word is redundant = overtollig, te veel.
Reduplicate, ridjûplikit, herhaald; subst. verdubbeling; — verb.
ridjûplikeit, verdubbelen, herhalen; subst. Reduplication; adj.
Reduplicative.
Ree, rî, reis, Portugeesche of Braziliaansche muntéénheid. Zie Reis.
Re-echo, rî-ekou, weergalmen, weerklinken.
Reed, rîd, riet, herdersfluit, tongetje, mondstuk, weverskam; —-bird =
rijstvogeltje (Amer.); —-fence = rietscherm; —-grass = riet; —y = vol
riet, rieten, rietachtig; brouwend.
Reef, rîf, subst. rif; reef; — verb. reven; —-earing = steekbout
(scheepst.); —er = een soort jekker = —ing-jacket; —y = vol riffen.
Reek, rîk, subst. damp, rook; — verb. dampen, rooken: The battle-field
was —ing with blood; The floor —ed with recent scrubbing; —y = vuil,
zwart, rookerig.
Reel, rîl, subst. haspel, klos; waggelende gang, Schotsche dans; —
verb. op een haspel of klos winden, draaien; waggelen, dansen: He knows
it off the — = op zijn duimpje; I am for settling matters off the — =
ik maak de zaken graag zonder talmen en gezeur in orde; His head —s =
zijn hoofd draait met hem in het rond; He —ed from the pothouse = kwam
waggelend uit; To — off a story = aframmelen.
Re-elect, rî-ilekt, nogmaals kiezen, herkiezen; —ion = herkiezing;
Re-eligibility, subst. v. Re-eligible, ri-elədžib’l, herkiesbaar.
Re-embark, rî-əmbâk, (zich) opnieuw inschepen; subst. Re-embarkation.
Re-embody, rî-əmbodi, nogmaals belichamen of inlijven.
Re-emerge, rî-imɐ̂dž, weder bovenkomen; subst. —nce.
Re-enact, rî-ənakt, nogmaals bepalen of voorschrijven of opvoeren;
subst. —ion = —ment.
Re-enforce, rî-ənfös. Zie Reinforce.
Re-enter, rî-entə, opnieuw binnentreden; subst. Re-entrance; Re-entrant
= inspringend.
Re-establish, rîəstabliš, opnieuw vestigen, herstellen; subst. —ment.
Reeve, rîv, subst. baljuw; kemphaan (het wijfje); — verb. inscheren
(scheepst.).
Re-examination, rîəgzamineiš’n, subst. v. Re-examine, rîəgzamin,
nogmaals ondervragen.
Re-exchange, rîəkstšeinž, omwisseling, herwissel; ook verb.
Re-export, rîekspöt, wederuitvoer = —ation.
Re-export, rîəkspöt, weder uitvoeren.
Refection, rifekš’n, verversching, kleine maaltijd; Refective, lavend;
subst. lafenis.
Refectory, rifektəri, eetzaal, refectorium (in kloosters); lokaal voor
ververschingen.
Refer, rifɐ̂, verwijzen, terugvoeren, in handen stellen (voor
consideratie en afdoening), nasporen, toewijzen, een beroep doen op,
zich wenden tot, betrekking hebben op, raadplegen: The matter was —red
to his decision = hem ter beslissing voorgelegd; I — to the very words
you spoke = ik beroep mij op (verwijs naar); He —red to a passage
unknown to me = had het oog op; —able, refərəb’l, verwijsbaar,
betrekkelijk, toe te schrijven; Referee, refərî, scheidsrechter,
deskundige; — verb. toezien op; Reference, refərens, verwijzing,
betrekking, beslissing, iemand tot wien, of iets waartoe men zich om
inlichtingen kan wenden: In — to what you said just now = met
betrekking tot; For —s apply to editor = men wende zich tot den
redacteur om inlichtingen; This adverb has no — to the principal verb =
slaat niet op; To look up —s = plaatsen waarnaar verwezen wordt
opzoeken; —s required with application = reflectanten gelieven hunne
referentiën op te geven; Many books (works) of — are at the reader’s
disposal = vele encyclopedieën, woordenboeken, enz.; Referential,
refərenš’l, betrekking hebbende op; Referrible = —able: That is — to
what he asserted = kan in verband worden gebracht.
Refine, rifain, zuiveren, louteren, raffineeren, beschaven: —d manners,
language, morals = beschaafde manieren en taal, verfijnde zeden; —d
sugar = geraffineerde; —ment = zuivering, loutering, beschaving,
vorming, gemaaktheid, spitsvondigheid; —r = beschaver, zuiveraar,
raffinadeur; haarkloover, uitpluizer; —ry = Refining-works =
raffinaderij.
Refit, rîfit, subst. het herstellen of kalfaten; — verb. herstellen,
opnieuw uitrusten, kalfaten; subst. —ment.
Reflect, riflekt, terugkaatsen, terugwerpen, weerspiegelen,
weerkaatsen; overdenken, overpeinzen, zich ongunstig uitlaten over,
hatelijke opmerkingen maken (on); een ongunstig licht werpen op: He
wanted me to — on his proposal = na te denken over; That —s on the
memory of my deceased friend = dat werpt een smet op; —ion, riflekš’n,
terugkaatsing, weerspiegeling, overdenking, berisping, verwijt,
kritiek: Do not say so, lest it seem a —ion on your benefactor = het
mocht eens een verwijt aan uw weldoener schijnen; —ive = terugkaatsend,
overwegend; —or = reflector.
Reflex, rîfleks, subst. weerkaatst beeld of licht, reflexbeweging;
—ibility = weerkaatsbaarheid; adj. —ible; —ive = wederkeerend,
weerkaatsbaar, terugslaand (op iets verledens): —ive verb.
Reflourish, rîflɐriš, opnieuw bloeien.
Reflow, riflou, terugvloeien, ebben.
Refluence, Refluency, refluens(i), terugvloeiing; adj. Refluent;
Reflux, rîflɐks = ebbe: Flux and — = vloed en ebbe.
Reform, riföm, subst. verbetering, hervorming; — verb. hervormen,
(zich) verbeteren: I —ed him of his negligence = heb hem afgeleerd; —
Act (— Bill) = wet tot betere regeling van het Engelsche kiesrecht (van
1832; uitgebreid in 1867 en 1884/85); —-school = tuchtschool (Amer.);
—ation, refəmeiš’n, hervorming, verbetering: House of —ation; —ative =
hervormend, verbeterend; —atory, subst. verbeteringsgesticht (= —
school); adj. verbeterend; The —ed Church = Hervormde Kerk; —er =
hervormer; —ist = hervormingsgezinde.
Refortification, rîfötifikeiš’n, subst. v. Refortify, rîfötifai,
opnieuw versterken.
Refract, rifrakt, breken (van stralen): —ed rays = gebroken
lichtstralen; —ion = straalbreking: Angle of —ion = brekingshoek; —ive
= brekend (van stralen), brekings - -; —or = refractor; —oriness,
subst. v. —ory = weerspannig, weerbarstig; moeilijk smeltbaar: —ory to
cholera = immuun tegen.
Refrain, rifrein, subst. refrein.
Refrain, rifrein, (zich) weerhouden of inhouden, bedwingen, nalaten: He
—ed from saying this = onthield zich; He could not — from weeping = kon
niet inhouden.
Refrangibility, rifranžibiliti, subst. v. Refrangible, rifranžib’l,
breekbaar; subst. —ness.
Refresh, rifreš, verfrisschen, ververschen, opwekken, verkwikken,
proviand innemen: —ing news = opwekkend nieuws, prettige tijding;
Refresher = opfrissching; extra honorarium aan een barrister ter
bespoediging van eene zaak die lang duurt; Refreshment = verversching,
opwekking: To take —; —-bar = “bar”; —-room = restauratiezaal; —-Sunday
= vierde Zondag in de vasten.
Refrigerant, rifridžər’nt, verkoelend of afkoelend (middel);
Refrigerate = afkoelen, koel houden: Refrigerating-chamber = koelkamer,
ijskast; Refrigeration = afkoeling, ijsbereiding; Refrigerator =
koelkan, koelvat, koelkamer = Refrigeratory; adj. verkoelend.
Refuge, refjûdž, schuilplaats, toevlucht, asyl, hulp- of redmiddel,
uitvlucht, vluchtheuvel: He was obliged to take — with his enemies =
eene schuilplaats te zoeken bij; He took — to the wood = nam de wijk; A
loud cry was raised for the fire-escapes, but these —s had been removed
= deze hulpmiddelen had men verwijderd; The cities of — = de zes
vrijsteden (Jos. XX); House of — = asyl voor dakloozen; Refugee,
refjudžî, vluchteling, uitgewekene.
Refulgence, rifɐldž’ns; glans, schittering; adj. Refulgent.
Refund, rifɐnd, terugbetalen, vergoeden; subst. —ment.
Refurbish, rîfɐ̂biš, opnieuw bruineeren, polijsten.
Refusal, rifjûz’l, weigering, keus, optie: If this gentleman leaves,
you can have the — of his room = kunt u zijn kamer krijgen zoo u
verkiest; My proposal met with a flat — = werd kortweg afgeslagen;
Refuse, rifjûz, weigeren, afslaan: The horse —d the hedge = wou niet
over de heg springen; He —d himself all the comforts of life for the
sake of his children = ontzegde zich alle levensgenot.
Refuse, refjûs, refjûz, subst. afval, uitschot; adj. waardeloos: —
consumer = verbrandingsoven; — iron = oud ijzer; — milk = afgeroomde; —
parts = afval.
Refutable, rifjûtəb’l, refjutəb’l, weerlegbaar; Refutation,
refjuteiš’n, weerlegging; Refutatory, rifjûtətəri, weerleggend; Refute,
rifjût, weerleggen; —r.
Regain, rigein, herwinnen, weder bereiken: We couldn’t — home in time =
op tijd thuis zijn.
Regal, rîg’l, koninklijk.
Regale, rigeil, onthalen (op = with), vergasten, zich te goed doen;
subst. feestmaal, lekkernij; —ment = verversching, onthaal.
Regalia, rigeiljə, teekenen der koninklijke waardigheid,
onderscheidingsteekenen der vrijmetselaars; privileges aan de Eng.
Staatskerk verleend; (merk)sigaar: I am in — = in groot tenu, piekfijn.
Regality, rigaliti, koninklijke waardigheid.
Regan, rîgən.
Regard, rigâd, subst. blik, aandacht, overweging, achting, eerbied,
opzicht, betrekking; — verb. waarnemen, letten op, aanschouwen,
beschouwen, achten, hoogschatten, geven om, aangaan: In — of; In, With
— to = in of met betrekking tot; I am, with kindest —s, yours
faithfully = na vriendelijke groeten; Give my best (kindest) —s to =
groet hartelijk van me; We still had a — for him = hadden nog
genegenheid voor hem; Having no — to the surrounding dangers = niets
gevende om; We must leave that out of — altogether = heelemaal buiten
beschouwing laten; Will you pay him my —s? = hem mijne complimenten
doen; To send one’s kind —s to = laten groeten; As —s the
labour-question, it demands an early solution = wat de arbeidskwestie
aangaat; —ant = omziende (herald.); —er; —ful = oplettend, eerbiedig:
He is —ful of his interests = houdt goed in het oog; —ing =
betreffende, met betrekking tot; —less of his duties = onverschillig
voor.
Regather, rîgadhə, opnieuw verzamelen.
Regatta, rigatə, roei-, zeilwedstrijd.
Regelation, rîdžəleiš’n, aaneenvriezing van twee stukken ijs.
Regency, rîdž’nsi, regentschap.
Regeneracy, ridženərəsi, wedergeboorte, herleving; Regenerate,
ridženərit, wedergeboren; — verb. (ridženəreit), opnieuw voortbrengen,
nieuw vormen, wedergeboren worden; Regeneration, rîdženəreiš’n,
herleving; wedergeboorte: Baptismal — = wedergeboorte door den doop;
Regenerative = vernieuwend, herlevend = Regeneratory; Re-genesis,
ridženisis = vernieuwing, nieuwe wording.
Regent, rîdž’nt, subst. regent, bestuurder; adj. regeerend: Prince —;
Queen — = Koningin-Regentes; —ship = regentschap.
Reggy, redži.
Regicidal, redžisaid’l, tot een regicide behoorende; Regicide,
redžisaid, koningsmoord(enaar).
Regimen, redžim’n, regeering; dieet, leefregel: I am under a — = ik
leef op dieet.
Regiment, redžiment, regiment; —al, redžiment’l, regiments...: The —al
band = de regimentsmuziek; —als = uniform.
Regina, ridžainə, Regina; Reginald, redžin’ld.
Region, rîdž’n, streek, gewest: I feel a pain in the — of the stomach =
maagstreek.
Register, redžistə, subst. register, protocol, meetbrief, jaarboek
(—s), kiezerslijst, verslag, gedenkschrift, sleutel of schuif (van
kachelpijp); — verb. registreeren, inschrijven, op de kiezerslijst
plaatsen, aanteekenen: Hotel — = vreemdelingenboek; The parish — = de
registers van den burgelijken stand; —-office = registratiekantoor,
bureau van den burgerl. stand, verhuurkantoor voor dienstboden;
—-thermometer = zelfregistreerende thermometer; —-ton = ruimtemaat voor
schepen (= 2,8316 M.3); His name was entered in the — = werd
ingeschreven op de lijst; To make — = registeren (boekdruk.); I wish to
have this letter —ed = te laten aanteekenen; I had my luggage —ed =
liet mijne bagage inschrijven; To — a vow = zichzelf plechtig beloven;
—ed bonds = obligaties op naam; —ed holders = houders van obligatiën op
naam; Registrar, redžistrâ, redžistrə, bewaarder der registers,
ambtenaar van den burgerlijken stand: —-General = hoofdambtenaar bij de
registers van den burgerlijken stand; —’s Statistics, Returns =
bevolkingsstatistieken; Registration, redžistreiš’n = inschrijving van
geboorte, sterfgevallen, kiezers (= — of voters): —-fee = kosten van
inschrijving; —-list = kiezerslijst; —-office = bureau van den burgerl.
stand; verhuurkantoor; Registry, redžistri, inschrijving,
registratie-bureau.
Regius, rîdžiəs, koninklijk: — professor = bekleeder van een der
leerstoelen, door Hendrik VIII aan de Engelsche hoogescholen gesticht.
Reglet, reglət, zetlijn; plat lijstje.
Regnal, regn’l, regeerings...: — years = regeeringsjaren; Regnancy,
regn’nsi, regeering, heerschappij; Regnant = regeerend.
Regorge, rîgödž, weer uitbraken.
Regrant, rîgrânt, subst. hernieuwde vergunning; — verb. opnieuw
verleenen.
Regress, rigres, teruggaan; subst. rîgres = —ion = teruggang,
terugkeer; Regressive = teruggaand.
Regret, rigret, subst. spijt, berouw: — verb. treuren om, bejammeren:
To feel — at; I — your having done this = het spijt mij; It is to be
—ted = het is te betreuren; —ful = vol spijt of berouw; —table =
betreurenswaardig.
Regular, regjulə, regelmatig, geregeld, normaal, stipt, periodiek,
echt, flink, tot eene kloosterorde behoorende; subst. ordebroeder,
vaste klant, stamgast (—s = — troops = de geregelde troepen): He is a —
fool = hij is een echte gek; I am as — as clockwork = een man van de
klok; Regularity, regjulariti, regelmatigheid, gelijkmatigheid,
methode: Regulate, regjuleit, regelen, ordenen; Regulation,
regjuleiš’n, subst. regeling, schikking, voorschrift, statuut,
reglement; adj. overeenkomstig het bevel of reglement: — chargers =
dienstpaarden; — boot (dress, sword) = model - - -; A — joke = vaste ui
of aardigheid; The — of the Rhine = normaliseering; Regulative =
regelend; Regulator = regelaar, gangkruk (locomot.), regulateurklok,
regulateur; Regulatory = Regulative.
Regulus, regjulɐs, Regulus (een vaste ster in het beeld “Leeuw”);
goudhaantje.
Regurgitate, rigɐ̂džiteit, terug (laten) stroomen; subst. Regurgitation.
Rehabilitate, rîhəbiliteit, herstellen (in vroegere rechten of
positie), rehabiliteeren; subst. Rehabilitation.
Rehear, rîhîə, nogmaals hooren of onderzoeken; —ing = tweede onderzoek,
revisie.
Rehearsal, rihɐ̂s’l, herhaling, repetitie (van tooneelstukken, etc.),
verhaal: The — of his experiences made us shudder = het verhaal van
zijne ervaringen; Rehearse, rihɐ̂s, repeteeren, opzeggen; —r.
Reid, rîd; Reigate, raigit.
Reign, rein, subst. regeering, macht, overwicht, invloed; — verb.
heerschen, regeeren: It happened in the — of Queen Victoria = onder de
regeering van: The king —s, his ministers govern = de koning regeert,
zijne ministers besturen; A —ing disease = eene algemeen heerschende
ziekte.
Reillume, rîil(j)ûm, Reilluminate, rîil(j)ûmineit, Reillumine,
rîil(j)ûmin, opnieuw verlichten; Reillumination.
Reim, rîm, riem (Zuid-Afrika).
Reimbark, rîimbâk, (zich) weer inschepen.
Reimbody, rîimbodi, opnieuw inlijven.
Reimburse, rîimbɐ̂s, terug betalen, dekken, schadeloos stellen: He was
—d for the costs of his trial = de proceskosten werden hem vergoed;
Reimbursing yourself for your charges = na aftrek der door u gemaakte
kosten; subst. —ment = rembours, etc.; —r.
Reimport, rîimpöt, opnieuw invoeren; subst. —ation.
Reims, rîmz.
Rein, rein, subst. teugel, bestuur; — verb. besturen, beteugelen, zich
laten besturen: To draw — = inhouden, stilhouden; He gave the —s to his
folly = liet den vrijen loop; To give a loose — to = den vrijen loop
laten aan; To hold the —(s) of (the) government; He holds a tight —
over the boys = hij houdt streng in toom, hij rijdt ze op de stang; He
lets the — loose at times = laat nu en dan glippen; I wish you would
take the —s = dat gij de teugels aanvaarddet, het bestuur in handen
naamt; He —ed in the horses = hij hield de paarden in, bracht ze tot
staan.
Reindeer, reindîə, rendier.
Reinforce, rîinfös, versterken; subst. versterking: —ment =
versterking.
Reins, reinz, nieren, lendenen.
Reinstal, rîinstôl, weder installeeren; subst. —(l)ment.
Reinstate, rîinsteit, in vroegere positie herstellen: He was —d in his
office = werd in zijn ambt hersteld; subst. —ment.
Reinsurance, rîinšûr’ns, herverzekering; Reinsure, rîinsšûə,
herverzekeren; —r.
Reintegrate, rîintigreit, hernieuwen, herstellen; subst. Reintegration.
Reinvest, rîinvest, opnieuw bekleeden met (aanstellen); subst. —ment.
Reinvigorate, rîinvigəreit, opnieuw bezielen (sterken).
Reis, rei-is, rîz, reis, reis (koperen munteenheid in Portugal en
Brazilië).
Reis, rais, reis, titel van hooge Oostersche ambtenaren,
scheepskapitein: — effendi = vroegere titel van den Turkschen
Groot-Vizier.
Reissue, rîišû, subst. nieuwe uitgave of uitgifte; — verb. opnieuw
uitgeven of in omloop brengen.
Reiterate, riitəreit, telkens herhalen; subst. Reiteration,
riitəreiš’n; adj. Reiterative.
Reject, ridžekt, verwerpen, van zich af gooien, afwijzen, uitschieten,
uitspuwen; subst. —s = uitschot; My suit was —ed = mijn aanzoek werd
verworpen, van de hand gewezen; —able = verwerpelijk; —er; —ion =
verwerping, afwijzing; —ive = verwerpend.
Rejoice, ridžôis, (zich) verheugen, verblijden: I — at your having come
= ik ben blij dat ge gekomen zijt; —r; Rejoicing = vreugdebetoon,
feestelijkheid: Great —s on the occasion of the Queen’s accession.
Rejoin, ridžoin, weder vereenigen, antwoorden, hernemen; —der =
antwoord, bescheid, dupliek.
Rejoint, rîdžôint, weder samenvoegen, opnieuw voegen (van metselwerk).
Rejuvenate, ridžûvəneit, Rejuvenescence, Rejuvenescency,
ridžûvənes’ns(i), verjonging; Rejuvenescent = verjongend,
verjongings...; Rejuvenize, ridžûvənaiz, verjongen.
Rekindle, rîkind’l, opnieuw aansteken of aanwakkeren.
Reland, rîland, nogmaals landen of ontschepen.
Relapse, rilaps, subst. wederinstorting (ziekte), het weder vervallen
(tot vroegere verkeerdheden, enz.), weer dalen (van prijzen); — verb.
weder instorten, weder vervallen (tot slechtheid of zonde); —r;
Relapsing fever = terugkeerende koorts.
Relate, rileit, verhalen; toeschrijven of terugbrengen tot, betrekking
hebben op; —d = verwant, in zekere betrekking staande tot; —r =
verhaler; Relation, rileiš’n, verhaal: betrekking, verhouding,
verwantschap, bloedverwant, overeenkomst: “Are not those Comptons —s of
yours?” “Connections,” said John, “by marriage”; They bear no — to each
other = hebben geene overeenkomst met elkander, staan tot elkaar in
geenerlei betrekking of verhouding; —ship = bloedverwantschap;
Relative, relətiv, subst. bloedverwant; betrekking hebbend woord,
betrekkelijk voornaamwoord; adj. betrekkelijk: That is not — to what he
said = heeft niets te maken met; The bomb did —ly little damage =
betrekkelijk; The number of good books is —ly insignificant = naar
verhouding; subst. —ness; Relativity, relətiviti = betrekkelijkheid,
verwantschap, verhouding: The — of all human knowledge = de
betrekkelijkheid.
Relax, rilaks, verslappen, verzachten, minder streng of stipt doen
zijn; laxeeren, ontspannen: Now she would be cruel, then — into
tenderness again = werd ze weer erg teeder en gevoelig; —ant =
laxeermiddel; —ation = verlichting, ontspanning, verslapping; —ative,
laxeerend, verzachtend.
Relay, rilei, nieuwe paarden, honden, manschappen om af te lossen;
poststation; — dogs, — horse: We got a — of horses every two hours.
Relay, rîlei, opnieuw leggen of plaatsen.
Release, rilîs, subst. bevrijding, vrijlating, verlossing, afstand; —
verb. ontslaan, vrijlaten (from = uit), afstaan: Deed of — = acte van
afstand; —e, rilîsî, iemand, ten wiens behoeve men afstand doet; —ment
= bevrijding, etc.; —r = Releasor.
Relegate, religeit, verbannen, sjeezen (v. studenten), verwijderen,
verwijzen: This remark might have been —d to a footnote = ware beter op
hare plaats geweest onder aan de bladzijde in eene noot; The student
was —d to his former pleasures = werd gesjeesd en kon zijne vroegere
genoegens weer opvatten; subst. Relegation.
Relent, rilent, toegeven, minder hardvochtig of streng worden, zich
laten vermurwen; —ing = toegevend; —less = meedoogenloos; subst.
—lessness.
Relet, rîlet, opnieuw verhuren.
Relevance, Relevancy, reləv’ns(i), betrekking, toepasselijkheid; His
answer bore no — to my question, was not relevant to my question = was
niet toepasselijk (sloeg niet) op mijne vraag; This question is not
relevant = ongepast, heeft niets met de zaak te maken.
Reliability, rilaiəbiliti, vertrouwbaarheid: — trial =
vertrouwbaarheidsrit; Reliable, rilaiəb’l, be- of vertrouwbaar; subst.
—ness; Reliance, rilaiəns, vertrouwen: To have — (up)on, in =
vertrouwen hebben op, in; You cannot place any — on him = in hem geen
vertrouwen stellen, niet op hem rekenen; adj. Reliant.
Relic, relik, reliquie, overblijfsel, aandenken: —s = (stoffelijk)
overschot; —s of the past; Relict, relikt, weduwe, weduwnaar.
Relief, rilîf, verlichting, verzachting, onderstand, bevrijding,
ontzet, aflossing, hulp, bijstand, relief: Indoor — = opneming in het
Workhouse, of het Ziekenhuis daaraan verbonden; Outdoor — =
ondersteuning aan huiszittende armen; Parish — = onderstand der
burgerlijke gemeente; To apply for — = om onderstand vragen; To bring
into — = doen uitkomen; I came to his — in the right nick of time = ik
kwam hem net op tijd te hulp; To give — = onderstand verleenen; —-work
= werkverschaffing; Relieve, rilîv, verlichten, lucht geven aan,
opbeuren, steunen, onderstand geven, aflossen, ontzetten, doen
uitkomen, afzetten: The soldiers were —d guard = afgelost; The monotony
of the work was not —d by anything = werd door niets afgewisseld; The
brazen sky was not —d by a single cloud = geen wolkje stond aan den
strak blauwen hemel; He was —d of his office = ontheven van, ontslagen
uit: To — oneself = zijn behoefte doen; Relieving officer =
gemeentelijke armverzorger; de oude, de pipa.
Relievo, rilîvou, “relief”.
Relight, rîlait, opnieuw aansteken of ontvlammen.
Religion, rilidž’n, godsdienst (vorm of plechtigheid), eerbied,
piëteit: No — was attached to the property = aan dien eigendom was men
niet door een gevoel v. piëteit gehecht; To experience, to get — = zich
bekeeren, vroom worden (Amer.); To make (a) — of doing a thing = er een
gewetenszaak van maken; —ary = godsdienstig, godsdienst...; —ism =
kwezelarij; —ist = kwezelaar; Religiosity, rilidžiositi, kwezelarij;
Religious, rilidžəs, godsdienstig, godvruchtig, nauwgezet, streng;
subst. ordebroeder, monnik, non: He was a —, almost a priest =
ordebroeder; The many priests and — = ordebroeders; My sister is almost
a — = religieuse; A — house = klooster; All your property will be —ly
respected = zullen streng geëerbiedigd worden; subst. —ness =
godsdienstigheid.
Relinquish, riliŋkwiš, verlaten, opgeven, laten varen: I have —ed that
claim = heb afgezien van; —er = die opgeeft, laat varen of afziet van
iets; —ment = afstand.
Reliquary, relikwəri, reliquiënkastje; Relique, rilîk, relik = Relic.
Relish, reliš, subst. smaak, pikante bijsmaak; — verb. graag eten,
smaak vinden in, smakelijk maken, goed smaken: To eat with — = met
smaak; That gave a — to my desires = verhoogde, prikkelde; He has no —
for poetry, for a joke = hij heeft geen zin voor; Have you —ed your
dinner? = heeft het je gesmaakt? I did not — the coffee = de koffie
smaakte me niet; I do not — such jokes = zulke aardigheden mag ik niet;
The remark —es of wit = heeft iets geestigs; —able = smakelijk.
Relive, rîliv, herleven, weer opleven.
Reluctance, Reluctancy, rilɐkt’ns(i), weerzin, tegenzin; Reluctant =
weerbarstig, onwillig: I am — to (have a reluctance to) such measures =
ik heb een tegenzin in; He was very — to go = ging ongaarne.
Relume, ril(j)ûm, opnieuw ontsteken, verlichten.
Rely, rilai, rekenen of zich verlaten op, berusten op, gronden: That
man is not to be relied on = kan men niet op aan; We — on the will =
gronden onzen eisch op.