Stir, stɐ̂, subst. beroering, drukte, opwinding, oploop, oproer, leven,

geraas; — verb. roeren, omroeren, oprakelen, bewegen, in beweging

brengen, zich bewegen, in beweging zijn, verluiden, gebeuren, opstaan,

op zijn, bezig zijn, uitgaan, etc.: It made quite a — = baarde veel

opzien; Not a breath is —ring = er beweegt zich geen windje; There is

no money —ring = er komt geen geld onder de menschen; There is no news

—ring = er is niets geen nieuws; Is nobody —ring? = is nog niemand op?

My blood was —red = raakte aan ’t koken; You shall not — abroad (from

the house, a step out of this house) to-day = je komt vandaag de deur

niet uit; Something —red in my memory = kwam op in mijne herinnering;

He —red the hot mixture round and round = roerde maar steeds; These

measures —red up the nation = schudden de natie wakker; —-about =

haverpap, bedrijvig persoon; Stir-up Sunday = de 26e Zondag na

Pinkster.

Stirrup, stirəp, stɐ̂rəp, stijgbeugel: He has his foot in the — = zijn

voet in den beugel; —-cup = afscheidsglaasje (glaasje op de valreep);

—-leather (—-strap) = riem van den stijgbeugel; —-oil = flink pak

ransel.

Stitch, stitš, subst. steek (— in the side = steek in de zijde); —

verb. naaien, bestikken, innaaien (van boeken), stikken, voren graven:

Without a — of clothes = stuk kleeren; A — in time saves nine = werk op

tijd maakt welbereid; She made several false —es = verkeerde steken;

The surgeon —ed up the wound = naaide de wond dicht; —-wort =

sterremuur.

Stive, staiv, smoren.

Stiver, staivə, stuiver, kleinigheid.

Stoat, stout, wezel, hermelijn.

Stock, stok, subst. stam, stengel, stronk, paal, blok, houten klaas;

lade van een geweer of pistool, oorsprong, geslacht, voorraad,

veestapel, kapitaal, fonds, aandeel (kapitaal), effecten, stropdas,

bouillon, voorhanden goederen, gereedschap; adj. voorhanden, lijf - -,

vast, stam - -; — verb. opleggen, vullen, verrijken, voorzien, van vee

voorzien, bevolken, opslaan: Dead — = werktuigen en producten; Live — =

levende have; Rolling — = rollend materieel; Working — = materiëel; —s

= blok (strafwerktuig), aandeelen, effecten, stapelblokken: We must get

it on the —s soon = op stapel zetten; To put in the —s = in het blok

zetten; He cried his — = ventte luide; The clergyman took — of the

young fellow = nam op; The notary took — of everything = maakte een

inventaris op; He took little — in the Franco-Russian alliance = stelde

weinig vertrouwen; To be in — = goed bij kas zijn; To have in (on) — =

in voorraad; — of learning = schat van kennis; — in trade =

bedrijfskapitaal; — piece = répertoirestuk; His — remarks = vaste,

steriotype aanm.; Being over—ed, we cannot insert your paper =

aangezien we te veel copie hebben; We are well —ed with everything =

ruim van alles voorzien; A garden —ed with raspberries = vol frambozen;

—-breeder = veefokker; —-broker = makelaar in effecten; —-dove = kleine

boschduif; —-exchange = effectenbeurs; —-farm = boerderij voor

veeteelt; —-farmer; —-feeding = mesten; —-fish = stokvisch: Mute as a

—-fish = zoo stom als een visch; —-gilliflower = winterviolier;

—-holder = aandeelhouder; —-jobber = effectenhandelaar of speculant;

—-jobbery; —-list = koerslijst; —-man = veehoeder; —-market =

geldmarkt; veemarkt; —-pot = pot waarin bouillon staat te trekken;

—-raiser = fokker; —-rider = bereden veehoeder (Austr.); —-rose =

stokroos; —-station = fokstation; —-still = bewegingloos; —-taking =

inventarisatie; —-ticker = instrument, dat den stand der beurs

aangeeft; —-watering = nominale vergrooting van kapitaal; —-yard =

omsloten plaats voor vee. Zie Stockish.

Stockade, stokeid, subst. omheining, palisadeering; — verb. omheinen,

met palisaden versterken.

Stockinet, stokinet, katoen voor kousen, etc.

Stocking, stokiŋ, kous: He stands six feet in his —s (in his —-feet) =

op zijne kousen is hij zes voet lang; He wants to fill his — = hij

wenscht een kous te maken (fig.); To hang up a — = (met kerstmis door

kinderen); To make a — = een kous maken; —-frame = machine om kousen,

enz. te weven; —-yarn = breiwol.

Stockish, stokiš, stijf; Stocky = dik, gezet; eigenzinnig.

Stodge, stodž, volstoppen: Schools should not merely — us with

information = volproppen met; Stodgy, stodži, adj. dik, gezet,

onverteerbaar.

Stoic, stouik, subst. Stoicijn, adj. stoicijnsch; —al = stoicijnsch;

subst. —alness; —ism = leer der Stoicijnen, ongevoeligheid.

Stoke, stouk, stoken: —-hold = —-hole = stookruimte (-gat); Stoker =

stoker: Gas —s.

Stole, stoul, lang los gewaad, smalle zijden doek waarvan de uiteinden

breed uitloopen, die om den hals gehangen tot aan de knieën reikt;

stola: Groom of the — = opperkamerheer (in Engeland).

Stole, stoul, Stolen, stoul’n, imperf. en p.p. van to steal.

Stolid, stolid, dom, ongevoelig, stijf, onbehouwen; subst. —ity,

stoliditi = —ness.

Stomach, stɐmək, subst. maag, (gewoonlijk voor) buik, eetlust, neiging,

moed, toorn, norschheid, aanmatiging; — verb. slikken, verduwen: To

disorder (spoil, upset) one’s — = zijn maag bederven; My — rises = ik

word misselijk; It goes against the — with me = stuit me tegen de

borst; To have little — for = weinig trek hebben in; Such food sticks

in the — = ligt zwaar op de maag; To turn a person’s — = misselijk

maken; He —ed that injury = slikte die beleediging; —-ache = maagpijn,

buikpijn; —-pump = maagpomp; —-worm: The —-worm gnaws = mijn maag

jeukt; Stomacher, stɐməkə, lijfje, borstlap; Stomachic, stəmakik,

maagversterkend, maag...; maagmiddel: — fever = gastrische koorts.

Stone, stoun, subst. steen, edelsteen, druksteen, pit, niersteen,

hagelkorrel of strontje op het oog; bij de rensport en bij wol en

haver, gewicht van 14 lbs = ± 6,360 K.G.; bij vleesch en visch in

Londen ± 3,629 K.G.; adj. steenen; — verb. steenigen, met steenen

plaveien of omwallen, steenen (pitten) verwijderen uit: The

philosopher’s — = de steen der wijzen; — of offence = steen des

aanstoots; To break —s = steenen kloppen; I will not cast the first —

at him = den eersten steen niet werpen; You cannot get blood out of a —

= waar niets is heeft de keizer zijn recht verloren; To kill two birds

with a — = twee vliegen in één klap slaan; Not to leave a — standing =

geen twee steenen op elkaar laten; To leave no — unturned = niets

onbeproefd laten; To mark with a white — = (als iets bijzonders) met

een krijtje aan de balk schrijven; To walk upon the —s = rondslenteren;

To — plums = de pitten uit pruimen verwijderen; —-age = steenperiode;

—-blind = stekeblind; —-bottle = kruik; —-break = knollige steenbreek;

—-broke = aan lager wal: Your money came in precious handy, for I was

close on —-broke = want ik was “er aan toe”; —-buck = steenbok;

—-chat(ter) = roodborst-tapuit; —-coal = anthraciet; —-coral = massief

koraal (tegenover getakt); —crop = muurpeper; —-curlew (-plover) =

griel; —-cutter = steenhouwer; steensnijder; —-dead = morsdood; —-deaf

= stokdoof; —-falcon = steenvalk; —-fruit = steenvrucht; —-hammer =

steenhamer; —-hard = zoo hard als steen, ongevoelig; —-hatch =

bontbek-pluvier; —-hearted = met een hart van steen; —-horse = hengst;

muurpeper; —-mason = steenhouwer; —-pit = steengroeve = —-quarry;

—’s-cast, —’s-throw = steenworp: Within a —’s-throw = op den afstand v.

een steenworp; —-still = volkomen stil, bewegingloos; —-wall = steenen

muur; —-walling tactics = parlementaire obstructie; — ware = aardewerk

of steengoed; —work = metselwerk; —-wort = waterhalm; Stoniness, subst.

v. Stony = steenachtig, vol steenen, meedoogenloos, verhard, zonder

geld; —-hearted = hardvochtig.

Stood, stud, imperf. en p. perf. v. to stand.

Stook, stuk, subst. 12 schoven; — verb. in schoven zetten.

Stool, stûl, kruk; stoel(gang), stomp waaruit takken spruiten (zooals

b.v. bij knotwilgen); — verb. uitspruiten: Between two —s we come to

the ground = tusschen twee stoelen zit men in de asch; — of repentance

= zondaarsbank (Schotl.); —-pigeon = lokduif, lokvogel.

Stoop, stûp, bukken (ook fig.), buiging, kruik of flesch (van 2 quart);

stoep, bordes (Amer.); — verb. bukken (ook fig.), zich vernederen of

verlagen, buigen, neerschieten (van roofvogels), neervallen, afdalen:

His hair is grizzled, and he begins to — = gedoken of gebukt te loopen

(= Has a —, Walks with a —); He —ed to the meanest measures = verlaagde

zich; —-shouldered = met ronde schouders.

Stop, stop, subst. beletsel, hinderpaal, stoornis, ophouding, einde,

leesteeken, toets, klep, register (orgel); — verb. verstoppen,

dichtstoppen, stelpen, beletten, verhinderen, belemmeren, weerhouden,

onderdrukken, stoppen, stilstaan, pareeren, besnijden, den toon regelen

met een stop, etc.: Full — = punt; To come to a — = blijven steken,

hokken, plotseling blijven staan; Put a — to his nonsense = maak een

einde aan; I found him on the top of the bus, and pressed him to — off

= dat hij een tijdje met mij naar huis zou gaan; — thief! = houd den

dief; He —ped short = bleef plotseling staan, hield ineens op; Where

are you —ping? = logeert gij; To — a neighbour’s light = betimmeren;

Will you — (stay) supper? = blijven soupeeren; —-cock = kraan; —gap =

noodhulp, bladvulling, stopwoord, nestkuikentje; —-order = opdracht met

limitatie; —-watch = subst. horloge dat naar verkiezing kan worden

stilgezet; adj. vluchtig, te hooi en te gras: Most of them are —-watch

excursionists = het is den meesten om een vluchtig bezoek te doen;

Stoppage, stopidž, het stoppen, tegenhouden, inhouden (v. salaris),

staken van betalingen, stilstand (in handel, etc.); Stopper = subst.

wie of wat stopt of tegenhoudt, stop (van eene flesch), kort eind touw

om vast te maken; — verb. een kurk doen op, stoppen, sluiten: A —ed

bottle; A —less cruet = olie- en azijnstelletje zonder stop of kurk;

Stopping: —-place; —-train = boemeltrein; Stopple, subst. stop, prop; —

verb. met een stop sluiten.

Storax, stôraks, soort v. welriekende hars.

Store, stö, subst. voorraad, overvloed, groot aantal, pakhuis,

magazijn, proviand; winkel (Am.); adj. opgestapeld, voorhanden; — verb.

opstapelen, opleggen, opslaan, in het pakhuis bergen, voorzien: In — =

voorhanden; To have (keep) in —; A great pleasure, a scolding is in —

for you = staat je te wachten; I lay great — on my introduction by you

= stel grooten prijs op; To set great — by = op hoogen prijs stellen;

—s = benoodigdheden; coöperatieve winkel of bazaar: The army and navy

—s = de coöperat. winkels der ambtenaren van oorlog en marine; Baby —s

= magazijnen voor kindergoed; Commissary of —s = intendant; The ship

was —d to the last scuttle of coals = was van alles tot het geringste

toe voorzien; —house = pakhuis, bergplaats, voorraadschuur, schatkamer:

This booklet is a —house of facts = bevat een schat van feiten;

—-keeper = magazijnhouder, winkelier (Amer.); —-room = magazijnkamer,

bergplaats; —-ship = proviandschip; Storage, stôridž, opberging,

bergloon, opstapeling, verzameling; — battery = accumulator.

Storied, stôrid, beroemd, beschreven of versierd met tafereelen uit de

geschiedenis, met eene geschiedenis; (in samenst.: met eene verdieping:

Four-— = met 4 verdiepingen). Zie Story.

Stork, stök, ooievaar; —’s-bill = reigersbek (plant).

Storm, stöm, storm, onweer, regen, hevige stoornis, ontroering; — verb.

bestormen, stormen, woeden: A — of applause = stormachtige

toejuichingen; A — of bullets = kogelregen; A — of rain = plasregen; —s

of fate = levensstormen; The ship was overtaken by a — = door een storm

overvallen; This raised a — of indignation = deed ontstaan; The town

was taken by — = stormenderhand; A period of — and stress = tijd van

opwinding en onrust; The — and Stress period in German literature = de

“Sturm und Drang” periode in de D. letterkunde; They were —ed at with

shot and shell = ontvangen met een regen van; —-beat(en) = door stormen

geteisterd; —-bird, —-finch = stormzwaluw; —-cock = groene specht;

—-cone = kegel als stormsignaal; —-drum = cylinder als stormsignaal;

—-jib = stormstagzeil; —-sail = stormzeil; —-signal = stormsignaal; —er

= bestormer; —ful = onstuimig; —ing party = stormloopende troep;

—iness, subst. v. —y = stormachtig, hevig, hartstochtelijk; —y-petrel =

stormzwaluw.

Storthing, stötiŋ, parlement van Noorwegen.

Story, stôri, subst. verhaal, vertelling, geschiedenis; verdieping; —

verb. verhalen vertellen, tot onderwerp van een verhaal maken: But

that’s another — = heel wat anders; That is but an idle — = een

praatje; He is wrong in the upper — = het schort hem in de bovenste

verdieping; Here my — ends = nu is mijn verhaal uit; As the — has it,

goes = zooals het verhaal of praatje luidt; To make a long — short = om

kort te gaan; Don’t tell stories = vertel nu geen leugentjes; —-book =

vertelselboek; —-teller = verhaler, verteller; leugenaar; —-telling =

het verhalen, of leugens vertellen; —-writer. Zie Storied.

Stot, stot, jonge stier.

Stoughton, stout’n.

Stound, staund, stekende pijn; verwondering; — verb. pijn doen;

verdooven.

Stoup, stûp, wijwaterbakje, flesch, kruik.

Stour, stûə, strijd, tumult.

Stourbridge, stɐ̂bridž; Stourford, stûəfəd.

Stout, staut, subst. donker Eng. bier; adj. krachtig, flink, dapper,

sterk, gezet, gewichtig: With a — heart = moedig, dapper; —-built =

krachtig gebouwd; —-hearted = moedig, dapper, subst. —-heartedness;

—ish = vrij gezet; —ness = stevigheid, flinkheid, gezetheid.

Stove, stouv, subst. kachel, fornuis, stoof, broeikas; — verb. warm

houden, in een broeikas zetten: Peat — = theestoof; Spirit — =

theelichtje; Wooden — = stoof; —pipe hat = kachelpijp, hooge hoed.

Stove, stouv, imp. en p.p. van Stave: Her bows and bulwarks were — in,

and her rudder was lost = werden ingeloopen.

Stow, stou, stuwen, bergen, plaatsen, uitscheiden: — that = schei

daarmede uit; Stowage = het wegbergen, geborgen zijn, bergplaats,

bewaargeld, pakhuisloon: It is safely stowed, In safe — = veilig

geborgen of geplaatst; Stowaway = blinde passagier: iemand die zich om

vrijen overtocht aan boord te verkrijgen, tijdelijk verscholen houdt.

Stowe, stou; Stowel, stouəl.

Strabism, streibizm, het scheelzien; Strabotomy, strəbotəmi, operatie

voor scheelheid.

Strachan, strôn.

Straddle, strad’l, het wijdbeens staan of loopen; afwachtende houding

(Amer.); — verb. wijdbeens staan of loopen, schrijlings staan boven of

zitten op; een afwachtende houding aannemen: Yonder — cannot be the

characteristic of the sublime = gindsche wijdbeensche gestalte; He rode

—-legged = schrijlings.

Straggle, strag’l, afdwalen, zwerven, verstrooid zijn of liggen, in

ongeregelde orde loopen, ronddwalen, woekeren (van planten); Straggler

= zwerver, landlooper, achterblijver, wilde tak of uitlooper: Some —s

of the hunting train = eenige achtergeblevenen v. den jachtstoet;

Straggling: — houses = verspreid liggende huizen; A — street =

onregelm. straat (vooral als de huizen niet op eene lijn staan); A

straggly beard = een ongelijke, slordige baard.

Straight, streit, recht, direct, rechtop, oprecht, eerlijk, onvermengd,

onmiddellijk: It is as — as you can go = al maar recht uit; To do the —

thing = eerlijk handelen; To be in the — for home = huistoe gaan; To

act (speak) — from the elbow = ronduit, royaal; To bring matters — = in

orde brengen; To contradict — out = vierkant tegenspreken; Do it — =

direct; I gave it him — = heb het hem ronduit gezegd; To lie — out =

rechtuit; To look — in the face; We shall make it — = in orde brengen,

recht maken; To pull — = terecht trekken; To set — = terecht zetten, in

orde brengen; He is a — up and down man = door en door eerlijke vent;

—-fronted corset = corset “droit devant”; Straighten = recht maken: To

— one’s glasses, necktie = terecht zetten, trekken; I unconsciously —ed

myself = richtte me op; This mistake ought to be —ed out = verholpen;

Straightforward = oprecht, ronduit, eerlijk; subst. —ness; Straightness

= rechtheid, etc.; Straightway = onmiddellijk, dadelijk.

Strain, strein, subst. inspanning, spanning, druk, krachtige poging,

streven, verstuiking, verdraaiing (fig.), toon, lied, melodie, trant,

stijl, afkomst, ras, karaktertrek; — verb. rekken, uitrekken,

verrekken, spannen, zich inspannen (afsloven), overspannen, drukken,

dwingen, verdraaien, filtreeren: His bulldog — = zijn bulhondenmanier

(toon); He read on in the same — = op denzelfden toon; That is rather a

— on me = dat vergt vrij wat inspanning van mij; There was a great — on

the masts = de masten hadden heel wat te houden; Expectation is still

on the — = de verwachting is nog hoog gespannen; To take too high a — =

een te hoogen toon aanslaan; You — courtesy = je maakt te veel

complimenten; To — one’s eyes = erg inspannen; You — the law and all

the rules in your support = verdraait wet en regel om u te dekken; To —

every nerve = alle krachten inspannen; To — a point = te ver gaan: That

would be —ing a point = dat zou overdrijving wezen; To — one’s voice =

uitzetten; —ed interpretation = gewrongen uitlegging; —ed relations =

gespannen verhoudingen; To — after novelty by starting paradoxes = uit

zijn op iets nieuws; They — at (beter: out) the gnat and swallow the

camel = zij zuigen (zijgen) de mug uit en slikken den kemel door; The

curtain —ed a restful light into the room = liet doordringen; To — off

the water = het water afgieten; All the impurities were —ed out = het

werd gezuiverd van; We have —ed the milk through linen = gefiltreerd;

—er = zijgdoek, vergiet; —ing = inspanning, etc.; blikgat.

Strait, streit, subst. bergengte, pas, zeestraat (gew. meerv.);

moeilijkheid, verlegenheid; adj. nauw, beperkt, streng, moeilijk: The

—s of Gibraltar = de straat van G.; We were in a — (in great —s) =

zaten “erin”, in de klem; To drive a person (in)to —s = in ’t nauw

brengen; The —est advocate of popular rights must acknowledge this = de

meest onvervalschte voorstander; — formality = stijve vormelijkheid; In

— of money = in geldverlegenheid; —-jacket (—-waistcoat) = dwangbuis;

—-laced = stijf of strak geregen, gedwongen, stijf, kleingeestig: We

are not so — = wij nemen het niet zoo nauw; Straiten = nauw maken,

beperken, strak aanhalen, in verlegenheid brengen: This circumstance

has —ed me in money matters = heeft mij in ongelegenheid gebracht; To

be in —ed circumstances = bekrompen; Straitness = bekrompenheid,

gestrengheid, verlegenheid, moeielijkheid.

Strake, streik, ijzeren hoepel, gangplanken (op een schip), kort

zijspoor.

Stramineous, strəminjəs, van stroo, lichtgeel.

Strand, strand, subst. strand; streng, streen, vlecht; — verb. op het

strand (zetten) loopen, stranden: I used my skill in smoothing the —s

of their lives = om voor hen de kinken uit de kabel te slaan; —ed

goods; —-wolf = bruine hyena.

Strange, streinž, vreemd, zonderling, onbekend, ongewoon: — to say, he

did not know me = ’t is vreemd; I am — in London = onbekend in (met);

subst. —ness; Stranger = vreemdeling, onbekende, nieuweling,

oningewijde; adj. vreemd: This foreigner is no — here = deze

buitenlander is hier goed bekend; He is a — to this business, our plans

= eene nieuweling, niet op de hoogte van; To make a (no) — of a person

= als (niet als) een vreemde behandelen.

Strangle, straŋg’l, worgen, onderdrukken, verstikken: To — a bill = een

wetsontwerp bij de 1ste of 2de lezing doen vallen; —r = worger,

onderdrukker; —s = droes bij paarden; Strangulated, straŋgjuleitid: —

hernia = beklemde breuk; Strangulation, straŋgjuleiš’n, worging,

beklemming.

Strap, strap, subst. riem, drijfriem, beugel, schouderbedekking,

baardschraper; — verb. met een riem vastmaken, ermee afranselen,

aanzetten op een riem: Endless — = riem zonder eind; —s = souspieds;

—-hanger = passagier, die zich aan een strap vast houdt omdat er geen

zitplaats is; Strapper = pootige kerel; manwijf; Strapping = flink,

groot en sterk gebouwd: A — young fellow.

Strasburg, strasbɐ̂g.

Stratagem, stratədž’m, krijgslist, sluwe zet, list; Strategic(al),

strətedžik(’l), strategisch; Strategics = strategie; Strategist,

stratidžist, strateeg; Strategy, stratidži.

Strath, strath, riviervallei (Schotl.); Strathmore, strathmö;

Strathspey, strathspei, strathspei = een Schotsche dans.

Stratification, stratifikeiš’n, laagswijze ligging; Stratiform = in

lagen; Stratify, stratifai, in lagen op elkaar liggen; Stratum,

streit’m, laag.

Stratus, streitəs, laag wolken.

Straw, strô, stroo(halm), stroohoed, lange pijp; adj. van stroo,

waardeloos, onecht; — verb. met stroo vullen of omwinden: A — shows how

the wind blows = kleinigheden zijn soms sterke aanwijzingen; He is a

man of — = stroopop, nietsbeteekenend man, gefingeerde persoon; Women

in the — = kraamvrouwen (plat); It is not worth a — = geen lor waard; I

do not care a — (two —s) = het kan me geen zier schelen; To condemn to

— = voor stapelgek verklaren; A drowning man will catch at a — = zich

aan een stroohalm vastklampen; His eyes draw —s = het zandmannetje

komt; We got from the bed on the — = wij geraakten van het bed op het

stroo; He does not sit here to pick —s = hij zit hier ook niet om

vliegen te vangen; You have been picking —s = gij zijt aan het

stroodorschen geweest; To split —s = spijkers op laag water zoeken;

—-bail = waardelooze borgtocht; —-bid = schijnbod, ook verb.; —-board =

strookarton; —-bonnet = stroohoed; —-bottomed = met zitting van stroo;

—-built = van stroo gemaakt; —-colour = lichtgele kleur; —-cutter =

hakselmachine; —-hat = stroohoed; —-mattress; —-paper = stroopapier;

—-rope = strootouw; —-wisp = wisch; —-yard = asyl voor dakloozen; —y =

van stroo, als stroo.

Strawberry, strôberi, aardbei; —-leaf = symbool van hertogelijke

waardigheid: To work for the —-leaf = naar den hertogstitel streven;

—-tree = aardbeziënboom.

Stray, strei, subst. verdwaald dier; adj. verdwaald, toevallig, los; —

verb. zwerven, dwalen, afdwalen, kronkelen: — notes on Pronunciation =

losse wenken of aanteekeningen; — sheep = verdoold schaap, verdoolde; —

visitor = toevallig; He —ed from the right path = raakte van het goede

pad af; —er, —ling = verdwaalde, afgedwaalde.

Streak, strîk, subst. streep, ader; — verb. strepen vormen, aderen;

uitsnijden (= To — it): I had a — of luck, and followed it up = ik had

een kansje, en maakte er gebruik van; —iness, subst. v. —y = gestreept,

doorregen; verontrust (Amer.).

Stream, strîm, subst. stroom, strooming; — verb. stroomen, uitstroomen,

zwemmen, fladderen, wapperen, overboord gooien, wasschen: — of air

(light, words); Tributary —s = zijrivieren; To row against the — =

tegen den stroom op roeien (fig.); To go (float) with the —; Up, down

the — = stroom op, stroom af; —er = wimpel, lamfer, serpentine; —ers =

noorderlicht; —let = stroompje, riviertje; —y = rijk in stroomen of

lichtbundels.

Streel, strîl, sleepen: Her train —ed after her like the tail of a

comet = sleepte haar na.

Street, strît, straat: In (the middle of) the — = (midden) op straat:

The — was blocked, stopped up = de straat was versperd; The man in the

— = het groote publiek; To be on the —s = op straat staan (fig.); She

is on (walks) the —s, Went upon the —s = is, ging de baan op (fig.); To

turn out into the — = op straat zetten; —-arab = verwaarloosd kind;

—-car = tramwagen (Amer.); —-door = voordeur; —-orderly = straatveger,

vuilnisman; —-sweeper = straatveger; —-walker = prostituée.

Strength, streŋth, kracht, spierkracht, sterkte, taaiheid,

weerstandsvermogen, krijgsmacht, aantal: He claimed acquaintance with

me on the — of having seen me there = op grond dat; He recovered — very

soon = kreeg weldra zijne krachten terug; A “Try-your-—” machine =

krachtmeter op kermissen; Strengthen = versterken, bevestigen, doen

toenemen; —er = versterker, versterkend middel; Strengthless.

Strenuous, strenjuɐs, ijverig, krachtig, energiek: — exertion =

krachtige poging of inspanning; subst. —ness.

Stress, stres, subst. kracht, druk, nadruk, klem, aandrang, hoofdzaak,

gewicht; — verb. den nadruk of klem leggen op: Principal, Even — =

hoofdklem, zwevende klem; Ill through — of work = door overwèrken;

Under the — of circumstances = drang; Under a — of weather = in zwaar

weer; He laid — upon it = drong er op aan, legde er nadruk op; The

second syllable is —ed = de klem ligt op de tweede lettergreep.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 116 / 141 段