± 12,7 K.G.; wijk, landstreek, genade, kwartier (voor troepen), arm van
een ra; — verb. in vier gelijke deelen verdeelen, vierendeelen,
inkwartieren, ingekwartierd zijn: No — ought to be given or shown her =
geene genade moet haar geschonken worden; The drums beat to —s = de
trommen gaven het sein om in te rukken; We came to close —s with the
enemy = wij werden met den vijand handgemeen; You have got nice —s here
= een mooie kamer; They marched in close —s = in gesloten colonne; The
men stood at —s = klaar voor den strijd; We are —ed among friends = bij
vrienden ingekwartierd; I have as much a right to — my arms as any of
you = mag evengoed mijn wapens op het schild plaatsen; —ing = het
inkwartieren; het indeelen van een wapenschild; He has more —ings on
his own side than any house in Europe = meer kwartieren op zijn
wapenschild; —-bred = met ¼ zuiver bloed (van raspaarden, etc.); —-day
= betaal- of kwartaaldag (Lady-day = 25 Maart; Midsummer-day = 24 Juni;
Michaelmas-day = 29 September, en Christmas-day = 25 December); —-deck
= campagne; —master = kwartiermeester: —master-sergeant = fourier;
—-profit system = stelsel, waarbij de schrijver ¼ v. de winst krijgt;
—-sessions = driemaandelijksche zittingen v. de vrederechters; —staff =
stok; —ly, subst. en adj. driemaandelijksch (tijdschrift); —n = 0,142
L.; 2,27 L.; 0,1134 K.G.; —n-loaf = vierpondsbrood.
Quartet(te), kwötet, kwartet.
Quarto, kwötou, kwartijn; subst. en adj. kwarto.
Quartz, kwöts, kwarts; —iferous = kwartshoudend; —ite, kwötsait,
kwartsrots; —ose = kwarts bevattend; —y = van of als kwarts.
Quash, kwoš, subst. Zie Squash; — verb. plat drukken, verpletteren,
onderdrukken, nietig verklaren: The verdict was —ed = het vonnis werd
vernietigd.
Quasi, kweis(a)i: — nobility = de Baronets.
Quasimodo, kwasimoudou: — Sunday = eerste Zondag na Paschen.
Quass, kwas, kwass, een Russische drank.
Quassia, kwosiə, kwasiə, bitterhout; Quassin = het bittere bestanddeel
hiervan.
Quaternary, kwotɐ̂nəri, kwətɐ̂nəri, subst. het getal vier; adj. uit vier
bestaande: Quaternion, subst. het getal vier, aantal van vier,
vierlettergrepig woord.
Quatrain, kwotrein, kâtrein, vierregelig vers, kwatrijn.
Quaver, kweivə, subst. ⅛ noot, triller, trilling; — verb. trillen,
vibreeren, met trillers zingen; —er.
Quay, kwei.
Quay, kî, subst. kaai; — verb. van kaaien voorzien; —age = kaai- of
werfgeld.
Quean, kwîn, slet, zedelooze vrouw.
Queasiness, kwîzinəs, subst. v. Queasy, kwîzi, zwak, weekelijk,
sentimenteel, kieskeurig, walgend, walgelijk.
Quebec, kwibek.
Queen, kwîn, subst. koningin; — verb. de koningin spelen, tot koningin
maken, van eene koningin voorzien: To go to — = dam maken; — of the
meadows = Meadowsweet; —-apple = renet; —-bee = bijenkoningin; —
consort = gemalin van den koning; — dowager = koninginweduwe; — mother
= koninginmoeder; — regent = koningin-regentes; — regnant = regeerende
koningin; —’s-Bench Division = afdeeling van het hoogste Gerechtshof;
—’s-carriage = gevangeniswagen; —’s-counsel = rijksadvocaat; —’s
English = zuiver Engelsch; —’s-head = postzegel (met de beeltenis der
koningin); —’s-metal = wit zilver; The —’s Speech = Troonrede; —’s ware
= geglazuurd crêmekleurig aardewerk; —’s weather = prachtig weer; —hood
= koninginneschap; —like, —ly = als eene koningin.
Queenborough, kwînbərə.
Queer, kwîə, vreemd, zonderling, wonderlijk, verdacht, onlekker, uit
zijn humeur, valsch: A — bill = onsoliede wissel: I am in — Street = ik
heb me verzien, bedrogen; ik zit er “in”; I feel rather — to-day = ik
voel me niet lekker vandaag; —ish = vrij zonderling; —ness =
zonderlingheid.
Quell, kwel, onderdrukken, bedwingen, dempen, tot rust brengen: The
revolt was —ed = het oproer werd gedempt; —er.
Quench, kwenš, blusschen, lesschen, dempen, onderdrukken, doen bedaren;
—able = wat gedempt of gelescht kan worden; —er = domper, een
“glaasje”; —less = onbluschbaar, onleschbaar, onverzadelijk.
Quercus, kwɐ̂kəs, eik.
Querimonious, kwerimounjəs, klagend, ontevreden, jammerend; subst.
—ness.
Querl, kwɐ̂l, bocht (Amer.).
Querulous, kwer(j)ulɐs, klagend, ontevreden, jammerend; subst. —ness.
Query, kwîri, subst. vraag, vraagteeken, twijfel; — verb. vragen
(naar), betwijfelen, van een vraagteeken voorzien: —, which of the two
is right? = vrage: wie van beiden heeft gelijk.
Quest, kwest, subst. zoeken, onderzoek; — verb. zoeken naar,
onderzoeken: The — of the Holy Grail; To be in (To go in) — of = (gaan)
zoeken naar; A fresh and —ing mind = onderzoekende geest; —er =
speurhond.
Question, kwestj’n, subst. vraag, ondervraging, geschilpunt,
interpellatie, opgaaf, twijfel, rekenschap; — verb. vragen,
ondervragen, betwijfelen: —! = Ter zake! uitroep als een spreker in het
Parlement van het onderwerp afdwaalt; That is a (the) — = de vraag; If
it is a fair — = als ik vragen mag, als het niet te onbescheiden is;
The previous — = de prealabele kwestie; Beside the — = er buiten; The
point in — = het punt van discussie; That is altogether out of the — =
daar is heelemaal geen sprake van; It is him without a — = hij is het
ongetwijfeld; It is a — of time; There is no — about it = geen twijfel
aan; To ask a — = eene vraag doen; He begged the — = hij nam als
bewezen aan, wat nog bewezen moest worden; The —-begging use of certain
terms = het zonder bewijs gebruiken van zekere uitdrukkingen, als: “The
will of the nation”; The House is calling for the — = (het Lagerhuis)
de vergadering verlangt sluiting van het debat; His repentance was
called in — = werd betwijfeld; —s will be invited at the close of the
meeting = gelegenheid om vragen te stellen zal worden gegeven; To pop
the — = ten huwelijk vragen; To put a leading — = een vraag doen
waarbij men tegelijk het antwoord in den mond geeft; To put a person to
— = in verhoor nemen (ook onder folteringen); He put a — to the Home
Minister = stelde een vraag aan den Min. v. Binnenl. Zaken; To put the
— = (voorstellen) de debatten (te) sluiten en tot stemmen over te gaan;
This — is settled = die zaak is in orde, dit geschil is beslist;
Remember you — with a cruel man = dat gij te doen hebt; —-time = tijd
om vragen te richten tot de regeering (House of Commons); —ability =
twijfelachtigheid; —able = betwijfelbaar, twijfelachtig; subst.
—ableness = betwijfelbaarheid; —er = vrager, onderzoeker; —less =
ongetwijfeld.
Questor, kwestə, Zie Quaestor.
Queue, kjû, staart, staartpruik: To form a — = “queue” maken.
Quibble, kwib’l, subst. spitsvondigheid, woordspeling, uitvlucht,
voorwendsel: — verb. ontwijken, uitvluchten zoeken, spitsvondig zijn,
woordspelingen maken; —r.
Quick, kwik, subst. levend vleesch, levende haag; adj. vlug,
levend(ig), opwekkend, snel, haastig, gevoelig, hevig, sterk, fijn; To
cut (sting, touch) to the — = tot in ’t levende vleesch snijden, een
pijnlijke snaar aanroeren, diep wonden (fig.); — ear = fijn gehoor; —
of ear = scherp van gehoor; — eye = scherpe blik; — of scent = met
fijnen neus; — of sight = scherp van gezicht; The — and the dead = de
levenden en de dooden; Be — about it = gauw wat; He is — at figures =
hij is vlug in het rekenen, rekent vlug; He is a —-answered boy = gevat
jongetje; —-beam = gewone lijsterbes; —-eyed = scherp van gezicht;
—-fence = levende haag; —-grass = kweek; —lime = ongebluschte kalk;
—-march = versnelde pas; —-match = gezwinde lont; —sand(s) = drijfzand;
—-scented = met fijnen reuk; —set = uit levende planten bestaande (—set
hedge = levende haag); subst. levende plant (haag); —-sighted = scherp
van gezicht; —silver = kwikzilver; —silvered = met kwikzilver bedekt;
—-step = —-march; —-tempered = opvliegend, prikkelbaar; At double
—-time = in den looppas; —-witted = scherpzinnig, gevat; —en = levend
worden, zich snel bewegen, trekken, leven vertoonen (gevoelen),
opwekken, bezielen, aanvuren, versnellen, opscherpen; ook subst.: Look
out for the — = houd je klaar voor het snellere tempo; To pick up the —
= dit tempo aannemen; —ener = opwekker, opwekking, opwekkend middel;
—ness = vlugheid, snelheid, scherpte van blik, etc.
Quid, kwid, herkauwd voedsel, tabakspruim, een pond (geldstuk).
Quidditative, kwiditətiv, het wezenlijke van iets uitmakend; Quiddity,
kwiditi, het wezenlijk deel van iets; woordspeling, spitsvondigheid.
Quiddle, kwid’l, den tijd vermorsen, beuzelen; —r = beuzelaar.
Quidnunc, kwidnɐŋk, nieuwsgierig neuswijs persoon, politieke
tinnegieter.
Quiesce, kwaies, stom zijn of worden (v. letters); —nce, —ncy = rust;
winterslaap; het stom zijn; —nt, subst. stomme letter; adj. kalmeerend,
rustig, stil, vredig, stom: — draught (powder).
Quiet, kwaiit, subst. rust, kalmte, vrede; adj. rustig, stil, gerust,
niet opzichtig, zonder omslag, familiaar; — verb. kalmeeren, doen
bedaren, met rust laten, rustig of kalm worden (down): Have a — dinner
at our house, with us = eet familiaar bij ons; A — dress = stemmige
japon; A — horse = mak; It’s the way with all these — ones = zoo gaat
het met (zoo zijn) die stille, bedeesde meisjes; A few weeks’ — = rust;
Let me be — = laat me met rust; He kept it — = sprak er niet van; To
restore — = de rust herstellen; —, Spartan! = koest! At — = rustig; On
the (dead) — = (heel) in stilte; —en, kwaiət’n, tot rust of bedaren
brengen: He tried vainly to —en the naughty child; —er = wie of wat
stilt; A —ing draught = kalmeerende drank; —ism = quiëtisme, berusting,
stille onderwerping, (leer van den Jezuïet Molina (1588); —ist =
aanhanger van —ism; —ness = —ude = rust, vrede, berusting; —us,
kwaiîtəs, ontheffing, ontlasting; ontslag.
Quill, kwil, subst. schacht (van vleugels), pen, stekel (van een
stekelvarken), spoel; — verb. fijn plooien: He carries a good, a clever
— = hij heeft eene welversneden pen; —-driver = veelschrijver,
pennelikker; —-pen; —-toothpick = veeren tandenstokertje; —ing = fijn
plooisel (van kant, tule of lint).
Quilt, kwilt, subst. gewatteerde sprei of deken; — verb. doornaaien,
opstoppen, watteeren, twee stukken stof op elkander stikken met
watteering daartusschen (together); omwòelen; afranselen: She felt the
daisy — creeping up higher and higher = zij voelde den dood naderen;
The pipe was —ed with string for its longer preservation = de pijp was
met touw omwoeld; —ed calves = valsche kuiten; Tennyson’s works in —ed
cover = in gewatteerden band; He went to the —ings long ago = hij is
lang geleden gestorven.
Quin, kwin.
Quina, kînə, kwainə, kina.
Quinary, kwainəri, uit vijven bestaande, door 5 deelbaar.
Quince, kwins, kwee(peer).
Quincentenary, kwinsentənəri, kwinsəntînəri, 500 jarig (jubileum).
Quincey, kwinsi.
Quincunx, kwinkɐŋks, figuur als deze: ⁙
Quindecagon, kwindekəgon, vijftienhoek.
Quindecemviri, kwindisemvirai, 15 priesters belast met de bewaking der
Sibyllijnsche boeken.
Quinine, kwinîn, kwinain; kwainain (Amer.) kinine.
Quinquagesima, kwinkwədžesimə, tijd v. 50 dagen: — Sunday = Zondag vóór
de vasten.
Quinquangular, kwinkwaŋgjulə, vijfhoekig.
Quinquennial, kwinkwenj’l, vijfjarig of -jaarlijksch.
Quinquina, kinkînə, kwinkwainə, kinkinə, kina.
Quinsy, kwinzi, keelontsteking.
Quint, kwint, quint (muziek en schermkunst).
Quintal, kwint’l, ± 45,359 KG. of 100 KG.
Quintan, kwint’n, om de vijf dagen.
Quintessence, kwintes’ns, kern of keur van iets, quintessence;
Quintessential, kwintəsenš’l, tot het fijnste behoorende.
Quintet(te), kwintet, quintet.
Quintillion, kwintilj’n, 1 + 30 nullen (Engl.); 1 + 18 nullen (Amer.).
Quintuple, kwintjup’l, adj. vijfvoudig; — verb. vijfvoudig maken; —t =
(motor)fiets voor 5 personen.
Quip, kwip, subst. fijne of scherpe zet, schimpschot, wonderlijke
inval, woordspeling, speeldingetje; — verb. schertsen, beschimpen.
Quire, kwaiə, boek papier.
Quirinal, kwirinəl.
Quirk, kwɐ̂k, krul, uitvlucht, wonderlijke inval, woordspeling, loopje
in muziek: His paltry —s did not impose on any member = zijne flauwe
uitvluchten; adj. —y.
Quirt, kwɐ̂t, rijzweep; ook verb. (Amer.).
Quist, kwist, ringduif.
Quit, kwit, adj. quitte, vrij, ontslagen; — verb. verlaten, verzaken,
opgeven; overlaten; terugbetalen, loonen, afrekenen, vergelden: To be —
for = er af komen met; I shall be — with you = het je inpeperen; To go
(get) — = vrij komen, vrijgesproken worden; He got notice to — = hem
werd de dienst (de huur) opgezegd; To — business = uit de zaken gaan;
To — scores = afrekenen; They —ted the siege = hieven op; To — smoking
= opgeven; —s = quitte, kamp, gelijk: We are —s = we zijn quitte; To
cry —s = verklaren “quitte” te zijn; He played double or —s = dubbel of
quitte; —-claim, subst. afstand (van een recht); ook verb.; —-rent =
pacht, die van andere verplichtingen vrijstelt.
Quitch(grass), kwitšgrâs, kweek(gras).
Quite, kwait, geheel: I am — with you = ik ga geheel met u mee, ben ’t
geheel eens; A — young girl = een heel jong meisje (Vergel. — a young
girl = precies een jong meisje); You are — out = je hebt het heelemaal
mis; — so = precies; Persons whom she considered not “—” = niet van
haar stand.
Quittance, kwit’ns, betaling.
Quiver, kwivə, subst. trilling; pijlkoker; — verb. trillen, beven,
sidderen, ritselen: In a — = sidderend; —ed = van een pijlkoker
voorzien, in een koker of scheede.
Quixote (Don), donkwiksət; Quixotic, kwiksotik, dwaas romantisch,
buitensporig; Quixotism, Quixotry = Don Quichotterie.
Quiz, kwiz, grappenmaker, spotvogel, vreemde snaak, mikpunt (van
spotternij), nieuwsgierig persoon, raadsel, monocle; — verb. voor den
gek houden, foppen, schertsen, begluren; —zer = snaak, schalk; —zical =
grappig, snaaksch; —zing-glass = monocle.
Quod, kwod, verkort. van Quadrangle, nor, doos: I’ll have you in — = ik
zal je in de “doos” zien te krijgen.
Quodlibet, kwodlibet, spitsvondigheid, woordspeling, potpourri; —arian,
—êriən, iemand die over alles graag disputeert.
Quoif, kôif, kapsel, hoofdtooi, kap.
Quoin, kôin, uitspringende hoek (archit.); hoeksteen, keg.
Quoint, k(w)ôint.
Quoit, kôit, kwôit, platte ring: —s = spel daarmede: Deck —s =
ringwerpen op dek.
Quondam, kwond’m, vroeger, voormalig.
Quorum, kwôr’m, voldoend aantal leden om een besluit te nemen.
Quota, kwoutə, evenredig (aan)deel, contingent.
Quotable, kwoutəb’l, wat aangehaald kan worden; Quotation, kwəteiš’n,
aanhaling, citaat, (genoteerde) prijs: Wheat was not in the market at
any — = er was geen tarwe te krijgen; — of prices = prijsnoteering;
—-marks = aanhalingsteekens; Quote, kwout, aanhalen, citeeren, noteeren
(van prijzen); —r.
Quoth, kwouth, zeide of zegt (ik, hij of zij); —a, kwouthə, zoo!
Quotidian, kwətidj’n, subst. en adj. (wat) dagelijks(ch) (voorkomt).
Quotient, kwouš’nt, uitkomst (eener deeling).
Quotum, kwout’m, quotum, evenredig aandeel.
R.
R, ɐ̂; The three R’s = (R)eading, (W)riting and (A)rithmetic; R(iver);
R(ex = koning of Regina = koningin); R. A. = Royal Academy, Royal
Academician, Rear Admiral (schout-bij-nacht) of Royal Artillery;
Rad(ix) = Root; R(oyal) A(gricultural) S(ociety); R(oman) C(atholic);
R(ural) D(ean); R(oyal) E(xchange); Recd. = received; Recpt. = Receipt;
Ref(erence); Ref(ormed) Ch(urch); Reg(ular); Reg(ius) Prof(essor);
Reg(istrar of Regiment); Rel(igion of Religious); Rel(ative) Pron(oun);
Rem(ark); Rep(ort of Representative); Rep(ublic) of Repub(lican); Retd.
= Returned; Reth(oric); Rev(elation, Revenues, Reverend, Review);
R(oyal) H(orse) A(rtillery); R(oyal) H(orse) G(uards); R(hode)
I(sland); R(equiescat) I(n) P(ace) = hij (zij) ruste in vrede; Riv(er);
R(oyal) M(ail) S(teamer); R(oyal) N(avy); R(eceiving) O(ffice);
Rom(an); Rom(an) Cath(olic); R(ight) R(everend); R(oyal) S(ociety for
the) P(revention of) C(ruelty to) A(nimals) = Koninkl. Maatschappij tot
Bescherming van Dieren; Rt. Hon. = Right Honourable; R(eligious)
T(ract) S(ociety); Russ(ia); R(evised) V(ersion); R(ight) W(orshipful)
G(rand) M(aster) = Groot-Achtbare Meester; Ry. = Railway.
Rabate, rəbeit, de valk weer op de vuist doen nederdalen.
Rabbet, rabət, subst. sponning; — verb. eene sponning maken; —-plane =
sponningschaaf.
Rabbi, rab(a)i, Rabbin, rabin, rabbi, rabbijn; adj. —nic(al),
rəbinik(’l), rabbijnsch; —nist, rabinist, Talmudist.
Rabbit, rabit, konijn: Buck, Doe — = mannetje, wijfje; Welsh — =
geroosterde sneden brood overgoten met in bier geweekte kaas;
onvertrouwbaar paard (sport); —-hole; —-hutch = hok; —-warren =
konijnenberg = —ry.
Rabble, rab’l, janhagel, grauw, warboel; ook adj.
Rabid, rabid, dol, krankzinnig.
Rabies, reibiîz, hondsdolheid.
Raca, râkə, onwaardig (Matth. V. 22).
Raccoon, rəkûn, gewone waschbeer (Am.).
Race, reis, subst. geslacht, ras, soort, pittigheid (wijn), loop,
snelle vaart, wedloop of wedren, loopbaan, wortel; — verb. snel loopen,
wedrennen: I will — you home = ik wil om het hardst met u loopen wie
het eerst thuis is; —s = (paarden)wedrennen; The Derby or Epsom —s;
—-boat = hardzeiler, boot voor wedstrijden; —-course = renbaan;
molenbeek; —-ginger = gemberwortels; —-ground = renbaan; —-horse =
renpaard, harddraver; —-track = renbaan; —r = renner, renpaard,
rijwiel, hardzeiler.
Racemation, rasimeiš’n, trosvormigheid; Raceme, rəsîm, bloeiwijze in
trossen; Racemic, rəsemik, rəsîmik: — acid = druivenzuur; Racemose,
rasimous, trosvormig.
Rachel, reitš’l.
Rachitic, rəkitik, adj. v. Rachitis, rəkaitis, Engelsche ziekte.
Racial, reiš’l, ras...
Raciness, reisinəs, subst. v. Racy.
Racing, reisiŋ: — crew = bemanning van een —-boat (—-yacht).
Rack, rak, subst. pijnbank, rad, rek, statief, rooster, ruif, arak;
halsstuk van kalfs- of schapevleesch; drijvende wolken; zekere
paardepas (tusschen draf en stap); ondergang, vernieling; — verb.
pijnigen, op de pijnbank brengen, afpersen, ontwringen, overdrijven,
als damp of mist voortdrijven en verdwijnen, met vluggen gang loopen,
voorzichtig aftappen of afschenken (om van droesem te zuiveren): To go
to — and ruin = geheel te gronde gaan; To live at — and manger =
zorgeloos voortleven; To put to the — = op de pijnbank brengen (ook
fig.); He —ed his brain(s), his wits about it = brak er zich het hoofd
over; —ing-can = klaarkan (voor wijn); —ing headache = brekende; —ing
pace = vlugge telgang; —-punch = punch van arak; —-rent = schandelijk
hooge huur: The —-rented labourers = de op schandelijke huren zittende
arbeiders; —er = iemand, die zulk een pacht vraagt of moet opbrengen.
Racket, rakət, subst. raket; spektakel, rumoer; sneeuwschoen; — verb.
pret maken, boemelen: That’s just our — = dat is net wat voor ons; To
keep, kick up a — = lawaai, herrie schoppen; He could not stand the —
and came to grief = kon niet tegen dat losbandige leven; That will not
stand the — = kan niet tegen hetgeen ervan geëischt wordt; —s =
raketspel; —ing = rumoerige vroolijkheid; —y = druk tierend, lawaaiig:
The —y-tack of the wheels = het geraas.
Racoon = Raccoon.
Racy, reisi, sterk van geur of smaak, pittig, pikant: — of the soil =
kenmerkend voor, eigen aan.
Rad, rad, verk. v. Radical.
Raddle, rad’l, rood blanketsel; — verb. schminken, met rood krijt
merken: Those jabbering mummers with their —d faces = die schetterende
acteurs met hunne rood gegrimeerde gezichten.
Radial, reidj’l, straalvormig; Radiance, Radiancy, reidj’ns(i),
straling, schittering, glans; Radiant, reidj’nt, stralend, schitterend,
glansrijk; subst. uitstralingspunt, straal: She was — with happiness =
straalde van geluk; Radiate, reidjit, adj. straalvormig; straal,
straaldier; — verb. reidjeit, uitstralen; Radiator, reidjeitə,
uitstralend lichaam, verwarmingstoestel, radiator.
Radical, radik’l, subst. wortel, stam(woord), stamletter, radicaal
(pol.); adj. oorspronkelijk, uiterst, radicaal, tot den stam
behoorende: — party = radicale partij; — quantity = wortelgrootheid; —
sign = wortelteeken; —ism = de beginselen der radicale partij;
Radicate, radikeit, vast inwortelen, vast wortel doen schieten: —d
abuses = ingewortelde misbruiken; Radication = het diep wortel
schieten, wortelvorming.
Radio, reidiou: —-active substances = uitstralend als bijv. radium;
subst. —-activity; —gram, reidiəgram = —graph, reidiəgrâf = radiogram;
—graphy, reidiogrəfi, radiographeeren; —meter, reidiomətə, radiometer,
graadboog, vleugelborstel.
Radish, radiš, radijs, tweeslachtige waterkers: Horse-— = mierik.
Radius, reidiəs, buitenste been van den vóórarm, straal (van een
cirkel); Radium, reidiəm, radium.
Radix, reidiks, wortel, basis, grondgetal.
Raff, raf, subst. vuil, schuim, deugniet, gepeupel (= Riff-—): A crowd
of shabby —s = schunnige kerels; —-merchant = handelaar in rommel; —ish
= schunnig, liederlijk.
Raffle, raf’l, subst. loterij, verloting; — verb. verloten, loten om:
The doll was put up in (put up to) a — = werd verloot; You enticed me
into raffling for that article = op dat artikel te loten; —r.
Raft, râft, subst. vlot; ophooping van drijfhout in rivieren, troep
(Amer.); — verb. vlotten, op een vlot varen of vervoeren: How shall we
get rid of this — of people? = hoe raken wij dit zootje kwijt; —sman =
vlotter.
Rafter, râftə, dakspar, balk; — verb. van sparren voorzien.
Rag, rag, lap, lomp, vod: All in —s = Worn (out) to —s = in flarden; To
boil meat to —s = geheel fijn koken; —s and bones! = vodden en bonken!
—-baby = pop; bankbiljet; —-book = een linnen prenteboek, dat
gewasschen kan worden; —-bolt = bout met weerhaken; —-fair =
voddenmarkt; —picker = voddenraper; —-shop; —-sorter; —-tag-and-bobtail
(crowd) = janhagel; —-time = gesyncopeerde maat: —-time airs =
negerliedjes; —-man = lompenkoopman; duivel; —-stone = brokkelige
steen; —-wheel = kamrad: —-wort = kruiskruid; —ged = ruig, gescheurd,
in lompen: —ged schools = scholen voor havelooze kinderen; —gedness =
schabbigheid, haveloosheid.
Rag, rag, groenen, baren, donderen, straatschenderij bedrijven.
Ragamuffin, ragəmɐfin, ragəmɐfin, subst. schooier; adj. in lompen,
berooid.
Rage, reidž, subst. woede, toorn, geweld, razernij, zucht, manie, vuur;
— verb. woeden, razen, toornen: He was in (got into) a — = was (werd)
woedend; — for building = bouwwoede; Accordion sleeves are all the —
now = waaier-(harmonica) mouwen zijn nu erg algemeen: He is all the — =
hij is het voorwerp van algemeene geestdrift; —ful.
Raggee, ragî, Indische grassoort.
Raglan, ragl’n, soort overjas.
Ragout, rəgû, ragout.
Raid, reid, subst. vijandelijke inval, strooptocht, razzia, inval van
de politie; — verb. een inval doen, prijzen drukken: A drug store was
—ed the other day, and the stock was found to consist wholly of strong
liquor = de politie drong onlangs plotseling een (zoogenaamde)
drogistzaak binnen; —er.
Rail, reil, subst. slagboom, dwarsstaaf, leuning, spoorstaaf, trein;
wachtelkoning; — verb. met hekwerk omgeven, met het spoor verzenden of
reizen; schimpen, schelden, beleedigen: It is 40 minutes by — = per
spoor; To drive off the —s = doen dérailleeren (ook fig.); To go (get)
off the —s = dérailleeren; All —s were high = alle spoorwegactiën
stonden hoog; I have —ed it = ik ben met het spoor gekomen; —er =
schimper; —-car = spoorrijtuig (Am.); —-fence = houten hek; —-mill =
fabriek van spoorstaven; —-road = spoorweg; —-road flat = bovenhuis
bestaande uit eene reeks in elkaar loopende kamers.
Railway, reilwei, spoorweg, spoorbaan: Circular (Encircling), Double,
Single, Underground — = ceintuurbaan, dubbel-, enkel spoor,
ondergrondsche spoorweg; —-accident = ongeluk; —-board = directie;
—-bridge; —-car (Amer.) = —-carriage = wagon; —-guard = conducteur;
—-guide = gids; —-pass = vrijbiljet; —-share = spoorwegactie;
—-signaller; —-sleepers = dwarsliggers; —-ticket = kaartje; —-traffic.
Raillery, reiləri, boert, scherts: He turned it into — = hij maakte er
een grapje van.
Raiment, reim’nt, gewaad, kleederen.
Rain, rein, subst. regen; — verb. regenen, laten regenen (—s =
regentijd): It was pouring with — = het goot; After — comes sunshine; A
small — lays great dust = men vangt meer vliegen met honig dan met
edik; As unconcerned as — = doodleuk; Right as — = geheel klaar; lekker
als een kip, kiplekker; — or shine = bij slecht weer of mooi weer; It
is —ing cats and dogs = het valt met emmers uit de lucht; —bow =
regenboog; —bow-hued (—bow-tinted) = met de tinten van den regenboog;
—-cloud; —coat; —drop; —fall; —-gauge = regenmeter; —-proof = —-tight =
waterdicht, tegen regen bestand; —-water = regenwater; —less; —y =
regenachtig; To save money (put by a penny) for a —y day = een appeltje
voor den dorst bewaren.