Bottom, bot’m, subst. het laagste, onderste, verste, gewichtigste (van

iets), bodem, diepte, basis, achterste einde, grens, zitting,

uithoudingsvermogen, kracht; adj. onderste, laatste; — verb. een bodem

(zitting) inzetten, tot den bodem ledigen; grondvesten; rusten op; —s =

droesem; schepen: The ship’s — = bodem; My — dollar = mijn laatste

dollar; Sixth line from (the) — = 6e regel van onderen; The — line over

leaf = de laatste regel van ’t vorige blad; He is an honest man at

(the) —, down to the — = in den grond van zijn hart, door en door; To

act (stand) upon one’s own — = op eigen houtje handelen; To be at the —

of = ergens achter zitten; To get to the — of = grondig onderzoeken,

ergens achter komen; I will knock the — out of your secret = wil te

weten komen en publiek maken; To venture all in one — = alles op één

kaart zetten; —-land = vruchtbaar oeverland (Amer.); The —less pit = de

bodemlooze diepte, afgrond, hel; —ry = bodemerij.

Bough, bau, groote boomtak: —-pot = bloempot; ruiker.

Bought, bôt, bocht, kronkeling.

Bought, bôt, Imperf. en part. perf. van buy.

Boulder, bouldə, subst. groote rolsteen, kei: Erratic — = zwerfblok;

—-period = ijsperiode.

Boulevard, buləvâd, bûlvâ, boulevard.

Boulogne, bûloun, Boulogne.

Bounce, bauns, subst. plotselinge sprong, slag of stoot, terugstoot,

verwaandheid, gesnoef, aplomb, onbeschaamde leugen; — verb. laten

springen, uitschelden, négeren; er uit smijten, den bons geven (Amer.),

opspringen, binnenvliegen of -stormen, opsnijden, eruit flappen; adv.

plotseling, boem! To — into a room = binnenstormen; To — out =

uitflappen; —r = kanjer, dragonder (fig.), blok van een kind (Amer.);

uitsmijter; opsnijder; grove leugen; Bouncing = groot, zwaar, sterk;

blufferig.

Bound, baund, Imp. en P.P. van to bind; gebonden, bestemd (for, to)

besloten (Amer.): I’m — to go = ga stellig; I will be — = op mijn

woord; Homeward — = op de thuisreis.

Bound, baund, grens(steen); —s = begrensd gebied: In —s = op het

terrein, binnen het gebouw; It is within the —s of possibility = nog

wel mogelijk; —less = onbegrensd; subst. —lessness.

Bound, baund, sprong, weeromstuit: To take a thing at the — = de

gunstige gelegenheid waarnemen; — verb. springen, weeromstuiten.

Boundary, baund’ri, grens- of landpaal.

Bounden, baundən: It is my — duty = dure plicht.

Bounteous, bauntšəs, Bountiful, bauntiful, vrijgevig, edelmoedig,

royaal; subst. —ness.

Bounty, baunti, milddadigheid, vrijgevigheid; gave, premie: The King’s

— = handgeld; Queen Anne’s — = een fonds ter ondersteuning van slecht

bezoldigde geestelijken, door Queen Anne geschonken; Sugar Bounties =

premies op de suikerproductie; —-fed, —-raised sugar = door het geven

van premiën bevorderde suikerproductie.

Bouquet, bûkei, bûkei, bouquet (ook fig.).

Bourgeon, bɐ̂dž’n, subst. knop, oog, kiem; verb. uitbotten, ontkiemen.

Bourn(e), bön, grens, einddoel; beekje.

Bouse, bauz, bûz, drinkgelag; — verb. zuipen.

Bout, baut, keer, rondje, beurt; poging; fuif; aanval, kamp.

Bovine, bouv(a)in, runder - -; dom, traag; subst. runderachtig dier.

Bovril, bovril, bouvril, soort bouillon.

Bow, bau, subst. buiging; boeg; roeier vóór in de boot; — verb. buigen,

neerbuigen, onderdrukken; groeten, zich onderwerpen: To make one’s — =

van het tooneel treden (ook fig.); —ing and scraping = strijkages: To —

one’s thanks = buigend danken; He —ed me in and out = liet mij buigende

in en uit; —man = voorste roeier, boeg; —sprit, bousprit, boegspriet; A

—ing acquaintance = een man, die men slechts even kent; He is not

within —ing distance of that science = heeft er geen flauwe notie van.

Bow, bou, subst. boog, strijkstok, streek; strikje, drilboog; — verb.

op de viool spelen; buigen als een boog; gebogen zijn; A — long bent at

last waxeth weak = de boog kan niet altijd gespannen zijn; He has many

strings on (to) his — = veel pezen op zijn boog; The —(ing) elbow, hand

= de rechterhand of arm van den vioolspeler; To draw (pull, shoot with)

the long — = met spek schieten; To draw a — at a venture = iets op goed

geluk af doen of zeggen; — and spear (Bijbel) = (gewapende) macht,

toeleg, intrige; — Bells = de klokken der Bowchurch: He was born within

the sound of — Bells (v. St. Mary-le-Bow) = hij is een echte Cockney;

—-compasses = krom-(mast) passer; —-drill = drilboor; —-leg = krombeen;

—-line = boelijn (scheepsterm): On a —-line = dicht bij den wind

zeilend; —man = boogschutter; —-net = soort fuik; —-pen (-pencil) =

trekpen; —-shot = boogschot (afstand); —-street = een der

politiebureaux in Londen; —-street officer, runner = detective

(veroud.); —string, subst. boogpees; —-window = rond uitstekend

venster; —-windowed = fig. dikbuikig.

Bowdlerize, baudləraiz, boudləraiz, zuiveren van aanstootelijke

passages, castreeren.

Bowels, bau’lz, subst. ingewanden; binnenste; medelijden: That fellow

has no — = geen hart.

Bower, bauə, verblijf, buitenplaats, priëel, (slaap)vertrek, boudoir,

sofa; boeganker; Boer (in een kaartspel): A — of roses = rozenkoepel,

rozenpriëel; Lady’s — = boudoir; The right, left — = troef boer en de

andere boer van dezelfde kleur bij Euchre; —y = buiten; boerderij; adj.

schaduwrijk.

Bowie-knife, bouinaif, lang dolkmes (Amer.).

Bowl, boul, subst. schaal, kom, bekken, pijpekop, kompashuisje; houten

bal, worp: —s = een balspel met aan de eene zijde bezwaarde ballen, die

in curven rollen; — verb. kegelen (Amer.), (voort)rollen, werpen naar

de wickets (bij het cricketspel): This fact —s over your argument =

werpt omver; To — out = de wickets raken (waardoor de batsman “af” is),

overwinnen, verdringen: He is —ed out = het is gedaan met hem; —er = de

speler bij cricket die den bal (op)gooit; fantasiehoed met ronden bol;

—ing = —s; —ing-alley = soort kegelbaan; —ing-green = veld voor het

—ing.

Bowlder. Zie Boulder.

Bowles, boulz; Bowring, bauriŋ.

Bowse, bauz, zuippartij; — verb. zuipen; optaliën.

Bow-wow, bauwau, woefwaf, hond.

Box, boks, subst. kist, koffer, doos, geldkistje, kompashuisje, loge,

hokje, brievenbus (loket), bank, naafbus (van een wiel), (bad)kamertje,

koets- of wagenbok, optrekje, huisje, stalafdeeling, slag, oorveeg,

geschenk, boks(boom); — verb. in eene doos sluiten, opsluiten,

inpakken, van eene doos voorzien; eene oorveeg geven, boksen,

insnijdingen maken in een boom (om het sap eruit te krijgen): Christmas

— = Kerstgeschenk (Vergel. —ing-day = 2e kerstdag); He is in a — = hij

zit er leelijk in; You are (have got) in the wrong — = gij vergist u,

gij hebt het mis, zijt buiten uw element; Strong — = brandkist; Jack in

a — = duiveltje in een doosje; To — the compass = de punten van het

kompas in goede orde opnoemen; —-car = overdekte goederenwagon; —-coat

= groote koetsiersjas; —-elder = bonte eschdoorn; —-iron = strijkbout,

strijkijzer; —-keeper = logebediende; signaalwachter; —-office =

plaatsbureau; —-seat = logeplaats; plaats op den bok; —-waggon = soort

goederenwagen; A —en writing-desk = palmhouten; —er = bokser; inpakker.

Boy, bôi, jongen, bediende: He made a little boat for — = ... voor

Broer, den kleine; The — = champagne; That’s the — for me = dat is net

wat voor mij; Do it, that is a dear — = dan ben je een beste; To leave

off —’s play = de kinderschoenen uittrekken; —scout = Eng. padvinder

(In 1907 door Major-General Baden-Powell georganiseerd); —hood =

jongensjaren; —ish = jongensachtig, kinderachtig; —ishness =

jongensachtigheid, etc.

Boycot, bôikət, zich vereenigen ter algeheele uitsluiting van iemand,

maatschappelijk of op handelsgebied; subst. dit uitsluiten; —ee =

uitgeslotene; —ism = Boycot; —ter = wie zich bij een boycot aansluit.

Boyer, bôiə, boeier.

Boz, boz, bouz.

Brabant, brâb’nt, brâbant; —ine, brəbantin, Brabantsch.

Brabble, brab’l, subst. getwist, ruzie; — verb. twisten; —r = twister.

Brace, breis, subst. riem, stut, anker, band, bras; bretel, draagband,

koppel, spanning, accolade, bras, spansnoer (v. een trom); drank

(Amer.); — verb. spannen, vastbinden, verankeren, verfrisschen,

brassen, versterken: He —d himself (up) against misfortune = zette zich

schrap; — up your head, you have done nothing to be ashamed of = houd

... omhoog; —r = gordel, zwachtel, versterkend geneesmiddel; drank

(Amer.); flinke wandeling; Bracing = versterkend, opwekkend; subst.

verankering: — air = opwekkende lucht.

Bracelet, breislət, armband, armscheen; handboei.

Brach, bratš, brak, brak.

Brachial, brakjəl, breikjəl, arm - -, armvormig.

Brachiate, braki-it, breiki-it, kruisvormig.

Bracken, brak’n, varen.

Bracket, brakət, subst. console, kraagsteen, gasarm, étagère, haakje: —

verb. tusschen haakjes plaatsen, met klampen verbinden: This writer —s

women with fools = plaatst op ééne lijn met; —-light = gasarm; —-seat =

klapstoel.

Brackish, brakiš, brak, zoutachtig; —ness = brakheid.

Bract, brakt, dekblad; Bracteolate, braktîəlit, van dekbl. voorzien;

Bracteole, braktioul, dekblaadje.

Brad, brad, spijker zonder kop, stift; —awl = els.

Bradshaw, bradshô, bekende reisgids.

Brag, brag, subst. bluf, zeker kaartspel; — verb. bluffen, pochen (of,

about): He is all — = hij is een praalhans; —gadocio, bragədoušiou,

praalhans, bluffer, gesnoef; —gart, bragət, subst. pocher, bluffer;

adj. blufferig; —ger = pocher.

Brahm(a), brâm, brâmâ, Brahma; Brahman, Brahmin, brâm’n, brâmin,

priester van Brahma; Brahminee, brâminî = vrouw uit de B. kaste;

Brahmaansch = Brahmanic(al); Brahminism = Brahminisme.

Braid, breid, subst. vlecht, nestel, smal boordsel of veterband; —

verb. vlechten, garneeren.

Brail, breil, subst. leeren riem tot het opbinden van de vleugels van

valken; geitouw; — verb. opbinden, geien.

Brain, brein, subst. brein; — verb. de hersens inslaan; —s = hersenen,

verstand, verbeelding: To beat (dash, knock) out a person’s —s = iemand

de hersens inslaan: To blow out one’s —s = zich een kogel door den kop

jagen; To pick a person’s —s = letterk. diefstal bedrijven; The

interviewer tried to pick (suck) the poet’s —s = den dichter uit te

hooren; To turn one’s — = duizelig, ijdel maken; —-fag =

hersenvermoeidheid; —-fever = hersenziekte; —-pan = hersenpan; —sick =

krankzinnig; subst. —sickness; —-tapper = iemand die anderen uithoort,

om later met hunne ideeën te pronken; —y = knap, vlug.

Braise, breiz, (vleesch) smoren; subst. gesmoord vleesch.

Brake, breik, doornbosch, braambosch, varenkruid, boschje; vlasbraak,

slinger (van eene pomp), bakkerstrog, kluitenbreker, rem, wagen (om

paarden af te rijden en te dresseeren), hoefstal (voor onwillige

paarden bij het beslaan); Safety — = noodrem; To apply, put on the — =

remmen; —(s)man = remmer; —-van = remwagon; Braky = doornig, ruw.

Bramah, brâma, brama, een bekend werktuigkundige: — lock = een naar hem

genoemd slot.

Bramble, bramb’l, braamstruik, doornbosch; heester; —-berry = braambes;

—-net = slagnet; —-rose = hondsroos.

Brambling, brambliŋ, bergvink.

Brambly, brambli, vol braamstruiken; narrig.

Bran, bran, zemelen; —ny = vol zemelen.

Brancard, braŋked, brancard.

Branch, brânš, subst. tak, arm, afdeeling, filiaal, zijlijn,

loodspatent, stang, been van een passer; adj. zij ...; — verb. takken

schieten, vertakken, met takken versieren: Here the alley —ed off from

the main street = hier ging de steeg van de hoofdstraat af.

Branchiae, braŋkiî, kieuwen; Branchial, braŋkiəl = kieuw ...;

Branchiate(d) = van kieuwen voorzien.

Brand, brand, subst. brandend stuk hout, fakkel, brand (plantenziekte),

(brand)merk, soort, hoedanigheid, schandvlek; zwaard; — verb.

brandmerken (ook fig.), griffen: They set a — upon him = hij werd

gebrandmerkt; Cigars and wines of the choicest (best) —s = fijnste

merken; —-fox, —-goose, Zie Brent; —(ing)-iron = treeft; brandijzer;

Bran(d)new, bran(d)njû, spiksplinternieuw.

Brandish, brandiš, zwaaien.

Brandy, brandi, brandewijn, (French) — = cognac; cider, persico (Am.):

He was in a state of — = dronken; —-ball = likeurbonbon; —-faced = met

een gezicht, als iemand die aan den drank is; —-nose = jeneverneus;

—-pawnee = toddy van cognac (Eng.-Ind.).

Brank-ursine, braŋkɐ̂sin of braŋkɐ̂sin, acanthus.

Brant-fox, —-goose, Zie Brent.

Brash, braš, subst. afgebrokkelde rotsen of ijsschotsen; uitslag;

regenbui; adj. broos; haastig, driftig; — verb. verbrijzelen (Dial.);

—y = kruimelig; regenachtig (Dial.).

Brass, brâs, subst. geel koper, brons (Monumental —) bronzen

gedenkplaat, (koper) geld, brutaliteit, koperinstrumenten (in een

muziekkorps); adj. koperen; — verb. verkoperen, opdokken (up): As bold

as — = zoo brutaal als de beul; —-band, Zie Band; —-foil = klatergoud;

The —-throated trumpet = de schetterende trompet; —-visaged =

onbeschaamd, brutaal; —y = koperachtig, koperkleurig; onbeschaamd.

Brassard, brəsâd, brasəd, rouwband, armband.

Brasset, brasət, ijzeren armbeschermer = Brassard.

Brassey, brâsi, houten kolf met koperen zool (Golfspel).

Brassica, brasikə, kool.

Brat, brat, kind, jong.

Bravado, brəveido, bravâdou, blufferij, aanmatigende bedreiging,

uitdaging: In — = uitdagend, blufferig.

Brave, breiv, moedig, dapper, koen, onverschrokken; statig, prachtig,

kostbaar; subst. een dappere, een (dapper) Roodhuid; — verb. weerstaan,

braveeren, trotseeren, onbeschaamd volhouden (beweren, doorzetten): A —

show = een kranige (fraaie) vertooning; —ry = dapperheid, pracht,

glans.

Bravo, brâvou, breivou, subst. bandiet, sluipmoordenaar; interj. Mooi

zoo! Bravo!

Bravura, bravûrə, subst. bravour-aria; adj. schitterend, bravour - -.

Brawl, brôl, subst. ruzie, twist; oude dans; — verb. ruzie hebben,

lawaai maken; bruisen; —er ruziemaker, lawaaimaker.

Brawn, brôn, wild zwijnenvleesch (gekookt en gepekeld); hoofdkaas;

spiervleesch, spierkracht: A man of — and muscle = gezond en sterk; —er

= wild zwijn, voor den disch geslacht; —iness = vleezigheid,

gespierdheid; —y = gespierd.

Bray, brei, balken, onaangenaam klinken; uitbazuinen (out); fijn

stampen; subst. gebalk; —er = schreeuwer; stamper.

Braze, breiz, bronzen, stalen (fig.).

Brazen, breiz’n, adj. geelkoperen; onbeschaamd, hard; — verb. zich

onbeschaamd gedragen, onbeschaamd volhouden (out); —-face =

onbeschaamde kerel; —-faced = onbeschaamd.

Brazier, breižə, koperslager; (koperen) komfoor.

Brazil(-wood), brəzil(wud), fernambuk-hout; —ian = Braziliaan(sch).

Breach, brîtš, subst. breuk, bres, overtreding, inbreuk, twist;

branding, stortzee; — verb, bres schieten: — of (the) peace =

rustverstoring; — of promise = verbreking van trouwbelofte.

Bread, bred, brood (ook fig.): He knows on which side his — is buttered

= hij kan meer dan brood eten; — and butter = boterham (ook fig.): To

quarrel with one’s — and butter = zich zelf in ’t licht staan; A slice

(piece) of — and butter = boterham; The — and butter brigade =

baantjesjagers (Amer.); She is a mere — and butter miss = een echt

bakvischje; Who finds my — and cheese, it’s to him I dance = wiens

brood men eet, wiens woord men spreekt; —-basket = broodmand; maag;

—-crumb = broodkruimel; —-fruit = broodvrucht; —stuffs = meel, etc.

(Amer.); —-tin = broodvorm: She had been buttering her —-tins =

gezorgd, dat ze “binnen” kwam; —-winner = kostwinner.

Breadth, bredth, breedte, ruimte van opvatting, algemeenheid van blik.

Break, breik, subst. breuk, scheur, afbreking, rustpunt, pauze,

overgang, poging tot vluchten, uitbarsting, stroomwisselaar,

afbreekteeken, dageraad, rem; rijtuig (brik), serie caramboles: Yes,

she said, with a — in her voice = met (van aandoening) gebroken stem; —

verb. breken, scheuren, afbreken, aanbreken, verpletteren, verspreiden,

verstrooien; verzwakken, onderdrukken, dresseeren, bankroet maken,

wegzenden, schenden, overtreden, verminderen; mededeelen (voor het

eerst), dagen, uitbarsten, uitroepen, failliet gaan, doen springen,

achteruitgaan, zich een weg banen, de vriendschap afbreken, veranderen:

To — one’s back = den nek breken, te gronde richten; To — the back of =

iemand den nek breken; het moeilijkste van een werk achter den rug zien

te krijgen; To — balls = het spel (of een serie) beginnen (bilj.); To —

bulk = beginnen te lossen; To — cover = “uitvaren” van den vos; To —

one’s fast = ontbijten; To — ground = eene loopgraaf openen, met iets

beginnen; To — a person’s head = iemand een gat in het hoofd slaan; To

— one’s heart = diep bedroefd zijn; To — one’s heart to a person =

uitstorten; To — the ice = het ijs breken; gesprek beginnen; To — jail

= uitbreken; To — jests on = aardigheden tappen over; To — a lance with

= een lans breken, zich meten met; I broke the news gently to him =

deelde hem voorzichtig mee; — ranks! ingerukt, marsch! To — a sovereign

= wisselen; To — wind = een ‘boer’ laten. Met voorzetsels en

bijwoorden: To — away = afbreken; zich losrukken van, wegsnellen, er

uit breken; To — down = afbreken, te gronde richten, defect raken,

vallen, blijven steken, geen woord uit kunnen brengen; He broke down in

his speech = bleef steken; She broke down in her knitting = raakte in

de war; —-down van = déraillementswagen; To — forth = losbarsten,

uitbarsten, plotseling te voorschijn komen; To — in horses =

dresseeren; To — into a house = inbreken; To — of a habit = afleeren;

To — on the wheel = radbraken; Young men will — out = loskomen, uit den

band slaan; The court, meeting, school broke up = ging uit(een); The

fair was broken up = afgebroken; The cold weather broke (up) = sloeg

om, veranderde; It —s upon me = ’t wordt me plotseling bewust; To —

with a person = vriendschap afbreken; Why do you — in upon my rest? =

verstoort gij? He broke in upon us = kwam ons storen; Let us not — with

him on that subject = laten wij hem daaromtrent niets mededeelen; He

broke with the turf, and sold his horses = deed niet meer aan

wedrennen; I represented my uncle as —ing = doodziek, stervende;

However strong the rope, it has its —ing-strain = ieder touw, hoe sterk

ook, heeft een punt, waarop het breken moet; Broken food, meat,

victuals = kliekjes; A house of broken fortunes = dat betere dagen

gekend heeft; —age, breikidž, het breken, schadevergoeding voor bij

vervoer gebroken goederen; —-down = instorting, mislukking, storing;

soort van wilde dans; —-down gang = troep arbeiders, om de spoorbaan

(na een ongeluk) vrij te maken; —er = breker, stortzee, ijsbreker,

watervaatje in sloepen; —ers = branding; —fast, brekf’st, subst.

ontbijt; — verb. ontbijten, een ontbijt verschaffen: To have —fast =

ontbijten; I made a hearty —fast = ontbeet stevig; —-neck, subst.

gevaarlijke val of plaats; adj. halsbrekend, gevaarlijk: Riding at

—-neck pace = in dolle vaart; That is a —-neck affair; —water =

stroomleidende dam.

Bream, brîm, subst. brasem.

Bream, brîm, (een schip van onderen) schoon branden.

Breast, brest, subst. borst, boezem, binnenste, hart, de voorzijde; —

verb. weerstaan, te gemoet gaan, bestijgen, omhoog stijgen op: To give

(take) the —; I made a clean — of it = ik biechtte alles op; To — up a

hedge = eene heg gelijk of glad snoeien; This book has inspired many a

youth to — the chance of fate = te trotseeren, het hoofd te bieden;

—-fast = dwarstros om een schip te meeren aan den wal, etc.; —-knot =

strik(je) op de borst; —-pin = borstspeld; —-rail = bovenste leuning

van een balcon, hek; —work = borstwering, hek, schanskleed; Narrow-—ed

= met smalle borst.

Breath, breth, adem, leven, ademhaling, ademtocht, tijd, oogenblik,

uitstel, rust, luchtje; woord, stem, taal, rede; stemloosheid:

—-consonant = stemlooze medekl.; At a (one) — = in één adem, tegelijk;

Below one’s — = fluisterend; Out of — = buiten adem; Under one’s — =

nauw hoorbaar; By keeping his lips firmly closed, he caught his second

— = kwam hij weer op adem; He drew a long — = haalde diep adem; He gave

up his — = gaf den geest; To get a — of air = een luchtje scheppen; He

held his — = hield in; He took — = schepte; —ed, bretht, stemloos;

—less = ademloos; —lessness = ademloosheid.

Breathable, brîdhəb’l, in te ademen; Breathe, brîdh, ademen, leven, op

adem komen, rusten, blazen, waaien, geuren, ruiken naar (of), uit- of

inademen, op adem laten komen, zacht spreken, uiting geven aan,

uitdrukken: We shall — him = op adem laten komen; He —d his last = gaf

den geest; To — a vein = een ader openen; He —d a wish = hij uitte den

wensch; To — upon = iets kwaads toefluisteren over; Breather: That

hill’s a — = het beklimmen van dien heuvel beneemt iemand den adem; To

give a horse a — = afrijden; Breathing = ademen, zucht,

lichaamsbeweging, uiting, rust: —-space (—-spell, —-time) = tijd om op

zijn verhaal te komen, rusttijd.

Breccia, bre(t)šə, brecciën.

Bred, bred, imp. en p.p. van to breed.

Breech, brîtš, subst. achterste, sluitstuk; — verb., britš, brîtš, eene

broek aandoen, voor de broek geven: To whip on the — = voor de broek

geven; —es, britšiz, brîtšiz, broek: She wears the —es = zij heeft de

broek aan; —-clout = Ind. lendendoek; —-loader = achterlaadgeweer; —ing

= pak voor de broek; broek (van paardetuig), broeking (v. een kanon).

Breed, brîd, subst. geslacht, ras, soort, gebroed; — verb.

voortbrengen, telen, fokken, zich vermeerderen, ontstaan, zich

ontwikkelen, veroorzaken, grootbrengen: To — in and out = afwisselend

met oud en nieuw fokmateriaal; —er = fokker, fokdier; —ing =

voortbrenging, fokken, beschaving; —ing in and in = steeds fokken met

dezelfde dieren; —ing-cage = broedkooi; —ing-place; —ing-pond.

Breeze, brîz, subst. bries, lawaai, twist, gerucht; — verb.: — up =

aanwakkeren.

Breeze, brîz, brems (insect).

Breeze, brîz, veegsel, kolenstof.

Breezy, brîzi, winderig, druk.

Brehon, brîh’n, voormalig erfelijk Iersch rechter: — law = oud Iersch

recht.

Brent, brent: —-fox = lichtkleurige vos; —-goose = ringelgans; — Hill:

He is looking from under — — = kijkt boos.

Brethren, bredhr’n, broeders (fig.); — of the brush (pen) =

kunstbroeders; My — = Geliefde Broeders en Zusters.

Breton, bret’n, Bretagner; ook adj.

Bretwalda, bretwôldə, Angel-Saksisch hoofd.

Breve, brîv, twee heele noten (in de muziek); boogje boven een klinker.

(˘)

Brevet, brevət, brəvet, brevet, patent; — verb. tot titulairen rang

verheffen; — rank, —cy = titulaire rang zonder de bij dien rang

behoorende soldij.

Breviary, brîvjəri, brevjeri, brevier.

Brevier, brəvîə, brevier (soort drukletter).

Brevity, breviti, kortheid, beknoptheid: — is the soul of wit = kort

maar krachtig.

Brew, brû, brouwen (ook fig.), vermengen, uitbroeden, broeien, opkomen,

dreigen; subst. brouwsel: A storm is —ing = er broeit; Mischief is —ing

= er broeit wat; As you have —ed so shall you drink = gelijk gij zaait,

zult gij maaien; — your own tea = bemoei je met je eigen zaken; —age =

brouwsel; —er (—ster) = brouwer; —ery of —-house = brouwerij; —is =

Broth. Brewershaven, brûəzheiv’n, Brouwershaven.

Briar, braiə, heideplant (Erica arborea), pijp van dat hout gemaakt.

Zie Brier.

Briarean, braiêrj’n, braiərîən, honderdhandig; Briareus, braiêriəs,

braiəriəs.

Bribable, braibəb’l, omkoopbaar; Bribe, braib, subst. steekpenning,

omkooperij, lokaas; — verb. omkoopen, verleiden; Bribeable = Bribable;

—r = omkooper; —ry = omkooperij, omkoopbaarheid.

Bric-a-brac, brikəbrak, snuisterijen.

Brick, brik, subst. baksteen, blok; kranige vent (meid); — verb.

bouwen, bekleeden, baksteenen nabootsen; adj. steenen: A box of

(wooden) —s = bouwdoos; I resisted him like —s = zeer krachtig; —-bat =

stuk baksteen: — verb. gooien met stukken baksteen; —-clay =

tichelaarde; —-dust = steengruis; —-kiln = steenoven; —-layer =

metselaar; —-laying = het metselen; —-maker = steenbakker; —-moulder =

steenvormer; —-nogging = metselwerk tusschen houtwerk; —-tea =

Tartaarsche thee; —-work = metselwerk; —-works, —-yard = tichelwerk;

—ish = als van steen: Of a —ish red = steenrood.

Bridal, braid’l, subst. huwelijksfeest; adj. bruids - -, bruilofts - -:

— dress = bruidsjapon.

Bride, braid, bruid, pas getrouwde vrouw; The — elect = bruid (in de

bruidsdagen); —(s)-cake = bruidstaart; —groom = bruidegom, jong gehuwd

man; —(’s)-maid, —(’s)-man = bruidsmeisje, bruidsjonker; —-wort =

moerasspiraea, theeboompje.

Bridewell, braidwel, een oude gevangenis in Londen; gevangenis, huis

van correctie.

Bridge, bridž, subst. brug, kam (van eene viool), het bovendeel van den

neus, een kaartspel; — verb. een brug leggen, overbruggen: We have —d

over the difficulty = geëffend; —-head = bruggenhoofd (Mil.); —-railing

= leuning; —-toll = tol; —-train = pontontrein.

Bridget, bridžət, Brigitta.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 13 / 141 段