—iness; —y = donker, duister.
Murmur, mɐ̂mə, subst. gemurmel, gemompel, gemor, gebrom, gesuis,
geruisch; — verb. murmelen, mompelen, onduidelijk spreken, in den baard
brommen, morren; —er = knorrepot.
Murrain, mɐrən, subst. veepest; mond- en klauwzeer; adj. aan veepest
lijdend: A — on (to) you, — take you! = krijg de pest!
Murza, mɐ̂zə, erfelijke Tartaarsche adeltitel.
Muscadel, mɐskədel, Muscadine, mɐskəd(a)in, Muscat, mɐskət, Muscatel,
mɐskətel, Muscaatwijn, muscaatdruiven, muscadelpeer.
Muscle, mɐs’l, spier, (spier)kracht: —d = gespierd.
Muscovado, mɐskəveidou, ongeraffineerde suiker = — sugar.
Muscovite, mɐskəvait, bewoner van Moskou, Rus; Moscovisch glas; ook
adj.; Muscovy.
Muscular, mɐskjulə, gespierd, spier...: — strength = spierkracht;
Muscularity = gespierdheid; Musculature, mɐskjələtjə, spierstelsel.
Muse, mjûz, subst. muze, dichtergave, dichtkunst.
Muse, mjûz, subst. gepeins etc; — verb. peinzen, nadenken, overwegen,
afgetrokken zijn, peinzend kijken naar: To be at (in) a — = in gepeins
verzonken; —d = beneveld; —r.
Musette, mjuzet, soort hobo of doedelzak; eenvoudige melodie met
begeleiding daarvan.
Museum, mjuzîəm, museum.
Mush, mɐš, gekookte (maïs)meelpap (Amer.).
Mushroom, mɐšrum, subst. (eetbare) paddenstoel; parvenu; parapluie;
adj. van paddenstoel..., parvenuachtig; nieuwbakken: — aristocracy =
nieuwbakken adel; —-ketchup = champignonsaus.
Mushy, mɐši, brijig, week, slap.
Music, mjûzik, muziek, melodie, toonkunst, partituur, harmonie; twist,
pret (Amer.): To discourse (to make, to perform) — = maken; To face the
— = aan den dans gaan (fig.), gevaar of moeielijkheid trotseeren; To
snore like a military — = als een muziekkorps; To set to — = op muziek
zetten; Rough — = ketelmuziek; —-book; —-desk; —-governess = leerares
in muziek en zang; —-hall = Specialiteiten Theater, café-chantant;
—-lover; He is —-mad = dol op muziek; —-master; —-mistress; —-paper;
—-seller; —-shop; —-stand = muziekstander; muziektent; —-stool =
pianostoeltje; —al = muzikaal, welluidend, muziek...; —(al) box =
speeldoos; —al composer = componist; —al chairs = een bepaald
gezelschapsspel; —al clock = speelklok; —al glasses = glasharmonica;
subst. —alness; Musician, mjuziš’n, musicus, toonkunstenaar, muzikant.
Musk, mɐsk, muskus, muskusgeur, muskusdier, muskusplant; — verb. met
muskus parfumeeren; —-apple (—-pear) muskadelappel (—peer); —-beaver =
bisam of beverrat (= —-rat); —-deer = muskusdier; —-rose = muskusroos;
—-wood = muskushout; —iness, subst. v. —y = muskusachtig.
Musket, mɐskət, (oude) snaphaan: Flintlock —; —-proof = kogelvrij;
—-rest = bok voor een geweer; —eer, mɐskətîə, musketier; —ry =
geweervuur.
Muslin, mɐzlin, subst. mousseline, neteldoek; ook adj.: — de laine =
wollen mousseline; Muslinet = grof neteldoek; —y.
Musnud, mɐsnɐd, eereplaats (Brit. Ind.).
Musquash, mɐskwoš = Muskrat.
Musrol(e), mɐzroul, neusriem v. een paard.
Muss, mɐs, subst. verwarde toestand; kloppartij; — verb. in verwarring
brengen (Amer.): They got into a — over that girl = raakten aan het
bakkeleien.
Mussel, mɐs’l, mossel: —-bed.
Mussulman, mɐs’lman, muzelman; adj. Mussulmanish.
Must, mɐst, moet, moest, moeten, moesten.
Must, mɐst, subst. most; kaam; — verb. (be)schimmelen, muf worden;
—iness, subst. v. —y = schimmelig, muf, afgezaagd, zouteloos: A —y
smelling study = muffe studeerkamer.
Mustache, mɐstâš, mustâš; Mustachio, mɐstâšou, mustâšou. Zie Moustache.
Mustang, mustaŋ, wild prairiepaard; —er, mustaŋə, vanger van
prairiepaarden.
Mustard, mɐstəd, mosterd: —-blister (—-cataplasm, —-plaster) =
mosterdpleister; —-pot; —-seed.
Musteline, mɐstəl(a)in, tot de wezels behoorende; roodbruin.
Muster, mɐstə, subst. wapenschouwing, monstering, stamboek, appèl,
verzameling; — verb. monsteren, oproepen, revue houden, samenkomen:
That can(not) pass — = dat kan er (niet) door, is (niet) voldoende; He
could not — a shilling = kon geen 60 cent bij elkaar krijgen; To — into
(out of) service = aanmonsteren (afmonsteren); He could not — up
courage enough = hij kon er niet toe komen, bleek geen moed genoeg te
bezitten; —-book = stamboek (milit.); —-roll = monsterrol.
Mutability, mjutəbiliti, subst. v. Mutable, mjûtəb’l, veranderlijk,
ongedurig, wispelturig, wankelmoedig: — sands = drijfzand; —ness =
veranderlijkheid, wankelmoedigheid; Mutate = veranderen; Mutation =
verandering, mutatie, stemwisseling.
Mutchkin, mɐtškin, ¼ (Schot.) pint.
Mute, mjût, stom, sprakeloos, zwijgend; subst. stomme, stomme letter,
stemlooze medeklinker, bidder, figurant, demper (muz.); meute; kooi,
vogeldrek; — verb. ruien; subst. —ness.
Mutilate, mjûtileit, verminken; subst. Mutilation; Mutilator.
Mutineer, mjûtinîə, muiter, oproermaker; Mutinous, mjûtinɐs, muitziek,
oproerig; subst. —ness; Mutiny = opstand, oproer, muiterij; — verb. aan
het muiten slaan: To foment — = tot muiterij aanzetten; — Act = (van
1689 tot 1879) een krijgswet, die jaarlijks verlengd werd om den koning
te machtigen een staand leger te houden.
Mutter, mɐtə, mompelen, brommen, rommelen; —er.
Mutton, mɐt’n, schapenvleesch, schaap, vrouwspersoon, lichtekooi: We
must return to our —s = weer op ons onderwerp terugkomen; As dead as —
= zoo dood als een pier; —-chop = schaapscotelette: Whiskers of the
—-chop formation; —-head = schaapskop.
Mutual, mjûtjuəl, onderling, wederkeerig, wederzijdsch: Our — friend =
gemeenschappelijke; On — terms = op gelijke voorwaarden van
weerszijden; Mutuality = wederkeerigheid.
Muzzle, mɐz’l, subst. muil, bek, snuit, muilband, prop, mond of tromp
(van vuurwapenen); — verb. muilbanden, knevelen: To put the — on = niet
eten; —-loader = voorlaadgeweer(-kanon) = —-loading gun; —-velocity =
aanvangssnelheid.
Muzzy, mɐzi, verstrooid, beneveld.
My, mai, mijn (pron. poss.): (Oh) — = goeie genade = (Oh) — eye; —
word! There’s pluck in you = waarachtig, je durft!
Myelitis, maiilaitis, ruggemergsontsteking.
Mynheer, minhîə, mainhêə, Hollander (schertsend).
Myography, maiogrəfi, spierbeschrijving.
Myology, maiolədži, leer der spieren.
Myope, maioup, bijziend persoon; Myopia, maioupjə, bijziendheid =
Myopy, maiəpi.
Myosotis, maiəsoutis, vergeetmenietje.
Myotomy, maiotəmi, anatomie der spieren, spierdoorsnijding.
Myriad, miriad, tienduizend(tal), zeer groot aantal; ook adj.
ontelbaar: Those — interests.
Myriapod, miriəpod, miriapod, duizendpoot.
Myrmidon, mɐ̂midon, subst. (slaafsch) volgeling, handlanger: — of the
law = gerechtsdienaar, beulsknecht.
Myrrh, mɐ̂, mirre; —ic = uit m. getrokken.
Myrrha, mɐ̂rə.
Myrtle, mɐ̂t’l, mirt; —-berry = mirtbes.
Myself, maiself, zelf, ikzelf: I am not exactly — = niet recht lekker;
I was by — the whole evening = was alléén.
Mysore, maisö.
Mystagogue, mistəgog, verklaarder van goddelijke geheimenissen;
Mystagogy, mistəgoudži, verklaring van mystieke leerstellingen;
sacramenten.
Mysterious, mistîriəs, geheimzinnig, verborgen; subst. —ness; Mystery,
mistəri, mysteriespel (= — play), geheim, raadsel, sacrament; Mystic,
subst. mysticus; adj. geheim, mystisch, raadselachtig, zinnebeeldig =
Mystical; subst. —ness; Mysticism = mysticisme; Mystification,
mystificatie, opzettelijke misleiding; Mystify, mistifai, misleiden,
bedriegen.
Myth, mith, mythe, fabel; —ic(al) = fabelachtig, mythisch; —ographer,
mithogrəfə, schrijver van mythen, fabelen en legenden; —ologic(al) =
mythologisch; —ology, mitholədži, mythologie, godenleer.
Mytilene, mitilînə.
N.
N, en; N(orth) A(merica); Nap(oleon); Nat(ural) Hist(ory); Nat(ural)
Phil(osophy); Naut(ical); N(ota) B(ene); N(ew) E(ngland); N(orth)
E(ast); Neg(ative); Nem(ine) Con(tradicente) = éénparig, éénstemmig =
Nem(ine) Diss(entiente); Neth(erlands); Neut(er); N(ew) J(ersey);
N(orth) N(orth) E(ast); Nom(inative); Non con(tent) = tegen (bij eene
stemming in het House of Lords); Non seq(uitur) = daaruit volgt niet;
Norm(an); Norw(ay); Norw(egian); Nos. = nummers = Num(bers); N(orth)
W(est); N(ew) Y(ork); N(ew) Z(ealand).
Nab, nab, snappen, gappen; subst. kop, bergspits, haan, fat (Amer.).
Nabob, neibob, Nabob; vr. —ess.
Nacarat, nakərat, helderroode kleur; stof van die kleur.
Naches River, nâtšəs rivə.
Nacre, neikə, paarlemoer; —ous, neikriəs, paarlemoerachtig: — shells =
schelpen met eene laag paarlemoer.
Nadir, neidə, nadir, voetpunt.
Nag, nag, subst. knol, hit; — verb. plagen, zeuren, kwellen, vitten,
aanmerkingen maken: I can’t bear to be —ged at = ik kan dat geplaag en
geneger niet velen; —ger; —gy = vitterig, plagerig.
Naga, nâgə, de heilige slang in Ind. Myth.; een lid van de Nagastammen,
lid van een klasse Hindoebedelaars; ook adj.
Nagpur, nâgpûə.
Naiad, naiəd, neiəd, waternimf; nymphkruid.
Nail, neil, subst. nagel, klauw, spijker, maat van 0,057 M.; — verb.
vastspijkeren: Hard as —s = gezond en sterk, geslepen, ongevoelig; Your
comments are more down on the — than his = meer raak; To bite one’s —s
= bijten op; To cut (pare, trim) one’s —s = knippen; To drive (knock)
in a — = inslaan; One — drives (out) another = het eene verdringt het
andere, den een zijn dood is den ander zijn brood; Drive a — where it
will go = wees practisch; It would mean the last — driven into the
coffin of domestic life = zou de genadeslag zijn voor; You have hit the
— on the head = den spijker op den kop geslagen; I have laboured tooth
and — = met alle macht; I’ll pare your —s = ik zal je kortwieken
(fig.); Goods brought to the hammer must be paid on the — = contant
betaald worden; He was never —ed at being drunk = betrapt op; To — down
= vastspijkeren; To — up = dichtspijkeren; To — to the counter = valsch
geld tegen de toonbank spijkeren; de waarheid van een bewering
aantoonen; Jesus was —ed to the cross = genageld aan; To — one’s
colours to the mast = hardnekkig weigeren zich over te geven; —-brush =
nagelborstel; —-file = nagelvijltje; —-head = kop; —-headed characters
= spijkerschrift; —-trimmer = nagelschaartje; —er = spijkermaker;
kraan, goed renpaard.
Naïve, nâîv, nâiv, ongekunsteld, oprecht; —té, —ty.
Naked, neikid, naakt, bloot, openlijk, ontbloot, kaal, eenvoudig,
oprecht, weerloos: With the — eye = met het bloote oog; The — truth;
Stark — = spiernaakt; He was stripped — = geheel uitgekleed,
uitgeschud, van alles beroofd; subst. —ness.
Namaycush, namikɐš, soort zalm (der Amer. meren).
Namby-pamby, nambipambi, subst. sentimentaliteit, zoetelijkheid; ook
adj.: There is nothing — in him.
Name, neim, subst. naam, benaming, roem, aanzien, naamwoord; — verb.
noemen, benoemen, vaststellen, tot de orde roepen: As in — so in aim =
de naam is een voorteeken; A nice — to go to bed with = ’t is me ook ’n
naampje! He called me all kinds of —s = schold me voor alles uit; As
good be hanged as have an ill — = wee den wolf, die in een kwaad
gerucht staat; Give my — = dien mij aan; To go (pass) by the — of X. =
doorgaan onder; They left their —s = gaven hunne kaartjes af; To appear
below one’s — = onder iemands naam verschijnen; To print over one’s — =
drukken onder; I know him, but I cannot put a — to him = kan hem niet
thuis brengen; Do not take the — of God in vain = gebruik Gods naam
niet ijdellijk; Take up my — = dien mij aan; To write under a —;
Christian — = doopnaam, voornaam; Family — = geslachtsnaam; Maiden — =
eigen naam van getrouwde vrouwen; Proper — = eigennaam; A man, Williams
by —, of the — of W. = genaamd W.; In — of = in plaats van; In the — of
= namens; — the child! = spreek op! laat hooren! To — the day = den dag
van het huwelijk bepalen; He was —d after me = naar mij genoemd;
—-board = naambord; Station —-boards = de borden met namen op de
perrons; —-day = naamdag; —-part = titelrol; —-plate = naamplaatje;
—sake = naamgenoot; —less = nameloos, onbekend, onnoemelijk, anoniem;
—ly = namelijk.
Namur, neimə, Namen.
Nancy, nansi, Nancy: Sweet — = witte narcis.
Nankeen, Nankin, nankîn, nankîn, Nanking, nanking (gele katoenen stof):
—s = nanking broek.
Nanny, nani: — goat = geit.
Nantucket, nantɐkət.
Nap, nap, subst. slaapje, dutje; nop, zijden vezel voor hoeden; soort
kaartspel; — verb. dutten; noppen, snappen: His hat was not — but felt;
To go — = alles wagen (er op of er onder), grof speculeeren; To take a
— = een uiltje knappen; You have been —ping = je hebt gesoesd; I caught
him —ping = ik heb hem op heeterdaad betrapt, gesnapt; —less = kaal,
zonder haar of noppen; —py = met noppen, wollig, kroes; koppig (van
dranken), schuimend.
Nape, neip, nek = — of the neck.
Naphtha, naftə, nap-thə, naphtha: — launch = petroleum-motorboot; —lene
of —line = naphtaline.
Napier, neipjə.
Napiform, neipiföm, knol- of raapvormig.
Napkin, napkin, servet, handdoek, vaatdoek: Don’t hide your gifts in a
— = zet uw licht niet onder de korenmaat; —-ring.
Naples, neip’lz, Napels: — yellow = Napelsch geel.
Napoleon, nəpoulj’n, Napoleon, gouden 20-frankstuk, soort kaartspel;
The Napoleonic period; Napoleonite = soort veldspaath.
Narciss(us), nâsis(əs), narcis.
Narcosis, nâkousis, narcose; Narcotic, nâkotik, verdoovend,
slaapwekkend (middel); Narcotine, nâkətin, narcotine; Narcotism,
nâkətizm, narcose, slaapzucht; Narcotization, subst. v. Narcotize =
narcotiseeren.
Nard, nâd, nardus (olie); —ine = nardus...
Nardoo, nâdû, nâdû, watervaren.
Narghile, nâgilei, Nargile, nâgil, Narghileh, nâgilei, nargileh.
Narrate, nəreit, nareit, verhalen, beschrijven; subst. Narration;
Narrative, narətiv, subst. verhaal, verslag; adj. verhalend;
spraakzaam; Narrator, nəreitə, verhaler; adj. Narratory, narətəri =
Narrative.
Narrow, narou, nauw, eng, klein, bekrompen, gierig, vrekkig,
nauwkeurig, precies; subst. (meest mv.) engte, zeeëngte; — verb.
vernauwen, verengen, beperken, begrenzen, minderen (bij het breien),
nauwer worden: — circumstances = bekrompen; A — compass = beknopte
omvang, ruimte; We made (had) a — escape = ontkwamen ternauwernood; A —
majority = kleine; — means = bekrompen middelen; He has a — mind, is
—-minded = bekrompen van geest; —-brimmed = met smallen rand; —-chested
= met smalle borst; —-cloth = laken minder dan 80 c.M. breed; —-gauge =
spoorwijdte tusschen de rails van minder dan 1,44 M. (tegenover de
vroegere algemeene Broad-gauge van 2,13 M.); —-minded = kleingeestig,
bekrompen; —-mindedness; To look —ly into = nauwkeurig onderzoeken;
—ness = nauwheid, etc.
Narw(h)al, nâ(h)wəl, narwal.
Nasal, neiz’l, nasaal, neus...; subst. neusklank, neusbeen; —is,
nəzeilis, neusaap; —ity, nəzaliti, neizaliti, eigenschap van door den
neus te worden gesproken; Nasalization = nasaleering; —ize = tot een
neusklank maken.
Nascency, nas’nsi, ontstaan, oorsprong; Nascent, nas’nt, ontstaande: —
state.
Naseby, neizbi; Nasmyth, neismith.
Nasturtium, nastɐ̂šəm, O.I. kers; waterkers.
Nastiness, nâstinəs, subst. v. Nasty, nɐ̂sti, vuil, vies, akelig,
onaardig; leelijk: A — attack of hay-fever = een leelijke aanval van
hooikoorts.
Natal, neit’l, geboorte...: — day (hour); Natality = geboortecijfer.
Natal, natâl, Natal.
Natant, neit’nt, drijvend, zwemmend; Natation = zwemkunst, het zwemmen;
Natatores, neitətôrîs, zwemvogels = Natatorial birds; Natatory =
zwem...: — bladder = zwemblaas.
Natchez, natšiz; Nathan, neith’n; Nathaniel, nəthaniəl.
Natheless, neithləs, niettemin; Nathemore, neidhəmö, niet te meer.
Nation, neiš’n, subst. natie, volk, gemeenschap, hoop; adj. en adv.
(verkorting v. Damnation) kolossaal, verduiveld.
National, našən’l, nationaal: — air (anthem) = volkslied; — debt =
staatsschuld; — Ledger = Grootboek; — school = Church of England
school, uitgaande van de National Society, opgericht in 1811 (in
Ierland = volkschool); —ism = vaderlandsliefde; program der Iersche
nationale partij; —ist, aanhanger van die partij; Nationality =
volkskarakter, volkseenheid, vaderlandsliefde; —ize = nationaliseeren,
naturaliseeren, onteigenen door den staat.
Native, neitiv, subst. inboorling, inlander, inheemsch(e) dier (plant);
pummel; adj. geboorte - -, aangeboren, inheemsch, natuurlijk: A — of
Germany, of Rotterdam = een geboren Duitscher, Rotterdammer; Eminent,
Famous —s = beroemde mannen in een stad of streek geboren; He is — to
the soil = daar geboren; — is a disparaging word for rustic; — country
(land) = vaderland; — forest = oerwoud; — heat = natuurlijke warmte; —
language = moedertaal; — oyster = gekweekte oester; — wit = natuurlijke
gevatheid; Nativism, neitivizm, polit. program der Nativists, die de
geboren Amerikanen boven de emigranten wenschen te begunstigen;
Nativity, nətiviti, nativiteit (ook in de Astrologie); (schilderij van
de) geboorte van Christus: He had his — cast = hij liet zijn horoscoop
trekken.
Natolia, nətouljə, Anatolië.
Natron, neitr’n, natr’n, natron.
Nattiness, natinəs, subst. v. Natty, nati, keurig, netjes, chique:
Everything belonging to Nancy was of delicate nattiness = alles om en
aan haar was even fijn en keurig.
Natural, natšər’l, natuurlijk, inheemsch, aangeboren, wildgroeiend,
natuurgetrouw, onecht (v. geboorte); subst. idioot; naturel (muz.): Why
was not he — in his life-time? = waarom was hij bij zijn leven niet als
andere menschen? — death = natuurlijke dood; — history; — philosophy, —
science = natuurkunde, natuurwetenschappen; — son; — selection =
natuurlijke teeltkeus; —ism = natuurstaat, naturalisme (in godsdienst
en kunst); —ist = natuurphilosoof, naturalist; —istic = naturalistisch,
realistisch, natuurwetenschappelijk; —ization, subst. v. —ize =
natuurlijk maken, naturaliseeren, inburgeren, acclimatiseeren, zich
laten naturaliseeren, inburgeren; —ly = natuurlijk, van nature; —ness =
natuurlijkheid; Nature, neitšə, natuur, (natuurlijke) aard, karakter:
By — = van nature; From — = naar de natuur; In a state of — = in den
natuurtoestand, naakt, zondig; In the — of = krachtens; In —’s garb =
in Adamscostuum; He has gone the way of —, paid the debt of — = hij is
den weg van alle vleesch gegaan; Good — = goedigheid; Ill — =
boosaardigheid; —-worship = natuuraanbidding.
Naught, nôt, subst. niets, nul: To call to — = geducht uitschelden; To
come to — = mislukken; To set at — = in den wind slaan.
Naughtiness, nôtinəs, ondeugendheid; adj. Naughty, nôti.
Nausea, nôšə, walging, misselijkheid (ook fig.): To create — =
misselijkheid teweeg brengen; —te, nôšeit, misselijk zijn, worden of
maken, walgen; Nauseous, nôšəs, walgelijk; subst. —ness.
Nautch, nôtš, Indische dans; —-girl = bajadère.
Nautic(al), nôtik(’l), zee..., scheeps...: —al almanac =
zeemansalmanak; —al chart = zeekaart.
Nautilus, nôtilɐs, nautilus.
Naval, neiv’l, zee..., scheeps..., marine...: — affairs; — architect =
scheepsbouwmeester; — architecture; — battle (combat) = zeeslag; —
cadet = adelborst (voor hij na 4 jaar en 8 maanden tot Midshipman wordt
bevorderd); — college = marine instituut; — officers; — service; —
station = marinestation; — term = scheepsterm.
Nave, neiv, naaf (v. wiel); schip (v. kerk).
Navel, neiv’l, navel; —-string = navelstreng; —-wort = waternavel.
Navicular, nəvikjulə, bootvormig: — bone = scheepvormig beentje uit den
hand- of voetwortel.
Navigability, navigəbiliti, subst. v. Navigable, navigəb’l, bevaarbaar;
subst. —ness; Navigate, navigeit, varen, bevaren, besturen; Navigation,
navigeiš’n, het varen, scheepvaart, stuurmanskunst: Aerial — =
luchtscheepvaart; Inland — = binnenvaart; Navigator, navigeitə,
zeevaarder.
Navvy, navi; polderjongen, grondwerker.
Navy, neivi, scheepsmacht, marine, zeemacht: — League = de Eng.
vereeniging “Onze Vloot”, opgericht in 1895; His son is in the — = bij
de marine; —-blue = marineblauw; —-yard = marinewerf; arsenaal (Amer.).
Nawab, nəwôb, Ind. onderkoning, nabob.
Nay, nei, subst. weigering; adv. neen, ja, jazelfs, wat meer is: Not
only the navy, — the army was discouraged = ja zelfs; To say — =
ontkennen, afslaan: If you invite me, I will not say you — = niet
bedanken; If I invite you I will have no — = mag je niet bedanken.
Nazarenean, nazərîniən, Nazareensch; Nazarene, nazərîn, Nazarener, de
Heiland; Nazareth, nazəreth; Nazarite, nazərait, Nazarener (Num. IV).
Naze, neiz, landtong, voorgebergte.
Nead-end, nîdend, toonstuk (van eene rol goed).
Neagh, nei: Loch —; Neale, nîl.
Neap, nîp, laag, vallend; ook subst. = Dead — = doodtij; —-tide = laag
water; —ed = bij eb aan den grond zittend (van schepen): The tides are
—ed = het is doodtij.
Neapolitan, nîəpolit’n, subst. en adj. Napolitaan(sch), Napelsch.
Near, nîə, adj. en adv. nabij, nauw verwant, dierbaar, letterlijk,
getrouw, kort, recht, aan de linkerhand, uiterst zuinig; nabij, dicht
aan; — verb. naderen: — at hand = op handen; Far and — = wijd en zijd;
— is my coat, but —er is my skin = het hemd is nader dan de rok; I had
a — chance of not seeing him again = ’t was er bij af, of ik...; —
escape = hachelijke ontsnapping; The — horse = het bijdehandsche of
linksche paard; You are — the mark = gij zijt er haast, hebt ’t bijna
geraden; It was a — thing = het spande er om, ’t kon maar net; It will
go — to ruin him = het zal bijna zijn ondergang zijn; It won’t seem —
so hard = niet half zoo moeielijk; —-sighted(ness) = bijziend(heid);
—ly = bijna, na, innig: Not —ly (so) = op verre na niet; —ness =
nabijheid, schraapzucht, etc.
Neat, nît, netjes, zuiver, rein, smakelijk, keurig, onvermengd, handig:
Brandy — = klare cognac; A little — = een kleintje cognac pur; To put —
= opredderen; —-handed = handig; subst. —ness = netheid, etc.
Neat, nît, rund: —’s hide; —’s leather.
Neb, neb, snavel, snoet, spits, tuit.
Nebula, nebjulə, nevelvlek; vlekje op het hoornvlies; —r = nevelvlek -
-, troebel; Nebulosity, nebjulositi, nevelachtigheid (ook fig.);
Nebulous = nevelachtig, schemerig: subst. —ness; Nebuly = golvend;
golvende lijn (Herald.).
Necessary, nesəs’ri, noodzakelijk, noodig, onvermijdelijk, gedwongen;
subst. het noodzakelijke; privaat: Necessaries of life =
levensbehoeften; Necessitate, nəsesiteit, noodzakelijk maken,
noodzaken; Necessitous, nisesitɐs, behoeftig, nooddruftig; subst.
—ness; Necessity, nisesiti, noodzakelijkheid, nood, nooddruft,
noodstand: From sheer — = enkel uit nood; Of — = noodwendig; There is
no — for = het is niet noodig; — is the mother of invention = de nood
maakt vindingrijk; — has no law = nood breekt wet; To consult with (To
make a virtue of) — = van den nood eene deugd maken; This will put me
under a — of doing it myself = mij noodzaken.
Neck, nek, hals, nek, halslengte, nauwste punt van pas of kanaal,
landengte (= — of land): That has broken the — of him = dat heeft hem
vernietigd, geknakt; To break the — of an affair = het moeilijkste van
een werk afdoen; iets verijdelen; This came in the — of your tidings =
kwam onmiddellijk na; He narrowly escaped with his — = bracht er net
het leven af; I have got my — out of it = ik ben er van af, bevrijd; He
has a stiff — = is een stijfkop; He has laid the guilt on my — = heeft
mij de schuld op den hals geschoven; One misfortune rides on the — of
another = een ongeluk komt zelden alleen; To tread on the — of a person
= iemand den voet op den nek zetten; He won by a — = met eene
halslengte; It was a —-and-— race = zeer harde strijd, was kamp; The
horses ran —-and-— = bleven elkander prachtig bij; —-and-crop =
volslagen, geheel: He chucked him, —-and-crop, out of the room = hij
gooide hem vierkant de kamer uit; He tumbled down —-and-heels =
halsoverkop; Away they went, — or nothing (naught) = in dolle vaart;
—-band = hemd- of halsboord; —-beef = halsstuk; —-chain = halsketting;
—cloth = halsdoek; —erchief = halsdoek; —lace = halssnoer, halsband,
strop; —-tie = dasje, colletje; —-verse = aanvangswoorden van Psalm 51,
door het oplezen waarvan een misdadiger het Benefit of Clergy
deelachtig kon worden; —-wear = das, dasje, colletje; —ed = met een nek
(in samenst. zooals: Stiff-—ed); —let = halssnoer.
Necrological, nekrəlodžik’l, tot eene necrologie behoorende;
Necrologist = schrijver van eene necrologie; Necrology, nekrolədži,
sterftelijst; levensbeschrijving van een overledene.