Exemplar, əgzemplə, model, voorbeeld; Exemplariness, əgzemplərinəs,

eksəmplərinəs, voorbeeldigheid; Exemplary, əgzempləri, eksəmpləri,

egzəmpləri, voorbeeldig, uitstekend; Exemplification, əgzemplifikeiš’n,

verklaring, bewijsplaats; afschrift; Exemplify, əgzemplifai, met een

voorbeeld aantoonen, als voorbeeld dienen, een afschrift maken.

Exempt, əgzemt, subst. vrijgestelde; adj. vrij, bevrijd; — verb.

vrijstellen, excuseeren; Conscientious —s = v. dienst vrijgestelden

wegens gemoeds- of godsdienstbezwaren; —ion, əgzemš’n, vrijstelling,

vrij zijn.

Exequatur, eksikweitə, exequatur, officiëele bekrachtiging; erkenning

van een consul door de regeering.

Exequies, eksikwiz, begrafenisplechtigheid.

Exercise, eksəsaiz, subst. gebruik, vervulling, beoefening,

lichaamsbeweging; oefening, godsdienstoefening, exercitie, opgave; —

verb. uitoefenen, gebruiken, aanwenden, oefenen, afrijden, drillen,

beweging nemen in de open lucht, beproeven, verontrusten: —-book =

schrift; To do one’s —s = schoolwerk maken; To hold closing —s =

eindrepetities houden; You can take — every day in that climate = je

alle dagen in de open lucht bewegen; To claim and — a right = eischen

en uitoefenen; They were much —d on that subject = ze hielden zich

ernstig bezig met dat onderwerp; You were —d that we should know her =

gij deedt uw best, steldet er belang in; I was painfully —d in my mind

at the way in which he ruined his children = had er erg mee te doen;

maakte me ongerust; I was seriously —d in my mind as to the possibility

of doing it = ik zat er ernstig over in; He —s me strangely = maakt het

mij zeer moeielijk; —r.

Exert, əgzɐ̂t, inspannen, (kracht) toonen of gebruiken: It is the

privilege of poetry to — such charms = zulke bekoringen uit te oefenen;

He —ed himself very much = spande zich zéér in; Exertion, əgzɐ̂š’n,

inspanning, krachtige poging.

Exes, eksiz, verkorting van Expenses.

Exeter, eksitə.

Exeunt, eksiɐnt, ‘zij treden af’ (tooneel).

Exfoliate, əksfoulieit, afschilferen; subst. Exfoliation.

Exhalable, əgz(h)eiləb’l, əksheiləb’l, vluchtig; Exhalation,

eksəleiš’n, ekshəleiš’n, egzəleiš’n, uitwaseming, damp; Exhale,

əgzheil, əksheil, əgzeil, uitademen, uitwasemen, in damp opgaan, doen

verdampen.

Exhaust, əgz(h)ôst, uitputten, leegmaken, luchtledig maken: The fifth

edition is —ed = uitverkocht; —ed receiver = leeggepompte klok (van

eene luchtpomp); —-pipe = afvoerpijp (v. stoom); —-valve = afvoerklep;

—er = exhauster, oppomper, opzuiger; —ible = uitputtelijk; —ion,

əgz(h)ôstj’n, uitputting, vermoeienis, uitpompen, uitstroomen; —ive =

volledig, alleruitvoerigst: He sent me — information about that subject

= volledige inlichtingen; —less = onuitputtelijk.

Exhibit, əgz(h)ibit, subst. uitstalling, tentoongesteld voorwerp,

bewijsstuk, staat; — verb. tentoonstellen, uitstallen, vertoonen,

formeel indienen of overleggen; voorschrijven (van geneesmiddelen);

Exhibition, eks(h)ibiš’n, tentoonstelling, vertooning, indiening of

overlegging van bewijsstukken, studiebeurs, openbare les met

prijsuitdeeling; het voorschrijven (van geneesmiddelen); lijftocht: He

made an — of himself = hij stelde zich belachelijk aan; He has an

interesting collection on — = heeft ... ingezonden; —-room =

tentoonstellingszaal; —er, eksibišənə, iemand, die van eene beurs

studeert; —ist = executant; Exhibitive = voorstellend; Exhibitor =

vertooner, exposant; adj. —y.

Exhilarant, əgz(h)ilər’nt, subst. en adj. vervroolijkend of opbeurend

(middel); Exhilarate, əgz(h)iləreit, opvroolijken, verblijden; subst.

Exhilaration = opvroolijking, vroolijkheid.

Exhort, əgz(h)öt, vermanen, waarschuwen, aanzetten, aansporen; subst.

Exhortation, eks(h)öteiš’n; —ative; —atory = vermanend; —er = vermaner.

Exhumation, eks(h)jumeiš’n, opgraving; Exhume, əgz(h)jûm, opgraven.

Exigence, eksidžens, Exigency, eksidžensi, noodzakelijkheid, urgentie,

behoefte, benoodigd bedrag, vereischte; adj. Exigent.

Exiguity, eksigjûiti, kleinheid, onvoldoendheid; Exiguous, əgzigjuəs,

gering, klein, schraal.

Exile, eksail, egzail, subst. balling, verbanning; — verb. verbannen:

To pass sentence of — on.

Exist, əgzist, zijn, bestaan, leven; —ence = bestaan, zijn; —ent.

Exit, eksit, het heengaan (v. het tooneel), aftreden, uitgang,

verscheiden, dood: He made his — = hij trad af, stierf.

Exmouth, eksmɐth.

Exodus, eksədɐs, Exodus: General — = algemeene uittocht.

Ex officio, eksofišiou, ambtshalve.

Exon, eksən, titel van de 4 officieren der Yeomen of the Guard, in rang

onder den Ensign.

Exonerate, əgzonəreit, zuiveren, vrijspreken; ontheffen, ontlasten;

subst. Exoneration; adj. Exonerative.

Exorbitance, əgzöbit’ns, overdrijving, buitensporigheid; Exorbitant =

buitensporig: — bill = hooge rekening, hooge prijs.

Exorcize, eksösaiz, əgzösaiz, uitdrijven, uitbannen (van booze

geesten); Exorcizer of Exorcist = duivelbanner.

Exordium, əgzödj’m, inleidend woord, aanhef; Exordial = inleidend.

Exoteric(al), eksəterik(’l), openbaar, populair.

Exotic, əgzotik, subst. en adj. niet inheemsch, buitenlandsch

(product).

Expand, əkspand, uitspreiden, ontplooien, in omvang toenemen,

ontluiken, uitzetten; Expanse, əkspans, uitgestrektheid, groote ruimte,

uitspansel; Exspansibility = uitzetbaarheid, spankracht; Expansible =

uitzetbaar; Expansion, əkspanš’n, uitzetting, spanning, verbreeding,

toeneming, vermeerdering, uitgestrektheid, ruimte: — curb = instrument

tot het tegengaan van uitzetting of inkrimping (door hitte of koude),

zooals bij chronometers; Expansive = uitzettings..., uitzetbaar,

uitgestrekt, openhartig, zich licht uitend: — force = spankracht; —

power = uitzettingsvermogen; — youths = openhartige, gevoelige

jongelui; subst. —ness.

Expatiate, əkspeišieit, uitweiden (on), uitvoerig zijn; subst.

Expatiation; Expatiatory = wijdloopig.

Expatriate, əkspeitrieit, verbannen (uit het vaderland): To — oneself =

het vaderland verlaten; subst. Expatriation.

Expect, əkspekt, verwachten, rekenen op, vermoeden, denken: He is not

—ed to live = de dokters hebben hem opgegeven; She is expecting = in

blijde verwachting; —ance = verwachting, hoop, opschorting; —ant =

hoopvol, verwachtend; expectant; Expectation, ekspekteiš’n,

verwachting, vooruitzicht, belofte: To have —s from an old aunt = wat

‘te wachten’ hebben; — of life = vermoedelijke levensduur; — week = de

week tusschen Hemelvaartsdag en Pinkster.

Expectorant, əkspektər’nt, subst. en adj. slijm losmakend (middel);

Expectorate, əkspektəreit, opgeven (bij het hoesten); Expectoration,

ophoesten, het opgehoeste; Expectoratoon = kwispedoor (Amer.).

Expediency, əkspîdj’nsi, gepastheid, raadzaamheid, geschiktheid;

utiliteitsbeginsel, zelfzucht; adj. Expedient, əkspîdj’nt, ook subst.

hulpmiddel, redmiddel.

Expedite, ekspidait, bevorderen, verhaasten; afzenden, uitvaardigen,

snel afmaken of verrichten: The revolution was —d, instead of delayed =

verhaast; Expedition, ekspidiš’n, haast, vlugheid, spoed, vlugge

verzending; expeditie, onderneming; Expeditionary = expeditie...: —

troops; Expeditious, ekspidišəs, Expeditive, əkspeditiv, Expeditory,

əkspeditəri, vaardig, vlug.

Expel, əkspel, uitdrijven, verbannen (from), wegzenden, uitsluiten;

—lant, uitdrijvend middel; —ler: Pain-—ler = pijnstillend middel.

Expend, əkspend, uitgeven, besteden (on), verbruiken; —iture,

əkspenditjə, uitgaven, kosten, verbruik: That is mere —iture of words

(breath) = slechts verlies van woorden.

Expense, əkspens, onkosten, uitgaven: At my — = op mijne kosten; To be

at the — of = moeten betalen; I am sorry you were put to such — = dat

gij zooveel kosten hebt gehad; He went to great — = hij maakte veel

kosten; Expensive = kostbaar; subst. —ness = kostbaarheid, duurte.

Experience, əkspîriəns, subst. ondervinding, ervaring; — verb.

ondervinden, ervaren, probeeren, beproeven, ondergaan: Of no — =

onervaren; It was outside all our — = zoo iets hadden we nog nooit

beleefd; — is the best teacher = — is a good school = de onderv. is de

beste leermeesteres; — keeps a dear school = door schade en schande

wordt men wijs; — teaches fools = ervaring is de wijsheid der dwazen;

He —d religion = werd bekeerd (Amer.); An —d teacher = een ervaren

onderwijzer; Experiential science = ervaringswetenschap; Experiment,

əksperiment, subst. proef; — verb. proeven nemen, experimenteeren (on);

Experimental philosophy = proefondervindelijke wijsbegeerte;

Experimentalize = experimenteeren; Experimenter.

Expert, ekspɐ̂t, subst. deskundige, vakman; adj. (əkspɐ̂t) deskundig,

bedreven: To get — at = ervaren worden in; subst. —ness.

Expey = Expensive.

Expiable, ekspiəb’l, verzoenbaar; Expiate, ekspieit, boeten, weer goed

maken; Expiation = boete, zoenoffer: Feast of — = Groote Verzoendag;

adj. Expiatory: — sacrifice = zoenoffer.

Expiration, ekspireiš’n, uitademing, ademtocht, einde, dood,

vervaltijd; Expiratory = tot de uitademing behoorend: — execution =

terechtstelling door verstikking, etc.; Expire, əkspaiə, uitademen, den

laatsten adem uitblazen; afloopen, vervallen: This ticket —d yesterday;

Expiry, ekspirə, əkspairi, vervaltijd: The — of the copyright = het

vervallen van het copierecht.

Explain, əksplein, uitleggen, verklaren: To — away = door toelichting

uit den weg ruimen; —able = verklaarbaar; —er = verklaarder;

Explanation, ekspləneiš’n, uitlegging, verklaring: To come to an — with

= het eens worden met; Explanatory notes = verklarende aanteekeningen.

Expletive, eksplətiv, subst. stopwoord, verwensching; adj. aanvullend =

Expletory.

Explicable, eksplikəb’l, verklaarbaar; Explicate, eksplikeit,

uitleggen; subst. Explication; Explicative, eksplikətiv, uitleggend =

Explicatory; Explicit, əksplisit, duidelijk, helder, open, uitvoerig;

subst. Explicitness.

Explode, əksploud, uiteenbarsten, ontploffen, laten ontploffen,

verwerpen: An —d notion = opgegeven denkbeeld; He —d with his

grievances to his friend’s ear = hij uitte zijne grieven tegen zijn

vriend; —nt = ontploffingsgeluid; —r = ontploffingsmiddel.

Exploit, əksplôit, subst. heldendaad; — verb. exploiteeren, uitbuiten,

benutten, gebruiken (tot zijn doel); —ation, eksplôiteiš’n,

exploitatie, uitbuiting, verkenning; —er, uitbuiter.

Exploration, ekspləreiš’n, onderzoeking, navorsching; Explorative =

Exploratory = onderzoekend, onderzoekings—; Explore, əksplö, zorgvuldig

onderzoeken; Explorer = onderzoeker; sonde.

Explosion, əksplouž’n, uitbarsting, losbarsting; ontploffing;

Explosive, əksplousiv, subst. ontploffingsstof; klapper,

ontploffingsgeluid; adj. ontploffend, knal, schiet—; opvliegend: —

cotton = schietkatoen; — signals = knalsignalen; subst. —ness.

Exponent, əkspoun’nt, verklaarder, exponent; adj. Exponential: —

equation = vergelijking met den onbekende als exponent; — quantity =

exponentiaal grootheid.

Export, ekspöt, uitvoer, uitgevoerde artikelen; —-duties = uitgaande

rechten; —-trade = uitvoerhandel.

Export, əkspöt, uitvoeren; —able = uitvoerbaar; —ation, ekspöteiš’n =

uitvoer; —er = exporteur.

Exposal, əkspouž’l. Zie Exposure.

Expose, əkspouz, blootstellen, overleveren, aan de kaak stellen,

ontblooten, openbaren, blootleggen, tentoonstellen, uitstallen,

uiteenzetten: They —d the child = lieten ... aan zijn lot over;

Exposition, ekspəziš’n, blootstelling; blootlegging, verklaring;

tentoonstelling (Amer.); Expositor, əkspozitə, uitlegger, tolk,

woordenlijst; Expositive, Expository = verklarend; Exposure, əkspoužə,

blootstelling, blootlegging, ontblooting (= Indecent —), onthulling,

uitstalling, het blootgesteld zijn: Death by — = doodvriezing, etc.

Expostulate, əkspostjuleit, ernstig onderhouden, vermanen;

Expostulation = vermaning, vertoog, woordenwisseling; Expostulator =

afkeurder; adj. Expostulatory.

Expound, əkspaund, verklaren, vertolken.

Express, əkspres, subst. bode, expresse, tijding, sneltrein; adj.

duidelijk, helder, uitdrukkelijk, expres, juist; — verb. uitdrukken,

betuigen, uitpersen, per expresse verzenden (Amer.); in beeld brengen;

—-man = beambte bij een —-office = expeditiekantoor (Amer.); —-train =

sneltrein; He —ed himself very distinctly = drukte zich uit; —ible =

uitdrukbaar; Expression = uitpersing, uitdrukking, verklaring,

voorstelling: He loves you past — = meer dan woorden kunnen zeggen;

Expressive = vol uitdrukking, krachtig: — language = krachtige,

levendige taal; — of deep interest = groote belangstelling

uitdrukkende; subst. —ness.

Expropiate, əksprouprieit, onteigenen, uitsluiten; (Compulsory)

expropriation = onteigening (bij de wet).

Expulsion, əkspɐlš’n, uitdrijving, verbanning; Expulsive = verbannend;

afdrijvend (middel).

Expunge, əkspɐnž, uitwisschen, uitkrabben.

Expurgate, əkspɐ̂geit, ekspɐ̂geit, zuiveren; subst. Expurgation;

Expurgator, əkspɐ̂gətə, ekspɐ̂geitə = zuiveraar; Expurgatory,

əkspɐ̂gət’ri, zuiverend: — Index = lijst van boeken, door den Paus

verboden, zoolang zij niet van de daarin voorkomende dwalingen zijn

gezuiverd.

Exquisite, ekskwizit, uitgezocht, uitgelezen, voortreffelijk, verfijnd,

keurig, lekker; hevig, verschrikkelijk, diep; subst. fat; subst. —ness;

Exquisitism = fatterigheid.

Exsanguinity, eksaŋgwiniti, bloedarmoede; Exsangui(n)ous,

əksaŋgwi(n)ɐs, bloedarm.

Exsect, əksekt, uitsnijden; subst. Exsection.

Exsiccant, əksik’nt, subst. en adj. opdrogend (kruid of middel);

Exsiccate, eksikeit, əksikeit, op- of uitdrogen; subst. Exsiccation.

Exsuccous, əksɐkəs, saploos, droog.

Extant, ekst’nt, əkstant, bestaande, voorhanden, aanwezig; uitstekend.

Extasy, ekstəsi. Zie Ecstasy.

Extemporal, əkstempər’l, Extemporaneous, əkstempəreinjəs, onvoorbereid;

subst. Extemporaneousness; Extemporary, əkstempərəri, Extempore,

əkstemperî, onvoorbereid, voor de vuist; Extemporize, əkstempəraiz,

voor de vuist spreken, improviseeren; Extemporizer = improvisator.

Extend, əkstend, uitstrekken, uitbreiden, verspreiden, rekken,

verlengen, verwijden, vergrooten, zich uitstrekken, rekken, zich

verspreiden, beslag leggen: An invitation was —ed to me = mij ook werd

eene uitnoodiging gezonden; I — my best hopes to you = ontvang; A more

—ed book = omvangrijker boek; This group requires —ed notice = het is

noodig, dat wij deze groep van naderbij bezien; He had the most —ed

powers = de meest uitgebreide volmacht; —ible = uitrekbaar;

Extensibility = uitrekbaarheid; adj. Extensible, əkstensib’l =

Extensile, əkstensil, rekbaar; Extension, əkstenš’n, uitbreiding,

uitstrekking, verlenging, rekken, uitgebreidheid; omvang; Extensionist,

əkstenšənist, iemand, die vóór extension (d.i. uitbreiding en

verspreiding van universitair onderwijs) is; Extensive, əkstensiv,

uitgebreid, veelomvattend: — knowledge = uitgebreide kennis; subst.

—ness; Extensor, strekspier; Extent, əkstent, uitgebreidheid, omvang,

beslaglegging: To a certain — = tot op zekere hoogte; To the — of = ten

bedrage van; He laughed at me to such an —, that I got my back up =

lachte zóó om mij, dat ik boos werd.

Extenuate, əkstenjueit, verzachten, verminderen: Extenuating

circumstances = verzachtende omstandigheden; subst. Extenuation;

Extenuator = verzachter; adj. Extenuatory.

Exterior, əkstîriə, subst. buitenzijde, uiterlijk; adj. buitenste,

buiten..; uiterlijk, buitenlandsch: — angle = buitenhoek; —ity,

əkstîrioriti, uiterlijkheid, buitenzijde, overdreven oplettendheid voor

uiterlijke dingen.

Exterminate, əkstɐ̂mineit, uitroeien, verdelgen, elimineeren; subst.

Extermination; Exterminator = verdelger; Exterminatory war =

verdelgingskrijg.

Extern, əkstɐ̂n, externe (leerling); adj. uiterlijk, uitwendig = —al,

subst. uitwendig deel; —als = uitwendige deelen, uitwendige ceremoniën

en plechtigheden, zichtbare vorm; Externality = uiterlijkheid.

Exterritorial, əksteritôriə’l, buiten het rechtsgebied van een land.

Extinct, əkstiŋkt, uitgebluscht, uitgestorven, niet meer bestaande,

niet meer van kracht; Extincteur, əkstiŋktɐ̂, extincteur; Extinction =

blussching, uitroeiing, uitsterving, ondergang.

Extinguish, əkstiŋgwiš, uitblusschen, verstikken, verduisteren,

vernietigen, opheffen, delgen; adj. —able; Extinguisher = uitblusscher,

dompertje, een dooddoener; subst. Extinguishment.

Extirpate, əkstɐ̂peit, ekstɐ̂peit, verdelgen, uitroeien, geheel wegnemen;

subst. Extirpation; Extirpator, əkstɐ̂pətə, ekstɐ̂peitə, uitroeier, soort

eg of wieder.

Extol, əksto(u)l, verheffen, prijzen.

Extort, əkstöt, afpersen, ontwringen; subst. —ion; —ionary = afpersings

- -; —ionate = onbillijk, buitensporig; —ioner = woekeraar.

Extra, ekstrə, subst. extra, bijgevoegd iets, enz.: An Art — = plaat

als premie bij een tijdschrift; I took her on as — = (nood)hulp; adj.

daarbuiten, buiten en behalve, buitengewoon: Seven and twenty shillings

a week for board and lodging: no —s = zonder meerdere kosten; — pay =

toelage; —-postage = strafport; — special = extra tijding; — work =

extra werk, strafwerk.

Extract, ekstrakt, uittreksel, extract: — of beef = vleeschextract.

Extract, əkstrakt, uittrekken, trekken: To — a tooth (To have a tooth

—ed) = trekken (laten); To — the root of = den wortel trekken uit;

—able = (uit)trekbaar; Extraction = uittreksel, afkomst, geboorte: — of

roots = worteltrekking; Extractive = uittrekbaar; extract; Extractor =

trekker, tang (voor (tand)artsen).

Extraditable, ekstrədaitəb’l, uitleverbaar; Extradite, ekstrədait,

uitleveren (van misdadigers, enz.); Extradition, ekstrədiš’n,

uitlevering: Law of — = uitleveringswet.

Extrageneous, ekstrədžînjəs, tot eene andere soort behoorend, vreemd.

Extra-judicial, ekstrədž(j)udiš’l, buitengerechtelijk, wederrechtelijk.

Extramundane, ekstrəmɐndein, bovenaardsch.

Extra-mural, ekstrəmjûr’l, buiten de muren van stad (of universiteit).

Extraneous, əkstreinjəs, vreemd, niet behoorende bij.

Extraordinary, əkströd’nəri, buitengewoon, zeldzaam, merkwaardig.

Extravagance, əkstravəg’ns, buitensporigheid, overdrevenheid,

verkwisting, overdaad; Extravagant = buitensporig, verkwistend,

overdreven, geexalteerd; Extravaganza, əkstravəganzə, een bepaald soort

muziekstuk, een geexalteerde rede, tooverballet.

Extravasate, əkstravəseit, uit de aderen dringen of brengen (van

bloed); subst. Extravasation.

Extreme, əkstrîm, uiterst, laatste, verste, slot..; zeer groot of

hevig, zeer nauwkeurig of gestreng; subst. uiteinde, uiterste grens,

hoogste graad: — unction = het Laatste Oliesel; It is ridiculous in the

— = het is allerbelachelijkst; To carry to —s = op de spits drijven; —s

meet = de uitersten raken elkander; He was in extremis = lag op het

uiterste; Extremist, əkstrîmist, ultraradicaal, ultra; Extremity,

əkstremiti, uiterste, uiteinde, hoogste graad, uiterste nood,

buitengewone gestrengheid of heftigheid: Driven to — = tot het uiterste

gedreven; The extremities = de ledematen of extremiteiten: Nether —s =

beenen; To push matters to —s = op de spits drijven.

Extricable, ekstrikəb’l, ontwarbaar, vermijdbaar; Extricate,

ekstrikeit, (zich) bevrijden, losmaken, ontwarren; subst. Extrication.

Extrinsic(al), əkstrinsik(’l), uiterlijk, van buiten.

Exuberance, Exuberancy, əgzjûbər’ns(i), əksiûbərəns(i), weelderigheid,

overvloed, overdrevenheid; adj. Exuberant.

Exudation, egziudeiš’n, eksiudeiš’n, uitzweeting; Exudative =

uitzweetings - -; Exude, əgziûd, əksiûd, uitzweeten, afscheiden,

afgescheiden worden.

Exult, əgzɐlt, jubelen, juichen; —ant (= —ing) = juichend, jubelend;

subst. —ation, egzɐlteiš’n, eksɐlteiš’n.

Exuviae, əgzjûviî, əksiûviî, afgeworpen huiden of schalen; Exuviation,

əgzjûvieiš’n, əksiûvieiš’n = afwerping.

Eyas, aiəs, jonge valk.

Eyder, aidə, de Eider.

Eye, ai, subst. oog, blik, gezicht, glans, knop (van planten); — verb.

beschouwen, aankijken, monsteren: What the — does not see, the heart

does not grieve over; —s front! = Staat! (milit.); —s left (—s right) =

richt u! The — of day (of the morning) = de zon; The — of a dome =

ronde opening in; The — of an egg = hanetree; The — of a needle; It

shows to the — of sense beautiful vistas = opent een schoon verschiet

voor het geestesoog; The —s of a ship = kluisgaten; I could find no

favour in his —s = ik kon geen genade vinden in zijne oogen; I am

getting my — in now = begin er nu kijk op te krijgen; I’ll have an —

over her = een waakzaam oog houden over; He has an — to (upon) my

sister = hij heeft een oogje op mijne zuster; He had an — to my money =

had het gemunt op; I have an — to business = ik let op de zaken,

affaire; I will keep an — on him = ik zal hem nauwkeurig gadeslaan; He

looked upon me with an evil — = zag mij met een scheel oog aan; He sees

a thing with half an — = met een half oog; I see — to — with you = ik

ben ’t met u eens, heb er denzelfden kijk op als gij; I never set —s on

her = ze is me nooit onder de oogen gekomen; To break the law and turn

the blind — = een oogje dicht doen; —-ball = oogappel; —-beam =

oogstraal; —-bolt = oogbout (scheepst.); —bright = oogentroost (plant);

—brow = wenkbrauw; —-drop = traan; —-flap = oogklep; —glass = monocle,

oogglas; —hole = kijkgat; —lash = wimper; —let = oog, vetergaatje,

reefgat; —let-hole = vetergaatje; —lid = ooglid; —-opener = iets

verbazends; —piece = oculair, oogglas; —-salve = oogzalf; —reach =

—shot; —-servant = oogendienaar; —-service = oogendienst; —shot =

gezichtsafstand: He was within (out of) —shot = hij was in (uit) het

gezicht; —sight = gezicht, gezichtsvermogen: His —sight begins to fail

= zijne oogen worden zwak; —sore = gerstekorrel (Med.); doorn in ’t

oog: He is an —sore to me; —-string = oogzenuw; —-tooth = oogtand: I’m

not going to be cheated out of my —-teeth here (Amer.) = ik laat me

hier niet beetnemen; —-wash = oogwater = —-water, dit ook: glasachtig

lichaam (van het oog); —witness = ooggetuige.

Eyne, ain, oud Meerv. van Eye.

Eyot, aiət, riviereilandje.

Eyre, êə, vroegere rondgaande rechtbank: Justices in — = rondgaande

rechters.

Eyrie, Eyry, êri, airi, îri. Zie Aerie.

Ezekiel, izîkj’l, Ezechiël; Ezra, ezrə.

F.

F. ef, F sharp = fis (muz.); Fahrenheit; fellow; f. = farthing, feet,

feminine, folio, foot; F. A. = F(ootball) A(ssociation); f. a. a. =

f(ree) of a(ll) a(verage); Fahr. = Fahrenheit; F. A. S. = F(ellow) of

the A(ntiquarian) S(ociety); F. A. S. = Fellow of the Society of Arts;

F. B. S. = F(ellow) of the B(otanical) S(ociety); F(ree) C(hurch of

Scotland); Fcp = foolscap; F(idei) D(efensor) = Verdediger des Geloofs;

Feb(ruary); Fem(inine); ff = fortissimo; F(ellow) G(eological)

S(ociety) (ook Geographical); Fig(ure); Fl(orin); F(oo)lsc(a)p;

F(atho)m; F. M. = F(ield)-M(arshal); F. O. = F(ield)-O(fficer); F. o.

b. = f(ree) o(n) b(oard); Fol(io); Fra(ncis); F(ellow) R(oyal)

A(cademy); F.R.A.S. = F(ellow) of the R(oyal) A(siatic) (Astronomical)

S(ociety); F. R. C. P. = F(ellow) of the R(oyal) S(ociety) of

P(hysicians); F. R. C. S. = F(ellow) of the R(oyal) C(ollege) of

S(urgeons); F(ellow) S(ociety) A(rts) (of Antiquaries); Ft = fort; ft =

foot, feet; F. T. C. D. = F(ellow) of T(rinity) C(ollege), D(ublin); F.

W. = F(resh) W(aterline) = een der Plimsoll merken op schepen; F. Z. S.

= F(ellow) of the Z(oological) S(ociety).

Fa, fâ, fa.

Fabaceous, fəbeišes, boonachtig, boon - -.

Fabian, feibj’n, Fabisch, talmend, traag: — Society = een soc. pol.

vereeniging te Londen, opgericht in 1884, die ook landnationalisatie

beoogt.

Fable, feib’l, subst. fabel, verdichtsel, vertelseltje, praatje; —

verb. fabelen schrijven, leugens vertellen; —d animals = in fabels

besproken, alléén in de verdichting bestaande; —r = fabeldichter.

Fabliau, fâbliou, Oud-Fransche berijmde vertelling (12e en 13e eeuw).

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 39 / 141 段