Parasitism, parəsaitizm, woekering; Parasitize = woekeren.
Parasol, parəsol, parəsol, parasol; —ette, parəsəlet, kleine parasol.
Parboil, pâbôil, ten deele koken, opkoken, warmtepuistjes veroorzaken.
Parbuckle, pâbɐk’l, subst. schrooitouw; — verb. met een schrooitouw
hijschen.
Parcae, pâsî, de schikgodinnen.
Parcel, pâs’l, subst. deel, stuk, pakje, pakket, hoeveelheid; adj.
gedeeltelijk, half; — verb. verdeelen; smarten (zeeterm): Bill of —s =
factuur; By —s = bij gedeelten; That is part and — of our contract =
dat is een voornaam deel van ons contract; It was —led out to us =
toebedeeld; —-express = pakketpost; —-office = bestelkantoor,
goederenbureau; A —s-delivery man (—van) = besteller (wagen van den
besteldienst); —(’s)-post = pakketpost; —s-service =
bestelgoederendienst.
Parcenary, pâsənəri, mede-erfgenaamschap; Parcener, pâsənə,
mede-erfgenaam.
Parch, pâtš, opdrogen, verdorren, verzengen, schroeien, roosteren: I am
—ed with thirst = versmacht van.
Parchment, pâtšm’nt, subst. perkament; perkament(en): The — of a drum;
—-paper = Vegetable — = perkamentpapier; —ize = in perkament
veranderen.
Pard, pâd, panter, luipaard; ook = Partner, (Amer.).
Pardie, pâdî, Zie Pardy.
Pardon, pâd’n, subst. vergiffenis, aflaat, amnestie; — verb. vergeven,
vergiffenis schenken: (I beg your) —! = neem me niet kwalijk; (I) beg
your —? = wat blieft u? —able = vergeeflijk; subst. —ableness; —er =
verkooper van aflaten.
Pardy, pâdî, par Dieu, waarachtig.
Pare, pêə, afsnijden, schillen, besnijden, besnoeien (ook fig.): He —d
his nails to the quick = hij sneed zijne nagels tot op het vleesch af;
—r = schilmachine, enz.
Paregoric, parəgorik, subst. en adj. pijnstillend (middel),
opiumtinctuur.
Parenchyma, pəreŋkimə, celweefsel, parenchiem; adj. Parenchymatous.
Parent, pêr’nt, vader of moeder, oorzaak, bron; —s = ouders: You are
not a — = hebt geen kinderen; —age, pêr’ntidž, geboorte, afkomst,
ouders, oorzaak; —al, pərent’l, ouderlijk; —hood = ouderschap; —less =
ouderloos.
Parenthesis, pərenthəsis, parenthese: By way of — = tusschen twee
haakjes (fig.); Parentheses, pərenthəsîz, haakjes: In —, Within marks
of — = tusschen haakjes; Parenthesize; Parenthetic(al) = tusschen
haakjes geplaatst; He said it parenthetically = bij zijn neus langs.
Parget, pâdžət, subst. ruw pleisterwerk; — verb. bepleisteren;
grimeeren.
Parhelion, pâhîlj’n, bijzon.
Pariah, pâriə, pêriə, paria, uitgeworpene: — dog = onbeheerde hond.
Parian, pêriən, van Paros; subst. soort van porselein.
Parietal, pəraiət’l, tot een muur (buikwand) behoorende, wandstandig;
universiteits... (Amer.); Parietary = glaskruid, muurkruid.
Paring, pêriŋ: —s = krullen, schillen.
Paris, paris, Parijs: He knows his — = hij kent z’n Fransch; — doll =
kostuumpop; — garden = oude berebijt in Londen; Parisian, pəri’ž’n,
subst. Parijzenaar; adj. Parijsch.
Parish, pariš, kerspel, parochie; district (Amer.); adj. gemeente...,
parochie...: To be on (To come (up)on, To throw oneself on) the — =
armlastig zijn (worden); — clerk = leider der responses in de Anglik.
kerk; — priest = geestelijke met eigen gemeente; — register; — work =
herderlijke werkzaamheid; Parishioner, pərišənə, lid van eene parochie
of gemeente.
Parisina, parisînə.
Parisyllabic, parisilabik, met het zelfde aantal lettergrepen.
Parity, pariti, gelijkheid, overeenkomst.
Park, pâk, subst. park, artilleriepark, de batterijen behoorende bij
een afd. artill.; oesterbank; — verb. in een park besluiten,
samenbrengen; —-keeper; —-paling.
Parker, pâkə; Parkes, pâks; Parkhurst, pâkhɐ̂st; Parkinson, pâkins’n.
Parlance, pâl’ns, gesprek; — verb. onderhandelen, spreken met: In
common — = in de taal van het dagelijksch leven.
Parley, pâli, onderhoud, onderhandeling: To beat (To sound) a —; To
desire, To hold a —.
Parliament, pâliment, parlement: To dissolve (To prorogue) a —; To
convene (To summon) a —; —arian. pâlimentêriən, aanhanger van het Long
Parliament (onder Karel I en Karel II); —ary, pâlimentəri,
parlements...; subst. volgens parlementsbesluit voorgeschreven trein
voor de 3de klasse reizigers, minstens eens per dag tegen hoogstens 1
penny per Eng. mijl: — agent = een solicitor optredend als
verkiezingsagent; — borough = een borough, die een lid afvaardigt; A
—ary carriage = wagon 3de klasse.
Parlour, pâlə, huis- of woonkamer; ontvangkamer (Amer.), spreekkamer,
gelagkamer; —-boarder = kostjongen, die met de familie aan tafel zit,
en als huisgenoot behandeld wordt; —-maid = kamermeisje.
Parlous, pâləs, gevaarlijk, vreeselijk.
Parmesan, pâməzan, Parmezaansch: — cheese.
Parnassian, pânaš’n, van den Parnassus; Parnassus, pânasəs, Parnassus.
Parnell, pânel, pânel.
Parochial, pəroukj’l, parochiaal; bekrompen, kleingeestig: — board =
armbestuur, armvoogden; — relief = armenzorg; —ism = bekrompenheid;
—ize = in parochies verdeelen.
Parodist, parədist, parodieënmaker; Parody, parədi, subst. parodie; —
verb. parodieeren.
Parole, pəroul, eerewoord, wachtwoord: The officers were admitted to
their — (released on —) = werden op hun eerewoord vrijgelaten.
Paronomasia, parənəmeisiə, parənəmeižə, woordspeling.
Paronym, parənim, gelijkluidend of verwant woord; adj. —ous, pəronimɐs;
subst. —y, pəronimi.
Paroquet, parəket, parkiet.
Paroxysm, parəksizm, krampachtige aanval; —al, parəksizm’l,
krampachtig.
Parquet, pâket, parketvloer; parket in een schouwburg (Am.); parket
(Jur.); — verb. met paneelen inleggen; —ry = parketvloer.
Parr, pâ, jonge zalm (kabeljauw, haas).
Par(r)akeet, parəkît, parkiet.
Parricidal, parisaid’l, adj. v. Parricide, parisaid, vadermoord(er).
Parrot, parət, papegaai (ook fig.); — verb. napraten, nadoen; —-coal =
soort v. bitumineuse kool; —-fish = papegaaivisch; lipvisch; —ry =
naäperij.
Parrott, parət: — gun, een naar den uitvinder P. genoemd kanon.
Parry, pari, afweren, pareeren: — and thrust = pareeren en uitvallen.
Parse, pâs, pâz, (taalkundig) ontleden.
Parsee, pâsî, pâsî, aanhanger. v. d. Oud-Perzischen godsdienst,
afstammeling der oude Perzen (in Indië); —ism = de leer (van Zoroaster)
der Parsees.
Parsimonious, pâsimounjəs, karig, gierig, knijperig; subst. —ness =
Parsimony, pâsiməni.
Parsley, pâsli, peterselie.
Parsnip, pâsnip, pastinaak of witte peen: Fair (Fine) words butter no
—s = praatjes vullen geen gaatjes.
Parson, pâs’n, dominé, geestelijke (dikwijls in smalenden zin): —’s
nose = stuit van een gebraden gans; —age, pâsənidž, predikantsplaats,
pastorie.
Part, pât, subst. deel, zijde, gedeelte, aflevering, aandeel, lid,
stuk, rol, partij, plicht; — verb, verdeelen, uitdeelen, scheiden, van
de hand doen, breken, uit elkaar gaan, opgeven; adv. deels: Silence
would have been the better — = verstandiger zijn geweest; The best — of
a foot long = ruim een halve; Of the first —, of the second — = ter
eenre.. ter andere zijde; For my — = wat mij aangaat; In — =
gedeeltelijk: To make a payment in — = een deel afbetalen; On our — =
onzerzijds; Do you come on his —? No I come on my own — = van
zijnentwege;.... voor mijzelf; To do one’s — = zijn plicht doen; To
take a person’s — = iemands partij opnemen; He took — in the conspiracy
= nam deel aan; He took my remarks in good — = nam goed of vriendelijk
op; I hope you will not take it in ill — = ongunstig of euvel opnemen;
—s = talenten; streek: A man of —s = begaafd; I am a stranger in these
—s = hier; The ten —s of speech = de tien rededeelen; To come out in —s
= afleveringen; Divided into —s = in stukken verdeeld; To be (To have)
art and — in = deel hebben aan; To have no — nor lot in = part noch
deel hebben aan; To become — and parcel of = een wezenlijk deel worden
van; He was — and parcel of the procession = maakte een wezenlijk deel
uit van; They had better — = zij moesten liever scheiden; To — company
= scheiden, uiteengaan, zich van het eskader afzonderen; To — the hair
= een scheiding maken; I intend to — with my dog, though I feel it will
be hard to — from such a faithful friend = van de hand te doen, schoon
ik voel dat ik moeilijk van zulk een trouw vriend zal kunnen scheiden;
I —ed with her at the station = verliet, nam afscheid van; With —ed
mouth = met open mond; —-music = meerstemmig; —-owner = mede-eigenaar
(reeder); —-payment: In —-payment = op afbetaling; Parting = scheiding,
deeling, vertrek; adj. scheidend, afscheid - -: At — = bij het vertrek;
At the — of the ways = bij de scheiding; Speed the — guests and welcome
the coming = wensch den vertrekkenden Gods zegen; —-cup =
afscheidsdronk; —-kiss; —-song = afscheidslied; —-word =
afscheidswoord; Partly = gedeeltelijk, soms ook Part.
Partake, pâteik, deelnemen, deelhebben: We partook of a nice little
dinner = gebruikten; It —s of the nature of a crime = het heeft iets
van; —r.
Parterre, pâtêə, bloemperk(en); parterre.
Parthenon, pâthənon, Parthia, pâthiə, Parthië: —n, Parthisch; subst.
bewoner van Parthië: —n arrow (shot) = scherp antwoord van den
vertrekkende.
Partial, pâš’l, gedeeltelijk, partijdig, vooringenomen, eenzijdig:
Every mother is — to her children = zal het beste van hare kinderen
denken; I am — to such food = van zulk eten houd ik veel; — board =
pension zonder middageten; —ism = partijdigheid; —ist; Partiality,
pâšaliti, partijdigheid, voorliefde.
Participant, pâtisip’nt, deelhebbend; subst. deelhebber: To be — of =
deelnemen aan.
Participate, pâtisipeit, deelnemen aan, deel hebben in: I — in (of)
your happiness = deel in uw geluk; subst. Participation; Participator =
deelnemer.
Participial, pâtisipiəl, deelwoordelijk; Participle, pâtisip’l,
deelwoord.
Particle, pâtik’l, deeltje, greintje, partikel: He has not a — of sound
sense = geen greintje gezond verstand; I don’t care a — = ik geef er
geen zier om.
Parti-coloured, pâtikɐləd, bont.
Particular, pâtikjulə, subst. bijzonderheid; adj. bijzonder, omstandig,
persoonlijk, merkwaardig, zorgvuldig, kieskeurig: London — = echt
Londensche mist; bijzonder soort Madeira; In — = in ’t bijzonder; He
did not enter into —s = hij trad niet in bijzonderheden; For further —s
apply to him = nadere inlichtingen zijn bij hem te verkrijgen; —s to
follow = bijzonderheden volgen; — friend = intieme vriend; I am not —
about it = het steekt me niet zoo nauw; I am — in (about) my eating and
drinking = ben erg kieskeurig op; He is not — in this = in dit opzicht
heeft hij niets bijzonders; He is not — to a guilder = het komt hem op
een gulden niet aan; —ism = particularisme; —ist = afgevaardigde die
slechts de belangen v. zijn eigen district voorstaat; aanhanger v. de
leer der Bijzondere Genade; —ity, pâtikjulariti, bijzonderheid,
omstandigheid; —ization, subst. v. —ize = in bijzonderheden treden, op
kleinigheden en bijzonderheden letten.
Partisan, pâtiz’n, subst. partijganger, partijgenoot; aanvoerder van
een korps partijgangers; partisaan; adj. partijdig; —ship.
Partition, pâtiš’n, subst. verdeeling, afdeeling, tusschenschot,
scheidingspunt; — verb, in stukken of afdeelingen verdeelen (off);
—-wall = scheidsmuur (ook fig.).
Partitive, pâtitiv, subst. deelend woord; adj. een deel aanwijzend.
Partner, pâtnə, compagnon, firmant, vennoot, danser(es), echtgenoot(e),
medespeler: He is a — in this business = compagnon in deze zaak; Acting
(Active), Sleeping (Dormant) —; —ship = vennootschap: To enter (go)
into —ship, To contract a —ship with.
Partridge, pâtridž, patrijs: —-wood = patrijshout.
Parturient, pâtjûriənt, barend, vruchtbaar; Parturition, pâtjuriš’n,
baring.
Party, pâti, subst. partij, troep, gezelschap, “avondje”, zaak, bepaald
persoon: The parties = die “lui”; The People’s — = Volkspartij; A queer
— = een rare kerel; I will be no — to this affair = wil er niet mee te
maken hebben; To give a — = een partij geven; —-coloured = v.
verschillende kleuren, bont; —-jury = jury, deels uit Engelschen, deels
uit niet-Engelschen bestaande; —-spirit = partijgeest; —-wall =
scheidsmuur, tusschenmuur.
Parvenu, pâvənjû, parvenu: The — aristocracy.
Pas, pâ, schrede, stap, voorrang: He takes (has) the — of dukes and
earls = gaat in rang vóór; I yielded him the — = liet hem vóórgaan.
Pasch, pask: —-egg = Paaschei; —(al) flower = paarsche anemoon,
Paaschbloem; Paschal, paskəl, tot het Pascha behoorende: — lamb.
Pascha(w), pašə, pâšə, pəšâ, pəšô, pacha; —lic, pašəlik, pəšâlik,
pâšəlik, pəšôlik = gebied of waardigheid van een Pacha.
Pasque-flower = Paschal-flower.
Pasquil, paskwil, Pasquinade, paskwineid, paskwil, schotschrift.
Pass, pâs, subst. pas, gang, enge weg, bergpas, staat van zaken,
doorgangs- of toegangsbewijs, slagen bij examen, toestand, uitval,
verlegenheid, etc.; — verb. gaan, overbrengen, gebeuren, verdwijnen,
langzaam veranderen, van de eene hand in de andere gaan; verloopen,
weglaten, overslaan, slapen, er door komen, uitvallen, toelaten,
vaststellen, aannemen (van eene wet), etc.: Things had come to such a —
that a change was desirable = het was nu zoover gekomen, dat; The world
is coming to a pretty — = het wordt eene mooie boel tegenwoordig; I
gave them —es to the theatre = ik gaf hun biljetten voor de comedie (op
zulke biljetten staat b.v.: — Mr. So and So to the stalls); To make a —
at = een uitval doen; 375 candidates, 154 —es = 154 toegelaten; He may
— = kan slagen; That may — = kan er door; Let that — = laten we daar
niet meer over spreken = Let us — that; That —es belief = is
ongelooflijk; To — a bill = een wetsontwerp aannemen; We —ed the
candidate = hebben toegelaten; To — base coin = in omloop brengen; To —
muster = den toets doorstaan; Don’t — remarks on your betters = maak
geen aanmerkingen op; To — a river = oversteken; To — sentence on a
criminal = het vonnis uitspreken over; Who brought it to —? = wie heeft
dat veroorzaakt, gedaan; It came to — = het gebeurde; — along that
hedge = ga langs; He —ed peacefully away = stierf; — away, please = ga
daar uit den weg; His life was —ed away in the country = werd
doorgebracht; What has —ed between you? = is er voorgevallen; You
cannot — this for a good coin = als goed geld uitgeven; He —es for a
clever man = gaat door voor; — on, please = doorloopen, alsjeblieft; I
—ed that over = dat heb ik over het hoofd gezien, overgeslagen; He was
—ed over in favour of another man = werd gepasseerd; It will be —ed to
the credit of your account = op uw credit worden geboekt; The property
—ed under the will, was very large = bij testamentaire beschikking
vermaakt; He —ed up coppers to the conductor = gaf door; This judgment
was —ed upon him = werd over hem uitgesproken; —-bill = geleibiljet;
—-book = bestelboekje, kassiersboekje; —-check = vrijbiljet;
contremarque; — examination = gewoon examen, tegenover Honours exam.;
—-holder = houder van een vrijbiljet of abonnementskaart; —-key =
looper, huissleutel; —man = geslaagde (tegenover Classman = de met
grooten lof geslaagde); —-paper = schriftelijke examenopgaaf; —port =
paspoort; —word = parool, wachtwoord; —able = gangbaar, dragelijk,
begaanbaar; —er = die passeert; —er-by = voorbijganger; Passing =
voorbijgang, verloop, aanneming; adj. voortreffelijk, uitstekend, in
hooge mate, voorbijgaand, terloopsch: —-bell = doodsklok; —-note =
overgangstoon (muz.); He said it in — = in ’t voorbijgaan; We don’t see
a bit of — = zien (hier) niemand voorbijgaan.
Passage, pasidž, doorgang, uitgang, binnenkomst, gang, weg, reis,
passage, doorvaart, aanneming (v. een wet), stoelgang, voorval,
gebeurtenis, etc.: Had you a good —? = hebt ge een goede overtocht
gehad; To take a — for = biljet nemen; Birds of — = trekvogels; They
indulged in frequent —s of words = hielden herhaalde
woordenwisselingen; —-money = passagiersvracht.
Passant, pas’nt, gaande: Lion — = gaande leeuw (Herald.).
Passenger, pas’ndžə, passagier, reiziger, passagierstrein: Cabin —;
Deck —; Effects of —s = passagiersgoed; Through-—s = doorgaande
reizigers; —-carriage = personenwagen; —-pigeon = postduif; —-traffic =
personenvervoer; —-train = personentrein.
Passerine, pasər(a)in, tot de musschensoort behoorende.
Passiflora, pasiflôrə, passiebloem.
Passim, pasim, hier en daar.
Passion, paš’n, het lijden (vooral het laatste lijden des Heeren),
hartstocht, liefde, toorn, smart, geestdrift, vuur: To be in a towering
— = in hevigen toorn ontstoken; He fell (flew) into a — = werd woedend;
Don’t give way to — = laat u niet door drift medesleepen; To have a —
for = voorliefde hebben; To put a person into a — = iemand in drift
doen ontsteken; —-flower = passiebloem; —-play = passiespel; —-Sunday =
Zondag vóór Paschen; — tide = lijdensweken; — week = lijdensweek; —ate
= hartstochtelijk, driftig, oploopend; subst. —ateness; —ists = een
bepaalde godsdienstige orde der R. Katholieken, die behalve de gewone 3
beloften nog een vierde afleggen, nl. tot voortdurende overweging van
het lijden Onzes Heeren (vandaar de naam); —less.
Passive, pasiv, lijdend, passief, indifferent: — obedience = lijdelijke
gehoorzaamheid; — resistance; — verb = lijdend werkwoord; subst. —ness.
Passover, pasouvə, Joodsch paaschfeest, feest ter herinnering aan de
verlossing uit Egypte; paaschlam; —-bread, —-cake = Paaschbrood.
Past, pâst, subst. verleden; adj. voorbij(gegaan), verleden,
doorgebracht; onovertroffen; adv. en prep, over, overheen, te boven,
voorbij: She has a — = iets op haar kerfstok (een “verleden”); He is a
—-master in villainy = een aartsschelm; He came — our house = langs; He
was — that now = er nu overheen; — comprehension (all common sense) =
alle begrip (gezond verstand) te boven gaande; The patient is — cure =
onherstelbaar, ongeneeslijk; Half — four = half vijf; — hope =
hopeloos; I am — marrying = te oud om te trouwen; For many years — =
vele jaren geleden.
Paste, peist, subst. deeg, pasta, glasdeeg, valsche diamant; adj. uit
pasta gemaakt, onecht; — verb. vastplakken, beplakken; in pasta werken;
afranselen: A pair of ear-drops of glittering — = een paar simili
oorknopjes; —board = bordpapier, visitekaartje, speelkaart, biljet;
—-pot = lijmpot.
Pastel, past’l, weede (plant); pastel; —list = pastelteekenaar.
Pastern, pastən, koot van een paard; —-joint = kootgewricht.
Pasteurize, pastɐ̂raiz, pastɐ̂raiz, pasteuriseeren.
Pastil, pastil; Pastille, pastîl, pastille.
Pastime, pâstaim, tijdverdrijf, genoegen.
Pastor, pâstə, (geestelijk) herder; —al, subst. idylle, landelijk
gedicht, herdersdicht, herderlijk schrijven, pastorale (muziek); adj.
landelijk, herderlijk: —al visitation = huisbezoek; —alism =
herderlijke omgeving of natuur; —ate = herderlijk ambt = —ship.
Pastorale, pastərâli, pastorale (muz.).
Pastry, peistri, gebak, pastei: —-cook = pastei- of banketbakker.
Pasturable, pâstjurəb’l, voor beweiding geschikt; Pasturage,
pâstjuridž, weiden, weiland; Pasture, pâstjə, subst. weide, gras; —
verb, weiden, grazen: —-ground (—-land); —less.
Pasty, peisti, subst. pastei(tje); adj. als deeg: A —-faced youth =
bleeke jonge man.
Pat, pat, verk. van Patrick; Ier.
Pat, pat, subst. tikje, klapje, opgemaakt stuk boter; adj. geschikt,
net van pas, toepasselijk; — verb. zachtjes tikken of kloppen: — to the
time = te rechter tijd; He said the words — on = glad achter elkaar op;
He had rhymes — about all the persons present = juist van toepassing;
It came — to the purpose = net van pas; He —ted little children on the
back, head = tikte (goedkeurend) op den rug, op het hoofd; —ness =
juistheid, gepastheid.
Patagonia, patəgounjə.
Patch, patš, subst. lap, stuk, moesje, stuk of lapje grond; — verb.
lappen, oplappen, samenflansen: This comedian is not a — upon his
fellow-artist = haalt in de verte niet bij; She laid on —es and made
herself ridiculous = zij zag er belachelijk uit met hare
schoonheidsmoesjes; To put a — on = lap opzetten; The plaster is —ing
off the walls = valt bij stukken van den muur af; The dress was —ed up
= in haast en slordig opgelapt; Peace was —ed up with them = een
overhaaste vrede werd gesloten; —work quilt = lappendeken; —er =
lapper, knoeier; —y = gelapt, saamgeflanst; knorrig.
Patchouly, patšəli, patšûli, patchoeli plant, parfum daaruit bereid.
Pate, peit, kop: He broke his — = kreeg een gat in zijn kop; —d (in
samenst., zooals: Curly-—d).
Patella, pətelə, schoteltje, knieschijf; Patelliform.
Paten, pat’n, pateen, vlakke gouden of vergulde schaal waarop de H.
Hostie ligt.
Patent, peit’nt, subst. octrooi, vergunning, patent; adj. openbaar,
duidelijk, gepatenteerd, uitstekend; — verb. octrooi verleenen, door
een octrooi zich verzekeren: To take out a — for = patent nemen op;
Dissensions were becoming — to the household = hunne geschillen werden
duidelijk voor de huisgenooten; —-law; —-leather = verlakt leder;
—-office = bureau der octrooien; —-right = patent(recht); —-rolls =
register der ingeschreven octrooien; —able = waarvoor octrooi kan
worden genomen; —ee, peit’ntî, pat’ntî, patenthouder.
Pater, peitə, “ouwe heer”: My —; —-familias, peitəfəmiljəs, huisvader;
—noster, patənostə, peitənostə, het “Onze Vader”, rozenkrans; Paternal,
pətɐ̂n’l, vaderlijk, erfelijk; Paternity, pətɐ̂niti, vaderschap: Inquiry
into the — of an illegitimate child = onderzoek naar het vaderschap; —
law = wet op het vaderschap.
Paterson, patəs’n; Patey, peiti.
Path, pɐ̂th, subst. pad: To break (open) a — = een weg banen; To leave
the — to = iemand uit den weg gaan; —-breakers = baanbrekers; —way =
voetpad; —less = ongebaand.
Pathetic, pəthetik, gevoelvol, aandoenlijk.
Pathogeny, pəthodžəni, leer van het ontstaan der ziekten.
Pathologic(al), pathəlodžik(’l), pathologisch; Pathologist = patholoog;
Pathology = ziektenleer.
Pathos, peithos, pathos.
Patience, peiš’ns, geduld, volharding, lijdzaamheid: I am out of — =
mijn geduld is op; I have come to the end of my — = mijn geduld is ten
einde; To lose one’s —; Possess your soul in — = bezit je ziel in
lijdzaamheid; Take — = heb geduld; Patient, peiš’nt, lijder, patient;
adj. geduldig, lijdzaam, kalm, toegevend, volhardend, taai: What is
death to the — is profit to the physician = den een zijn dood is den
ander zijn brood; To be — of = geduldig dragen.
Patina, patinə, vlakke schaal; groene roest op brons.
Patriarch, peitriâk, patriarch; —al, peitriâk’l, aartsvaderlijk; —ate =
patriarchaat = —ship.
Patrician, pətriš’n, patricisch; subst. patriciër.
Patrick, patrik, Patricius.
Patrimonial, patrimounj’l, tot het vaderlijk erfdeel of de nalatenschap
behoorende; Patrimony, patriməni, vaderlijk erfdeel.
Patriot, peitriət, patriət, subst. vaderlander, patriot; adj.
vaderlandslievend; —ic, peitriotic, patriotic = vaderlandslievend;
—ism, peitriətizm, patriətizm, vaderlandsliefde.
Patrol, pətroul, subst. patrouille, ronde; — verb. patrouilleeren, de
ronde doen.
Patron, peitr’n, patr’n, subst. beschermer, beschermheer,
beschermheilige, geregeld bezoeker, begunstiger; adj. beschermend,
bescherm ...; —age, peitrənidž, patrənidž, bescherming, patronaat,
recht van begeving; —ess = beschermvrouw; —ize, peitrənaiz, patrənaiz,
beschermen, begunstigen; —izer; —izing = beschermend, nederbuigend:
—izing air.
Patronymic, patrənimik, subst. geslachts- of familienaam; adj. v. een
voorvader verkregen (naam); —al.
Patroon, pətrûn, grondbezitter aan wien, oorspronkelijk door de Ned.
W.-Ind. Comp., eenige heerlijke rechten waren toegekend.
Patten, pat’n, soort klomp, oudtijds soort stelt(schoen), patijn;
onderlaag v. een muur, voetstuk v. eene zuil.
Patter, patə, kletteren, trappelen, ratelen, klateren, snateren; subst.
gekletter, etc., tusschengevoegde en snel uitgesproken woorden in een
—song; They all —ed French more or less = praatten, snapten.
Pattern, patən, subst. model, patroon, voorbeeld, staal, schabloon; —
verb. copieeren, bespikkelen: A French —bonnet = modelhoed; The streets
were starred and —ed with lights.
Patty, pati, pasteitje; —-pan.
Patulous, patjulɐs, afstaand, uitstaand.
Paucity, pôsiti, geringheid, schaarschte, gebrek: — of labour = gebrek
aan werkkrachten.