Dust, dɐst, subst. stof, aarde, vuilnis, verwarring, beroering, geld; —

verb. afstoffen, bestuiven: In — and ashes = in zak en assche; The

enemies bit the — = beten in ’t stof; To kick up (make, raise) a —

spektakel maken; The rain has laid the — = het stof neergeslagen; To

throw — in (into) a person’s eyes = zand in de oogen strooien; It was

turned to — and ashes = werd waardeloos; I will — your jacket = je een

pak ransel geven; —-bin = aschvat; —-cloak = stofjas, stofmantel;

—-contractor = aannemer van het straatvuilnis; —-hole = aschhok; —man =

vuilnisman, aschman: The —man = Klaas Vaak; —-pan = blik; —-sheet =

stoflaken; —-speck = stofje; —er = stofdoek, borstel; —iness =

stoffigheid; —y = stoffig, stormig: Well it’s not so — = kom, zoo erg

is het niet.

Dutch, dɐtš, Hollandsch, Nederlandsch: The — = de Nederlanders; Double

— = koeterwaalsch; That beats the — = dat is ongelooflijk (Amer.); —

auction = verkooping bij afslag; — blue = lakmoes; — cheese = Edammer

kaas; — clinkers = gele klinkersteenen; — clock = Schwarzwalder klok; —

concert = waarbij allen tegelijk een verschillend lied zingen;

kikkergekwaak; — courage = jenevermoed; — disease = scheurbuik; — drops

= terpentijnbalsem; — gold (metal) = klatergoud, bladgoud; —man =

Nederlander: If it is not true, I’m a —man = laat ik me hangen; — oven

= kleine oven; — stairs = huistrap; — tiles = haardsteentjes; — toys =

Neurenberger speelgoed; — treat = partijtje (uitstapje) waarbij ieder

voor zich zelf betaalt; — uncle: To talk like a — uncle = een

strafpredikatie houden.

Dutiable, djûtiəb’l, aan invoerrechten onderhevig.

Dutiful, djûtiful, eerbiedig, gehoorzaam; subst. —ness; Duty, djûti,

plicht, gehoorzaamheid, dienst; belasting, accijnzen, in- en

uitvoerrechten: When will he enter upon his duties = zijn ambt

aanvaarden? You are in — bound to go there = verplicht; (Up)on —, off —

= in dienst (op wacht), vrij; Succession — (duties) =

successie-rechten; —-free = vrij van belasting.

Duumvir, djuɐmvə, duümvir (mv. —s of Duumviri, djuɐmvirai); —ate =

duümviraat.

Dux, dɐks, leider, primus (op school).

Dwarf, dwöf, subst. dwerg; — verb. den groei belemmeren, klein doen

lijken, klein blijven: Famine has —ed the race = in forschheid

achteruit doen gaan; —-wall = grondmuur.

Dwell, dwel, wonen, verblijven, (lang) stilstaan bij, hangen aan: I

shall not — any longer on this subject = blijven stilstaan; Her eye

dwelt on her child = rustte vol teederheid op; —er = bewoner; —ing =

woning; —ing-house; —ing-place.

Dwindle, dwind’l, minder worden, achteruitgaan, inkrimpen, afnemen.

Dyak, daiak, Dajakker.

Dye, dai, subst. kleur, tint, verfstof; — verb. verven (van stoffen): A

villain of a first-class — = schurk van ’t ergste soort = of the

blackest —; Deeply —d criminal = doortrapte; —-house = ververij;

—-stuff = verfstof; —-wood = verfhout; Red —-wood = fernambukhout; —r =

stoffenverver.

Dying, daiiŋ, stervend, wegstervend, uitgaand, brandend van verlangen;

subst. stervenden, sterven: To be in a — condition = op sterven liggen;

—-bed = sterfbed. Zie Die.

Dyke, daik = Dike.

Dynamic(al), d(a)inamik(’l), dynamisch; Dynamics, d(a)inamiks,

dynamica.

Dynamitard, d(a)inəmitâd, anarchist van de daad (= Dy(n)amiter);

Dynamite, d(a)inəmait, subst. dynamiet: — explosions =

dynamietontploffingen.

Dynamo, d(a)inəmou, dynamo; Dynamometer, d(a)inəmomətə, dynamometer.

Dynasty, d(a)inəsti, dynastie; adj. Dynastic.

Dysart, daizət, dizât.

Dysenteric, dis’nterik, dysenterisch; Dysentery, dis’ntəri, dysenterie.

Dyspepsia, dispepšə, Dyspepsy, dispepsi, dispepsi, slechte

spijsvertering; Dispeptic = dispeptisch.

Dyspnoea, dispnîə, moeilijke ademhaling.

E.

E, î, verkorting voor East (als E. N. E. = Oost Noord Oost); als

telwoord = 250; Ea(ch); E. C. = Eastern Central (postdistrict in

Londen) of: Established Church; Eccl(esiastes); Ed(itor); E. G.

(Exempli gratia) = bij voorbeeld; Edin(burgh); E(ast) I(ndies); E(ast)

I(ndia) Co(mpany); Eliz(abeth); Eng(lish); Epis(copal); Equiv(alent);

Et Seq(uentia) = en de volgenden; Etym(ology); Ex(ample); E. &. O. E. =

Errors and Omissions excepted; Esq. Esqre (Esquire) = WelEdelgeb. Heer;

Etc. (Etcaetera) = enzoovoort; Excy (Excellency) = Excellentie; E sharp

= Eis (muziek); E flat = Es (muziek).

Each, îtš, subst. en adj. elk: — other = elkander.

Eager, îgə, vurig, ongeduldig, gretig, begeerig, scherp; subst. —ness.

Eagle, îg’l, arend, adelaar, gouden munt van 10 dollars (Amer.), zeker

sterrenbeeld, veldteeken (Rom.), zekere lezenaar; —-eyed (= —-sighted)

= met arendsoogen; —-flighted = met eene arendsvlucht; —-pinioned = met

arendsvlerken = —-winged; Eaglet = jonge arend.

Eagre, îgə, eigə, springvloed.

Ear, îə, oor, gehoorzin, oplettendheid; aar; — verb. aren vormen: No —

for music = geen muzikaal gehoor; I am all —, all —s = geheel gehoor; I

would not say anything against him in the public — = in het openbaar;

He is up to the —s (= over head and —) in debt = tot over de ooren; He

has a flea in his — = is niet op zijn gemak; To send one off with a

flea in his — = kort en scherp afwijzen; To be together by the —s =

elkaar in ’t haar zitten; To come (go, fall) together by the —s =

elkaar in ’t haar vliegen; The room fell in about our —s = viel boven

ons hoofd in; It goes in at one — and comes out at the other = het ééne

oor in, het andere weer uit; They knocked the idols of their youth

about their —s = verachtten hen; We have set them by the —s = tegen

elkander opgezet, opgehitst; This set the critics by the —s = deed ...

opvliegen; He has bitten this man’s — = hem beleedigd, geërgerd; They

eat their —s off = ergeren zich dood; Lend me your —s = verleen mij

gehoor, luister naar mij; More is meant than meets the — = daar zit

meer achter; To turn a deaf (favourable) — to = doof zijn voor (een

gunstig oor leenen aan); —-ache, îreik, oorpijn; —-bob = oorknopje;

—-cap = oorklep (tegen de koude); —-cockle = ziekte in de tarwe;

—-deafening = oorverdoovend; —-drop(per) = oorknopje; —-drum =

trommelvlies; —lap = oorlel; —-mark = merk: — verb. schapen merken;

—-pick(er) = oorlepeltje; —-piercing = oorverscheurend; —-shot =

gehoorsafstand: The man was within — = de man kon ons hooren; —-trumpet

= spreekhoren; —-wax = oorvuil, oorsmeer; —wig, subst. oorworm;

oorblazer, verklikker; — verb. gehoor verkrijgen door lasterlijk

gepraat over anderen; —ed = met ooren of aren; —ing = het aren vormen;

steekbout (zeeterm).

Earl, ɐ̂l, graaf; —-marshal = opperceremoniemeester; hoofd van het Court

of Chivalry, erfelijk in het geslacht van de hertogen van Norfolk; —dom

= rang of waardigheid v. een earl.

Early, ɐ̂li, vroeg, vroegtijdig, eerste, bijtijds, vroeg opstaand: It’s

— days = wel wat spoedig; — English = het Engelsch tusschen 1250–1350;

An — party = eene partij, waarbij de gasten niet laat blijven; — times

= vóórhistorische tijd; — in May = in ’t begin v. Mei; As — as May =

reeds in Mei; — to bed and — to rise, makes a man healthy and wealthy

and wise = de morgenstond heeft goud in den mond = The — bird catches

the worm; Easter fell — that year = het was een vroege Paschen.

Earn, ɐ̂n, verdienen, verkrijgen: To — a living = den kost verdienen;

—ings = verdiensten.

Earnest, ɐ̂nist, adj. ernstig, vurig, ijverig, dringend; subst. ernst,

vooruitzicht op, pand, onderpand, handgeld: I am in (good) — = ik meen

het; This is an — of further honours = wekt gegronde verwachtingen op;

I shall be — to know how the matter proceeds = ik verlang vurig om te

weten; —-money = geld als borg voor de geldigheid van een gesloten

koop, handgeld, godspenning; —ness = ernst, vuur, ijver, enz.

Earth, ɐ̂th, subst. aarde, grond, de wereld, vossehol; — verb. in den

grond stoppen, met aarde bedekken, in den grond kruipen: He made his

millions right up from the bare — = na met niets begonnen te zijn; How

on — could you do it = hoe ter wereld; —-bag = zandzak; —-board =

ploegzool (die de aarde omwerkt); —-bob = pier; —-born = aardsch,

laaggeboren; —-bound = in de aarde bevestigd; —-bred, (—-fed) = laag,

verachtelijk; —-created = uit stof geschapen; —-drake = monster, draak;

—-flax = amant (soort asbest); —-hunger = begeerte naar grond- of

landbezit; —-light = van de aarde op de maan teruggekaatst licht (=

—-shine); —-nut = aardkastanje, aardaker; —quake = aardbeving: Blind

force and violence played —quake(s) with peace and order =

vernietigden; —-work = aardwerk (Mil.); —-worm = aardworm; —en =

aarden; —enware = aardewerk, potten en pannen; —ling = aardbewoner,

sterveling; wereldling; —ly = aardsch, stoffelijk; mogelijk,

begrijpelijk; —ly-minded = aardschgezind; subst. —ly-mindedness; —y,

aardsch, aard—, ruw: They are of the —y = door en door aardschgezind,

wereldsch; An —y savour = grondlucht.

Ease, îz, subst. gemak, kalmte, rust, ongedwongenheid; — verb.

geruststellen, verlichten, van pijn verlossen, loslaten: At — = op zijn

gemak, zonder pijn; Chapel of — = hulpkerk; A lady of — = in goeden

doen; To set a person at his — = iemand op zijn gemak zetten; Stand at

— = op de plaats, rust! To take one’s — = het zich gemakkelijk maken;

He —d my mind = stelde mij gerust: To — a screw = losser draaien; To —

the screw = de schroef helpen door zeilen bij te zetten; To — a ship =

wat afhouden om het stampen te voorkomen; He was —d of his pain =

verlost; The rope was —d away (off) = het touw werd langzaam gevierd;

The cyclists —d up = reden langzamer (om stil te houden); —ful = kalm,

vreedzaam; —less = ongemakkelijk; —ment = verlichting, verzachting;

recht van overgang (bijv. over eens anders land).

Easel, îz’l, schildersezel; —-picture = klein schilderijtje, paneeltje.

Easiness, îzinəs, kalmte, gemakkelijkheid, lichtzinnigheid,

welwillendheid: — of belief = lichtgeloovigheid; — of mind =

gemoedsrust.

East, îst, subst. Oosten; adj. oost, oostelijk: The — = het Oosten, het

morgenland; de Levant; — of North = N.-Oostelijk; Bounded to the — by

France = ten oosten door F. begrensd; —-end = oostzijde; armenbuurt in

Londen; —-ender = bewoner van die buurt; —-India = Oost Indië (The

—-Indies); —-Indiaman = Oostindievaarder; —-Indian = Oost Indisch; Oost

Indiër; —erling = Oosterling, handelaar v. de Oostzeekusten; goudstuk

(door Richard I in het Oosten geslagen), soort v. zwemvogel; —erly =

oostelijk; —ern, adj. en adv. Oostersch, Oostelijk, naar het Oosten:

—ern Empire = Oostersch Rom. Rijk; Brit. Ind.; —ern question =

Oostersche; —ing = oosterende wind; —erner = bewoner der oostelijke

staten (Amer.); —ward = oostelijk, oostwaarts(ch).

Easter, îstə, Paschen: —-eggs = Paascheieren; —-holidays =

Paaschvacantie; — Monday = 2de Paaschdag; — Sunday.

Easy, îzi, gemakkelijk, ongedwongen, vrij van zorgen, pijn, etc.,

gerust, welgesteld, ondoordacht, licht te bepraten: — come, — go = zoo

gewonnen, zoo geronnen; — of digestion = licht verteerbaar; — with it =

kalmpjes aan! He is in — circumstances = hij is in goeden doen; I fell

into — chat with him = begon een gezellig praatje met hem; You may make

yourself — on that = daarop kunt gij gerust zijn; Stand —! = op de

plaats rust; To take it — = rust; To — = zachter voortbewegen; —-chair

= gemakstoel; He is an —-going man = hij neemt de dingen gemakkelijk op

= takes things —.

Eat, ît, eten, opeten, smaken, wegvreten: These peas — very well =

smaken lekker; To — dirt = zoete broodjes bakken; To — one’s terms = de

jurid. colleges loopen en de 3 verplichte gezamenlijke diners bijwonen

aan een der Inns of Court; To — one’s words = zijne woorden terugnemen;

To — into = uitbijten; They have —en far into the pudding = een heel

gat gegeten in; I’ll — my head off, if it isn’t true = mag sterven; The

horses are —ing their heads off in the stables = zijn doodeters, voeren

niets uit; To — one’s heart out = zich ‘opvreten’ van verveling of

verdriet; A sense of his wrongs had —en him up = verteerd; —able =

eetbaar: —ables and drinkables = eet- en drinkwaren; —er: A great, a

poor — = een groote, kleine eter; —ing: —-house = ordinaris.

Eatanswill, ît’nzwil, opgeblazen (als de inwoners van E. in The

Pickwick Papers).

Eau de Cologne, oudəkəloun, Eau de Cologne.

Eaves, îvz, vooruitspringende beneden dakrand: —drop, subst. het v. den

dakrand druppelend water; — verb. afluisteren, den luistervink spelen;

—dropper = luistervink.

Ebb, eb, subst. ebbe, verval; — verb. ebben, achteruitgaan, in verval

geraken: — and flow, — and tide = eb en vloed; To be at an — = at a low

— = aan lager wal, gedrukt; To — away = afnemen; —-tide = eb.

Ebenezer, ebənîzə, kerk, vereenigingslokaal voor Dissenters.

Eblis, eblis, duivel der Mahomedanen: Hall of — = hel.

Ebon, eb’n, van ebbenhout, donker, zwart; —ize = ebbenhoutkleurig

maken; Ebony = ebbenhout: A bit of — = neger; Dealer in — =

slavenhandelaar.

Ebullience, Ebulliency, ibɐlj’ns(i), subst. overkoken, overstroomen;

adj. Ebullient; Ebullition, ebəliš’n, het koken, (op)borrelen,

uitstorting.

Eburnean, îbɐ̂nj’n, adj. ivoren.

Ecce Homo, eksihoumou, voorstelling van Christus met de doornenkroon.

Eccentric(al), eksentrik(’l), excentrisch, excentriek, zonderling;

subst. excentriek; —-rod = excentriekstang; Eccentricity =

excentriciteit, zonderlingheid.

Ecclefechan, ekləfek’n.

Ecclesiastes, eklîziastîz, de Prediker (O. Test.); Ecclesiastic,

eklîziastik, subst. geestelijke; adj. geestelijk, kerkelijk =

Ecclesiastical: The — States = de Kerkelijke Staat.

Echinate(d), ekəneit(id), əkaineit(id), stekelig; Echinus, ikainəs,

zeeëgel; egelskop (plant); eivormig ornament.

Echo, ekou, subst. echo; — verb. weerklinken, weergalmen, terugkaatsen,

herhalen: The speech was cheered to the — = uitbundig toegejuicht; I

—ed his sentiment = deelde zijn gevoelen; —ism = onomatopee; —meter,

ekomətə, klankmeter.

Eclectic, eklektik, eclectisch, schiftend, uitkiezend; subst.

eclecticus; —ism, eklektisizm = eclecticisme.

Eclipse, iklips, subst. eclips, verduistering; — verb. verduisteren;

Ecliptic, ikliptik, subst. ecliptica; adj. tot den zonneweg behoorende.

Eclogue, eklog, herdersdicht.

Economic, îkənomik, ekənomik, economisch; huishoudelijk, spaarzaam; —s,

îkənomiks, ekənomiks, (staat)huishoudkunde; —al = spaarzaam; Economist

= spaarzaam gebruiker: Political — = economist; Economize = spaarzaam

zijn, sparen; Economy = economie (= Political —) = besparing,

zuinigheid, (Goddelijke) inrichting, stelsel, bouw; orde v. zaken,

regeling.

Ecorché, eiköšei, spierfiguur ter bestudeering (voor kunstenaars).

Ecstasy, ekstəsi, extase, opgetogenheid, geestverrukking of vervoering;

ziekelijke overprikkeling; flauwte; Ecstatic(al), ekstatik(’l),

verrukt, onbeschrijfelijk genotvol, verrukkelijk.

Ectype, ektaip, copie, afgietsel.

Ecuador, ekwədö, əkwâdö.

Ecumenic(al), îkjumenik(’l), algemeen.

Eczema, eksîmə, eczeem; adj. —tous, əksemətɐs.

Edacious, ideišəs, gulzig, vraatzuchtig; Edacity, idasiti, vraatzucht,

gulzigheid.

Eddish, ediš, etgroen, nagras, stoppelveld.

Eddy, edi, draaikolk, dwarrelwind; — verb. dwarrelen, draaien; —-water

= zog, kielwater; —-wind = wervelwind.

Eddystone, edist’n.

Eden, îd’n, Eden, Paradijs.

Edentate(d), identeit(id), zonder snijtanden.

Edgar, edgə.

Edge, edž, subst. rand, kant, scherpe kant, snede, zoom, hevigheid,

scherpheid; — verb. scherpen, afranden, afsteken, begrenzen, omzoomen,

zich zijdelings voortbewegen, scherp bij den wind houden: To — one’s

way through a crowd = zich een weg banen; It sets my teeth on — = het

doet mij griezelen; It has taken away (off) the — of hunger = het heeft

den eersten honger gestild; To turn up the —s of one’s trousers = de

broekspijpen omslaan; To — away from the coast = zich van de kust

langzaam verwijderen; We —d in with the coast = langzamerhand naderden

wij de kust; He —d me on = zette mij aan; —-rail = rechtopstaande

spoorstaaf (niet liggende, zooals bij trams); —-tool = snijdend of

scherp werktuig; He plays with —-tools = speelt met vuur; —ways, —wise

= met den scherpen kant vooruit: I couldn’t get in a word —ways = er

geen woord tusschen krijgen.

Edgecombe, edžk’m.

Edging, edžiŋ, boordsel, franje, rand.

Edible, edib’l, eetbaar; subst. —ness.

Edict, îdikt, edict, verordening.

Edification, edifikeiš’n, stichting, opbouwing; Edificatory =

stichtend; Edifice, edifis, gebouw; Edify, edifai, stichten, opbouwen:

An —ing sermon = stichtelijke preek.

Edile, îdail, aedilis.

Edinburgh, edinbɐrə.

Edison, edis’n.

Edit, edit, uitgeven (d.w.z. voor de pers gereed maken), redigeeren:

Dickens’ Letters —ed by his daughter, and published by L.; —ion,

idiš’n, uitgave, druk; —or = uitgever, redacteur; —orial, editôriə’l,

redactioneel; subst. hoofdartikel: — management = redactie; — staff =

redactie (personeel); —orship = redacteurschap; —ress = redactrice.

Edith, îdith.

Edomite, îdəmait.

Educate, edjukeit, opvoeden, onderrichten; Education, edjukeiš’n,

opvoeding, onderwijs: Board of — = Raad van Onderwijs; Educational =

opvoedings..., paedagogisch: — institutions = opvoedingsgestichten,

—inrichtingen; Educationist = voorstander van onderwijs; ervaren

paedagoog; Educator = opvoeder.

Educe, idjûs, afleiden, trekken uit; Educible = afleidbaar.

Educt, îdɐkt, wat zich afscheidt of heeft afgescheiden (chem.);

conclusie: The —s of an analysis; —ion pipe, valve = afvoerbuis; klep

voor afgewerkten stoom.

Edulcorate, idɐlkəreit, verzachten, zoeter maken, zuiveren; subst.

Edulcoration.

Edward, edwəd, Eduard; Edwin, edwin.

Eel, îl, aal, paling: —-buck, (—-pot) = aalkorf (om ze te vangen);

—-fare = broedsel palingen; —-pout = aalpuit; —-spear = aalgeer, elger.

E’en, în, verkorting van Even, Evening.

E’er, êə, verkorting van Ever.

Eerie, Eery, îri, angstwekkend, huiveringwekkend, geheimzinnig;

Eeriness = angst, vooral voor iets bovennatuurlijks.

Efface, efeis, uitwisschen, uitkrabben, in de schaduw stellen; —able =

uitwischbaar, enz.; —ment = uitwissching, enz.

Effect, efekt, subst. effect, indruk, uitvoering, uitwerking, gevolg

(—s = effecten, waarden, bezittingen); — verb. uitwerken,

teweegbrengen, tot stand brengen, effectueeren: For — = om den schijn,

om den indruk te verhoogen; In — = werkelijk, inderdaad; Of no(ne) — =

van geene kracht; To no —, Without — = vergeefs; His words were to this

— = kwamen hier op neer; He gave — to this resolution = voerde uit; The

cannon took — = miste zijne uitwerking niet; To carry into — = ten

uitvoer brengen; They —ed their escape = bewerkstelligden; —ive =

werkzaam, krachtig, werkelijk voorhanden, effectief; ook subst.: An

army with an —ive of 80.000 men in time of peace = met een effectief;

subst. —iveness; —ual = bindend, dringend, krachtig: The blow —ually

pitched him into the water = deed hem pardoes... vallen; —uate =

bewerkstelligen; subst. Effectuation.

Effeminacy, efeminəsi, verwijfdheid, verweekelijking; Effeminate,

efeminit, subst. en adj. verwijfd (persoon); — verb. (efemineit)

verwijfd maken, verweekelijken.

Effendi, əfendi, hooge titel (Turk.).

Effervesce, efəves, opborrelen, zingen (vóór het koken), opbruisen of

uitbarsten; subst. —nce, Effervescency; —nt = opbruisend: — powder =

bruispoeder.

Effete, efît, afgeleefd, versleten.

Efficacious, efikeišəs, werkzaam, krachtig; subst. —ness = Efficacy,

efikəsi, kracht, invloed.

Efficiency, efiš’nsi, werking, kracht, capaciteit; Efficient, efiš’nt,

werkzaam, krachtig, afgeëxerceerd; subst, werkende oorzaak;

afgeëxerceerd soldaat.

Effigies, efidžîz. Zie Effigy.

Effigy, efidži, beeld, beeltenis, beeldenaar (op eene munt): He was

hanged in — = in effigie (beeltenis) gehangen.

Effloresce, efləres, uitbotten, zich ontplooien, bloeien, met een korst

van witte kristallen bedekt worden; —nce = bloei, het uitbotten,

huiduitslag, vorming van kristallen; adj. —nt = bloeiend.

Effluence, efluens, uitvloeisel; Effluent.

Effluvium, eflûvj’m, uitwaseming, uitdamping.

Efflux, eflɐks, uitvloeiing = Effluxion.

Effort, efət, eföt, poging, krachtsinspanning, worsteling, effectbejag:

That is an — to me = kost mij inspanning; —less = werkeloos, zonder

inspanning.

Effrontery, efrɐnt’ri, onbeschaamdheid.

Effulge, efɐldž, uitstralen; —nce = glans; —nt = stralend, glanzend.

Effuse, efjûz, uitgieten, storten, uitstroomen; adj. efjûs; Effusion =

uitstorting, ontboezeming; adj. Effusive, efjûsiv, verspreid,

rijkelijk, demonstratief, overdreven: Polly kissed me —ly = onstuimig.

Eft, eft, watersalamander.

Eftsoon(s), eftsûn(z), in korten tijd, spoedig daarna, opnieuw,

dadelijk.

Egad, əgad, goede hemel! Duivekaters!

Egbert, egbət; Egerton, edžət’n; Egeus, idžîəs.

Egg, eg, subst. ei: As sure as —s is (are) —s = zoo zeker als wat; To

beat up an — = klutsen; To count one’s —s = zien wat men heeft; To put

all one’s —s into one basket = alles op ééne kaart zetten; —-boiler =

eierkoker; —-cup = eierdopje; —-flip = warm bier met suiker etc., en

daarin geklutste eieren; —-glass = kleine zandlooper; —-nog(g) =

advocaat; —-plant = eierplant; —-shell = eierschaal; —-slice =

pannekoeksmes; —-whipper = —-whisk = eierklopper; —ery = nest met

eieren; eierbergplaats, eierrekje; —ler = eierenhandelaar;

eierenverzamelaar.

Egg, eg, aanzetten tot, aanhitsen en opstoken.

Eginhard, edžinhâd.

Egis, îdžis, aegis (schild van Jupiter).

Eglantine, egl’nt(a)in, egelantier, hondsroos.

Ego, egou, îgou, ego; —ism = egoisme; Egoist = egoist; Egoistic(al) =

egoistisch; —tism = het te veelvuldig gebruik van “ik”;

zelfgenoegzaamheid; zelfzucht; Egotist = persoon, die zich aan Egotism

schuldig maakt; adj. Egotistic(al); Egotize = te veel over zichzelf

praten of schrijven.

Egregious, igrîdžəs, uitstekend, buitengewoon: — folly = kolossale

dwaasheid.

Egress, îgres, subst. uitgang, heengaan.

Egret, egrət, îgrət, kleine witte reiger; reigerveer als versiering;

zaadpluimpje; —te, igret, pluim, bos, lintversiersel.

Egria, îgriə, Eger.

Egypt, îdžipt, Egypte; —ian, idžipš’n, subst. Egyptenaar; Zigeuner;

groot formaat teekenpapier; adj. Egyptisch, Zigeuner—: —ian type =

egyptienne, bijzondere soort van dikke drukletter; —ologist =

Egyptoloog; —ology, îdžiptolədži, kennis van Egyptische antiquiteiten,

enz.

Eh, ei, ə, He? Wat?

Eidam, aid’m, Edammer kaas.

Eider, aidə: —down = eiderdons, kussen gevuld met —; —-duck.

Eidolon, aidoulən, schim, verschijning.

Eigh, ei, Hé! Och!

Eight, eit, acht: An —-day clock = die acht dagen loopt; —een =

achttien; —eenmo, eitînmou, boekvorm, verkregen door het in 18 bladen

(of 36 bladzijden) vouwen van een vel (verkort 18mo); —eenth =

achttiende; —fold = achtvoudig; Eighth = achtste; —ieth, eitiəth,

tachtigste; —-score = 160; —y = tachtig.

Eikon, aikoun, beeltenis, heiligenbeeld.

Eirie, îri = Eerie.

Eisteddfod, aistedhwoud, oorspronkelijk eene vergadering van Keltische

zangers tot het ontvangen van prijzen voor hunne werken; thans een

jaarlijksche bijeenkomst ter bevordering van Keltische taal en

letterkunde.

Either, aidhə, îdhə, een van beiden (onverschillig welke), beide: In —

case = in het eene of andere geval.

Ejaculate, idžakjuleit, uitbrengen, uitstooten, uitwerpen; Ejaculation

= uitroep; ook = Ejaculatory prayer = schietgebedje.

Eject, idžekt, uitwerpen, uitspuiten, loozen, uitzetten, verdrijven,

verbannen, afzetten; subst. —ion; —ment = uitstooting, uitzetting,

verdrijving; —or = verdrijver, veer of inrichting waarmee

patroonhulzen, asch, etc. worden uitgeworpen.

Eke, îk, toevoegen, verlengen, aanvullen, vermeerderen; adv. ook: The

meat was —d out by potatoes and apple-sauce = werd aangevuld door; The

lion’s skin was —d (out) with the fox’s = moed en list gingen samen;

Parish —-names = bij(scheld)namen (Vergel. Silly Sutton, Sleepy Ingham,

etc.).

Elaborate, ilabərit, adj. doorwrocht, uitgewerkt, uitvoerig,

uitgebreid; — verb. (ilabəreit) nauwkeurig bewerken, met moeite

voortbrengen: To — an idea = uitwerken; —ness = zorgvuldige en

uitvoerige bewerking; Elaboration = uitwerking, bewerking; Elaborative

faculty = onderscheidingsvermogen.

Elaine, ilein.

Eland, îl’nd, eland.

Elapse, ilaps, verstrijken, verloopen.

Elastic (= —al), ilastik, elastiek, veerkrachtig: An — = A piece of — =

een elastiekje; —s = kousebanden; —-sided boots = bottines met

elastiek; — stockings; — tissue = veerkrachtig weefsel; Elasticity,

îləstisiti, elasticiteit.

Elate, ileit, adj. opgewonden, blijde, opgeblazen; — verb. verheffen

(van geest of ziel), opwinden, opgetogen maken, opgeblazen maken; —r =

springkever, springtor; Elation = opgetogenheid, enz.

Elbe (The), dhi-elb, Elbe; Elberfeld, elbəfeld: The — system of poor

relief = Elberfelder stelsel van armenverzorging.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 35 / 141 段