= zwendel.
Fo’ks’le, fouks’l. Zie Forecastle.
Fold, fould, subst. schaapskooi, kudde, de Geloovigen, het vouwen,
vouw; -voudig (in samenstellingen); — verb. opsluiten (in eene kooi),
vouwen, sluiten (van handen): All the leaves in your book are —ed down
= hebben ezelsooren; He was received within the — of the church = in
den schoot der kerk opgenomen; —er = vouwbeen, vouwer; A pair of —ers =
lorgnet; Folding = het opsluiten, de schaapskooi, het vouwen: —-chair =
vouwstoel; —-doors = vleugeldeuren; —-net = slagnet; —-screen =
vouwscherm; —-stool = klapstoel; —-table = klaptafel.
Foliaceous, fouljeišəs, bladervormig, bladerig; Foliage, fouljidž,
subst. gebladerte, bladerwerk, loofwerk; — verb. met loofwerk
versieren; Foliaged = met loofwerk versierd; Foliated, fouljeitid,
verfoelied, gebladerd, met loofwerk versierd; Foliation, foulieiš’n,
metaalpletting, het verfoeliën, het van loofwerk voorzien; Folio,
fouljou, subst. doorloopende pagineering, folio, pagina, copie, 72
woorden in wettelijke stukken, 90 in parlementsstukken; adj. van
foliogrootte (4 bladzijden in een vel); — verb. folieeren; Folious,
fouliəs, dicht met bladeren bezet, bladeren hebbende, met bloemen
vermengd.
Folk, fouk, subst. luitjes, volk: adj. tot het volk behoorend,
overgeleverd: How are the old —(s) = hoe gaat het met de oudjes; —lore
= het bijgeloof en de overleveringen van een volk, de studie daarvan;
—-medicine = huismiddeltjes; —-mote = volksvergadering; —-rede =
mondelinge overleveringen (v. bijgeloof etc.); —right = gewoonterecht;
—-song = volkslied, populair lied; —-tale = volksmythe; Folklorist,
fouklörist, fouklörist, kenner of beoefenaar van folklore.
Follicle, folik’l, zaadhuisje, klier; adj. Follicular, Folliculous.
Follow, folou, volgen, nazetten, tot het gevolg behooren, nagaan, de
party kiezen van, voortkomen, opletten, gehoorzamen, een beroep
uitoefenen: Something better was to — = het zou nog beter worden; It
does not — that he is idle = daaruit volgt niet; We —ed (acted upon)
certain lines = gingen volgens een bepaald plan te werk; Do you — me? =
begrijpt gij mij? He —s his pleasure = jaagt zijn genoegen na; To —
suit = kleur bekennen, navolgen; To — the trade of a blacksmith =
uitoefenen; He —ed out his principles = handelde geheel volgens zijne
beginselen; If you want to — her up, you must know where she lives =
werk maken van; This work —s closely upon history = dit werk volgt de
geschiedenis op den voet; —er = volgeling, volger, leerling, dienaar,
vrijer: No —ers allowed (in advertenties) = geen vrijers in de keuken;
A —ing breeze, sea, wind = van achteren inkomend; He has a —ing of rich
friends = hij heeft een aanhang van rijke vrienden.
Folly, foli, dwaasheid, domheid, verdorvenheid.
Foment, fəment, voeden, kweeken, warm betten, aanmoedigen, aanhitsen;
subst. —ation; —er = opruier, aanstichter.
Fond, fond, dwaas, onwijs, al te teeder of lief, toegevend, verzot op,
gek met: She is — of her children = gek met haar kinderen; —le =
liefkoozen, streelen, vertroetelen; lief doen; That is her —ling =
hartje, lieveling; —ness = teederheid.
Font, font, doopvont; letterpolis, gietcedel; adj. —al.
Fontanel(le), fontənel, fontənel, open plek in een zuigelingsschedel;
seton, etterdracht.
Food, fûd, voedsel, spijs, voeder: One man’s — is another man’s poison
= den een z’n dood is den ander z’n brood; A daily — = almanak met
teksten voor iederen dag van het jaar; —s = voedingsstoffen = —-stuffs.
Fool, fûl, subst. dwaas, malle vent, zot, zondaar (bijbelsch),
kruisbessenvlade, slachtoffer; — verb. voor den gek houden, bedriegen,
teleurstellen, bespotten: Abbot of —s = hoofdleider der dwaasheden in
de vroegere kerstfeestviering; Feast of —s = oud feest op
Nieuwjaarsdag; That’s a — to it = haalt er niet bij; He has made a — of
me = hij heeft me voor den gek gehouden, belachelijk gemaakt; Let him
play the — = laat hem voor dwaas of grappenmaker spelen; Don’t — away
your time = verbeuzel uw tijd niet; —’s-errand = vruchteloos onderzoek:
He is out on a —’s-errand = hij jaagt het onverkrijgbare na;
—’s-paradise = blijdschap met eene doode musch: He lives in a
—’s-paradise = hij leeft gedachteloos voort, belooft zich zelf gouden
bergen; —hardiness, subst. v. —hardy = roekeloos, domdriest; —s-cap =
narrenkap; soort v. papier, omdat dit formaat oorspronkelijk het
watermerk van eene narrenkap had; —ery = dwaasheid, dolheid; —ing,
subst. malligheid, grappigheid; adj. voor gek spelend; —ish = dwaas,
simpel, mal, belachelijk, beschaamd; zondig (veroud.); subst. —ness.
Foot, fut, subst. voet (12 inches), maat, versvoet, het wandelen, korte
afstand, voetvolk; — verb. loopen, dansen, betreden, (be)wandelen, een
voet aanbreien, voorschoen aanzetten, opsporen, met den poot of de
klauw pakken, optellen en daaronder de som opschrijven: —s = bezinksel;
— by —; Sure of —; On — = te voet, gaande, op touw; At a —’s pace =
stapvoets; To put one’s best — forward = zijn beste beentje voorzetten;
To put one’s — in = zich compromitteeren; zijn mond voorbij praten; To
put down one’s — = zich met kracht verzetten tegen; He shook the dust
of his country from his feet = verliet zijn land; I never set — in
America = heb nooit een voet gezet; Who will set the business on — =
aan den gang brengen, op touw zetten? To take the measure of a person’s
— = iemand doorgronden; To — it = loopen; These stockings must be —ed =
er moeten nieuwe voeten aan deze kousen gebreid worden; The bill was
—ed = de rekening werd betaald (Am.); —-and-mouth disease = mond- en
klauwzeer; —-band = troep infanterie; —-ball = voetbal, met leer
omgeven gummibal, gebruikt bij het spel van dezen naam; —-barracks =
infanteriekazerne; —-board = treeplank, voeteneind; —-boy = loopjongen,
livreiknechtje; —-bridge = brug voor voetgangers; —fall = (hoorbare)
voetstap; —-guard = voetbekleeding (bij paard); —-guards = lijfwacht te
voet (Grenadier, Coldstream en Scots guards); —-hold = steun voor den
voet, vaste positie, vestiging; —-iron = voetboei, rijtuigtrede;
—-licker = lage vleier; —-lights: He was before the —-lights = voor het
voetlicht; —man = voetknecht, livreiknecht; —-mark = voetspoor, indruk
van den voet; —-muff = voetenzak; —-note = aanteekening onder aan de
bladzijde; —pace = wandelpas; verhoogde vloer; —pad = struikroover;
—-passenger = reiziger te voet, wandelaar; —-path = voetpad; —-plate =
staanplaats op een locomotief; —-post = voetbode; —-pound = voetpond;
—-print = indruk van den voet; —-race = wedloop; —-rest = voetbankje;
bok; —-rot = rotziekte bij schapen; —-rule = duimstok (30 c.M. lang);
—-scraper = voetenkrabber; —-shackles = voetboeien; —-soldier =
infanterist; —-sore = met pijnlijke (zeere) voeten; —-stall =
vrouwenstijgbeugel; onderstuk van eene zuil; —step = voetstap: Follow
his —steps = druk zijne voetstappen, volg zijn voorbeeld; —-stool =
voetbankje; —-stove, —-warmer = (warm water)-stoof; —way = voetpad,
ladder om in de mijnen af te dalen; —-worn = met pijnlijke (zeere)
voeten; —ed = voetig; —er = voetbal: A six-—er = iemand van 6 voet;
—ing = steunsel voor den voet, vaste positie, opstelling: He missed his
—ing = stapte mis; It is difficult to get a firm —ing there = om daar
vasten voet te krijgen; He has to pay his —ing = hij moet zijne entrée
betalen (van een werkman, die voor het eerst zijn beroep aanvaardt);
First —ing is a New-Year’s custom in Scotland; the person who first
enters the house is called its first —; —y = waardeloos, onbeduidend:
This sugar is very —y = deze suiker is onzuiver; They are little —y
falderals = kleine niets beduidende prullen.
Footle, fût’l, subst. prullewerk; adj. prullerig; — verb. knoeien,
onzin doen.
Foozle, fûz’l, vervelende, malle gek; — verb. knoeien; Foozlified =
dronken.
Fop, fop, modegek; —pery = kwasterij, ijdelheid (in kleederen of
vormen); adj. —pish.
For, fö, prep, voor, gedurende, om, wegens, ten behoeve van, met het
oog op, met bestemming naar, vergeleken met, niettegenstaande: I have
done it — the best = uit bestwil; You have taken each other — better —
worse = elkaar gehuwd, wat er ook mocht gebeuren; — convenience’ sake =
gemakshalve; — example (= — instance) = bij voorbeeld; Eye — eye and
tooth — tooth = oog om oog en tand om tand; — fear of = uit vrees van;
— good and all (Once — all) = eens vooral; A man can live — much less =
van veel minder; He won’t sleep — long = lang; Do it — my sake = om
mijnentwil; A house — sale = te koop; — shame = schaam je; I shall take
this — want of better = bij gebrek aan beter; He is a noble character —
all that = hij is toch (niettegenstaande al wat er gezegd is, b.v.) een
edele kerel; You must do it — all the world = wat de wereld er ook van
zegge; That’s it — all the world = juist, zoo is het; She didn’t listen
— all she held her tongue = al hield ze ook haar mond; — all you know =
zoo goed (gauw) als je kunt; — as much as I can say = voor zoover ik
weet; — the matter of that = wat dat betreft: — one thing, I don’t know
your name = in de eerste plaats; — ought I see = voor zoover ik zien
kan, als ik het wel heb; He was at home — a wonder = verwonderlijk
genoeg was hij thuis; I am to blame — it = ik alléén draag daarvan de
schuld; To be sorry — = spijt hebben over; I do not care — him = geef
niet om hem; I felt uneasy — him = was ongerust over hem; To go in — an
examination, a place = zich aanmelden voor, opgaan voor, dingen naar;
We sailed — the Indies = zeilden naar Indië; I have taken you — my
model = ik heb u ter navolging gekozen; I waited — him to resume his
story = ik wachte er op, dat hij ... zou hervatten; Now — it = nu er op
los, nu begint het; Oh — a horse = ach, had ik maar een paard; I — one
= wat mij betreft; But — me he would be unhappy = zonder mij; It is not
— you to say so = het past u niet zulks te zeggen; I could not — the
life of me help saying it = ik moest het wel zeggen.
For, fö, conj. want, daar, in aanmerking nemende dat.
Forage, foridž, subst. voeder, fourage, veevoeder; — verb. fourageeren,
uitplunderen door requireeren van fourage; —-cap (Foraging-cap) =
politiemuts (van soldaten); —-contractor = aannemer van het voedsel der
cavaleriepaarden; —r = fourageur.
Foraminated, fəramin(e)itid, met kleine gaatjes doorboord; Foraminous,
fəraminəs, vol kleine gaatjes.
Foray, forei, fərei, subst. rooftocht, buit; — verb. plunderen,
verwoesten.
Forbear, föbêə, nalaten, zich onthouden van, dulden, verdragen; —ance =
onthouding, geduld, zelfbeheersching, verdraagzaamheid, duldzaamheid:
—ance is no acquittance = uitstel is geen afstel; —ingly = lijdzaam.
Forbear(s), föbêə(z), föbîəz, voorouder(s), voorzaten, nazaten.
Forbes, föbz.
Forbid, föbid, verbieden, ontzeggen, weigeren (toegang, b.v.), een
verbod uitvaardigen: God, Heaven — = dat verhoede God, de Hemel! —den
fruit = verboden vrucht (Bijbel); —ding = onaangenaam, terugstootend:
Those are —ding subjects = onaangename onderwerpen.
Forbore, föbö, Forborn, föbön, imperf. en part. perf. van to forbear.
Force, fös, subst. kracht, geweld, dwang, noodzaak, beteekenis,
wettigheid, strijdmacht (ook dikwijls —s); — verb. dwingen, noodzaken,
overweldigen, verkrachten, forceeren, trekken: By mere — of habit = uit
louter kracht der gewoonte; Conservation of — = krachtsbesparing;
Correlation of — = krachtsverhouding; External —s = van buiten werkende
krachten; Land —s; Marine —s; Moral — = zedelijke kracht; Natural —s =
natuurkrachten; Physical — = natuurlijk vermogen; By main — = met
geweld; The scouts reported that they had discovered the enemy in — =
in grooten getale; To be of — = van kracht; The law will come into —
(be enforced) very soon = de wet zal spoedig tot uitvoering komen; That
must follow of — = dat moet er noodzakelijk uit voortvloeien; I
discovered where his — lay = wat zijn “fort” was; To — along =
voortdrijven, meeslepen; To — back = terugdrijven; To — down the throat
= doen slikken; His sword was —d from his hand = aan zijne hand
ontwrongen; He —d that word into a new meaning = gaf eene gedwongen
nieuwe beteekenis aan; He —s a passage of Macaulay into his service =
hij sleept er eene passage van M. (als eene bewijsplaats) bij de haren
bij; They were —d out = met geweld verjaagd; The ministers —d the
queen’s hand = dwongen ... zoo te handelen; —-meat = gehakt (en sterk
gekruid) vleesch; —-pump = perspomp; —d = gedwongen, gekunsteld;
getrokken; subst. —dness; —ful = krachtig; —less = krachteloos.
Forceps, föseps, tang voor chirurgen (dentisten).
Forcible, fösib’l, krachtig, gewelddadig, hevig, onstuimig,
indrukwekkend: — entry and detainer = gewelddadige inbezitneming
(Jur.); —-feeble, subst. iemand, die een schijn van kracht ontwikkelt;
adj. gemaakt of slechts schijnbaar krachtig; subst. —ness.
Forcing, fösiŋ; —-house = broeikas; —-pump = perspomp.
Forcipitate(d), fösipiteit(id), tang- of schaarvormig.
Ford, föd, subst. doorwaadbare plaats (v. eene rivier), stroom; — verb.
doorwaden; —able = doorwaadbaar.
For(e)do, födû, verwoesten, vernietigen, overwinnen, uitputten.
Fordyce, fədais.
Fore, fö, adj. vooraan, voor, vooraf; adv. vooraan: To the — = naar
voren toe, gereed, aanwezig, nog levend; He came to the — = kreeg naam;
He is well to the — = hij heeft veel naam; — and aft = de geheele
lengte v. het schip; —arm, subst. voorarm; —arm, fô-âm, vooraf wapenen;
—warned, —armed = eenmaal gewaarschuwd maakt dubbel voorzichtig; —bode,
föboud, voorspellen, een voorgevoel hebben van; —boding = voorgevoel;
—-brace, —-bits = betingen der fokkebrassen; —-bow = zadelknop; —-cabin
= voorkajuit; —cast = voorspelling, voorziening: The weather —cast =
weervoorspelling; —cast, fökâst, voorspellen, vooraf berekenen,
ontwerpen; —castle, fouks’l, bak (op een schip tusschen den voormast en
den boeg); —close, föklouz, tegenhouden: To —close a mortgager = een
hypothecair schuldenaar het recht op terugverkrijging van zijne
bezittingen ontnemen; —closure = ontneming van dit recht; —doom, födûm,
veroordeelen, doemen: The attack was —doomed to failure; —elder =
voorouder; —-end = eerste gedeelte; —father = voorvader: —fathers’-Day
= 21 December, toen de Pilgrim Fathers in Amerika landden (1620);
—fend, föfend, verbieden, afwenden, afweren; —finger = voorvinger;
—foot = voorpoot; —front = voorste deel; —go, fögou, afstand doen,
afzien van, zich ontzeggen: That is a —gone conclusion = dat is eene
uitgemaakte zaak, spreekt vanzelf; —going = voorafgaande; —ground =
voorgrond; —gather, fögadhə, samenkomen; —hand, subst. vóórhand,
voorkeur; adj. naar voren, anticipeerend; —head, föhed of forəd,
voorhoofd; —hold = voorste gedeelte van het scheepsruim; —-horse =
voorste paard van een span; —judge, födžɐdž, eene klacht afwijzen
wegens niet verschijnen van den klager; —know, fönou, vooraf weten;
—knowledge, fönolidž, het vooruitweten; —land = landtong, kaap; ruimte
tusschen vestingmuur en gracht; —leg = voorpoot; —lock = voorlok,
voorhaar; stift, pin: I will take time by the —lock = ik zal de eerste
de beste gelegenheid aangrijpen; —man = eerste, eerstaanwezende,
woordvoerder (van eene jury), meesterknecht, hoofdconducteur; —mast =
fokkemast; —mast-man = gewoon matroos; —-mentioned, fömenš’nd,
voormeld; —most = voorste, eerste, voorop; —name = vóórnaam; —named =
voornoemd; —noon, fönûn, fönûn, vóórmiddag; —ordain, fôrödein,
voorbeschikken (Bijbel); —ordination, fôrödineiš’n, voorbeschikking;
—part = voorste deel; —past, —passed, föpâst, voorbij, verleden; —-peak
= hel (scheepst.); —-rank = voorste rij of gelid, voorkant, —reach,
förîtš, winnen op (bij het zeilen, etc.); —reading = voorafgaande
doorlezing; —run, förɐn, voorafgaan, aankondigen, een voorbode zijn;
—runner, förɐnə, förɐnə, voorbode, voorlooper; —sail = fokkezeil; —see,
fösî, voorzien, vooraf weten; —seeable consequences = te voorziene
gevolgen; —shadow, föšadou, voorbeduiden; subst. voorbeduidsel; —-sheet
= fokkeschoot; —-sheets = voorplecht; —shore = het gedeelte kust
tusschen eb en vloed; —-shorten, föšöt’n, in de verkorting teekenen
(perspectief); —show, föšou, voorspellen, voorzeggen, verkondigen;
—side = voorzijde; —sight = het vooruitzien, overleg; —skin = vóórhuid;
—sleeve = vóórmouw; —stall, föstôl, vooruitloopen op, berooven,
verstoppen: You — life with your talk = gij neemt door uw gepraat al
het aangename en belangwekkende van het leven weg; He —ed the market =
hij joeg den prijs der goederen op door opkooping en het verspreiden
van valsche geruchten, etc. en beheerschte de markt daardoor; They — my
wishes = raden vooruit; —taste = subst. voorsmaak; — verb. föteist, een
voorsmaak hebben van; —tell, fötel, voorspellen, voorzeggen; —thought =
subst. voorbedachtheid, voorzorg; adj. voorbedacht, vooraf beraamd;
—-tooth = vóór- of snijtand; —top = vóórmars; —warn, föwön, vooraf
waarschuwen of kennis geven (Zie —arm); —wind = gunstige wind; —woman =
vrouwelijke opzichter; hoofd van eene modezaak; —word(s) = voorrede,
inleiding.
Foreign, forin, buitenlandsch, vreemd, vreemd aan (to, from): — affairs
= buitenlandsche zaken; — attachment = beslaglegging op het eigendom
van een buitenlander in Engeland: — news = buitenlandsch nieuws; —
Office = ministerie van Buitenl. zaken; — Secretary = minister van
B.Z.; — trade; This is — to our business = is vreemd aan, staat buiten,
heeft niet te maken; —-built = in ’t buitenland gebouwd; —er =
vreemdeling.
Forensic(al), fərensik(’l), gerechtelijk; —-medicine = gerechtelijke
geneeskunde.
Forest, forəst, subst. woud, bosch, koninklijk jachtveld; — verb. in
een bosch veranderen, met boomen beplanten; adj. boschachtig,
landelijk; —-fly = luisvlieg (bij paarden); —-laws = boschwetten;
—-officer = ambtenaar bij het boschwezen; —-walk = schaduwrijke
wandelweg; —er = houtvester, boschbewoner, boschwachter; —ry =
boschcultuur, boomkweeking.
Forfeit, föfit, subst. het verbeurde, boete, pand; adj. verbeurd; —
verb. verbeuren, verliezen: To cry —s = de panden oproepen; They were
playing (at) —s = waren aan het pandje-verbeuren; —ure, föfitjə =
verbeuring, verlies, boete.
Forfex, föfeks, schaar.
Forge, födž, subst. smidse, smidsvuur, smederij, werkplaats; — verb.
smeden, maken, uitvinden, verdichten, namaken, vervalschen, valschheid
in geschrifte plegen, met kracht voortdrijven, langzaam en moeilijk
voortbewegen, vooruitwerken: He —d his way home = kwam (ging) met
moeite ...; —-man = smids-meesterknecht; —r = smid, vervalscher; —ry =
valschheid (in geschrifte), verdichting, verzinsel; —tive =
vindingrijk.
Forget, föget, vergeten, verwaarloozen: I — = ik ben vergeten; I shall
— my own name next = zal mijn eigen naam nog vergeten; To — oneself =
zich vergeten; —-me-not = vergeetmenietje; —ful = vergeetachtig,
slordig; subst. —fulness.
Forgivable, fögivəb’l, vergeeflijk; Forgive, fögiv, vergeven,
vergiffenis schenken, kwijtschelden, door de vingers zien; subst.
—ness; Forgiving = vergevingsgezind; subst. —ness.
Forgo, fögou, opgeven, laten varen, verliezen, inboeten.
Forgot(ten), fögot(’n), imp. en p.p. van forget.
Fork, fök, subst. vork, gaffel, scheiding van een weg, etc.,
moeilijkheid, lastig geval, stemvork; — verb. met eene vork opheffen en
aangeven, omspitten, scherpmaken, zich vertakken, stelen, kapen: You
shall — it over (out) first = je zult het eerst overgeven, eerst
opdokken; —-head = gevorkte pijlspits; —-tail = naam voor visch met
gevorkten staart; —ed = gevorkt, zigzag: —ed lightning = zigzag
bliksemstralen; —y = gevorkt.
Forlorn, fölön, verlaten, hulpeloos, ongelukkig, eenzaam; vervallen,
vermagerd: —-hope = troep soldaten, die voor een uiterst gevaarlijken
post zijn aangewezen; gevaarlijke post, wanhopig geval, laatste
redmiddel; subst. —ness.
Form, föm, (uiterlijke) vorm van iets, vorm (drukken), gedaante,
stelsel, leest, model, formulier, gelijkheid, plichtpleging, schoolbank
(zonder rugleun.), klasse (in school), leger (v. een haas),
geschiktheid, goede figuur; — verb. vormen, scheppen, oefenen, zich
richten of vormen: To be bad — = onnet, ongepast; To be in good — =
netjes, zooals het behoort; The horse was not in — to-day = niet “in
conditie”; The prime minister was in splendid oratorical — = des
eersten ministers redenaarstalenten kwamen prachtig uit; They went
through the — of dining = voor den vorm deden ze, alsof; They —ed for a
dance = zij traden aan om te dansen; They —ed in front = zij plaatsten
zich in de voorhoede in ’t gelid; —al = vormelijk, precies, stellig,
stijf, vol plichtplegingen, naar den vorm: His evidence was of a —al
order = zijne getuigenis betrof slechts feiten; —alism = vormendienst;
—alist = vormelijk mensch, formalist; —ality, fömaliti, vormelijkheid;
uiterlijke schijn; formaliteit; —ation = vorming, samenstelling of
afleiding, formatie; —ative = vormend, niet tot den stam behoorend; —er
= Schepper, vormer, vorm, model.
Former, fömə, voorafgaand, vroeger, eerste; —ly = vroeger, te voren.
Formic, fömik, van mieren; —-acid = mierenzuur; —ation = jeuking.
Formicant, fömik’nt, zwak en onregelmatig (van den pols).
Formidable, fömidəb’l, geducht, vreeswekkend; subst. —ness.
Formula, fömjulə, formule, recept: —rize = formuleeren; —ry, subst. =
formulier, formule; adj. voorgeschreven, vastgesteld naar den ritus;
—te = —rize = Formulize.
Fornicate, fönikeit, hoereeren; Fornication, fönikeiš’n, ontucht,
bloedschande, overspel, afgodendienst; Fornicator = hoereerder,
afgodendienaar.
Fors Clavigera, föz klavigərə (of klavidžərə).
Forsake, föseik, verzaken, verlaten, begeven; —n = part. perf.;
Forsook, fösuk, imperf. van to forsake.
Forsooth, fösûth, voorwaar, zeker (dikwijls ironisch).
Forspeak, föspîk, beheksen (Schotl.).
Forspend, föspend, verkwisten, afmatten.
Forswear, föswêə, afzweren, bij eede ontkennen: You are forsworn = gij
hebt uw eed gebroken; You have forsworn yourself = gij hebt een meineed
gedaan.
Forsyth, fösaith.
Fort, föt, subst. sterkte, vesting, kasteel, iemands sterke zijde; adj.
sterk, machtig.
Fortalice, fötəlis, klein buitenwerk.
Forte, föt, iemands sterke zijde; forto; bovenkling (schermen).
Forth, föth, vooruit, buiten, uit, voorwaarts, de grenzen te buiten
gaande, voort: To be —-coming, föthkɐmiŋ = gereed of op ’t punt te
verschijnen, verschijnend; subst. te voorschijn komen: No confirmation
of the report was —-coming = het gerucht werd niet bevestigd; —-going,
föthgouiŋ, uitgaand, voortzettend; subst. uitgaan; —-issuing =
uitkomend; —right = recht vooruit, oprecht; —rightness of phrase =
juistheid van uitdrukking; —with, föthwidh, föthwith, föthwith,
onmiddellijk, op staanden voet.
Fortieth, fötiəth, subst. en adj. veertigste (deel).
Fortification, fötifikeiš’n, versterking, fort; Fortify, fötifai,
versterken, bevestigen; Fortitude, fötitjûd, lichamelijke of
zielskracht, vastberadenheid, moed, geduld.
Fortnight, fötnait, veertien dagen; —ly = alle veertien dagen;
veertiendaagsch.
Fortress, fötrəs, vesting, kasteel, sterkte.
Fortuitous, fötjûitɐs, toevallig; —ness, toevalligheid; Fortuity,
fötjûiti, toeval.
Fortunate, fötšənit, gelukkig, gunstig; subst. —ness; Fortune, fötš’n,
subst. geluk, fortuin, lot, groote rijkdom, bezit; — verb. begunstigen,
gebeuren: By — = toevallig; — favours the bold = wie waagt, wint; As —
would have it = toevallig (’t was of het spel sprak); He came into his
— = hij kreeg zijn erfdeel; —-book = voorspellingsboekje; —-hunter =
iemand, die bij het trouwen op geld uit is; —-hunting = het zoeken van
eene rijke vrouw; —-tell = waarzeggen; —-teller = waarzegger; —-telling
= waarzeggerij.
Forty, föti, veertig: In — seconds = in minder dan geen tijd; I’ll take
my — winks = een dutje doen; The roaring forties = streek op 40° tot
50° Z.B., met steeds krachtigen W.N.W. wind.
Forum, fôr’m, forum, rechtbank.