War, wö, subst. oorlog, strijd, vijandschap, vijandelijkheid; — verb.

beoorlogen, strijdvoeren: A — was carried on between these powers = er

werd oorlog gevoerd tusschen; To declare — against = den oorlog

verklaren aan; We are engaged in a — = in een oorlog gewikkeld; To make

— on = oorlog voeren tegen; To be at — = in oorlog zijn; He was at —

with his own hands and feet = wist geen weg met; The spirit is at —

with the flesh = voert strijd tegen; To go to — with = oorlog aangaan

met; It was — to the knife (to the death) between them = het was een

strijd op leven en dood; Holy — = heilige oorlog, kruistocht; — of

independence; A council of — (—-council) was held = krijgsraad werd

gehouden; Several men-of-— = onderscheidene oorlogschepen; Many

prisoners of — were made = krijgsgevangenen; —ring against his better

self = strijd voerende tegen zijn beter ik; —-chest = krijgskas;

—-council = krijgsraad; —-cry = oorlogskreet, oorlogsleuze; —-dance =

oorlogsdans; — Department = Ministerie van Oorlog (Amer.); —-drum =

krijgstrom; —fare, subst. strijd, (wijze van) oorlog (voeren),

vijandelijkheden; — verb. oorlog voeren, kampen, strijden; —farer =

krijgsman; —-horse = strijdros; —-insurance = assurantie tegen

krijgsgevaar; — Office = Ministerie van Oorlog; —-paint = oorlogsverf

(Indianen); gala, groot tenue; —-path = oorlogspad: We are on the

—-path = op expeditie; —-ship = oorlogsschip; —-song = krijgslied;

—-steed = krijgsros, strijdhengst; —-torch = oorlogstoorts; —-wasted =

verwoest; —-whoop = oorlogskreet, krijgsgeschreeuw; —-worn = in den

dienst versleten; —like = krijgshaftig, strijdbaar, oorlogs...: —like

paraphernalia (parəfəneiljə) = oorlogstoebereidselen.

Warble, wöb’l, subst. gekweel, lied; gezwel op den rug van een paard; —

verb. kweelen, zingen, trillers slaan; —r = kweeler, zangvogel.

Ward, wöd, subst. bewaking, wacht, verdediging, bescherming, afweer,

het pareeren, hechtenis, kerker, voogdijschap, minderjarigheid, pupil,

wijk, stedelijk (kies)district, afdeeling of zaal in een hospitaal,

werk (van een slot), buitenplein; — verb. bewaken, verdedigen,

beschermen, terugdrijven, afweren: To be held in — = in verzekerde

bewaring gehouden; To keep watch and — = streng de wacht houden; To put

in — = gevangen zetten; The thrust was —ed off by me = gepareerd;

—-mote = vergadering van het bestuur v. een ward; —-penny =

bewakingsgeld, waakgeld; —robe = kleerkast, garderobe: —robe keeper =

—rober = bediende bij de —robe; —-room = officierskajuit aan boord van

een oorlogsschip; —ship = voogdijschap, minderjarigheid; Warden =

bewaker, bewaarder, custos, rector van sommige colleges; vrederechter

(Amer.); soort peer: Lord — of the Cinqueports = ambtenaar

oorspronkelijk belast met de (kust)verdediging der Cinque-ports; thans

bezoldigd eereambt, onvereenigbaar met het lidmaatschap van het

Parlement; —-pie = perenpastei; —ship = bewaarderschap; Warder =

bewaker, wacht; commandostaf: —s of the Tower = ambtenaren ter bewaking

v. staatsgevangenen in den Tower.

Ware, wêə, waren, goederen; soort zeewier; — = Aware, Beware: — oars! =

pas op de riemen! (bij het passeeren van een andere boot); — wire, Sir!

= pas op het prikkeldraad (jachtterm); China — = porselein; Earthen— =

aardewerk; Hard— = ijzerwaren; —house = pakhuis, magazijn, entrepôt =

Bonded —house; —house-keeper = —house-man = pakhuishouder,

pakhuismeester; —house-warrant = cedel; —housing = het opslaan van

goederen in pakhuis of entrepôt; —-housing-system = het

entrepôt-stelsel; —-room = pakkamer, uitstalkamer.

Warham, wor’m.

Wariness, wêrinəs, subst. v. Wary.

Warlock, wölok, toovenaar, geestenbezweerder; —ry = toovenarij.

Warm, wöm, adj. warm, heet, vurig, ijverig, enthusiast,

hartstochtelijk, intiem, versch, hartelijk, gegoed, rijk; ook subst.; —

verb. verwarmen, afranselen, warm worden, zich opwinden: — contest =

heete strijd; — colour; To give one’s hands a — = z’n handen warmen;

Have a — = warm je eens goed; He is — = zit er warmpjes in; You are

getting — = je brandt je (bij het blindemanspel); This place is too —

for me = ik ben hier niet op mijn gemak; They made the town — for him =

hij kreeg het te benauwd; To sit pretty — = er warm inzitten; He —ed to

his subject = zijn onderwerp sleepte hem mede; —ed up remains of the

evening meal; —-blooded = warmbloedig; —-hearted = hartelijk, oprecht;

—er = wie of wat verwarmt; Warming, subst. pak slaag; adj. verwarmend:

—-pan = beddepan, iemand die eene betrekking vervult om deze open te

houden tot de bedoelde persoon ze vervullen kan; groot ouderwetsch

horloge; Warmth = warmte, vuur, gloed, hartelijkheid.

Warn, wön, waarschuwen, aanzeggen, oproepen: I — you against such a

behaviour = waarschuw u voor; He —ed us of the coming of the general =

kondigde aan; They were —ed off the hunt, being unfit to ride = nun

werd aangezegd, niet mee te gaan op jacht; The infirm and aged are —ed

off = worden hier niet toegelaten (worden gewaarschuwd weg te blijven);

—er; Warning = waarschuwing, aankondiging, dienstopzegging: My mistress

has given me — = heeft mij den dienst opgezegd; I gave you proper — of

it = heb u behoorlijk er voor gewaarschuwd; Take — of his example =

spiegel u aan; — notice-boards = waarschuwingsborden.

Warp, wöp, subst. schering (— and woof), kromming, boegseerlijn,

werptros; slib; — verb. kromtrekken, krimpen, verdraaien, een verkeerde

richting geven, scheren, kunstmatig besproeien of inundeeren,

boegseeren, verhalen, bevloeien; —ed = krom, verdraaid, vertrokken: A

—ed, unframed photo stood on his desk = een kromgetrokken; His

conclusions are occasionally —ed by sympathy = zijne voorliefde maakt

dat zijne conclusies wel eens wat verdraaid zijn; —er = werkman, die de

schering aanzet; Warping: —-bank = dam om het water op een stuk land te

houden; —-machine, —-mill = handmolen tot het maken der schering.

Warrant, worn’t, subst. volmacht, machtiging, proces-verbaal, bevel tot

inhechtenisneming, borgstelling, garantie, cedel, aanstelling door den

korpskommandant; — verb. waarborgen, garandeeren, machtigen, toestaan,

bekrachtigen, verzekeren, instaan voor, betuigen, verdedigen: — to

appear = dagvaarding; The death-— was signed by the king = doodvonnis;

A search-— = bevel tot huiszoeking, opsporing, enz.; — of apprehension,

arrest = bevel tot aanhouding of arrestatie; — of attorney = procuratie

of notarieele volmacht; — of caption = steekbrief; — of distress =

bevel tot beslaglegging; —s were issued = bevelschriften werden

uitgevaardigd; Without a — = ongemotiveerd; — officer = officier met

rang tusschen luitenant en sergeant, dek-officier (te vergelijken met

onze onder-luitenants en adjudant-onderofficieren) bij warrant

aangesteld; I — you that he is a clever fellow = verzeker u, sta er

voor in; I — it good = sta er voor in, dat het goed is; —able =

verdedigbaar, wettig (= — by law), oud genoeg voor de jacht er op (v.

herten); —ee, wor’ntî, die gewaarborgd wordt; —er = volmachtgever,

waarborger = —or, wor’ntə, wor’ntö; —y, subst. belofte, waarborg.

Warren, wor’n, konijnenpark, fazantenpark, vischweer, krot; —er =

opzichter.

Warrior, worjə, krijgsman.

Warsaw, wösô.

Wart, wöt, wrat: —-hog = soort van Amer. wild zwijn; —-wort =

kroontjeskruid; —less = zonder wratten; —y = vol wratten, wratachtig.

Warwick, worik; —shire, worikšə.

Wary, wêri, omzichtig, behoedzaam.

Was, woz, imperf. (enkelv.) van to be.

Wase, weiz, weis, kussen door sjouwers op het hoofd gedragen.

Wash, woš, subst. wassching, de wasch, slappe thee, spoeling,

kabbeling, golfslag, kielwater, aanslibbing, moeras, watertje voor de

toilettafel, dunne metaallaag, vernisje, dun verflaagje, schijnkoop; —

verb. wasschen, afwasschen, afspoelen, bespoelen, uitwisschen, met eene

dunne verflaag bedekken, met een metaallaagje bedekken, reinigen (van

erts): The — and turmoil of the water = het klotsen en de beroering;

I’ll do the — = ga de wasch aan kant maken; To give one’s face a — =

zich het gezicht wasschen; We must have a — = ons eens wasschen; I have

sent them to the — = heb ze in de wasch gedaan; This soap won’t —

clothes = met deze zeep kunnen geen kleeren gewasschen worden; It don’t

— = kan niet gewasschen; That won’t — = dat gaat niet (op); To — dishes

= borden wasschen; To — one’s hands of = zijne handen in onschuld

wasschen; zijne handen aftrekken van; All their sins were —ed away =

zij werden van al hunne zonden gereinigd; Those spots cannot be —ed out

= gaan er in de wasch niet uit; A —ed out creature = bleek; To — out an

affront; She —ed up the tea-things = waschte af; Copper —ed with silver

= verzilverd koper; —-ball = zeepbal; —-board = waschplank, zetboord

(op boot of sloep); —-gilding = nat vergulden; —-hand-basin = waschkom;

—-hand-stand (—-stand) = waschtafel; —-house = waschhuis; —-leather =

zeemleer; —-pot = waschkom, waschbak; —-tub = waschtobbe; —able = goed

blijvend in de wasch; Washer = waschvrouw, waschmachine, ringplaat

(onder de moerschroef); —-man = waschbaas, waschman, bleeker; —-woman =

waschvrouw; Washiness, subst. v. Washy; Washing: —-day; —-dress,

—-fabrics = japon, stoffen, die tegen de wasch kunnen; —-glove;

—-machine = waschmachine; —-powder = waschpoeder.

Washington, wošiŋt’n, Washington; —ian, wošiŋtounj’n, subst. inwoner v.

W.; afschaffer; adj. afschaffers ...; v. Washington: The —ian movement

= —ianism = afschaffersbeweging, hunne beginselen.

Washy, woši, waterig, zwak, dun, krachteloos: —-looking wine = dunne,

krachtelooze wijn.

Wasp, wosp, wesp: He has his head full of —s = hij heeft allerlei

kuren; —-waisted = met wespentaille; —ish = met eene wespentaille,

prikkelbaar, giftig; —ish-headed = prikkelbaar, opvliegend; subst.

—ishness.

Wassail, wosil, wasil, subst. drinkgelag; gekruid bier met wijn met

Kerstmis of Nieuwjaar en opgediend in den —-bowl; — verb. drinken (op

het welzijn van); —-cup = beker waaruit wassail werd gedronken; —er =

drinkebroer; —ers = lieden, die met Kerstmis zingend rondgaan.

Waste, weist, verwoesting, vernieling, afneming, achteruitgang,

verspilling, verlies, woestenij, wildernis, onbebouwde grond, gruis,

afval, onheil, vlak; adj. woest, onbruikbaar, overvloedig, waardeloos,

onnut; — verb. verwoesten, vernielen, verminderen, afnemen, verspillen,

weggooien, uitteren, verteren, kwijnen, laten vervallen: In mere — =

onnut; To lay — = verwoesten; Your candle is running to — = loopt af;

To let a garden run to — = laten verwilderen; To — (away) one’s money,

time = verkwisten; His illness had —d him to skin and bones = had hem

geheel uitgeteerd; — not want not = die wat spaart, die wat heeft; The

ticket would be —ed = zou ongebruikt blijven liggen; —-basket =

papiermand = —-paper-basket = prullenmand; —-book = memoriaal; —-gate =

afvoersluis; —-paper = scheurpapier; —-pipe = afvoerbuis; —-sheet = vel

misdruk; —-water = condensatiewater; —-weir = afvoerweer; —r =

doorbrenger, dief aan de kaars, elger; Wastrel = afval, woestenij;

verwaarloosd kind, kind zonder thuis of onderkomen, doorbrenger.

Wat, wot, fam. voor Walter.

Watch, wotš, subst. wacht, waakzaamheid, het waken, oplettendheid,

schildwacht, wachtpost, horloge, uurwerk; — verb. waken, bewaken,

gadeslaan, de wacht houden, acht geven: Alarum — = wekker; Keyless — =

remontoir; Repeating — = repetitie-horloge; Stem-winding — = remontoir;

I am on the — = sta op den uitkijk, lig op de loer; To keep good — =

goed oppassen, waken; The — was relieved = de wacht werd afgelost; My —

has run down = mijn horloge is afgeloopen; I set a — over them = ik

liet hen bewaken; He set his — to the city-clock = regelde zijn horloge

naar; Many eminent lawyers were —ing the case = woonden het proces bij;

I —ed the thunderstorm from this elevated position = ik sloeg het

onweer gade; He —ed over my childhood = hij waakte over mijne

kindsheid; He —ed through the long night = waakte den ganschen nacht;

To — home = nakijken tot iemand thuis is; —-box = schilderhuis,

wachthuisje, horlogekast = —-case = horlogekast; —-chain =

horlogeketting; —-dog = waakhond; —-fire = wachtvuur; —-glass =

horlogeglas; —-guard = horlogeketting of -lintje; —-hand =

horlogewijzer; —-house = wachthuis; —-key = horlogesleutel; —-light =

nachtlicht; —-maker = horlogemaker; —man = nachtwaker, nachtwacht,

baanwachter; —man’s rattle = ratel van een nachtwacht: To spring a

—man’s rattle = een ratel slaan; —-night = laatste nacht van het jaar:

I attended a —-night service in the Wesleyan chapel = woonde den

kerkdienst van het oude jaar in het nieuwe bij; —-stand =

horlogestander; —-tower = wachttoren; —word = wachtwoord, leus, motto;

—er = waker, wacht, waarnemer, bespieder; Watchful = waakzaam: I have

always been — of your interests = altijd nauwlettend behartigd; subst.

—ness.

Water, wôtə, subst. water, watervlak (= Piece of —), bronwater, regen,

urine, zee, rivier, glans van diamant of parel, effecten uitgegeven

zonder gewaarborgden interest; — verb. besproeien, bespoelen, nat

maken, van water voorzien, drenken, water innemen, verwateren, roten,

moireeren, watertanden: A great deal of — had flowed under the bridge

(Much — had flowed from the rivers to the sea) since that time = er was

heel wat water door den Rijn gestroomd; Diamonds of the first — = van

het zuiverste water; Gentlemen of the first — = hoogsten rang; He is a

prig of the first — = een verschrikkelijke kwibus; Bilge — = water

onder in een schip, dat niet uitgepompt kan worden; Low — = laag water:

To be at at low — = in geldverlegenheid zijn; Slack — = dood tij; He

has — on the brain = hersenvliesontsteking; That will not hold — = dat

is lek; Your reasoning won’t hold — = uwe redeneering houdt geen steek;

To make — = lekken, wateren, urineeren; Our ship made foul — = raakte

met de kiel den bodem; To take the —s = de baden gebruiken; He threw

cold — over my enthusiasm = gooide een emmer koud water over; To tread

— = watertreden; This kept my head above — = deed mij in ’t leven

blijven, redde mij; You must put on plenty of pace when riding at — =

als je over een sloot moet springen To go by — = over zee gaan; To

convey by — = per scheepsgelegenheid vervoeren; For all —s = van alle

markten thuis; We were in deep —(s) = in een moeilijke positie; You

have got into hot — = gij zit er leelijk in; Champagne flowed like —;

To spend money like —; My mouth —s = het water loopt me om de tanden;

The flowers were —d = werden begoten; To — horses = water geven; It

made my mouth — = het deed me watertanden; To set a person’s mouth —ing

= doen watertanden; After —ing we sailed away = nadat wij versch water

ingenomen hadden; —-back = warmwaterbak of reservoir in een fornuis;

—-bailiff = soort kommies, vroeger opzichter der visscherij: —-bath =

waterbad; —-bearer = Waterman (Dierenriem); —-bed = waterbed; —-bottle

= karaf; —-buck = waterbok (Z.-Afr.); —-bug = watertor; —-butt = water-

of regenton; —-carriage = vervoer te water; —-cart = sproeiwagen;

—-closet = closet, W.C.; —-cock = waterkraan; waterhoen; —-colour =

waterverf, schilderij in waterverf = Painting in —-colours; —-colourist

= waterverfschilder; —course = stroompje, stroom, waterloop; —-craft =

schepen, booten, enz.; —-crane = waterpomp (voor een locomotief);

—-cress = waterkers; —-crowfoot = water-boterbloem; —-cure = waterkuur:

—-cure establishment; —-deck = waterdicht dek voor een huzarenpaard;

—-dog = waterhond; —-drain = draineerbuis; —-drainage = draineering;

—-dray = soort zolderschuit; —-dressing = koudwatercompres; —-drop =

droppel water, traan; —-engine = schepmolen; —fall = waterval; —-flag =

gele lisch; —-flea = watervloo; —-flood = overstrooming; —-fly =

oevervlieg; —-fowl = watervogel; —-furrow, subst. voor of greppel om

water af te voeren; — verb. draineeren door greppels; —-gall = gat in

den grond door hevigen regen; bijregenboog; —-gas = watergas; —-gate =

sluis, vloeddeur, waterpoort; —-gauge = peilglas; —-gilder = iemand die

de kunst verstaat van —-gilding = watervergulding; —-gruel =

watergruwel; —-gruelish, flauw, smakeloos; —-hen = waterhoen

(-hennetje); —-kelpie = watergeest; —-level = waterstand,

waterpas-instrument; —-level-line = waterpeil; —-lily = waterlelie,

plomp; —-line = waterlijn (diepgang van een schip); —-logged = vol

water geloopen door een lek en daardoor ten prooi aan golven en stroom;

—-lot = onder water staand bouwterrein (Amer.); —-man = schuiten

voerder, jolleman, waterman (die de huurpaarden op hun standplaats van

water voorziet); blauw zijden halsdoek; —-mark = watermerk,

waterhoogte, waterpeil; —-meadow = weide die door irrigatie besproeid

kan worden; —-melon = watermeloen; —-meter = watermeter; —-mill =

watermolen; —-nymph = najade; —-omnibus = trekschuit; —-ordeal =

waterproef; —-parsnip = breedbladige watereppe; —-pitcher = waterkan;

—-plant = waterplant; —-poise = hydrometer, waterpas; —-pot = waterpot,

waterkan; —-power = waterkracht; —-pox = waterpokken; —proof, subst.

voor water ondoordringbare stof of jas; adj. tegen water bestand; —

verb. ondoordringbaar maken voor water; —-ram = hydraulische ram; —-rat

= waterrat; —-rate = waterbelasting; —-ret = —-rot; —-rocket = waterrot

(vuurwerk); —-rot = roten; —-scape = rivier- of zeegezicht

(schilderij); —shed = waterscheiding; —side = waterkant; —-snake =

waterslang; —souchy. Zie Zoutch; —-spaniel = waterhond; —-spout =

waterpijp, spuwertje, waterstraal, waterhoos; —-supply = wateraanvoer;

—-tank = reservoir; —-tap = waterkraan; —-tight = waterdicht; —-vole =

waterrat; —-wagtail = gele kwikstaart; —way = waterloop, waterweg,

vaarwater; —-weed = waterpest; —-wheel = scheprad; —-works = de

waterleiding (ook met fonteinen, etc.); —-worn = door het water gerond

of afgesleten; —age, wôtəridž, loon voor vervoer te water; —ed =

gewaterd, moiré: A —ed-down belief = verwaterd; Watering: —-can =

gieter; —-call = hoornsignaal om de paarden te drenken; —-cart =

sproeiwagen; —-place = wed, plaats om water in te nemen, badplaats;

—-pot = gieter; —-trough = drinkbak (voor paarden); Waterish = waterig,

vochtig, verwaterd; subst. —ness; Waterless = droog, zonder water. Zie

Watery.

Waterloo, wôtelû.

Watery, wotəri, waterachtig, waterig, smakeloos, flauw: — eye = vochtig

oog; — kingdom = de zee.

Watson, wots’n; Watt(s), wot(s).

Wattle, wot’l, subst. horde van twijg of teen, deklat, takje, teenen

twijgje, lel van haan of kalkoen, baarddraad van visschen, soort v.

acacia (Australië); — verb. met teenen twijgjes binden of vlechten, met

eene horde omringen; —-bark = bast der Austral. acacia; —-bird = soort

bijenwolf; —-work = werk van gevlochten teen; —d; Wattling and daubing

= het bouwen van hutten van gevlochten twijgen en leem.

Waugh, wô.

Waul, wôl, krollen, janken, gillen.

Wave, weiv, subst. golf, baar, golvende lijn op stoffen, moiré-zijde,

enz., golving, sein (door wuiven); — verb. golven, wapperen, wenken,

wuiven, wateren, moireeren: The ship was tossed on (by) the —s = op

(door) de golven geslingerd; He —d his hand and motioned me to a chair

= hij wuifde met zijne hand; —-length = afstand tusschen twee golven;

—-motion = golvende beweging; —-offering = beweegoffer (Levit. VIII,

27); —-shell = golving (bij aardbevingen); —-worn = door de golven

afgesleten of gerond; —d = gegolfd, gewaterd; —less = kalm, rustig,

onbewogen, zonder golfslag; —let = golfje, rimpel; —like = golvend.

Waver, weivə, weifelen, aarzelen, waggelen, flikkeren: I — in my

conviction = mijne overtuiging raakt aan het wankelen; —er = weifelaar,

besluitelooze; —ous, —y = weifelend.

Waverley, weivəli.

Waveson, weivs’n, wrakhout, strandgoed.

Waviness, weivinəs, subst. v. Wavy = golvend, op en neer gaand,

gegolfd.

Wax, waks, was, lak; woede; wasachtige afscheiding, oorsmeer, pik; —

verb. met was bestrijken, wrijven, lakken; wassen, toenemen, grooter

worden: As close (tight) as — = zoo dicht als een pot; He sticks to me

like — = hij hangt aan me als een klit; There is a man of — = jij bent

een beste kerel; A stick of sealing-— = pijp lak; His eyes are —ing dim

= worden dof; —-candle = waskaars; —-chandler = waskaarsenmaker;

—-cloth = wasdoek; —-doll = wassen pop; —(ed)-end = met was bestreken

naai- en schoenmakersgaren, pikdraad; —-flower = kunstbloem (van was);

—-light = waskaars; —-light coil = ineengedraaide waslont (om lichten

aan te steken); —-match = waslucifer; —-model(l)ing = het maken van

figuren of beelden (in was); —-taper = waskaars; —-tree = pruikenboom;

—-vesta = waslucifer; —-wick = waspit; —work = wassenbeelden,

anatomische preparaten v. was: Madame Tussaud’s —works (familiaar:

—ers) = Mevr. T.’s wassenbeeldengalerij; The —work room =

wassenbeeldenzaal; —worker = die in was werkt, bij; —ed = gewast; —en =

van was, wasachtig, week als was; —iness, subst. v. —y = als was, met

was, wasachtig, toornig, meegaand; stijf.

Way, wei, subst. weg, voortgang, reis, levensloop, afstand, plan,

manier, wijze, opzicht, kijk, spoed of beweegkracht, gebruik, gewoonte,

aanloop, middel, vak: He has a — with him = hij heeft zoo iets over

zich; Where there is a will there is a — = willen is kunnen; That’s the

— = zóó moet het, zoo gaat ie goed; It’s that —, is it? = ah! zit de

vork zóó in den steel; That’s the — of wives = zoo doen onze vrouwtjes;

It is the other — about (round) = het is juist andersom, omgekeerd; —

in, — out = ingang, uitgang (opschrift op een bordje of plank); He told

me so by the — = in ’t voorbijgaan, tusschen haakjes; I send you my

photo by — of apology = bij wijze van excuus; That is by — of learning

a trade = het is met het doel om; We went there by — of Cologne = via

Keulen; It is not the first time by a long — = op lange na de eerste

maal niet; For once in a — = bij uitzondering, voor een enkelen keer;

You are very much in my — = ge hindert me erg, staat me leelijk in den

weg; Take the old home in your — for a wedding-trip = maak uwe

huwelijksreis zóó, dat ge ’t oude huis kunt bezoeken; In a general — =

over ’t algemeen; The picture is, in a —, finished = in zekeren zin;

Have you nothing for me in the — of a parcel? = geen enkel pakje; That

is rather out of the — here = dat komt hier niet te pas, hoort hier

niet; Will you get out of the —? = wil je maken, dat je weg komt; An

out-of-the-— place = afgelegen plaats; I shall be glad to put myself

out of the — on your account = mij om uwentwil wat last te getroosten;

Such work is out of my — = ligt niet op mijn weg; He was put (got) out

of the — = uit den weg geruimd; Keep out of harm’s — = zorg dat u niets

kwaads overkomt; He went out of his — to inform me of it = gaf zich

heel veel moeite; I won’t go out of my — to benefit you = wil geen

moeite doen te uwen behoeve; He lives over the — = hier tegenover; The

ship got under — (weigh) = ging anker op; We have enjoyed this right of

— for ever so long = het recht om over dit pad te gaan; —s and means =

bronnen van inkomsten: The committee of —s and means has granted the

supply = de financieele commissie heeft het crediet toegestaan; Any —

he didn’t know what to answer = in elk geval; He is in a bad — = er

slecht aan toe; He has got into bad —s (fallen in evil —s) = op ’t

verkeerde pad geraakt; You are wrong every — = in alle opzichten; She

is in the family — = ze moet bevallen; The village lies half — between

the towns = halverwege tusschen; He went London — = den weg naar Londen

op; He begged his — back to his native village = ging al bedelende;

Clear the —, there! = maak ruim baan; Come this —, sir = kom eens hier,

baas(je); Come your —(s) = allo! ga mee; He elbowed his — through the

crowd = baande zich een weg door; He got his own — = kreeg zijn zin; He

went his —(s) = ging heen, vertrok; He has gone the — of all flesh (of

all the earth) = hij is gestorven; His influence goes a long — with the

minister = hij heeft veel invloed bij; He will always have his (own) —

= zijn zin hebben; Will you lead the —? = vooropgaan; I had lost my — =

ik was verdwaald; He is sure to make his — in the world = zal zijn weg

wel vinden; At your age you must make (a) — for another = moet ge

plaats maken, wijken; We made the best of our — home = maakten dat we

zoo gauw mogelijk thuis kwamen; You must take your own — = gij moet

zelf weten wat ge doet; He took his — to Antwerp = vertrok naar;

interj. (= Away) weg: — back! = terug; Go (your) — = ga weg! Oh, do —

John = Och toe, Jan, houd stil! (Launching) —s = stapelblokken

(Scheepst.); —-bill = geleibrief, factuur, soort van vrachtbrief; lijst

van de passagiers (in een diligence) of der goederen (in een

vrachtwagen): Express, ordinary, parcel —-bill = lijst van de ijl-,

vracht-, bestelgoederen; —-board = leemader; —-bread = groote weegbree;

—farer = reiziger; —faring = het reizen; —faring-tree = wollige

sneeuwbal; —going = vertrekkend, reis—: —going crop = oogst van het

land die aan den opvolgenden pachter behoort; —(z)goose = jaarlijksche

maaltijd aan de knechts eener drukkerij in Engel.; —lay, weilei,

weilei, belagen, opwachten (om te bestelen, etc.); —layer = belager;

—-leave = recht van overweg of vergoeding voor ’t gebruik; —-maker =

baanbreker, voorlooper; —-mark = wegwijzer; —-passenger = onderweg

opgenomen passagier (Amer.); —side, subst. weg, kant van den weg: Tales

of a —side inn = verhalen in eene herberg aan den weg; —-station =

tusschenstation (Amer.); —-warden = wegopzichter; —sore = —-worn = moe

van het reizen.

Wayward = dwars, grillig, eigenzinnig; subst. —ness.

Waywode, weiwoud, gouverneur v. stad of provincie (Rusland); —-ship.

We, wî, wij: It is — = wij zijn het.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 136 / 141 段