Reassume, rîəsiûm, hervatten, hernemen; subst. Reassumption.

Reassurance, rîəšûrəns, subst. v. Reassure, rîəšûə, opnieuw verzekeren,

geruststellen; Reassuring news, tidings = geruststellende berichten.

Reattach, rîətatš, opnieuw verbinden; subst. —ment.

Réaumur, Fr. uitspr.

Reavow, rîəvau, opnieuw betuigen.

Reay, rei.

Rebaptism, rîbaptizm, wederdoop; Rebaptize, rîbəptaiz, herdoopen.

Rebate, ribeit, subst. rabat, korting, speciale (verlaagde)

vrachttarieven; soort v. harde zandsteen; — verb. verminderen, rabat

geven of korten; —ment = vermindering, korting.

Rebec(k), rîbek, ouderwetsche driesnarige viool.

Rebel, reb’l, subst. oproerling; adj. oproerig.

Rebel, ribel, oproer maken, in opstand komen, muiten: They —led against

the lawful authority = kwamen in opstand tegen; —ler = Rebel;

Rebellion, ribelj’n, opstand, oproer: The Great — = de Eng. revolutie

van 1642–1660; de Amer. burgeroorlog van 1861–1865; Rebellious =

oproerig; subst. —ness.

Reboant, reboənt, weerklinkend.

Reboil, rîbôil, opnieuw koken.

Rebound, ribaund, subst. terugstuiting, echo; — verb. terugstuiten,

weerklinken, weergalmen: Many a heart is caught in (on) the — = wanneer

het nog bloedt na versmaad te zijn door een ander.

Rebuff, ribɐf, subst. terugstoot, weigering, afwijzing; — verb.

terugdrijven, afwijzen: To meet with a —.

Rebuild, rîbild, weder opbouwen.

Rebukable, ribjûkəb’l, wat berisping verdient; Rebuke, ribjûk, subst.

berisping, standje; — verb. berispen, laken: He caught a — = hij kreeg

een standje; —ful = berispend, bitter; —r.

Rebullition, rîbuliš’n, opborreling, opkoking.

Rebury, rîberi, opnieuw begraven.

Rebus, rîbəs, rebus, devies (op een schild), waarbij de naam door eene

teekenfiguur of een beeld wordt voorgesteld.

Rebut, ribɐt, terugslaan of -stooten, afweren, van repliek dienen,

weerleggen; —tal = weerlegging; —ter = antwoord van den beschuldigde na

dat van den aanklager.

Recalcitrance (Recalcitrancy) rikalsitr’ns(i): Carlyle’s style excites

— in novices = wekt tegenspraak bij oningewijden; Recalcitrant,

rikalsitr’nt, weerspannig, tegenstrevend; subst. weerspannige;

Recalcitrate = zich verzetten, tegenstreven; subst. Recalcitration.

Recall, rikôl, subst. herroeping, terugroeping (het signaal daarvoor);

— verb. herroepen, opzeggen, terugroepen, zich herinneren: That is past

— = onherroepelijk; These two officers are under — and on their journey

back = deze twee ambtenaren zijn teruggeroepen; To present one’s

letters of — = brieven van rappèl (van een gezant); I can’t — it to

mind = me niet herinneren.

Recant, rikant, herroepen; —ation = herroeping: He made a —ation = hij

herriep zijne bewering, trok ze in; —er.

Recapitulate, rîkəpitjuleit, in het kort herhalen; subst.

Recapitulation; adj. Recapitulative, Recapitulatory: — exercises =

oefeningen ter herhaling.

Recaption, rikapš’n, terugname (van een wederrechtelijk onthouden

bezit); Recaptor = hernemer, die het buit gemaakte terugneemt;

Recapture, subst. herovering, heroverde prijs; — verb. heroveren,

terugnemen.

Recast, rikâst, opnieuw gieten of vormen, opnieuw bewerken, nogmaals

berekenen; ook subst.: Sixth edition, — and augmented = opnieuw

bewerkte en vermeerderde uitgaaf.

Recede, risîd, teruggaan, terugloopen, zich terugtrekken, wijken: He —d

into the background = hij trad op den achtergrond; —r.

Recede, rîsîd, rîsîd, weder afstaan aan den vroegeren bezitter.

Receipt, risît, subst. ontvangst, het ontvangene, voorschrift, recept,

kwitantie, reçu; — verb. eene kwitantie geven, voor voldaan teekenen: A

— for catching birds by putting salt on their tails = een middel om

vogels te vangen; He is in the — of a good income = hij heeft een goed

inkomen; On — of your favour of the 4th. inst. = na ontvangst van uw

geëerde van 4 dezer; He acknowledged the — of my letter = berichtte de

ontvangst; To give a — = kwitantie geven; Book of —s and expenditures =

van inkomsten en uitgaven; —-stamp = kwitantiezegel.

Receive, risîv, ontvangen, toelaten, aannemen, erkennen, vinden, helen:

It was generally —d that he was in fault = men erkende algemeen; He was

—d into our club = werd opgenomen; To sit to — on certain days = ‘jour’

houden; To — or visit a pupil = lessen aan huis of buitenshuis geven;

—d of Mr. N. = ontvangen van den Heer N. (op kwitanties); —d payment =

ontvangen, betaald; Custom long —d = oud gebruik; Receiver = ontvanger

(ook instrument), heler, recipient, klok (luchtpomp): The — makes the

thief = zonder heler geen steler; — (in bankruptcy) = curator,

bewindvoerder; Receiving: —-office = kantoor voor het aannemen van

pakketten, etc.; —-ship = wachtschip (waarop de nieuwe matrozen blijven

tot ze voor den dienst worden aangewezen).

Recency, rîs’nsi, frischheid, nieuwheid; Recent, rîs’nt, nieuw, versch,

frisch, pas geleden (gebeurd): — English = het E. van onzen tijd;

subst. —ness.

Recension, risenš’n, critische tekstuitgaaf, herziene en verbeterde

uitgaaf: The work exists in two different —s = in twee verschillende

critische uitgaven.

Receptacle, riseptək’l, vergaarbak, ontvanger, koker, vruchtbodem, vat.

Receptibility, riseptibiliti, ontvangbaarheid, ontvankelijkheid.

Reception, risepšn, ontvangst, receptie: They prepared a cordial — for

him = een hartelijke ontvangst; Receptive: His — faculties are very

great = zijn opnemingsvermogen; Receptivity = receptiviteit,

opnemingsgave; Receptor = ontvanger.

Recess, rises, opschorting of vacantie, vrij kwartier; afgelegen

verblijf, schuilhoek, nis, alcoof: The Easter — will not last more than

two weeks = het Paaschreces; The inner —es of the heart = de diepste

schuilhoeken; The passage led to an inner — = een verborgen hoek;

Recession = verwijdering, terugtrekking, het afstand doen; —al =

slot...; subst. gezang bij het uitgaan der kerk.

Rechabite, rekəbait, Rechabiet (Jez. XXXV, 5); geheelonthouder.

Recharge, rîtšâdž, opnieuw aanvallen of laden, eene tegenaanklacht

indienen.

Recharter, rîtšâtə, opnieuw bevrachten.

Recheat, ritšît, subst. hoorngeschal om de honden terug te roepen als

ze het spoor kwijt zijn; — verb, een recheat doen weerklinken.

Recheck, rîtšek: The luggage (account) had to be —ed first = moest

eerst opnieuw gecontroleerd worden.

Recherché, Fr. uitspr. uitgezocht, fijn, keurig.

Recidivism, risidivizm, recidive; Recidivist = recidivist.

Recipe, resipi, recept.

Recipient, risipj’nt, subst. ontvanger; adj. ontvangend.

Reciprocal, risiprək’l, wederzijdsch, wederkeerig, afwisselend; ook

subst. —ity, risiprəkaliti = —ness = wederkeerigheid; Reciprocate,

risiprəkeit, wederkeerig geven of aandoen, teruggeven, vergoeden: We

have —d kindnesses = wij hebben eenige beleefdheden gewisseld; subst.

Reciprocation; Reciprocity = wederkeerigheid, reciprociteit.

Recital, risait’l, voordracht, optelling, verhaal, solo, reciet: The —

of his story drew tears from the audience = het verhaal van zijne

geschiedenis; Recitation = opzeggen, declamatie, voordracht; mondeling

examen (Amer.); Recitative, resitətîv, recitatief (muz.); Recite,

risait, opzeggen, voordragen: He —d Tennyson’s May-queen; —r =

declamator.

Reck, rek, geven om, schelen: I do not — = het kan me niet schelen;

Little does he — what are the consequences = om de gevolgen bekommert

hij zich geen zier; —less = roekeloos, zorgeloos: I am —less of his

words = zijne woorden laten me volkomen koud; subst. —lessness.

Reckon, rek’n, rekenen, onderstellen, houden voor, optellen (up),

tellen, afrekenen: That cannot — as an English word = kan niet

beschouwd worden; He was —ed among your friends = geteld onder; The

English — by pounds, shillings and pence = rekenen met, bij; —ing from

what you say = te oordeelen naar; May I — on you? = op u rekenen; These

things are too small to be —ed up = te onbeduidend om opgeteld te

worden; I cannot — it up = ik kan het me niet begrijpen; Modern thought

is not —ed with by him = hij houdt geene rekening met; He appeared to

have —ed without his host = hij bleek buiten den waard gerekend te

hebben; —er = rekenaar: He is a ready —er = vlug in het rekenen;

Reckoning = berekening, rekening, schatting, gissing, bestek

(scheepsterm): Even (short) —s make lasting (long) friends = effen

rekening onderhoudt de vriendschap; You are out in your — = gij zijt in

uwe rekening mis, vergist u = You have lost your —; To leave out of the

— = buiten rekening laten; —-book = boek van ontvangst en uitgaaf,

journaal.

Reclaim, rikleim, terugroepen, op het rechte pad brengen (fig.),

verbeteren, ontginnen, in cultuur brengen van droog gemaakt land;

ontginnen; africhten, temmen: They —ed against such measures = kwamen

in verzet tegen; He was —ed from his sinful ways by his friend = hij

werd op het goede pad teruggebracht; adj. —able; Reclamation,

rekləmeiš’n, eisch, verwering, protest, verbetering; ontginning:

Scrooge’s — was brought about by the three spirits = S.’s verbetering.

Reclination, reklineiš’n, subst. v. Recline, riklain, achterover

leunen, overhellen, rusten, steunen; Reclining: —-board = leun-plank

(orthop.); —-chair = verstelbare leuningstoel.

Reclose, rîklouz, opnieuw sluiten.

Recluse, riklûs, subst. kluizenaar; adj. eenzaam, afgezonderd; —ness =

afzondering, eenzaamheid = Reclusion, riklûž’n; Reclusive, riklûsiv,

eenzaam, teruggetrokken.

Recognition, rekəgniš’n, herkenning; erkenning, betuiging: In — of his

many services = ter erkenning van; Recognitory = (h)erkennend;

Recognizable, rekəgnaizeb’l, rikognizəb’l, rekəgnaizəb’l, herkenbaar;

Recognizance, riko(g)niz’ns, erkenning, teeken, insigne, schriftelijke

verplichting tot het betalen van een schuld, tot zich ordelijk

gedragen, etc.: They had to enter into their own —s to keep the peace =

zij moesten een schriftelijke verklaring afleggen (zich persoonlijk

borgstellen), de orde niet weer te verstoren; Recognize, rekəgnaiz,

herkennen, erkennen; Recognizee, riko(g)nizî, degene ten wiens behoeve

voor de rechtbank dergelijke schriftelijke verbintenis wordt gegeven;

Recognizor, riko(g)nizə, riko(g)nizö, afgever van dergelijke

verbintenis.

Recoil, rikôil, subst. terugslag, wijking, terugsprong; — verb.

terugdeinzen, terugspringen, terugkomen, stooten: Their attacks will —

on them = op henzelf weer neerkomen.

Recoin, rîkôin, opnieuw munten; subst. —age.

Recollect, rîkəlekt, opnieuw verzamelen: To — oneself = zich

beheerschen, tot nadenken komen.

Recollect, rekəlekt, zich herinneren: I can’t — having ever seen him

before = kan me niet herinneren; —ion = herinnering, zelf beheersching:

You have grown out of all —ion = je bent zoo gegroeid, dat men je niet

meer herkent; adj. —ive.

Recolonize, rîkolənaiz, opnieuw koloniseeren.

Recombination, rîkombineiš’n, subst. v. Recombine, rîk’mbain, (zich)

opnieuw verbinden of samenvoegen.

Recommence, rîkəmens, opnieuw beginnen; subst. —ment.

Recommend, rekəmend, aanbevelen, aanprijzen, aanraden: The jury —ed him

to mercy; To — itself = zich aanbevelen; adj. —able =

aanbevelenswaardig; subst. —ableness; —ation: Letter of —ation; —atory

= aanbevelings....: —atory letter; —er.

Recommit, rîkəmit, opnieuw opdragen (overleveren), weder naar dezelfde

commissie terugzenden: To — to prison = weer arresteeren; subst. —ment

= —tal.

Recommunicate, rîkəmjûnikeit, opnieuw mededeelen.

Recompense, rek’mpens, subst. belooning, vergoeding; — verb. beloonen,

vergelden, schadeloos stellen; —r.

Recompile, rîk’mpail, opnieuw verzamelen of samenstellen; subst. —ment.

Recompose, rîk’mpouz, opnieuw samenstellen, weder geruststellen, weder

in orde brengen; subst. Recomposition.

Reconcilable, rek’nsailəb’l, verzoenbaar, vereenigbaar, bestaanbaar;

Reconcile, rek’nsail, verzoenen, overeen- of tot harmonie brengen: To —

oneself to, To be (become) —d to = zich verzoenen met, zich schikken

in; He felt more —d to his work = kreeg meer op met; How can you — it

to your conscience? = het met je geweten overeenbrengen; They were —d

to each other and to their fate = zij verzoenden zich met elkander en

met hun lot; —ment = Reconciliation; Reconciliatory, rek’nsiliətəri,

verzoenend.

Recondensation, rîkondənseiš’n, subst. v. Recondense, rîk’ndens,

opnieuw verdichten.

Recondite, rek’ndait, rikondit, geheimzinnig, verborgen; afgetrokken,

diepzinnig.

Reconduct, rîk’ndɐkt, terugleiden.

Reconfirm, rîk’nfɐ̂m, opnieuw bevestigen.

Reconnaissance, rəkonəs’ns, verkenning: — duty = verkenningsdienst =

Reconnoissance.

Reconnoitre, rekənôitə, verkennen, opnemen: Reconnoitring party.

Reconquer, rîkoŋkə, opnieuw veroveren, herwinnen; Reconquest,

rikoŋkwəst, herovering.

Reconsecrate, rîkonsikreit, opnieuw wijden; subst. Reconsecration.

Reconsider, rîk’nsidə, opnieuw in overweging nemen; Reconsideration.

Reconsignment, rîk’nsainm’nt, terugzending, hernieuwde zending.

Reconstitute, rîkonstitjût, opnieuw samenstellen; subst.

Reconstitution.

Reconstruct, rîk’nstrɐkt, opnieuw samenstellen of bouwen; subst. —ion;

adj. —ive.

Reconvene, rîk’nvîn, opnieuw bijeenkomen of roepen.

Reconversion, rîk’nvɐ̂š’n, wederbekeering; Reconvert = opnieuw bekeeren.

Reconvey, rîk’nvei, terugvoeren, overdragen op een vroegeren eigenaar;

subst. —ance.

Record, rekəd, gedenkschrift, getuigschrift, getuigenis, verleden,

antecedenten, verhaal, register, officieel afschrift, rol of plaat voor

phonograaf of gramophoon; kortste tijd, die geregistreerd is (sport):

Court of — = hof waar uitspraken in archief worden bewaard; —s =

publieke documenten, protocollen, verslag van de hoofdzaken in een

geding: Keeper of the —s = archivaris, griffier; That is the most

famous name (up)on — = in de geschiedenis vermeld; It is on

indisputable — = het staat onomstootelijk vast; To bear — of = getuigen

van; This skater has beaten (broken, cut) the — = heeft den besten tijd

gemaakt, dus: het oude record geslagen; He has a clean — = een zuiver

geweten; I will make a — of it = zal er een register of eene lijst van

aanleggen; He wrote his — upon his generation (Amer.) = hij was in zijn

tijd een man van beteekenis; —-office = rijksarchief.

Record, riköd, aanteekenen, registreeren, opteekenen, vermelden, als

historisch feit overleveren, zingen (van vogels): All the glorious

names, —ed in history = in de geschiedenis opgeteekend; Recorder =

archivaris, syndicus (de hoogste, door de regeering benoemde rechter in

een Borough); registratie-apparaat (telegr.); soort fluit; —ship;

Recording-telegraph = druktelegraaf.

Recount, rikaunt, omstandig verhalen; rîkaunt, op nieuw tellen.

Recoup, rikûp, vergoeden, schadeloosstellen, een verlies herstellen: He

—ed his energies in the Giant Mountains = herkreeg; I will — all losses

you may incur by it = vergoeden; I lost more than this book is likely

to — me for = waarschijnlijk zal opbrengen; I never attempted to —

myself for the money spent so unnecessarily = mij schadeloos te stellen

voor; subst. —ment.

Recourse, rikös, toevlucht, schadeloosstelling: I had — to him = nam

mijne toevlucht tot hem.

Recover, rikɐvə, (doen) herleven, herstellen, te boven komen,

herwinnen, herkrijgen, terugvinden, vergoeden, inhalen, bevrijden,

redden: To — one’s breath = weer op adem komen; To — consciousness =

bijkomen; He wanted to — damages = schadevergoeding te krijgen; He

could only — second-class expenses = had slechts aanspraak op

vergoeding van etc.; To — shipwrecked goods = bergen; He couldn’t —

health = zijne gezondheid niet terugkrijgen; He —ed his legs = hij kwam

weer op de been; He —ed his nerve = herkreeg zijne zelfbeheersching; He

—ed his property = kreeg terug; He —ed himself = herstelde zich; He was

—ed from the hands of his enemies = hij werd gered of bevrijd;

—ability, subst. v. —able = herkrijgbaar; subst. —ableness; Recovery =

herstel, herkrijging: The patient is past — = hopeloos.

Recover, rîkɐvə, opnieuw bedekken.

Recreance, Recreancy, rekriəns(i), lafhartigheid, laagheid,

afvalligheid; Recreant, rekriənt, laf, laaghartig, valsch; afvallig;

ook subst.

Recreate, rekrieit, zich ontspannen, vermaken, verlustigen; Recreation,

rekrieiš’n, ontspanning, afleiding; Recreative = opwekkend,

ontspannend, versterkend.

Recreate, rîkrieit, opnieuw scheppen; Recreation, rîkrieiš’n,

herschepping.

Recrement, rekriment, uitwerpsel, slakken; adj. —itious.

Recriminate, rikrimineit, eene tegenbeschuldiging inbrengen;

Recrimination = tegenbeschuldiging; Recriminative, Recriminatory = een

tegenbeschuldiging bevattend; Recriminator = tegenbeschuldiger.

Recross, rîkros, nogmaals oversteken.

Recrudesce, rîkrudes, weer zeer worden, verergeren, weer uitbreken,

weer opleven; subst. —nce; adj. —nt.

Recruit, rikrût, subst. rekruut, nieuweling; aanvulling; — verb.

recruteeren, versterken, herstellen, met nieuwe kracht bezielen, weer

op krachten komen: Will you — the fire? = wat bij het vuur doen; To —

the inner man = den inwendigen mensch versterken; He —ed his strength

(flesh) on the Riviera = herwon zijne krachten; We must — him and set

him on his legs again = hem versterken; A —ing officer (sergeant) =

werfofficier; —ing-money = handgeld; —ing-office = werfbureau;

—ing-sergeant; —ment = recruteering, herstel, versterking.

Rectal, rektəl: — douche = lavement.

Rectangle, rektaŋg’l, rechthoek; —d, Rectangular, rektaŋgjulə,

rechthoekig; Rectangularity = rechthoekigheid.

Rectifiable, rektifaiəb’l, wat verbeterd kan worden; Rectification =

verbetering, rectificatie; Rectifier; Rectify, rektifai, herstellen,

verbeteren; overhalen (door distillatie).

Rectilineal, rektilinj’l, rechtlijnig = Rectilinear.

Rectitude, rektitjûd, oprechtheid, eerlijkheid, juistheid: Unctious — =

huichelachtigheid.

Rector, rektə, bestuurder, rector, Anglikaansch geestelijke, die al de

tithes (vroeger de great tithes, those in corn) van de Living ontvangt,

doch geen dienst behoeft te doen; —ate, —rit, rectoraat; —ial,

rəktôriəl, rectoraal, rector - -; —ship = betrekking of ambt van een

rector; —y = pastorie, ambt van een rector.

Rectrix, rektriks, staartveer; mv. Rectrices, rektraisîz.

Rectum, rekt’m, endeldarm.

Recumb, rikɐmb, leunen, rusten; —ence, —ency = rust, leunende of

liggende houding; —ent = leunend, rustend, lui.

Recuperate, rikjûpəreit, herstellen: She —d her health = herkreeg;

Recuperation = herstel, herkrijging; Recuperative = herstellings - -: —

power.

Recur, rikɐ̂, terugkeeren tot, terugkomen op, invallen, zijn toevlucht

nemen tot: He —red to it again and again = kwam er telkens op terug; It

does not — to me = valt me niet in; It —red to my (mind) memory =

schoot mij weer te binnen; —rence, —rency, rikɐr’ns(i), terugkeer,

toevlucht: The word is of frequent —rence in this book = komt

herhaaldelijk voor; —rent, rikɐr’nt, telkens voorkomend; —ring

(rikɐ̂riŋ) decimal = repeteerende breuk.

Recurvation, rîkɐ̂veiš’n, subst. v. Recurve, rikɐ̂v, achterwaarts buigen

of gebogen.

Recusance, Recusancy, rekjuz’ns(i), rikjûz’ns(i), hardnekkige weigering

(van den godsdiensteed, van de geestelijke suprematie des konings);

Recusant, rekjuz’nt, rikjûz’nt, weigerend; subst. weigeraar.

Recusation, rekjuzeiš’n, weigering, verwerping of wraking (van een

rechter).

Red, red, rood; subst. rood, roode, roode wijn; (—s = roodhuiden);

Bright — = helder-rood; Deep — = donkerrood; He is — on it = hij is er

op verzot; To go — in the face = blozen; —-backed shrike = grauwe

klauwier; —-book = staatsalmanak, adelsboek; —breast = roodborstje; —

cabbage; —cap = goudvink; —-chalk = rood krijt; —-coat = soldaat; —cock

crowing = brandstichting, den rooden haan laten kraaien (Schotl.);

—-cross banner = banier met het roode kruis v. St. George; —-cross

societies; — currant = roode (aal)bes; — deer = edelhert; — grouse =

sneeuwhoen; —-gum = huiduitslag (bij kinderen); roest (in koren);

—-hand(ed) = op heeter daad: He was caught —-handed = op heeter daad

betrapt; —-herring = bokking; —-hot = gloeiend heet; —-lattice = roode

jalouzieën van kroegen en bordeelen: —-lattice phrases = gemeene taal;

— lead = roode menie; —-letter day = gelukkige dag (omdat de

heiligendagen rood gemerkt waren in de almanakken); All —-line = route

geheel over Engelsch gebied; —poll = roodharig rund zonder horens; —

ribbon = ordelint van de Bathorde; brandy; — Sea = Roode zee; —-shanks

= tureluur; Bergschot; —-short = roodbreukig (v. ijzer); —skin =

Roodhuid, Indiaan; —start = roodstaartje; —-tape = rood lint voor het

binden van akten; adj. bureaucratisch; —-tapism = bureaucratie;

—-tapist = bureaucraat; —wing = koperwiek; —wood = roodhout; —den =

rood worden, blozen; —dish = roodachtig; —dle = rood krijt.

Redact, ridakt, redigeeren; —ion = het redigeeren of geredigeerde.

Redan, ridan, schans met uit- en inspringende hoeken; trap (Archit.).

Redeem, ridîm, terugkoopen, verlossen, loskoopen, vervullen (van woord

of belofte), boeten voor, goedmaken, benuttigen, verlossen: He has —ed

his wicked deeds = goedgemaakt; To — a promise = vervullen; Jesus has

—ed mankind = Jezus heeft het menschdom verlost; —able = (af)losbaar;

subst. —ableness; —er = Verlosser; The one —ing feature = de eenige

goede trek.

Redeliver, rîdilivə, weder afleveren, nogmaals bevrijden, rapporteeren;

subst. —ance = —y.

Redemand, rîdimând, terugvorderen.

Redemption, ridemš’n, loskooping, verlossing, vrijkooping, lossing:

Power of — = recht tot terugkoop; Past — = reddeloos verloren; —ist =

Redemptorist, lid van de orde van den Heiligen Verlosser; Redemptive =

verlossend; Redemptorist, redemptorist, ligurist; Redemptory price

(sum) = losgeld, losprijs.

Redingote, rediŋgout, jas.

Redintegrate, ridintəgreit, verb. vernieuwen, weer volkomen maken; adj.

vernieuwd; Redintegration = vernieuwing.

Redirect, rîdirekt, opzenden (van brieven door ze van een nieuw adres

te voorzien).

Redistribute, ridistribjût, opnieuw uitdeelen; subst. Redistribution;

adj. Redistributive, Redistributory.

Redivivus, ridivaivɐs, herleefd.

Redolence, Redolency, redəlens(i), geur, welriekendheid; adj. Redolent,

redəlent: The air in the room was — of attar of roses = was bezwangerd

met.

Redouble, ridɐb’l, verdubbelen.

Redou(b)t, ridaut, reduit (vestingbouw).

Redoubtable, ridautəb’l, geducht, gevreesd = Redoubted.

Redound, ridaund, weer neerkomen, terugvallen, strekken: No small

profit —s from this business to you = vloeit voort; All this —s on you

= valt op u terug; That will — to the credit and advantage of our cause

= strekken tot.

Redowa, redəwa, Boheemsche dans; muziek daarbij.

Redraft, rîdrâft, subst. tweede afschrift of afdruk; herwissel; — verb.

opnieuw opstellen (ontwerpen, teekenen).

Redraw, rîdrô, opnieuw (een wissel)trekken.

Redress, ridres, subst. herstel (van grieven, b.v.), vergoeding; —

verb. verhelpen, herstellen, vergoeden: To obtain —; —able = wat

verholpen kan worden; —ment = herstel.

Reduce, ridjûs, terugleiden, terugbrengen tot een vroegeren toestand,

verlagen, dégradeeren, ten onder brengen, verminderen, verkleinen,

reduceeren, intoomen, rangschikken: To — to ashes = tot asch

verbranden; His family was —d to beggary (poverty) = tot den bedelstaf

gebracht; The account was —d to half its amount = werd tot op het halve

bedrag teruggebracht; This startling order —d us all to powder = we

stonden ‘paf’ van; To — to submission = tot onderwerping brengen; The

sergeant was —d to the ranks = werd tot soldaat gedegradeerd; In —d

circumstances = armoedige; A —d copy = verkleinde copie; A —d family =

verarmde; —r; Reducible, ridjûsib’l: To be — to = herleidbaar tot;

Reduction, ridɐkš’n, reductie, terugbrenging, overwinning,

onderwerping, vermindering, rabat, verkleining, herleiding: — of

fractions to a common denominator = gelijknamig maken van breuken;

Reductive = verminderend, reduceerend; ook subst.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 96 / 141 段