voorzien: —-rail = spoorstaaf met opstaanden rand.
Flank, flaŋk, subst. zijde, flank, ribstuk; — verb. flankeeren, zich
aan de zijde bevinden, grenzen aan, in de flank aanvallen, de flank
dekken of bestrijken of omtrekken; —-company = de uiterste rechter- of
linker-compagnie van een bataljon; —-files = de eerste twee mannen aan
de rechteren de laatste twee aan de linkerzijde van de compagnie; —er =
subst. flankeur.
Flannel, flan’l, flanel; —ette = katoenflanel.
Flap, flap, subst. klep, flap, slappe rand, lapèl, lel, pand, beweging
met (geluid van) iets plats en breeds, klap, tafelblad; — verb.
flappen, kleppen, slaan, neerslaan: The sails —ped in thunder = flapten
met donderend geraas; —doodle = geklets, klare onzin; —-dragon =
spelletje, om iets uit brandende cognac b.v. te halen; —-eared = met
slappe ooren; —-hat = slappe hoed; —-mouthed = met hanglippen; —-table
= klaptafel; —-window = opslaand dakraam; —per = breede dikke vin (v.
een rob bijv.), lange schoen der Christy Minstrels, jonge wilde eend,
bakvischje (fig.).
Flare, flêə, subst. flikkering, helle vlam, bluf; — verb. flikkeren,
vlammen, schitteren, opzichtig zijn, overhangen: A —-up = opflikkering,
gloeiende fuif, plotselinge woordentwist; He —d up = hij werd woedend,
stoof op; Flaring = schitterend, opzichtig.
Flash, flaš, subst. vlam, flikkering, straal, schicht, uitbarsting,
mislukte poging, soort sluis, zwarte strik (aan de uniform der Royal
Welsh Fusiliers), woest stroomende watermassa, dieventaal; adj. dieven
- -, opzichtig, onecht; — verb. flikkeren, schitteren, plotseling
ontvlammen, schieten, vliegen: For a — = voor een oogenblikje; A — in
the pan = ketsschot, mislukte poging; — of lightning = bliksemflits; —
of wit = geestige inval; — language = dieventaal; The thought —ed
across my mind = schoot mij te binnen; The news was —ed to America =
geseind naar; —-house = helershuis; —man = schurk; To raise the —-point
of petroleum = de ontvlammingstemperatuur verhoogen; —iness =
opzichtigheid, smakeloosheid; —ing: —-light = flikkervuur (vuurtoren);
—y = opzichtig.
Flask, flâsk, flesch, flacon, metalen of lederen kruitflesch.
Flasket, flaskət, spijsmand, kruitflesch.
Flat, flat, plat, vlak, moedeloos, verslagen, smakeloos, flauw,
lusteloos, uitdrukkelijk, vierkant, ronduit, een halve toon verlaagd;
subst. vlakte, vlak land, ondiepte, zandbank, platte kant, platboomd
vaartuig; breedgerande strooien hoed (Amer.), palm van de hand, plat
(dak), vertrekken op dezelfde verdieping, bovenhuis, mol (muziek), half
achterscherm (tooneel), sul of hals; adv. plat, rechtuit, vlak,
volkomen; — verb. vlak maken; mislukken (out) (Amer.): A — affair = een
vervelend iets; — candlestick = blaker; — calm = volkomen windstilte;
D-— = D-mol; I could not give him a — denial = kon hem niet zoo botweg
weigeren; The — infinitive = de inf. zonder to; That is a — lie = een
infame leugen; His defence fell — on the assembly = maakte niet den
minsten indruk; To lie — on the ground = plat, languit; I won’t go
there, and that’s — = ik ga er niet heen, en daarmee uit, dat spreekt
vanzelf; — and plain = ronduit; —-bottomed = platboomd; —-cap = formaat
v. papier, 35 × 43 c.M. platte muts; burgerman; —-fish = platvisch;
domoor; —-footed = met platvoeten; vastberaden (Amer.); —head =
groentje (Amer.); —-iron = vlak-, strijkijzer; —-race = wedloop zonder
hindernissen; —-roofed = met een plat dak; —ten = plat, smakeloos,
neerslachtig maken (of worden), den toon verlagen: To —ten the sail =
scherp aanbrassen (halen); —ter = pletter (hamer); —ting-mill =
pletmolen; —tish = ietwat plat; —wise = met de platte zijde naar
beneden.
Flatter, flatə, vleien, overhalen, afvleien (out of), te gunstig
voorstellen; —er = vleier; —y = vleierij.
Flatulence, —cy, flatjulens(i), winderigheid, opgeblazenheid;
Flatulent; Flatus, fleitəs = Flatulence.
Flaunt, flônt, flânt, opzichtig gekleed zijn, zich aanstellen, pronken
met; wapperen, uitwaaien; ook subst.; —y = pronkerig, opgedrild.
Flautist, flôtist, fluitist.
Flavour, fleivə, subst. geur, smaak; — verb. smakelijk of geurig maken;
—ing = geurtje, kruiderij; —less = zonder geur of smaak.
Flaw, flô, scheur, spleet, gebrek, breuk, windvlaag; — verb. barsten,
scheuren; —less = zonder gebreken, onberispelijk.
Flax, flaks, subst. vlas; —-comb = vlashekel; —-dressing =
vlasbereiding; —-raiser = vlasverbouwer; —-seed = lijnzaad; —en = van
vlas, vlaskleurig, goudgeel: —en-headed, —en-haired; —y = vlasachtig,
vlaskleurig.
Flay, flei, villen, martelen; —-flint = vrek.
Flea, flî, vloo: He came away from the races with a — in his ear = hij
kwam bekaaid van de wedrennen thuis; He put a — in my ear = maakte me
ongerust; I sent him off with a flea in his ear = ik wees hem kort en
scherp af, scheepte hem af; He skins a — for its hide = ziet op een
cent; He sticks to it like a — to a fleece = als eene vloo aan een
wollen deken; —-bane = vlooienkruid; —-bite = vlooienpik, onbeduidende
verwonding; bagatel; —-bitten = door vlooien gebeten, gespikkeld, met
roode vlekken op lichten grond.
Fleam, flîm, vlijm, laatmes, lancet: Case of —s = etui met laatmessen.
Fleance, flîəns.
Fleck, flek, subst. vlek, streep; — verb. bespikkelen, met streepen
bedekken.
Flection, flekš’n. Zie Flexion.
Fled, fled, imperf. van to flee.
Fledge, fledž, vederen krijgen; —d = bevederd, kunnende vliegen;
Fledg(e)ling, fledžliŋ, jonge vogel, die pas kan vliegen, melkmuil.
Flee, flî, vlieden, vluchten, vermijden.
Fleece, flîs, subst. vlies, vacht; — verb. scheren (van schapen), met
een vlies of vacht bedekken, plukken, het vel over den neus halen,
villen; —-wool = wol van het levende schaap; Fleecy = wollig: — clouds
= schapewolkjes.
Fleer, flîə, subst. spot, bespotting; — verb. spotten, grinniken.
Fleet, flît, subst. vloot, inham, baai: The — = oude gevangenis voor
gijzelaars (Londen); adj. snel, vlug; — verb. heenvliegen,
voorbijsnellen, afroomen; —-dike = kade, dijk; —-footed = snelvoetig;
—ing = snel voorbijgaand, vergankelijk; —ness = snelheid,
vergankelijkheid.
Fleming, flemiŋ, Vlaming; Flemish, flemiš, subst. en adj. Vlaamsch(e
taal), de Vlamingen: — bricks = klinkersteenen.
Flesh, fleš, subst. vleesch, lichaam, de zondige mensch, dierlijke
lusten, aardsch bestaan, geslacht, bloedverwanten; — verb. met vleesch
voeden, vleesch laten proeven, bevredigen, verzadigen, inwijden,
gewennen, harden: I saw him in the animated — = in levenden lijve; An
arm of — = menschelijke kracht of hulp; — and blood = de menschelijke
natuur; They are one — = zij zijn één; You are gathering — = gij wordt
dik; That story made my — creep (crawl) = ik kreeg kippenvel van dat
verhaal; —-clogged = log van dikte; —-colour(ed) = vleeschkleur(ig);
—-diet = vleeschkost; —-fly = vleeschvlieg; —-meat = vleeschspijzen;
—-tint = vleeschkleur; —-worm = made, trichine; —er = slager (Schot.);
—iness = vleezigheid; —ings = vleeschkleurig tricot; —ly =
vleeschelijk, lichamelijk, zinnelijk, wereldsch: —ly minded =
materialistisch; —y = vleezig, dik, zwaar, grof.
Flew, flû, imperf. van to fly.
Flex, fleks, (doen) buigen; —ibility = buigzaamheid; —ible = buigzaam,
handelbaar, gedwee; —ile = buigzaam; —ion = (ver)buiging, bocht; —or =
buigspier; —uose, fleksjuous, —uous, fleksjuəs, kronkelend, zigzag,
flikkerend; —ure, flekšə, buiging, bocht.
Flibbertigibbet, flibətidžibit, babbelaar(ster), booze geest.
Flick, flik, subst. tik; — verb. tikken, wegknippen, afkloppen.
Flicker, flikə, fladderen, kleppen (v. vleugels), flikkeren (v. eene
vlam); —-mouse, Zie Flittermouse.
Flier, flaiə, vlieger, vluchteling, snel paard; onrust, vliegwiel,
rechte trap.
Flight, flait, vlucht, zwam: — of stairs = reeks van treden = gedeelte
van eene hooge trap, die door landings afgebroken wordt; The enemies
were put to — = op de vlucht geslagen; —iness = vluchtigheid, enz.; —y
= vluchtig, snel, grillig, wispelturig, onbetrouwbaar.
Flim-flam, flimflam, kuur, gril, poets.
Flimsiness, flimzinəs, dunheid, enz. enz.; Flimsy, flimzi, adj. dun,
zwak, gering, nietig, onbeduidend, onvast; subst. dun papier,
mailpapier, bankbiljet: A — box = een los in elkaar getimmerde kist.
Flinch, flinš, terugdeinzen, aarzelen.
Flinder, flində, flentertje, stukje, splinter: To go to —s = in
splinters gaan; —-mouse. Zie Flittermouse.
Fling, fliŋ, slingeren, met kracht werpen, in ’t rond gooien,
verspreiden, slaan, ijlen, snellen; subst. worp, gooi, spot, uitval,
onbeteugelde pret, Schotsche dans: I want to have a — at him = ik moet
er hem eens goed van geven; To have one’s — = fuiven, veel uitgaan,
pierewaaien; Young blood will have its — = de jeugd moet uitrazen; He
had his — out = is uitgeraasd; We shall — in our swords if necessary =
bij in de schaal werpen; The hounds were flung off the scent = van het
spoor gebracht, het spoor bijster; He flung out at me = beleedigde mij;
We have flung up the business = hebben aan den kant gegooid, laten
varen.
Flint, flint, subst. keisteen, vuursteen, iets buitengewoon hards,
hardvochtigheid; adj. van steen gemaakt: He (flays) skins a — = hij is
buitengewoon gierig; —-age = steenen tijdperk; —-glass = flintglas;
—-flake = steenen werktuig; —-lock = vuursteenslot (bij geweren); —-gun
= ouderwetsche snaphaan; —-knapper (—-worker) = vuursteenmaker; —-stone
= vuursteen; —y = steenachtig, hard, hardvochtig.
Flip, flip, tik; eierpunch; — verb. klappen, wegknippen met de vingers;
—-flap, subst. geklepper, geklikklak: The clown turned somersaults and
—-flaps = buitelde en deed allerlei sprongen.
Flippant, flip’nt, onbezonnen, lichtzinnig, onbescheiden, achteloos:
His wit is —ly dull = hij is een vervelende zwetser; He is — on serious
subjects = praat er maar op los als het ernstige onderwerpen betreft;
subst. Flippancy.
Flipper, flipə, groote vin, poot (hand).
Flipperty-flopperty, flipətiflopəti, zich samenvouwend (als een
slangenmensch of kunstenmaker). Zie Twisty-twirly.
Flirt, flɐ̂t, subst. ruk, zwaai; coquette; hofmaker; — verb. snel heen
en weer bewegen, werpen, fladderen, huppelen, ongedurig zijn,
coquetteeren, spelen met: She —ed her fan elegantly; He —ed the pellets
of bread about = hij gooide de kogeltjes brood in ’t rond; Flirtation =
coquetteeren = —ing.
Flit, flit, fladderen, vliegen, heen en weer trekken, verhuizen;
—ter-mouse = vleermuis; —ting = verhuizing; —ty = vluchtig, onvast.
Flitch, flitš, zijde spek, gerookte en gezouten zijde van een varken.
Float, flout, subst. vlot, dobber, troffel; — verb. drijven, vlot zijn,
vlotten, dobberen; laten drijven, vlot maken, overstroomen, aan den
gang brengen (van eene zaak), bepleisteren: Let us — a company =
oprichten; The ship was —ed out of dock = werd uit het droogdok
gelaten; The ensign —s half-mast high = waait halfstok; —-board = plank
van een stoombootrad, schoep; —age = alles, wat drijvende gevonden
wordt; —ed work = vlak pleisterwerk; —ing = drijvend, vlottend,
loopend, onzeker: —-battery = drijvende batterij; —-bridge = schipbrug:
—-capital = vlottend kapitaal; —-debt = vlottende schuld; —-dock =
drijvend dok; —-light = lichtschip, lichtboei; —-pier = drijvend
havenhoofd; —-rib = valsche (losse) rib; —-terms = koopvoorwaarden voor
zeilende (stoomende) lading; —-wick = drijvend nachtpitje.
Floccilation, floksileiš’n, het plukken aan beddedekens door
stervenden.
Floccose, flokous, flokous, vlokkig; Flocculent, flokjulent, wollig,
aan elkaar hangend; Floccus, flokəs, lange bos haar (aan den staart van
koeien, b.v.).
Flock, flok, subst. kudde (schapen), vlucht, troep, vlok (haar of wol);
— verb. zich in troepen vereenigen, samenstroomen; —s of chickens;
Birds of a feather — together = soort zoekt soort; —-bed = bed gevuld
met vlokken grove wol of lappen; —-master = opzichter over kudden
schapen; —mel = in kudden; —y = vlokkig.
Floe, flou, ijsveld.
Flog, flog, slaan, afranselen, geeselen: They were —ging a dead horse =
trokken aan een dood paard; —ger = zweep.
Flood, flɐd, subst. vloed, zondvloed, overstrooming; — verb.
overstroomen, onder water zetten: When thwarted his personality rises
in — = komt hij in volle kracht uit; He swam the —ed stream = den
hooggaanden stroom; They —ed the market with diamonds; —-gate =
sluisdeur; —-mark = hoogwatertij; —-tide will soon make = de vloed komt
weldra op.
Flook, flûk. Zie Fluke.
Floor, flö, subst. vloer, verdieping, bodem, vlak, zittingszaal; —
verb. bevloeren; neerslaan, tot zwijgen brengen, verslaan: He took the
— last = hij nam het laatst het woord; All the rooms are on a — =
gelijkvloers; That —ed me = bracht mij tot zwijgen; The child was —ed
by the nurse = neergezet (in zedel. zin); To be —ed = zakken; He can —
a paper for high-class honours = hij kan een schitterend examen ‘for
honours’ doen; He has —ed his problem = goed opgelost; The problem has
—ed him = was hem te machtig; —-cloth, subst. wasdoek voor
vloerbedekking, linoleum; — verb. een vloer met linoleum bedekken;
—-plan = platte grond (van een gebouw; Amer.); —-timbers = onderbalken,
waarop eene vloer rust; —ing = het bevloeren, bevloersel, vloer,
plaveisel; —less.
Flop, flop, subst. flap, klap; — verb. flappen, kleppen, neerslaan,
neerploffen: It came — down = het flapte neer; Their footsteps were
very audible: pit-pat, floppety-flop = klep-klep.
Flora, flôrə, naam van de godin der bloemen, plantengroei van een land;
—l = bloemen betreffende; Floreated, flôrieitid, van bloemrijke
versierselen voorzien; Florescence, flores’ns, bloeitijd of het bloeien
(van eene plant); Floret, flôrət, bloempje, bloemdeeltje; Floriculture,
flôrikɐltšə, bloemkweeking; Floriculturist; Florid, florid, bloeiend,
bloemrijk, blozend, schitterend: —-faced = met frisch gelaat; subst.
—ness; Floriform, flôriföm, bloemvormig; Florist, florist,
bloemkweeker, bloemenkoopman, bloemenkenner; Floroon, florûn, rand van
bloemen.
Florence, flor’ns; Florentine, flor’nt(a)in, subst. een bewoner van
Florence, Florentijn; adj. Florentijnsch.
Florida, floridə.
Florin, florin, oud stuk van 2 Sh.
Flory boat, floribout, bootje om passagiers van een stoomschip naar wal
te brengen.
Floscule, floskjul, bloempje; Floscular, Flosculose, Flosculous = met
pijpvormige bloempjes.
Floss, flos, floretzijde, wollige stof: —-thread = vlokzijde voor
borduurwerk.
Flotant, flout’nt, wapperende; Flotation = het drijven, op touw zetten;
Flotative = drijfbaar; Flotilla, flətilə, flotille, kleine vloot.
Flotsam, flots’m, Flotson, flots’n, goederen bij eene schipbreuk
verloren, en op zee drijvende achtergelaten: The jetsam and — of
literature = de niet-klassieke (tijdelijke) producten.
Flounce, flauns, subst. rukkende beweging der ledematen; strook; —
verb. spartelen, eene snelle beweging maken; van eene strook voorzien:
She —d out of the room = zij ging snel (en boos) de kamer uit; —d = met
strooken.
Flounder, flaundə, bot; werktuig om leder te rekken; — verb. worstelen,
spartelen, rollen, sukkelen: He —ed in his speech = hakkelde, viel over
zijne woorden.
Flour, flauə, subst. bloem (van meel, etc.); — verb. met fijn meel
bestrooien, met bloem bedekt worden; —-dredge(r) = geperforeerd tinnen
busje om bloem te strooien; —-mill = korenmolen; —y = melig, met bloem
v. meel bedekt.
Flourish, flɐriš, subst. praal, vertooning, krul, zwaaien (met een
zwaard); overdreven versiering, fanfare; — verb. gedijen, bloeien,
toenemen, bloemrijke taal gebruiken, krullen maken, schallen,
schetteren, borduren, zwaaien, versieren: — of trumpets =
trompetgeschal, praalzieke aankondiging; A —ed letter = krulletter.
Flout, flaut, subst. beleediging, spot; — verb. (be)spotten,
beleedigen, verachtelijk behandelen.
Flow, flou, subst. vloed, stroom, overvloed, vaardigheid (van spreken),
drijfzand; — verb. vloeien, loopen, stroomen, opkomen, uitstroomen,
smelten, overstroomen, fladderen, wijd afhangen: His — of spirits is
something wonderful = zijne voortdurende opgewektheid; We stopped the —
of his words = zijn woordenvloed; It —s in upon us = het wordt voor ons
hoorbaar; —ing = vloeiend, overvloedig, fladderend, wijd.
Flower, flauə, subst. bloem, bloesem, keur, redefiguur, bloei (der
jaren); — verb. bloeien, in den bloei der jaren zijn, met bloemen
versieren; —-de-lis (luce) = zwaardlelie; —-gentle = amarant; —-head =
bloemkroon; —-show = bloemententoonstelling; —-soft = teeder,
buitengewoon zacht; —-stalk = bloemstengel; —ed = met bloemen versierd,
bloemen dragend; —et = bloempje; —less; —y = bloemrijk, figuurlijk: The
—y land = China; —y-kirtled = met guirlandes van bloemen versierd.
Flown, floun, part. perf. van to fly.
Fluctuate, flɐktjueit, golven, weifelen, aarzelen, op en neer gaan;
subst. Fluctuation.
Flue, flû, schoorsteenpijp, vlampijp (stoomketel); zacht dons of bont,
pluisjes; —-work = orgelpijpen met lippen; verkorting van Influenza
(ook Flu).
Fluellen, fluel’n.
Fluency, flûənsi, vloeibaarheid, vaardigheid, welbespraaktheid; Fluent
= vloeibaar, welbespraakt, praatziek.
Fluff, flɐf, licht dons, zacht wollig goed; — verb. uitspreiden als
veeren: To — out a fringe = uit-, en opkammen; —iness, subst. v. —y =
donsachtig, met dons of vederen, in de vederen gedoken, zacht.
Fluid, flûid, subst. vloeistof; adj. vloeibaar, gasvormig; —ness =
Fluidity.
Fluke, flûk, zuigworm; bot; soort v. aardappel, ankerklauw,
meevallertje, beest (op ’t biljart): I scored one by a — = ik kreeg een
punt door een toeval of beest (in het spel); Fluky = gelukkig: A —
stroke = een beest.
Flume, flûm, bergbeek, waterloop.
Flummery, flɐməri, meelpap; onzin.
Flummox, Flummux, flɐməks, in de war brengen; mislukken (Amer.).
Flung, flɐŋ, imperf. en part. perf. van to fling.
Flunk, flɐŋk, subst. luilak, slechte uitslag, fout; — verb. missen (in
eene les, b.v.), zich terugtrekken, zich er uit draaien.
Flunk(e)y, flɐŋki, lakei, mosterdjongen (scherts.), lage vleier;
onervaren beursspeculant (Amer.); He has a —fied pronunciation = als
een lakei; —dom; —ism.
Fluor, flûə, Fluorite, fluərait, vloeispaath.
Flurry, flɐri, subst. drukte, verwarring, gejaagdheid, bui (— of wind),
lichte bries, doodstrijd (van een walvisch); — verb. in de war brengen,
doen ontstellen, verbijsteren.
Flush, flɐš, subst. blos, gloed, aandrift, schok, opgeschrikte vlucht
vogels, overvloed, moeras; adj. frisch, krachtig, overvloedig, effen,
vlak; — verb. blozen, opwinden, opjagen, doen blozen, kleuren, reinigen
(door een waterstroom): He isn’t — of money just now = niet goed by
kas; You will hardly get —ed over that work = in extase geraken; —deck
= doorloopend dek; —ness = frischheid, overvloed.
Flushing, flɐšiŋ, Vlissingen.
Fluster, flɐstə, subst. opwinding, verwarring; — verb. door drank
verhitten en opgezet maken, verwarren; subst. Flustration.
Flute, flût, subst. lang en dun broodje; fluitschip; groef, plooi;
fluit; — verb. fluiten, op de fluit spelen, groeven maken, plooien;
German — = dwarsfluit; Armed in — = slechts voor een deel bewapend
(schip); —d = met groeven; Flutina, flûtînə, soort van harmonica;
Flutist = fluitist.
Flutter, flɐtə, subst. trilling, ongeregelde polsslag, opgewondenheid,
ongerustheid, ontsteltenis, wanorde; — verb. fladderen, zweven,
trillen, druk zijn, weifelen, beuzelen; in verlegenheid of verwarring
brengen, snel heen en weer bewegen: It put me in a — = maakte me
gejaagd; A —ed bird = gejaagde.
Fluvial, fl(j)ûvj’l, Fluviatic, fl(j)ûviatik, Fluviatile, fl(j)ûvjətil,
tot eene rivier behoorend, in de rivier levende.
Flux, flɐks, subst. vloed, stroom, omloop, samenloop, wisseling,
samensmelting; — verb. smelten, zuiveren, purgeeren: — and re— = vloed
en ebbe; —ibility = veranderlijkheid, smeltbaarheid; —ible = smeltbaar;
—ion = vloeiing, samensmelting; fluxie: Method of —ions = integr. en
different. rekening; adj. —ional = —ionary.
Fly, flai, subst. vlieg, mug, kunstvlieg, vliegwiel, onrust,
schietspoel (bij het weven), breed deel van een windwijzer, vlag,
rijtuig voor één paard, huurrijtuig; — verb. vliegen, snellen,
opvliegen, heensnellen, zich snel verspreiden, springen, wapperen,
verschieten, oplaten, voeren, vliegen over, ontvluchten; adj. glad, bij
de hand: As drunk as a — = zoo dronken als een tol; There is a — in the
honey = roet in de brij; I don’t care a — = ik geef er geen zier om;
When I became — to it, I was disgusted = toen ik het snapte, er lucht
van kreeg, walgde ik ervan: To let — = aanvallen, afschieten,
slingeren, er op slaan, vieren, losgooien, loslaten; He flew at me
suddenly = hij vloog plotseling op mij aan; He flew in the face of
everything and everybody = hij beleedigde en trotseerde ieder en alles;
To — into a passion = driftig worden; He flew out at me = hij voer
tegen mij uit; To — the garter = een soort bokspringen; Shall we — our
kite = onzen vlieger oplaten; geld trachten los te krijgen? —-bitten =
door muggen gebeten; door vliegendrek bedorven; —-boat = vlieboot,
snelle passagiersboot in vaarten, platboomd vaartuig; —-blow, subst.
vliegenei; — verb. eieren leggen in (vleesch, b.v.); —-blown =
bedorven, stinkend, vuil, schunnig, met vliegendrek; —-catcher =
zonnedauw, vliegenvanger; gaper; —-cage = soort vliegenvanger;
—-clapper = —-flap; —-clip = blad (reep) uit een —-book; —-fishing =
hengelen (met kunstvlieg en als aas); —-flap = vliegendooder; —-leaf =
schutblad, strooibiljet; —man = koetsier van een fly; —-powder =
insectenpoeder; —-speck = vliegenspatje; —-trap = vliegenvanger (ook de
plant): —-wheel = vliegwiel; —er, flaiə (Zie Flier); Flying, subst. het
vliegen; adj. vliegend: —-army (squadron, party) = vliegend leger
(escader, afdeeling); —-artillery = rijdende artillerie; —-bridge =
ponton, gierbrug; — colours: They entered the town with — colours =
triomfantelijk (met vliegende vaandels); —-dragon = vliegende draak =
—-lizard; —-pinion = onrust van eene klok; —-post-office = postwagen
(in een trein).
Foal, foul, subst. veulen; — verb. een veulen werpen: To be in — =
drachtig; —-teeth = melktanden (v. een —).
Foam, foum, subst. schuim; — verb. (doen) schuimen: He —ed at the mouth
= schuimbekte van woede; —-crested = met schuim bedekt; —y = schuimend.
Fob, fob, horlogezakje (in de broek); — verb. beetnemen: They were —bed
off with a front attic = afgescheept; To — off on = aansmeren.
Focal, fouk’l, van een brandpunt: —-distance = brandpuntsafstand.
Focus, foukəs, subst. middelpunt, brandpunt; — verb. naar een brandpunt
richten, tot brandpunt maken, samenkomen, stellen (v. een camera): He
fixed and —sed the girls = fixeerde erg; He —sed the palace = richtte
zijn kijker op; How shall he — all the light of his learning in one
work = in één werk samenvatten, vereenigen?
Fodder, fodə, subst. veevoeder (als hooi; onderscheiden van pasture =
groen veevoeder); — verb. voederen.
Foe, fou, subst. (persoonlijke) vijand, tegenstander = —man.
Foetid, Zie Fetid.
Fog, fog, subst. zware mist, verwarring, verlegenheid, grof gras,
etgroen; adj. dik, mollig; — verb. in verlegenheid (in de war) brengen
of zijn; het nagras afweiden: I am all in a — = ik ben er verlegen mee,
het is me niet duidelijk; I am —ged = In a —; —-bank = zware mistbank;
—-dog = heldere plek in eene —-bank; —-horn = misthoorn; —-ring =
zwarte mistkring; —giness = mistigheid; —gy = mistig; vol gras,
mosachtig.
Fog(e)y, fougi, ouderwetsch, excentriek persoon.
Foh, fou, bah!
Foible, fôib’l, zwakke zijde, zwak punt.
Foil, fôil, subst. foeliesel (achter een spiegel), dun metaalblad onder
juweelen, om deze beter te doen uitkomen; wat iets voordeelig doet
uitkomen; loofwerk, onverwachte teleurstelling, schermdegen, spoor van
gejaagd wild; — verb. overwinnen, teleurstellen, verijdelen: The one
was a — to the other = ze deden elkanders voortreffelijkheid uitkomen =
They were set off by a —; —-stone = valsche steen; —er = verijdelaar;
—ing = spoor van een hert op gras.
Foison, fôiz’n, overvloed, kracht, hitte, sap, vochtigheid.