Sphere, sfîə, subst. bol, hemellichaam, globe, kring, loopbaan, schijf,

omvang, gebied, rang, klasse, lucht, hemelgewelf; — verb. onder de

hemellichamen plaatsen, rood maken: — of action; — of influence; To be

summoned to a wider — of usefulness (van predikanten); That is out of

my —, within my — = ligt buiten (binnen) mijn gebied of (werk)kring;

—-melody, —-music = de harmonie der sferen; Spherical, sferik’l,

bolvormig: — triangle = boldriehoek; — trigonometry =

boldriehoeksmeting; Sphericity, sfərisiti, bolvormigheid; Spheroid,

sfîrôid, spheroïde.

Sphinx, sfiŋks, sfinx.

Spicate, spaikit = Spicous.

Spice, spais, subst. specerij, bijsmaak, zweempje; — verb. kruiden: He

has a — of the wilful in his character = is wat eigenzinnig; —-bush

(—-wood) = benzoëboom; The — Islands = de Molukken; —ry = specerijen in

’t algemeen, specerijbergplaats; Spiciness = kruiderigheid.

Spick, spik, nagel, spijker: —-and-span = spiksplinternieuw.

Spicous, spaikəs, arendragend.

Spicular, spikjulə, met scherpe punten, gebaard; Spiculate, spikjulit,

adj. bedekt met fijne punten; Spicule, spikjûl, (ijs)naald.

Spicy, spaisi, geurig, pikant.

Spider, spaidə, spin, driepoot: To step into the parlour of the — = in

de val loopen; —-catcher = muurkruiper; —-crab = zeespin; —-web =

spinrag; —’s web = spinneweb.

Spigot, spigət, zwikje (in een vat).

Spike, spaik, subst. aar; lange spijker, nagel, pin, stekel, doorn; —

verb. vernagelen: This argument —d his battery = bracht hem tot

zwijgen; To — guns = vernagelen; —-lavender = smalbladige lavendel;

—-nail = lange nagel; —-team = driespan (Amer.); Spiked: — fence =

schutting met spijkers erop; — helmet.

Spikenard, spaiknâd, spaiknəd, nardus(olie).

Spiky, spaiki, met scherpe punten.

Spile, spail, pen, spil, staak, paal.

Spill, spil, subst. fidibus; val, tuimeling; “krach”; — verb. storten,

vergieten, morsen, doen vallen, omwerpen; bak brassen (scheepst.): He

twisted a piece of paper into a —; —s are of common occurrence =

ongevallen komen vaak voor; —ing-lines = geilijnen, gordingen. Zie

Spilt.

Spillikins. Zie Spellicans.

Spilt, spilt, imp. en p. perf. van to spill: It is no use crying over —

milk = gedane zaken nemen geen keer.

Spin, spin, subst. het spinnen of draaien, snelle, onafgebroken

beweging, snelle rit of loop; — verb. spinnen, lang rekken, doen

draaien, snel ronddraaien, zich snel voortbewegen, voortsnorren,

zakken, etc.: Your life is not worth the — of a farthing = is geen duit

waard; A — on a bicycle = toertje; He was spun at courting = liep een

blauwtje; He was spun at the examination = hij zakte; I’m glad that the

prig has got spun = dat die verwaande fat den wind van voren kreeg,

zakte; The carriage was seen —ning along the road = zag men

voortsnorren; The blow sent him —ning back = deed hem achteruit

vliegen; The blood spun from the wound = gutste uit; To — round =

ronddraaien; To — a top = zetten; I will — you a yarn = een verhaal

doen (gew. uit het zeemansleven); —-drift = nevel van opgewaaid schuim;

—-text = langdradig prediker; —ner = spinner, spinmachine, spinnekop: A

capital —ner of a yarn = verteller; —neret = spinklier; —nery =

spinfabriek; —ning: —ning-jenny = spinmachine; —ning-mill =

spinfabriek; —ning-wheel = spinnewiel.

Spinaceous, spineišəs, tot de spinazieplanten behoorende; Spinach,

Spinage, spinidž, spinazie: All gammon and — = allemaal bedriegerij.

Spinal, spain’l, tot de ruggegraat behoorende: — column = ruggegraat; —

consumption = ruggemergstering; — cord (— marrow) = ruggemerg; —

curvature = verkromming; Spine, spain, doorn, stekel, ruggegraat, rug.

Spindle, spind’l, spoel, dunne en puntige as, spille-linie, dunne

stengel: Her mouth is a —-edition of her uncle’s = de vrouwelijke

pendant van; —-legged, —-shanked = met spillebeenen; —-legs, —-shanks =

spillebeenen; —-shaped = spoel- of spilvormig; —-side = vrouwelijke

(spille) linie.

Spinescent, sp(a)ines’nt, doornachtig; Spiniferous, spainifərɐs,

doornig, doornen hebbend.

Spink, spiŋk, boekvink, schildvink.

Spinnaker, spinəkə, groot bijzeil van yachts.

Spin(n)et, spinət, spinet.

Spinn(e)y, spini, struikgewas, boschje.

Spinose, spainous, spainous, doornig, vol doornen; Spinosity,

spainositi, doornigheid, netelige kwestie; Spinous, spainəs = Spinose.

Spinozism, spinouzism, spainəzizm, wijsgeerig stelsel van Spinoza;

Spinozist = volgeling van S.

Spinster, spinstə, jonge dochter, ongetrouwde vrouw; ook adj.; —hood =

—ship.

Spiny, spaini, doornig, moeielijk, delicaat.

Spiracle, sp(a)irək’l, luchtgat, luchtbuis.

Spiraea, spairîə, spiraea.

Spiral, spair’l, subst. spiraal; adj. puntig, met eene spits,

kronkelend, schroefvormig: — spring = spiraalveer; — staircase,

stairway = wenteltrap.

Spirant, spair’nt, schuringsgeluid.

Spire, spaiə, subst. sprietje, halm, spits toeloopend voorwerp, top,

torenspits, spiraallijn; — verb. zich verheffen als eene piramide of

spits, uitspruiten, opschieten.

Spires, spaiəz, Spiers.

Spirit, spirit, subst. geest, leven, levenskracht, geestverschijning,

spook, geestkracht, opgewektheid (gew. meervoud), aard, temperament;

geestrijke dranken (steeds meerv.); — verb. bezielen, aanvuren, in

stilte wegvoeren of doen verdwijnen: The (Holy) — = de H. Geest;

Father, Son and —; Evil (Good) — = kwade (goede) geest; Public — =

belangstelling in de publieke zaak; — of the age (time) = tijdgeest; —

of turpentine; — of wine; Animal —s = opgewektheid; Ardent —s =

spiritualiën; Choice —s = buitengewone geesten; To be in —s = opgewekt,

vroolijk; dronken; He was in low, in high —s = terneergeslagen,

opgewekt; His flow of —s was wonderful = zijne vroolijkheid; You cannot

raise a person’s —s = iemand opmonteren; She recovered her —s = kreeg

haar bewustzijn terug; It was —ed away = verdween ongemerkt; The

servant was —ed out of the country = in alle stilte buiten het land

gebracht; —-lamp = spirituslamp; —-level = luchtbelwaterpas; —-license

= vergunning; —-rapper = geloover in —-rapping = spiritistische

manifestaties, zooals geklop, het bewegen van tafels, enz.: She has

gone stark mad on the —-rapping imposition = die spiritistische

koolverkooperij heeft haar stapelgek gemaakt; —-trade = handel in

spiritualiën; Spirited = bezield, levendig, opgewekt: Dull-— = saai,

suf; A high-— man = fier; Low-— = terneergeslagen; Mean-— = laag;

Narrow-— = bekrompen; —ism = spiritisme; —ist = spiritist; —less =

geesteloos, terneergeslagen, suf; Spiritual, spiritjuəl, geestelijk,

onstoffelijk, verstandelijk: — adviser = geestelijk adviseur; — court =

geestelijk gerechtshof; — wife = elke volgende vrouw na de eerste, bij

de Mormonen; —ism = geestelijke aard, leer dat geest geheel

onderscheiden is van stof, spiritisme; —ist = spiritist; —istic,

spiritjuəlistik: —istic meetings = spiritistische bijeenkomsten;

Spirituality, spiritjualiti, onstoffelijkheid, geestelijke aard;

Spiritualities = inkomsten v. een bisschop; Spiritualization, subst. v.

Spiritualize, spiritjuəlaiz, geestelijk maken, met geest bezielen, eene

geestelijke beteekenis geven; Spirituous, spiritjuəs: — liquor = sterke

drank; Spiritus = ademhaling; spiritus: — asper = geaspireerde letter;

— lenis = niet geaspireerde letter; Spirometer, spairomətə, spirometer.

Spirt, spɐ̂t. Zie Spurt.

Spiry, spairi, spits.

Spit, spit, subst. (braad)spit, landtong, spadevol (spit), speeksel,

koekoeksspog (v. het schuimbeestje), evenbeeld; — verb. aan het spit

steken, doorboren, spuwen: That boy is the (dead) very — of his father

= evenbeeld zijns vaders; He was spat upon (at) everywhere = men spuwde

op (naar) hem; —box = —toon; —fire = driftkop.

Spitalfields, spit’lfîldz.

Spitchcock, spîtškok, subst. speetaal; — verb. aal in de lengte

splijten en braden.

Spite, spait, subst. spijt, wrok, wrevel, kwaadaardigheid; — verb.

kwaadaardig dwarsboomen, krenken, kwellen: I did it (in) — of warnings

= ten spijt van; I bear you a — = koester wrevel (wrok) tegen u; —ful =

spijtig, kwaadaardig; subst. —fulness.

Spittle, spit’l, speeksel; Spittoon, spitûn, spuwbak, kwispeldoor.

Splash, splaš, subst. bemoddering, plons, geplas, geklater; — verb.

bespatten, beslijken, plassen, klateren: He made a big — = baarde heel

wat opzien; The undertaking is sure to make a — in the book world = zal

heel wat opzien baren; The — of the great fountain = het klateren;

—-board = spatbord; —er = spatbord; —y = modderig, slijkerig; chic.

Splatter, splatə, plassen, klateren; —-dash = spektakel.

Splay, splei, subst. binnenwaartsche verwijding v. eene opening; adj.

buitenwaarts gekeerd, lomp, plomp; — verb. naar binnen verwijden;

—-foot = buitenwaarts gekeerde voet; —-mouth = groote mond, scheeve

mond; —-shouldered = kreupel.

Spleen, splîn, milt, miltzucht, zwaarmoedigheid, wrok, toorn, haat: To

vent one’s — on = zijn wrok koelen aan; —-sick = miltzuchtig,

zwaarmoedig; —ful = toornig, gemelijk, zwaarmoedig = —ish = —y.

Splendent, splend’nt, schitterend; Splendid, splendid, prachtig,

luisterrijk, rijk, weelderig, grootsch: We gained a — victory over the

enemy = eene glansrijke overwinning; subst. —ness; Splendour, splendə,

pracht, praal, glans: Sun in — = de zon voorgesteld met menschengelaat

en door stralen omringd (Herald.); Splendrous, splendrəs, prachtig.

Splenetic, splənetik, gemelijk, slecht geluimd; subst. hypochonder;

Splenic, splenik: — fever = miltvuur; Splenitis, splənaitis, ontsteking

van de milt.

Splice, splais, subst. splitsing; — verb. splitsen, trouwen: He ran

over to England to get —d = om te trouwen; To — the main brace =

bezaanschoot aantrekken (een extra oorlam geven).

Splint, splint, splinter, spalk; —er, splintə, subst. splinter; — verb.

splinteren; —er-bar = zwengelhout; —er-proof = bomvrij; —ery = uit

splinters bestaande, als splinters, schilferig, met schilfers.

Split, split, subst. scheur of barst, scheiding, verdeeling, scheuring,

halve flesch; adj. gescheurd, verdeeld, gescheiden; — verb. scheuren,

splijten, scheiden, bersten, (ver)klappen, stranden, mislukken: —

Infinitive = de door een bijw. gescheiden deelen v. een infinitive,

zooals: Allow me to heartily congratulate you; To — a bottle of wine =

met zijn tweeën drinken; Two brandies and a soda — = en een fleschje

soda-water voor 2 personen; To — the difference = deelen; To — one’s

votes = op kandidaten van verschillende partijen stemmen; We — (our

sides) with laughing = barstten van lachen; The ship — on a rock = werd

tegen eene rots verbrijzeld; He has — on a rock = is niet geslaagd, in

zijne verwachtingen bedrogen; To — upon = een medeschuldige verklappen;

—-peas(e) = spliterwten; A —ting headache = razende, brekende

hoofdpijn.

Splosh, sploš, geld.

Splotch, splotš, vlek, smet; adj. —y.

Splutter, splɐtə, subst. gespat, gesputter, geraas, drukte; — verb.

spatten, sputteren: My pen —ed = spatte; —er.

Spoil, spôil, subst. buit, plundering, roof; — verb. rooven, plunderen,

bederven, schaden, verijdelen: The soup would have —ed = zou bedorven

zijn; A —ed child; He —ed me of the best furniture I had = beroofde mij

van; He came in, and was —ing for a fight in a minute = en dadelijk

jeukten hem de handen om te vechten; —-sport = spelbederver; —er.

Spoke, spouk, spaak, sport, remketting: I’ll put a — in your wheel =

eene spaak in het wiel steken.

Spoke, spouk, —n, spouk’n, imp. en p.p. van to speak: To be well (ill)

—n = zich keurig (slecht) uitdrukken: (on)vriendelijke woorden

gebruiken; Spokesman = woordvoerder, voorspraak.

Spoliate, spoulieit, (be)rooven, plunderen; subst. Spoliation;

Spoliator = roover, plunderaar.

Spondaic, spondeiik, uit een spondeus bestaande; Spondee, spondî,

spondeus.

Sponge, spɐnž, subst. spons, gerezen deeg, spoor v. een hoefijzer,

klaplooper, tafelschuimer, kanonwisscher; — verb. (af)sponzen,

uitwisschen, inzuigen, klaploopen; rijzen (van deeg): He chucked, threw

up the — = hij gaf zich gewonnen; Let us pass a — over it = de spons er

over halen (fig.); —-cake = een spongieus gebak; —let = sponsje; That

fellow is a downright —r = een echte klaplooper; Sponginess =

sponsachtigheid; Sponging-house, spɐnžiŋhaus, huis van een

gerechtsdienaar waar gijzelaars 24 uur werden gehouden om hun vrienden

gelegenheid te geven voor hen te betalen; Spongy = sponsachtig.

Sponsion, sponš’n, borgtocht.

Sponsor, sponsə, borg, peetvader, peetmoeder: The poor child was barely

—ed = had zoo te zeggen niemand, die het onder zijne vleugels nam; To

stand — = borg (peet) zijn voor; He had stood — for her dramatic talent

= had ontwikkeld; —ial, sponsôriəl, tot een sponsor behoorende; —ship.

Spontaneity, spontənîiti, vrijwilligheid, eigen aandrift; Spontaneous,

sponteinjəs, vrijwillig, uit eigen beweging, spontaan, in ’t wild

groeiend, zelf...: — combustion = zelfont- en zelfverbranding; —

generation; subst. —ness.

Spontoon, spontûn, soort kleine piek.

Spoof, spûf, bedrog: To play — = bedriegen.

Spook, spûk, spook; — verb. spoken.

Spool, spûl, spoel, klos.

Spoom, spûm, lenzen (scheepst.).

Spoon, spûn, subst. lepel, kolfstok, sukkel; liefje; — verb. met een

lepel eten, vangen (met lepelhaak) “flirten”, vrijen: To be past the —

= de kinderschoenen ontwassen; Brought up with a — = met kunstmatig

voedsel grootgebracht; Don’t stand staring like a — = sta daar niet zoo

ezelachtig te gapen; He is dead —s on the girl = hij is “smoorlijk” op

het meisje; He is the wooden — = hij is de laagste op de ranglijst bij

het wiskundig Honours Exam. voor den B.A. graad te Cambridge;

Dessert-—, Gravy-—, Table-—, Tea-— (in Sport Slang respectievelijk 10,

20, 15 en 5 duizend £); He has —ed her for ever so long = hij heeft

naar haar gevrijd; He had all the tackle, necessary for —ing pike = om

snoek met een lepelhaak te vangen; —-bill = lepelaar (zwemvogel);

—-diet = soep-dieet; —-meat, —-victuals, —vit’lz = lepelkost; —-wort =

gewoon lepelblad; —ful; —(e)y, subst. sukkel, hals; adj. sullig,

“smoorlijk”: He is —(e)y on her = vol verliefd op haar.

Spoon-drift, spûndrift, opgejaagd, warrelend schuim.

Spoor, spûə, subst. spoor (v. een dier); — verb. een spoor volgen (Z.

Afr.).

Sporadic(al), spəradik’l, verspreid, sporadisch voorkomend: — plants, —

disease.

Spore, spö, spoor (bij cryptogamen); Sporiferous, spəriferɐs, sporen

dragend.

Sporran, spor’n, tasch of beurs der Hooglanders.

Sport, spöt, subst. vermaak, spel, tijdverdrijf, scherts, (voorwerp

van) spot, speeltuig (fig.), speling, sport; — verb. zich vermaken of

verlustigen, spelen, geuren met, varieeren (biolog.): In (For) — = uit

de grap; — of nature = speling; That is — to him = dat doet hij

spelend; He made — of (with) me = hield me voor ’t lapje; I won’t spoil

— = de spelbreker zijn; To spoil a person’s — = een streep door de

rekening halen; He —s a gold watchchain = geurt met een gouden

horlogeketting; —ful = vroolijk, dartel, uit de grap; Sporting: —-dog =

jachthond; I am not a — man = ben geen sportsman; —-paper = sportblad;

Sportive = vroolijk, speelsch, wat op sport betrekking heeft: His —

knowledge is very wide = hij is van sport geheel op de hoogte;

Sportsman = iemand die aan sport doet, jager: —like = zooals een

sportsman past; —ship = bedrevenheid in en liefde voor sport;

Sportswoman = vrouw die aan sport doet.

Spot, spot, subst. spat, vlek, smet, klad, plek(je), oog, acquit

(bilj.); — verb. besmetten, bevlekken, marmeren, bespikkelen, acquit

geven, herkennen, indentificeeren, ontdekken, snappen: Do it on the — =

onmiddellijk; That went to the — = die was raak; Dove-colour —s with

the rain = vlekt; I —ted it at once = ik snapte het dadelijk; He

attacked Mr. “Spots” with his sword = den luipaard; —-ball = de roode

bal; —-hazard = stoppen van den rooden bal van ’t acquit in een der

bovenzakken; —-price = naaste prijs; —-stroke = een serie van

—-hazards: —less = vlekkeloos; subst. —lessness; —ted = gevlekt, bont:

—ted fever = vlektyphus; —ter = detective, tramcontroleur (Amer.);

—tiness, subst. v. —ty = vol vlekken, gespikkeld.

Spousal, spauz’l, subst. huwelijk, bruiloft (gew. meerv.); adj.

huwelijks - - -, echtelijk: — ring = trouwring; Spouse, spauz, gemaal,

gade: The — of Christ.

Spout, spaut, subst. tuit, pijp, buis, spuit, waterstraal, soort lift

voor goederen (vooral in de pandjeshuizen); — verb. uitgieten, spuiten,

met vertoon of hoogdravend spreken (declameeren), verpanden: My watch

is up the — = is bij “Oome Jan”; He —ed some poetry of Byron =

reciteerde (ironisch); If I had a gold watch, I would — it like a shot

= ging het dadelijk naar den lommerd; —er = hoogdravend redenaar of

acteur; walvisch.

Sprain, sprein, subst. verrekking, verstuiking; — verb. verrekken,

verstuiken: I have —ed my ankle = mijn enkel verstuikt.

Sprang, spraŋ, imperf. van to spring.

Sprat, sprat, sprot: To throw (To fling away) a — to catch a whale =

een spiering uitwerpen om een kabeljauw te vangen.

Sprawl, sprôl, languit en nonchalant (gaan) liggen, zich rekken,

spartelen; onregelmatig ontplooien (v. cavalerie): To go —ing = languit

neervallen.

Spray, sprei, subst. schuim, sproeiregen, irrigator, sproeier; takje,

rijsje; verb. (be)sproeien.

Spread, spred, subst. uitgebreidheid, omvang, uitgestrektheid,

ontplooiing, disch; — verb. zich uitstrekken, verbreiden, ontplooien,

verspreiden, dekken, spreiden, bijzetten, smeren: The pea-cock —s his

tail = pronkt; Yours is a good figure for our artist to — himself on =

aan uwe taille kan onze coupeur zijne kunst eens toonen (Amer.); You —

it thin = gij smeert de boterhammen dun; The report was — abroad

everywhere = werd overal bekend gemaakt; The table was — (over) with

good cheer = het was een welvoorziene disch; —-eagle, subst. adelaar

met uitgespreide vleugels (herald.); gebraden, opengesneden en met

truffels opgediende vogel; adj. bombastisch, ijdel: To make a —-eagle

of a person = voor de brits geven; —-eaglism = bombast, grootspraak;

nationale bluf, chauvinisme (Amer.); —er = spatel.

Spree, sprî, pret, drinkgelag: On the — = aan den boemel: Berlin is a

merry town, being always on the —.

Sprig, sprig, subst. takje, rijsje, stift; — verb. m. takjes of bloemen

versieren, spijkertjes slaan in; —gy = vol takjes of spruitjes.

Spright, sprait, subst. geest, gesteldheid; — verb. rondwaren, spoken;

—liness, subst. v. —ly = levendig; vroolijk, opgewekt, dartel.

Spring, spriŋ, subst. sprong, veerkracht, veer, drijfveer, bron, lente,

fontein; — verb. springen, opspringen, ontspringen, voortkomen,

opkomen, aanbreken, opschieten, doen springen, boren, opjagen (van

wild): The lion took a — = deed in eens een sprong; He sprang at us =

sprong naar ons toe; The water —s forth from the earth = borrelt uit

den grond; He had sprung from the people = was voortgekomen uit; All

his faults — from neglect = komen uit achteloosheid voort; The

mountain-goat sprang on from rock to rock = sprong van rots tot rots;

Plants — (up) from the earth = komen uit den grond; The diplomat sprang

this treaty on the congress = verraste het congres met; The death of

the heroine is sprung upon the reader = de schrijver valt den lezer

onverhoeds op het lijf met; To — a leak = een lek krijgen; The police

sprang their rattles = sloegen hunne ratels op; To — a well = graven,

boren; —-bed = springveermatras; —-board = springplank; —bok = antilope

(Z. Afr.); —-carriage = rijtuig op veeren; —-cart = karretje op veeren;

—-chicken = piepkuiken; —-halt = hanespat (v. een paard); —-head =

fontein, bron, oorsprong; —-mattress; —-tide(s) = springtij; —-time =

lentetijd; —-wheat = zomertarwe; —al, spriŋg’l, spring-in-’t-veld; —er

= springer, opjager van wild, naam voor springbok en jonge dolfijn;

—iness = elasticiteit; —ing: —ing-board = springplank: He used his

position as a —ing-board to higher flights; —y, spriŋi, elastisch.

Springe, sprinž, subst. strik, lus, valstrik; — verb. strikken, in een

strik vangen.

Sprinkle, spriŋk’l, subst. gesprenkel, stofregen (= — of rain); — verb.

(be)sprenkelen, sprengen, bestrooien, stofregenen: To — the linen; The

floor had been —d with sand = met zand bestrooid; —r = sprengvat

(-kwast); Sprinkling = sprenkeling, sprankel: He has got a — of Spanish

= weet een hap en een snap van het Spaansch; There was a fair — from

the two universities at the meeting = de beide hoogescholen waren op de

bijeenkomst vrij goed vertegenwoordigd.

Sprint, sprint, korte, snelle wedloop (= —-race); — verb. er hard van

door gaan; —er = deelnemer aan een —-race.

Sprit, sprit, subst. spriet, boegspriet; —sail = sprietzeil.

Sprite, sprait, geest, kabouter.

Sprod, sprod, zalm in het tweede jaar.

Sprout, spraut, subst. spruit, loot; — verb. (uit)spruiten, opschieten:

—s = spruitjes.

Spruce, sprûs, subst. gewone spar; adj. netjes, keurig, vlug, piekfijn;

— verb. keurigjes opschikken of opflikken; —-beer = jopenbier, bier

waarbij de bladen en takjes van de —-fir (soort spar), in plaats van

hop worden gebruikt; subst. —ness = keurigheid.

Spruit, sprût, stroompje: A little — or runnel of water (Z. Afrika).

Sprung, sprɐŋ, part. perf. van to spring.

Spry, sprai, levendig, vlug, wakker; bij-de-hand, glad (Am.): As — as

a lark = zoo vlug en vroolijk als een leeuwerik.

Spud, spɐd, korte spade om wortels uit te graven, alles wat kort en dik

is, dwerg, aardappel.

Spume, spjûm, subst. schuim; — verb. schuimen; Spumescence, spjûmes’ns,

het schuimen; Spumescent, spjûmes’nt, schuimend; Spumous, spjûməs,

schuimend, sponsig.

Spun, spɐn, imperf. en p. perf. van to spin: — butter = door een zeef

geperste boter; — glass; — hay = gesponnen hooi (mil.); — silver; —

yarn = schiemansgaren.

Spunge, spɐnž. (Zie Sponge): Her black gown was —d and turned and

lengthened into something like decent mourning = werd geperst en

gekeerd en verlengd tot ze een fatsoenlijke rouwjapon geleek.

Spunk, spɐŋk, tonder, zwam; vuur, geest; — verb. ontvlammen: Man of — =

driftkop; —y = vurig.

Spur, spɐ̂, subst. spoor, prikkel, spoorslag, aansporing; hoofdwortel,

uitlooper van een gebergte, sneb, kniestuk, moederkoren; — verb. de

sporen geven, aanzetten, van sporen voorzien, zich haasten, snel

rijden: To clap (give, put, set) —s to, To strike with the —s = de

sporen geven, aansporen; The horse did not obey the rider’s — =

luisterde niet naar de sporen; To win one’s —s = zijne sporen verdienen

(fig.); He did not know what to say on the — of the moment = zoo gauw

zou antwoorden; He acted on the — of the moment = hij volgde zijne

ingeving; He was —ring on at the top of his speed = hij reed spoorslags

voort; —-gall, subst. spoorwond; —-royal = gouden munt uit den tijd van

Eduard VI; —-rowel = spoorraadje; —-way = rijpad; —-wheel = tandrad;

—less; —red rye = moederkoren; —rer; —rier = sporenmaker.

Spurge, spɐ̂dž, wolfsmelk; —-laurel = laurierbladig peperboompje.

Spurious, spûriəs, onecht, valsch: Yours is a — edition = is een

nadruk; — shillings; subst. —ness.

Spurling, spɐ̂liŋ, spiering, zeezwaluw; —-line = lijn van het stuurrad

naar den “verklikker” in de kajuit.

Spurn, spɐ̂n, subst. smadelijke verwerping of behandeling; — verb.

verachten, versmaden: I — doing this action = acht het beneden me dit

te doen; —er.

Spurry, spɐri.

Spurt, spɐ̂t, subst. krachtige straal, aandrang, korte en plotselinge

inspanning; — verb. uitspuiten, zich plotseling tot het uiterste

inspannen: I heard the quick — of a match and he lit another cigar =

het plotseling knappen (knetteren) van een lucifer; He tried to get a —

of work out of me = trachtte gauw wat werk van mij gedaan te krijgen;

He made (put on) a — and won = hij zette voor ’t laatst krachtig aan;

He was —ing for the goal = deed op het laatste moment krachtig zijn

best om den eindpaal te bereiken.

Sputter, spɐtə, subst. gespat, herrie; — verb. sputteren, spatten: He

—ed at me = hij voer hevig tegen mij uit = —ed his gall; —er.

Sputum, spjûtəm, speeksel, fluim(en); meerv. Sputa.

Spy, spai, subst. spion; — verb. in ’t oog krijgen, bespeuren,

ontdekken, spionneeren, bespieden, navorschen: Don’t — into it = vorsch

er niet naar; I Have not been able to — it out = het uit te vorschen;

—-boat = adviesjacht; —-glass = kijker; —-hole = kijkgat; —-mirror =

spionnetje.

Squab, skwob, subst. jonge duif, jong ding, soort van rustbank, kussen;

adj. kort en dik, plomp, nog ongevederd; — verb. plomp neervallen; adv.

plomp: He fell — into the pit = viel plompverloren; —-pie =

duivenpastei; —bish = log, plomp.

Squabble, skwob’l, subst. ruzie, gekrakeel, geharrewar; — verb.

krakeelen, twisten, scheef zetten; —r = ruziemaker.

Squabby, skwobi = Squabbish.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 113 / 141 段