Elbow, elbou, elleboog, bocht, hoek; — verb. met de ellebogen duwen;

bochten: I am at your — = vlak bij u; He is out at —(s) = hij is in

slechten doen; hij zit met zijn elleboog(en) door de mouwen; I am up to

my —s in work = zit tot over de ooren in het werk; He jogged (nudged)

my — = hij gaf mij een duwtje (ter herinnering); To lift (crook) one’s

— = onmatig drinken; To shake one’s — = dobbelen, spelen; He —ed people

about = duwde op zij; He —ed his way through the crowd = baande zich

met geweld een weg door; —-chair = armstoel; —-grease = harde

handenarbeid; —-rest = leuning; —-room = ruimte van beweging.

Eld, eld, ouderdom, grijsaard; oude tijden: Like the princesses of —.

Elder, eldə, subst. oudere, ouderling, voorvader; adj. ouder, senior;

—-brethren = de regenten van Trinity House; — hand = speler aan de

voorhand (kaartspel); My —s = ouderen dan ik; The —s = voorvaderen;

ouderlingen; An —ly gentleman = bejaard, oudachtig heer; —ship = de

betrekking van ouderling, de ouderlingen; hooge ouderdom;

eerstgeboorte; Eldest = oudste: — born = eerstgeborene.

Elder, eldə, vlier: —-gun = proppenschieter.

El Dorado, eldərâdou, eldəreidou, Eldorado.

Eldri(t)ch, eldritš, vreemd, spookachtig, ijzingwekkend.

Eleanor, eliənö, elənö; Eleazer, îlieizə.

Elecampane, elək’mpein, alant.

Elect, ilekt, subst. uitverkorene, gekozene; adj. uitverkoren, gekozen;

— verb. uitkiezen, verkiezen, kiezen: The Lord Mayor — = de nieuw

gekozen (nog niet zijne functies aanvaard hebbende); The — = de

uitverkorenen Gods; —ion = keus, verkiezing, praedestinatie,

genadekeus: —ion auditor = iemand belast met het opmaken van de kosten

voor eene parlementsverkiezing; —ion cry = verkiezingsleus; —ion judges

= twee rechters, die de protesten (Petitions) tegen eene verkiezing

onderzoeken; —ioneer, ilekšənîə, stemmen werven bij verkiezingen:

—ioneering-agent = verkiezingsagent; —ive = uitkiezend, verkiezend:

—ive affinity = chem. verwantschap, affiniteit; —ive franchise =

kiesrecht; —or = kiezer, keurvorst; —oral college = kiescollege; —oral

law = kieswet; —oral offences = knoeierijen; —orate, ilektərit, de

gezamenlijke kiezers; keurvorstendom; —orship = ambt van een keurvorst;

—ress = keurvorstin.

Electrepeter, ilektrepətə, stroomwisselaar.

Electric, ilektrik, electrisch, electriseer...: — battery = electr.

batterij; — car = electr. tramwagen; — circuit = kringstroom; — clock;

— column = kolom van Volta; — current = electr. stroom; — eel =

sidderaal; — jar = Leidsche flesch; — launch = motorboot met electr.

beweegkracht; — light; — machine = electriseermachine; — plant =

electr. installatie; — railway; — ray = sidderrog; — shock = electr.

schok; — spark = electr. vonk; — wire = telegraafdraad; —al engineer =

electr.-technicus; —al engineering = electrotechniek; —ian, ilektriš’n,

elektriš’n = electricien; —ity, ilektrisiti, elektrisiti,

electriciteit; Electrification, ilektrifikeiš’n, subst. electriseeren;

— verb. Electrify, ilektrifai, electriseeren (ook fig.); Electrization,

ilektrizeiš’n, subst. electriseeren; — verb. Electrize, ilektraiz.

Electro, ilektrou, in samenstellingen: electro, electrisch; —cution,

ilektrəkjûš’n, terechtstelling door electriciteit (Amer.); —logy,

ilektrolədži, de wetenschap der electriciteit; —lyze, ilektrəlaiz, door

electriciteit ontleden; —-motion, ilektrəmouš’n, beweging door

electriciteit; —phorus, ilektrofərɐs, electrophoor; —-plate,

ilektrəpleit, galvanisch verzilverd of verguld; ook subst. en verb.;

—scope, ilektrəskoup, electroscoop; Electron = electroon.

Electrum, ilektr’m, barnsteen; mengsel van goud met ⅕ deel zilver,

zilverhoudend gouderts.

Electuary, ilektjuəri, electuarium, likkepot.

Eleemosynary, elimosinəri, subst. de van aalmoezen levende, adj. uit

liefdadigheid gegeven, weldadigheids—.

Elegance, —cy, eləg’ns(i), sierlijkheid, bevalligheid: —s = beschaafde

gebruiken of manieren; Elegant = fijn, smaakvol, voornaam.

Elegiac, elidžaiak, elîdžiak, elegisch; elegie; Elegist, elədžist,

dichter van elegieën; Elegize = elegie dichten, weeklagen; Elegy =

elegie.

Element, eləment, (hoofd) bestanddeel, element: I am in (out of) my —

in this company = voel mij in dit gezelschap (niet) thuis; —s =

beginselen; brood en wijn (aan ’t avondmaal); —al, eləment’l, de

elementen betreffend, elementair, aanvankelijk, oorspronkelijk: —al

spirits = de geesten van vuur, aarde, lucht en water, i.e. salamanders,

gnomen, sylphen en undinen; —alism, eləmentəlizm, de theorie volgens

welke de goden der oudheid verpersoonlijkte natuurkrachten waren;

—ariness, eləmentərinəs, elementaire toestand, eenvoudigheid; —ary,

eləmentəri, eenvoudig, elementair: —ary education = lager onderwijs.

Elephant, eləf’nt, olifant: White — = een weinig benijdenswaardig bezit

(meer kostbaar dan voordeelig): To buy a white elephant = er in loopen;

To see the white — = de merkwaardigheden van eene stad zien (meest in

ongunst. zin); To have seen the white — = de nieuwste knepen kennen,

slim zijn; —paper = olifantspapier (711 × 534 mM.); —iasis,

eləfɐntaiəsis, olifantsziekte; Elephantine, eləfant(a)in, olifants-,

olifantachtig, reusachtig, onbeholpen; Elephantoid, eləfantoid,

eləfantoid, olifantachtig.

Eleusinian, eljusiniən.

Elevate, eləveit, verb. verheffen, verhoogen, veredelen, opvroolijken,

van trots doen zwellen; adj. verheven, hoog = —d: Slightly —d =

aangeschoten; —d railway = luchtspoorweg; Elevation, eləveiš’n,

verhevenheid, verhooging, opheffing, verheffing, hoogte, verticale

opstand (tegeno. platte gr.): To my tallest — = in mijne volle lengte;

Elevator = ascenseur, elevator; Elevatory = opheffend.

Eleven, ilev’n, elf, elftal: The — = de Apostelen; At the —th hour.

Elf, elf, subst. elf, kabouter, fee; —-arrow, —-bolt, —-dart =

vuursteen (in den vorm van een pijl); —-child = wisselkind (door feeën

achtergelaten voor het echte); —-fire = dwaallicht; —-lock = Poolsche

vlecht (haarziekte); —in, subst. fee; adj. tot de feeën behoorende;

—ish = elfachtig, elven—, kwaadaardig.

Elgin marbles, elginmâb’lz, de beelden uit den tempel van Minerva te

Athene, door Earl Elgin tusschen 1801–1802 naar Engeland gebracht.

Elia, îliə, Eliah, ilaiə, Elia (I Kron. VIII, 27).

Elicit, ilisit, uitlokken, krijgen uit, aan het licht brengen.

Elide, ilaid, een klinker of lettergreep weglaten.

Eligibility, elidžibiliti, verkiesbaarheid, enz.; Eligible, elidžib’l,

verkiesbaar, bevoegd; begeerlijk, verkieselijk, huwbaar: An — =

geschikte partij; subst. —ness.

Elijah, ilaîdžə, Elia (I Kon. XVII, 1).

Eliminant, ilimin’nt, eliminante.

Eliminate, ilimineit, verdrijven, buiten beschouwing laten, terzijde

stellen, elimineeren; subst. Elimination.

Elinor, elinö; Eliot, eljət; Elisabeth, ilizəbeth; Elisha, ilaišə.

Elision, iliž’n, elisie, bijv. o’er voor over.

Elite, ilît, élite.

Elixir, iliksə, elixer, bitter, hartsterking: — of life = levenselixer

= Life’s —.

Eliza, ilaizə; Elizabeth, ilizəbeth; Elizabethan, ilizəbeth’n,

ilizəbeth’n, ilizəbîth’n, uit den tijd van koningin E.

Elk, elk, eland; wapiti (Amer.); wilde zwaan, wilde eend.

Ell, el, lengtemaat (in Engeland ± 114 c.M., in Schotl. ± 94,5 c.M., in

Holland 69 c.M.): Give him an inch, he will take an — = als men hem den

vinger geeft, neemt hij de geheele hand; —-wand = ellestok, el.

Ellen, el’n; Ellesmere, elzmîə; Ellinor, elinö; Elliot(t), eljət.

Ellipse, ilips, ellips; Ellipsis, ilipsis, uitlating; Elliptic(al),

iliptik(’l), elliptisch; subst. Ellipticity.

Elm, elm, iep; —en = iepen; —(en)-tree; —y = met veel iepen.

Elmo’s-fire, elmouzfaiə, St. Elmusvuur.

Elocution, eləkjûš’n, (gekunstelde) voordracht; —ary = de wijze van

spreken betreffend; —ist = bekwaam in, of leeraar in voordracht.

Elodes, iloudîz, zweetziekte.

Elohim, ilouhim, eləhim, een der namen voor God in het Oude T.

Elongate, iloŋgeit, îloŋgeit, verlengen, uitrekken; subst. Elongation.

Elope, iloup, wegloopen (met een minnaar), zich laten schaken; subst.

—ment.

Eloquence, eləkwens, welsprekendheid; adj. Eloquent.

Else, els, ander, anders, bovendien: What —? = nog iets? —-ways = op

eene andere manier; —where = elders, ergens anders; Somewhere — =

ergens anders.

Elsinburg, elsinbɐrə; Elsinore, elsinö, Elseneur.

Elucidate, il(j)ûsideit, verduidelijken, ophelderen, verklaren; subst.

Elucidation; Elucidative = verklarend; Elucidator = verklaarder;

Elucidatory: — notes = verklarende aanteekeningen.

Elude, il(j)ûd, ontduiken, ontwijken, ontsnappen; subst. Elusion; adj.

Elusive; Elusory = bedriegelijk.

Elul, îləl, de 6de maand van het Joodsche burgerlijk jaar.

Elvish, elviš = Elfish.

Ely, îli; Elysian, iliž’n, Elyzeesch, hemelsch; Elysium, iliž’m,

Elysium, Paradijs.

Elytra, elitrə, schildvleugels; enkelv. Elytrum.

Elzevir, elzəvɐ̂ elzəviə, een van de Elzevier-uitgaven der klassieken

gedurende de 16e en de 17e eeuw te Amsterdam en Leiden: — editions.

’Em, əm, samentrekking van them.

Emaciate, imeišieit, vermageren, wegkwijnen; subst. Emaciation.

Emanant, emən’nt, voortkomende uit; Emanate, eməeit, voortkomen uit;

The emanations of radium = uitstraling.

Emancipate, imansipeit, vrij maken, emancipeeren; subst. Emancipation;

He was an emancipationist = voorstander van de vrijverklaring der

slaven; Emancipator = bevrijder; Emancipist = vrijgelaten gedeporteerde

(Austral.).

Emarginate, imâdžinit, uitgerand, uitgetand.

Emasculate, imaskjuleit, ontzenuwen, castreeren; subst. Emasculation.

Embale, əmbeil, emballeeren.

Embalm, əmbâm, balsemen, doorgeuren, bewaren; subst. —ment.

Embank, əmbaŋk, indijken, van eene kade voorzien; —ment = indijking,

dijk, kade.

Embargo, əmbâgou, subst. beslag (op schepen), verbod, belemmering; —

verb. beslag leggen en tegenhouden.

Embark, əmbâk, (zich) inschepen, zich wagen of begeven in: He —ed his

fortune in trade = stak ... in; Don’t — in such a trade = laat u niet

in met; —ed in litigation = in een proces gewikkeld; subst. —ation,

embâkeiš’n.

Embarrass, əmbarəs, beletten, in moeielijkheden brengen, verlegen

maken, verwarren; —ment = verwarring, verlegenheid, moeielijkheid.

Embassador. Zie Ambassador.

Embassy, embəsi, gezantschap, zending, gezantschapshotel.

Embattle, əmbat’l, in slagorde scharen; van kanteel en voorzien: —d

fields = slagvelden.

Embed, əmbed, als in een bed leggen, bedelven.

Embellish, əmbeliš, verfraaien, versieren; subst. —ment.

Ember, embə: — days = Woensdag, Vrijdag en Zaterdag van een bepaalde

week in ieder jaargetijde, waarop vasten en onthouding is

voorgeschreven; quatertemper; —-fast; —-tide.

Ember, embə, ijsduiker = —diver, —-goose.

Embers, embəz, gloeiende asch of sintels.

Embezzle, əmbez’l, verduisteren; subst. —ment; —r = verduisteraar.

Embitter, əmbitə, verbitteren.

Emblaze, əmbleiz, in brand zetten, verlichten, doen schitteren;

blazoeneeren; Emblazon, əmbleiz’n, blazoeneeren, schitterend versieren,

verheerlijken; —ment, —ry, heraldieke versiering.

Emblem, embl’m, subst. zinnebeeld, attribuut; —ata, əmblemətə, losse

figuurtjes van goud of zilver, waarmede de ouden hunne gouden en

zilveren vaten plachten te versieren; Emblematic(al) = zinnebeeldig;

Emblematize, əmblemətaiz, embləmətaiz, zinnebeeldig voorstellen.

Emblements, embləments, opbrengst van bouwland, oogst.

Embodiment, əmbodiment, belichaming; Embody, əmbodi, belichamen,

vereenigen, omvatten, organiseeren.

Embolden, əmbould’n, aanmoedigen, verstouten.

Embolism, embəlizm, inlassching van eene maand, embolie, verstopping in

een bloedvat; Embolus, embəlɐs, klontertje dat embolie veroorzaakt.

Emboss, əmbos, reliefwerk maken, drijven; —ed = gedreven.

Embouchure, Fr. uitspraak, monding, mondstuk.

Embowed, əmbaud, gewelfd, gebogen.

Embowel, əmbau’l, de ingewanden uitnemen, ontweien; subst. —ment.

Embower, əmbauə, in een lustwarande verblijven of verbergen.

Embrace, əmbreis, subst. omhelzing; — verb. omhelzen, gretig

aangrijpen, aannemen, omvatten, bevatten; trachten om te koopen (van

jury); —(o)r = omkooper; Embracery = poging om eene jury om te koopen;

Embracive = alles omvattend: That is an — title.

Embrangle, əmbraŋg’l, verwarren, dooreenhaspelen: To — messages.

Embrasure, əmbreižə, schietgat of opening; schuinsche verbreeding van

deur- of vensteropening.

Embrocate, embrəkeit, een pijnlijk lichaamsdeel met een smeersel

wrijven; Embrocation = wrijving, smeersel.

Embroider, əmbrôidə, borduren (ook fig. = fantaseeren); —y =

borduurwerk, kunstmatige versiersels (ook fig.): —y frame =

borduurraam.

Embroil, əmbrôil, verwarren, verwikkelen: —ed with each other = met

elk. gebrouilleerd; subst. —ment.

Embryo, embriou (Embryon, embriən), embryo, kiem: In — = in den eersten

en onvolkomen toestand; —nal = kiem- -; Embryonic = embryonaal.

Emend, imend, emendeeren, verbeteren = Emendate, îməndeit, subst.

—ation; Emendator, emendeitə, îməndeitə = emendator; adj. Emendatory.

Emerald, emər’ld, smaragd, bep. Eng. drukletter: — green =

smaragdgroen; — Isle = Ierland.

Emerge, imɐ̂dž, oprijzen uit, zich verheffen, te voorschijn komen,

ontstaan; subst. —nce, ook Emergency = plotselinge verschijning,

onverwachte gebeurtenis, moeilijkheid, dringende noodzakelijkheid: In

case of — = geval van nood; In an — = desnoods; —-door = nooddeur;

—-loan; —-man = noodhulp, ook bij geboycotte Iersche landheeren;

Emergent = opduikend, ontstaand, dringend.

Emeritus, imeritɐs, emeritus: Pastor — = emeritus predikant.

Emerods, emərodz, aambeien.

Emersion, imɐ̂š’n, oprijzing; emersie.

Emerson, eməs’n.

Emery, eməri, amaril: —-paper = schuurpapier; —-wheel = slijprad.

Emetic, imetik, subst. en adj. braakwekkend (middel): Tartar — =

braakwijnsteen.

Emeu, îmju. Zie Emu.

Emigrant, emigr’nt, subst. landverhuizer; ook adj.; —-ship; Emigrate,

emigreit, uit het land verhuizen; subst. Emigration.

Emilia, imîljə; Emily, emili.

Eminence, eminens, verhevenheid, hoogte, hooge rang, beroemdheid,

onderscheiding, eminentie; Eminent = verheven, uitstekend; Eminently =

in hooge mate.

Emir, imîə, îmə, emir.

Emissary, emisəri, subst. (geheime) gezant, bespieder.

Emission, imiš’n, uitstraling, uitstrooming, emissie, uitgifte, het

bedrag in omloop gebracht; Emissive = uitstralend, uitzendend =

Emissory.

Emit, imit, uitzenden, uitstralen, (laten) uitstroomen, uiten,

uitwerpen, uitgeven, in omloop brengen.

Emma, emə; Emmanuel, əmanjuəl.

Emmet, emət, mier.

Emollient, imolj’nt, subst. en adj. weekmakend, verzachtend (middel).

Emolument, imoljument, emolument, nut, voordeel, salaris.

Emotion, imouš’n, aandoening, ontroering, gisting; —al = ontroerend,

gemoeds...

Empale, əmpeil, omheinen, met palen omgeven; spietsen.

Empan(n)el, əmpan’l, subst. lijst van de gezworenen; — verb. zulk een

lijst maken, hen oproepen.

Emperil, əmperil = Imperil.

Emperor, empərə, keizer: Purple — = pauwenoog (kapel); — paper =

grootst formaat teekenpapier, 165 cM. bij 118 cM.

Emphasis, emfəsis, nadruk, klem: I wish to emphasize this fact = den

nadruk te leggen op; Emphatic = nadrukkelijk: — form = de vorm van een

bevestigend werkwoord met to do.

Empire, empaiə, keizerrijk, rijk, heerschappij, macht: The — City =

(bijnaam van) New-York; — Day = 24 Mei (geboortedag van Koningin

Victoria); — gown.

Empiric, əmpirik, empirisch (= —al); subst. empiricus, kwakzalver;

—ism, əmpirisizm = empirie; kwakzalverij.

Employ, əmplôi, subst. bezigheid, beroep, dienst; — verb. gebruiken,

besteden, aanwenden, bezig zijn met: He has many men in his — = aan ’t

werk; To be —ed = in dienst zijn; He —ed himself actively whilst there

= werkte hard; —able = bruikbaar; —ee = emplôi-î, employé; —er =

werkgever, principaal; —ment = bezigheid, beroep, plaatsing, belegging:

Thrown out of —ment = werkloos.

Emporium, əmpôriəm, handelscentrum, stapelplaats, entrepot, bazaar,

magazijn.

Empower, əmpauə, machtigen, in staat stellen.

Empress, emprəs, keizerin.

Emptiness, em(p)tinəs, ledigheid, holheid, waardeloosheid.

Empty, em(p)ti, adj. ledig, leeg, hongerig, leegstaand, vergeefsch,

ijdel, nutteloos, woest en ledig; — verb. ledigen, uit- of weggieten,

leeg worden, zich ontlasten: The room was — of everything but a lamp =

er was niets in de kamer dan; The empties = alle ledige dingen (zooals

bussen, flesschen, zakken, kisten, enz.); He got (they gave him) the —

= den bons; —-handed = met leege handen; —-headed = onwetend; —-hearted

= harteloos; Emptyings = droesem van bier, cider, etc.; gist (Amer.).

Empurple, əmpɐ̂p’l, purperrood kleuren.

Empyreal, əmpiriəl, empirîəl, den hemel betreffend; hemelsch, vurig =

Empyrean, empirîən, əmpiriən, subst. hoogste hemel, firmament.

Ems, emz.

Emu, îmjû, casuaris (Australië); —-wren = klein Australisch vogeltje.

Emulate, emjuleit, wedijveren met, nastreven: He —d popularity;

Emulation = wedijver, naijver, concurrentie; Emulator = wedijveraar.

Emulgent, imɐldž’nt, subst. en adj. afvoerend (middel).

Emulous, emjulɐs, wedijverend, naijverig.

Emulsion, imɐlš’n, emulsie; amandelmelk; Emulsive = geschikt voor

emulsie, verzachtend.

Emunctory, imɐŋktəri, afscheidend.

Enable, əneib’l, in staat stellen, machtigen.

Enact, ənakt, vaststellen, bepalen, tot wet verheffen; voorstellen,

spelen, volvoeren: To — a part = eene rol spelen; —ment =

wetsbekrachtiging, wet, verordening; —or = wetgever; —ure =

volbrenging.

Enamel, ənam’l subst. email, glazuur; — verb. emailleeren, glazuren,

opsmukken; —lar, adj. op email gelijkend, glad, glanzig; —ler =

emailleerder, brandschilder.

Enamour, ənamə, verliefd maken, bekoren: To be —ed of = verliefd op.

Encamp, ənkamp, (laten) kampeeren; subst. —ment.

Encase, ənkeis, in een koker sluiten, omsluiten: —d in black silk =

gestoken, gedost.

Encash, ənkaš, in baar geld uitbetalen (ontvangen), incasseeren.

Enceinte, Fr. uitspr., subst. wal, ringmuur; adj. zwanger.

Enchafe, əntšeif, sarren, boos maken.

Enchain, əntšein, ketenen, boeien; —ment = aaneenschakeling.

Enchant, əntšânt, bekoren, verrukken, betooveren: —ed ring =

tooverkring; —er = toovenaar, betooveraar; —ment = betoovering; —ress =

heks, betooverende vrouw.

Enchase, əntšeis, zetten (b.v. van juweelen in goud), ciseleeren;

drijven, sieren; —r = graveur, ciseleur.

Encircle, ənsɐ̂k’l, omringen, omgeven, omarmen, omsluiten.

Enclasp, ənklâsp, omvatten, omsluiten.

Enclitic, ənklitik (= —al), enklitisch, onafscheidelijk verbonden.

Enclose, ənklouz, omgeven, omringen, omheinen, insluiten: The —d =

bijgaande (ingesloten) stukken; Enclosure = omheining, afsluiting,

insluiting.

Encomiast, ənkoumiast, lofredenaar; Encomiastic = lovend; Encomium,

ənkoumj’m, lof, loftuiting.

Encompass, ənkɐmpəs, omringen, omgeven; subst. —ment.

Encore, âŋkö, verb. bisseeren: To give an — = biscouplet geven; —! =

bis!

Encounter, ənkauntə, subst. ontmoeting, treffen, gevecht; — verb.

(onverwacht) ontmoeten, stooten op, beloopen worden door, het hoofd

bieden.

Encourage, ənkɐridž, aanmoedigen, steunen; subst. —ment; —r =

begunstiger.

Encroach, ənkroutš, inbreuk maken op (on), benadeelen, indringen,

inbreuk maken, misbruiken: He —ed on my kindness = maakte misbruik van;

—ment = inbreuk, benadeeling, aanmatiging.

Encrust, ənkrɐst, incrusteeren, (zich) omkorsten.

Encumber, ənkɐmbə, belemmeren, versperren, nauwer maken, met schulden

belasten; Encumbrance = hindernis, last, hypotheek: Married people, no

— = zonder kinderen tot hun last; Encumbrancer = hypotheekhouder.

Encyclic(al), əns(a)iklik(’l), subst. rondgaand schrijven, encycliek;

adj. rondgaand.

Encyclop(a)edia, ənsaikləpîdjə, encyclopedie; —n = Encyclopedic(al),

ənsaikləpîdik(’l), ənsaikləpedik(’l), encyclopedisch; Encyclopedist,

ənsaikləpîdist, encyclopedist (1750–1770 in Frankrijk).

End, end, subst. einde, eindje, stukje, besluit, uitslag, dood, grens,

oogmerk, doel, resultaat, nut; — verb. eindigen, ophouden, een einde

maken aan, besluiten, voleindigen: The — justifies the means = het doel

heiligt de middelen; The — is not yet = het einde is niet te voorzien;

There’s an — of the matter = daar is de zaak mee uit; At an — = ten

einde, uit; At the — = ten slotte; At one’s wit’s (wits’) — = ten einde

raad; In the — = bij slot van rekening; No — = vreeselijk, erg, enorm:

No — of a fool (fun, a row, time) = een groote dwaas (veel,

hoogloopend, zeer veel); For a fortnight on — = veertien dagen aan één

stuk; This train runs 80 miles on — = zonder stoppen; His hair stood on

— = was te berge gerezen; To no — = vergeefs; To this — = met dit doel;

World without — = van eeuwigheid tot amen; To come (draw) to an — =

afloopen; He cannot make both —s meet = hij kan niet rondkomen (vergel.

Joindre les deux bouts); He put an — to it (to himself) = maakte er een

einde aan (aan zijn leven); He roamed to the —s of the earth = zwierf

tot de uiterste grenzen der aarde; All’s well that —s well = eind goed,

al goed; —-all = slot, einde voorgoed; —ing = einde, uitgang; —less =

eindeloos; subst. —lessness; —long = rechtuit; —most = laatst, uiterst;

—ways, —wise = overeind, rechtop, in de lengte.

Endanger, əndeinžə, in gevaar brengen, aan schade blootstellen.

Endear, əndîə, bemind of dierbaar maken; —ing, dier, lief: —ing terms =

lieve namen of woorden; —ment = toegenegenheid, teederheid, bekoring.

Endeavour, əndevə, subst. poging, inspanning; — verb. pogen, trachten.

Endecagon, əndekəgon, elfhoek.

Endemic, əndemik (= —al), subst. endemie, locale ziekte; adj.

inheemsch, endemisch.

Endirons, endaiənz, standaards waarin het spit draait, of die dienen om

de houtblokken te steunen.

Endive, endiv, andijvie.

Endocardium, endəkâdj’m, binnenste hartvlies; Endocarditis =

hartvliesontsteking.

Endogamy, əndogəmi, huwelijk onder de leden van denzelfden stam; adj.

Endogamous: — marriage.

Endogastritis, endəgastraitis, maagvliesontsteking.

Endorse, əndös, endosseeren, in omloop brengen, bevestigen,

onderschrijven: These typewriters are —d as the best = verklaard de

beste te zijn; Endorsee = iemand aan wien een wissel, etc. geëndosseerd

is; —ment = endossement, giro, bevestiging; Endorser = endossant.

Endow, əndau, begiftigen, doteeren; —er = schenker; —ment =

huwelijksgift, schenking, dotatie; talent, gave.

Endue, əndjû, aantrekken, bekleeden met.

Endurable, əndjûrəb’l, verdraaglijk; Endurance, əndjûr’ns, duur,

voortduring; lijden, lijdzaamheid, geduld, uithoudingsvermogen; Endure,

əndjûə, duren; verdragen, dulden, uithouden: He was very enduring = kon

het lang uithouden.

Endymion, əndimiən; Eneid, îniid, de Eneïde.

Enemy, enəmi, vijand, tegenstander: The — = de Duivel; de tijd; How

goes the —? = hoe laat is het; The hands of the — = wijzers v. d. klok.

Energetic (= —al), enədžetik, krachtig; —s, enədžetiks, de leer van het

arbeidsvermogen; Energic(al), ənɐ̂dzik(’l) krachtig, werkzaam; Energize,

krachtig werken (handelen), energie verleenen; Energy, enədži, energie,

nadruk, beweging: Conservation of — = de leer van het behoud van het

arbeidsvermogen.

Enervate, ənɐ̂veit, enəveit, verzwakken, ontzenuwen; subst. Enervation.

Enfeeble, ənfîb’l, verzwakken; subst. —ment.

Enfeoff, ənfef, met een leen of eene schenking begiftigen, overdragen;

—ment = begiftiging, leenbrief.

Enfilade, enfileid, subst. bestrijking overlangs; — verb. overlangs

bestrijken: Enfilading fire = overlangsch vuur; This window —s the park

= geeft uitzicht op het park in zijn geheele lengte.

Enfist, ənfist: The book —s the reader = pakt, bindt.

Enforce, ənfös, doorzetten, dwingen, opleggen, opdwingen, doen

eerbiedigen: The law was —d = werd streng toegepast; —d absence =

gedwongen; subst. —ment.

Enfranchise, ənfranš(a)iz, vrijmaken, vrij laten, het burgerrecht

verleenen, het kiesrecht geven; subst. —ment: — of copyhold lands = het

veranderen van deze in freeholds.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 36 / 141 段