriegen; —ion = bedrog; —ive =
bedriegelijk.
Circumvolute, sɐ̂kɐmvəl(j)ût, omwikkelen. Circumvolution = omwikkeling.
Circus, sɐ̂kəs, circus: —-rider = paardrijder.
Cirencester, sisəstə.
Cirrose, sirous, Cirrous, sirəs, met ranken (vederwolken); Cirrus,
sirəs (Mv. Cirri, sirai), hechtrank; vederwolk.
Cisalpine, sisalp(a)in, Cisalpijnsch.
Cisatlantic, sisətlantik; aan deze zijde van den Atlantischen oceaan.
Cispadane, siseid’n, sispədein, ten Z. van de Po.
Cis(sy), sis(i), verkorting van Cecily, sisili.
Cist, sist, kist; Keltisch graf.
Cistercian, sistɐ̂š’n, subst. Cistenciencer monnik; leerling van de
Charterhouse School; adj. van een —.
Cistern, sistən, (vergaar)bak, put.
Cit, sit, burger, philister.
Citadel, sitədel, citadel.
Citation, saiteiš’n, dagvaarding; aanhaling; Letter Citatory =
dagvaarding; Cite, sait, dagvaarden; aanhalen, aanvoeren; —r =
deurwaarder.
Cithara, sithərə, Cither(n), sithə(n), cither.
Citizen, sitiz’n, subst. burger; adj. burger—: The — King; —-soldier =
burgermilitair; —ship = burgerrecht.
Citrin(e), sitrin, subst. citrin; adj. citroengeelkleurig.
Citron, citr’n, citroen(boom).
Citrus, sitrəs, lemoen.
City, siti, subst. groote stad (oorspronkelijk: bisschopsstad);
handelswijk van Londen; in Amer. elke stad; de burgers; adj. stads—:
Mr. A. of this — = de Heer A. alhier; —-article = beursbericht; —-bag =
soort reistasch; —-fathers = de raad; —-hall = stadhuis; —-man =
koopman; —fied = versteedscht.
Civet-cat, sivətkat, civetkat.
Civic, sivik, burger—: — crown = burgerkroon; — guard = burgerwacht; —s
= leer van de rechten en plichten eens burgers.
Civil, sivil, burger—, civiel, beschaafd, beleefd: Doing the — to =
beleefd zijn tegen; — death = verlies der burgerschapsrechten,
afsterven van de wereld; —-engineer = civiel-ingenieur; — law =
burgerl. recht; — list = civiele lijst; — servant = burgerlijk
ambtenaar; — service = civiele dienst, burgerlijke ambtenaren; —-spoken
= beleefd; —ian, sivilj’n = professor in (beoefenaar van) ’t civiele
recht; —ity, siviliti, beleefdheid, beschaafdheid; —ities = attenties;
Civiližation, beschaving; —ize = beschaven, civiliseeren.
Clabber, klabə: Bonny —, subst. dikke, zure melk; — verb. klonteren
(Amer.).
Clack, klak, subst. geklepper, klepper, geratel (fig.), klik, klep,
babbelaar: — verb. klappen, snappen, kakelen, klappeien: He —ed his
whip; —-box = ventiel; —-dish = doos of bord met beweegbaar deksel van
de vroegere bedelaars.
Clad, klad, gekleed; bevredigd.
Claim, kleim, subst. aanspraak, eisch, concessie aanvraag, stuk land,
dat een kolonist productief maakt om het zoo mogelijk te koopen; —
verb. aanspraak maken op, eischen: He —s kindred with us = zegt dat hij
familie van ons is; To enter (To make, put in) a — = eisch instellen;
To give up (renounce, waive) a — = laten varen; To lay — to = aanspraak
maken op; —-jumper = iemand die een stuk land in bezit neemt, waarop
een ander een vroeger recht heeft; —ant, eischer, pretendent.
Clair, klêə: The telegram was sent en — = open besteld.
Clam, klam, subst. naam van allerlei soorten mossels (mantelschelpen,
stroommossels, zoetwatermossels) mond, domkop (Amer.); nijptang,
schroef; sabel van Harlekijn: He shut up like a — (Amer.) = zweeg als
een mof; —-bake = clams (gapers en venusschelpen) gebakken op heete
steenen met laagjes aardappelen, visch en maïs; picnic waarbij dit het
hoofdgerecht is (Amer.); If it isn’t true, I am a —-shell = ben ik “ik
weet niet wat”; Shut your —-shell = houd je mond.
Clam, klam, klamheid; honger; adj. klam, — verb. besmeren, verstoppen;
kleven; hongerlijden.
Clamber, klambə, klouteren.
Clamorous, klamərɐs, luidruchtig, tierend, schreeuwend; Clamour, klamə,
subst. getier, luidruchtigheid; weeklacht; — verb. luid schreeuwen,
tieren, dringend eischen, klagen.
Clamp, klamp, subst. klamp; zware voetstap, hoop (steenen); — verb.
klampen, lasschen, zwaar stappen; —-nails = klampnagels.
Clan, klan, stam, geslacht, kliek, secte: They —ned together = zij
staken de hoofden bij elkaar; —nish = aanhankelijk; —nishness =
aanhankelijkheid; —ship = clan-schap; —sman = lid van een clan.
Clandestine, klandestin, heimelijk, ongeoorloofd.
Clang, klaŋ, harde klank, gekletter, geraas; interj. kling! — verb.
klinken, (laten) kletteren: A clanking noise = een kletterend,
rammelend geraas.