Blunder, blɐndə, subst. grove fout, bok; — verb. een groven misslag

begaan, domme fouten maken, knoeiwerk leveren, verknoeien,

voortsukkelen, uitflappen (out); —head = domkop; A —headed fool; —er =

knoeier; —ing = dom, stom; subst. domheid.

Blunderbuss, blɐndəbɐs, donderbus, snaphaan.

Blunt, blɐnt, adj. stomp, dom, ongevoelig, grof, kortaf, open,

eenvoudig; subst. moppen (geld); — verb. verstompen, verzwakken;

—-edged = stomp; —-witted = bekrompen, dom; —ness = stompheid, etc.

Blur, blɐ̂, subst. smet, vlek, klad, nevelachtigheid, onduidelijkheid; —

verb. bevuilen, bezoedelen, verduisteren, verdooven; adj. —ry.

Blurt, blɐ̂t, er uit flappen (out).

Blush, blɐš, subst. blos, blosje, blik; — verb. rood worden, blozen,

zich schamen; At (the) first — = bij den eersten oogopslag; He put us

to the — = maakte ons beschaamd; To — crimson; To — all over = diep

blozen; To — down = beschamen, overtreffen; —-rose = soort bleekroode

roos; —ful = blozend.

Bluster, blɐstə, razen; stormen, tieren, gieren, snoeven, intimideeren

(into); subst. geraas, etc.; —er = bulderaar, opsnijder.

Bo, bou, interj. Boeh! He cannot say — to a goose = hij kan geen tien

tellen; To play at —-peep = kiekeboe spelen.

Boa, bouə, groote slang; boa: A feather —; — Constrictor = reuzenslang.

Boadicea, bouədisîə; Boanerges, bouənɐ̂džîz, zonen des donders (Mark.

III, 17); zeloot.

Boar, bö, subst. mannetjesvarken, wild zwijn (= Wild —); mannetjes....

Board, böd, subst. plank, tafel, kost, onderhoud, kostgeld;

bestuurstafel, commissie of bestuur; bord, karton, bordpapier, boord,

gang, slag; — verb. met planken beschieten; in den kost nemen, den kost

geven; aan boord gaan, enteren, aanklampen; instijgen (Amer.); in den

kost zijn, wonen: Superior — = kost en inwoning in beschaafd gezin; —

and lodging = kost en inwoning; — and lodging letter = bedankje na

logeeren; On the —s = op de planken, het tooneel; Bound in —s =

gekartonneerd; Above — = openhartig, eerlijk; To go by the — =

overboord gaan, te gronde gaan; On — the steamer; To go on —; To have

too much on — = te veel gedronken hebben; To lie — and — = naast

elkaar; To put out to — = uitbesteden; He worked out his — = hij

verdiende met zijn werk den kost; Bill— = aanplakbord; School— =

schoolbestuur; — of Public Works = bouwcommissie; — of Trade = een

soort Ministerie van Handel en Verkeer (een afdeeling v. den Privy

Council, verdeeld in 6 Departementen: Commercial, Statistical, Railway,

Harbour, Marine en Financial); —-man = wandelende advertentie, met een

bord vóór en een achter zich; —-meeting = bestuursvergadering; —-room =

directiekamer; —-school = openbare lagere school (onder toezicht van

den School-— van een der Schooldistricten waarin Engl. en Schotl. zijn

verdeeld); —-wages = keukengeld aan meiden en knechts, waarvan ze hun

eten betalen; —er = kostganger, kostleerling; —ing = enteren; beschot;

—ing-axe = enterbijl; —ing-clerk = ambtenaar van een tolkantoor of

scheepsfirma, waterklerk; —ing-house = kosthuis, pension; —ing-out =

het buitenshuis in den kost zijn; uitbesteden; —ing-school =

kostschool.

Boast, boust, subst. bluf, gepoch, roem, trots; — verb. pochen, zich

beroemen op, pronken, bluffen (of, about, in); ruw behouwen: Holland

can — many great statesmen = zich beroemen op het bezit van; Not much

to — of = niet veel zaaks; —er = bluffer; steenhouwersbeitel;

—ful(ness) = pralend (pralerij).

Boat, bout, subst. boot, stoomboot; kom; — verb. vervoeren in eene

boot, innemen, in eene boot varen of roeien; Don’t put me in the same —

with him = stel me niet met hem op ééne lijn; We are (sailing) in the

same — = wij varen in hetzelfde schuitje (fig.); To take — at = in de

boot, scheep gaan te; Sauce-— = sauskom; —-bill = Braziliaansche

lepelaar; —-fly = rugzwemmer (insect); —-house = schuitenhuisje; —-man

= jolleman, schipper, bootenverhuurder; —-race = roeiwedstrijd; —-rope

= vanglijn; —swain, bous’n, bootsman; —swain’s call = bootsmansfluitje;

—able = bevaarbaar voor eene boot; —age = transport per boot; vracht;

gemiddelde capaciteit der scheepsbooten; —ing = bootjevaren, zeil- of

roeisport.

Bob, bob, subst. korte, hortende beweging, ruk, stoot, slag;

slingerschijf, lood, oorbelletje, bosje bladen (vruchten, bloemen,

wormen), dobber, 17de eeuwsche pruik van kort haar, korte pruik; vent,

kerel (verkorting van Robert), een shilling; een harmonisch luiden op

verschillende klokken (— minor op zes kl.; — triple op 7, etc.); —

verb. heen en weer (op en neer) bewegen, peuren, steken, kort

afsnijden, bedriegen, hengelen naar, knikken, opduiken; —-apple,

—-cherry = spel, waarbij naar een appel of kers wordt gehapt, die aan

een touwtje hangt; —stay = waterstag (zeeterm); —-tail = bolstaartje:

Tag-rag and —-tail het janhagel; —-tail-wig = —-wig = korte pruik; —ber

= dobber; —bish = vergenoegd; gezond; —by = klabak; nuchter kalf; —bery

= herrie, lawaai; Bobbin, bobin, spoel, klos, haspel, een smal soort

lint: —-work = kloswerk; —et, bobinet, of bobinet = soort tulle.

Bob(o)link, bob(ə)liŋk, Amerik. rijstvogeltje.

Bocking, bokiŋ, grove wollen stof.

Bode, boud, voorspellen: That —s well for the issue of the war; Boding,

subst. voorteeken; adj. veel beteekenend, onheilspellend (= —ful);

Bodement = voorspelling, voorgevoel.

Bod(d)ice, bodis, keursje, korset, lijf (v. japon).

Bodied, bodid: Full — = pittig; Bodiless = onlichamelijk; Bodily. Zie

Body.

Bodkin, bodkin, priem, rijgpen, lange haarspeld, kleine dolk: To ride

(sit, travel) — = tusschen twee personen op een bank, in een rijtuig

zitten, als er slechts voor 2 ruimte is; “pasteitje” rijden.

Bodle, bod’l, Boddle, bod’l, Schotsche munt (= ⅙ penny): Not worth a —

= geen duit waard.

Bodleian, bodlîən, bodliən: — Library = Bibliotheek door Sir T. Bodley

te Oxford gesticht.

Body, bodi, subst. lichaam, romp; lijk; lijfje, keurs; hoofdbestanddeel

(-inhoud), kern; het inwendige; persoon; corporatie, lichaam; troep,

bent; sterkte, dichtheid; stof, materie, stelsel; — verb. belichamen: A

respectable-looking — = persoon; He is but a poor — = arme stakkerd;

What a — you are! = wat ben je druk (lastig)! In a — = allen te zamen;

He is a no— = niets; The — of the House of Commons = het eigenlijke

Huis, het inwendige; The — of a will = inhoud; — of police =

politiemacht; To bear — = dekken (van kleuren); This is wine of a good

—, This wine has a good —, There is a good — to this wine = is pittig;

To keep — and soul together = den mond open houden (fig.); He set

bodily about it = hij legde er zich met de borst op toe; He was thrown

bodily on to the pavement = zoo lang als hij was; His skirts were torn

off bodily = er geheel afgescheurd; Imagination bodies forth, The form

of things unknown; —-clothes = kleeren (Schot.); —-cloths =

paardedekens; —-colour = dekkleur; —-corporate = zedelijk lichaam;

—-guard = lijfwacht; —-linen = lijflinnen; —-physician = lijfarts;

—-politic = staatslichaam; —-snatcher = lijkenroover; klabak.

Boeotia, bioušə, Beötië; adj. —n = onbeschaafd, dom; subst. Beötiër;

lomperd, domoor.

Boer, bûə, Hollandsche bewoner van Z.-Afr.

Bog, bog, subst. moeras, poel, veen(plas); — verb. dompelen of zinken

in modder; —-bean = waterklaver; —-butter = harsachtige stof in venen;

—(-house) = privaat; —-rush = cypergras; een soort rietzanger;

—-trotter = een scheldnaam, oorspronkelijk gegeven aan de Schotsche, en

thans aan zekere Iersche moerasbewoners; zware laarzen; —gy =

moerassig.

Bogey, bougi, boeman, schrikbeeld.

Boggle, bog’l, schrikken, schichtig worden, aarzelen, huichelen,

ongedurig zijn, prutsen; subst. schrik, prutserij: He had —d over these

words for the last hour = een uur lang er mee in zijne maag gezeten; —r

= aarzelend of bevreesd persoon, knoeier, stumper.

Bogie, bougi, wagentje met draaibaar onderstel, om gemakkelijk een

bocht te kunnen nemen. Zie Bogey.

Bogle, boug’l, Zie Bogey.

Bogus, bougəs, valsch, onecht, nagemaakt: — cheque; — club (zoogenaamde

sociëteit); — diploma; — firm; — subscription list.

Bogy, bougi: Black — = de boeman; Old — = Satan.

Bohea, bəhî, inferieure zwarte thee.

Bohemia, bəhîmjə, Bohemen; de kunstenaarswereld, meest in ongunstigen

zin; —n = Bohemer; Hussiet; Zigeuner; Boheemsche taal; Bohemien,

excentriek of verloopen kunstenaar; adj. Boheemsch; ongedwongen,

verloopen.

Boil, bôil, bloedvin, bloedzweer.

Boil, bôil, koken, zieden, bruisen, gaar koken: Off the — = van de

kook; On the — = aan de kook; To bring to the —; To — away = verkoken;

To — down to one half of its quantity (—ed down novels = onzinnig

verkorte romans); To — over; —er = kookketel, stoomketel: —er-scale =

ketelsteen; —ery = ziederij; —ing-point = kookpunt; —ing springs =

heete bronnen.

Bois le Duc, bwâlədjûk, ’s-Hertogenbosch.

Boisterous, bôistərɐs, onstuimig, hevig, rumoerig, onbesuisd; —ness =

onstuimigheid, etc.

Bokhara, bokhârə.

Boko, boukou, neus (Slang).

Bolar, boulə, bolusachtig.

Bold, bould, moedig, stout, vrijpostig, onbeschaamd, forsch, duidelijk

uitkomend, krachtig; steil, diep: May I make (be) so — as to ask you

this? = zoo vrij zijn? Which is a — word = en dat zegt wat; —-face =

onbeschaamde vent; —-faced = onbeschaamd; —-spirited = moedig, dapper;

—ness, moedigheid, etc.

Bole, boul, boomstam; tegelaarde; nis.

Boleyn, bulin.

Bolide, bolaid, boulid, meteoor.

Bolingbroke, boliŋbruk, buliŋbruk.

Boll, boul, subst. zaaddoos, knop; oude maat voor droge waren, ook

lengte- en vlaktemaat; — verb. zich tot zaaddoos vormen.

Bologna, bəlounjə; Bolognese, boulənjîs, boulənjîz = Bolognian,

Bologneesch; inwoner v. B.

Bolster, boulstə, subst. peluw; compres, onderlaag, kussen; — verb. met

kussens, etc. steunen, kunstmatig ophouden, verdedigen: That opinion is

—ed up by the few survivors of the expedition = wordt gesteund, in het

leven gehouden; —-case = sloop voor een —; —er, verdediger,

ondersteuner.

Bolt, boult, subst. grendel, bout, korte en stompe pijl, langwerpige

kogel, rol (geweven stof); bliksemstraal, plotselinge beweging; zeef,

buil; — verb. grendelen, snel voortloopen, binnenvliegen, op zij

springen, op hol gaan, er van door gaan; wegslingeren, afschieten,

opjagen, eruit flappen, haastig doorslikken of opdrinken; zich

afscheiden van (Amer.); zeeven, zuiveren, onderzoeken: To run, shoot

the — = grendelen; They have shot their — = kruit; A fool’s — is soon

shot = een gek heeft gauw zijn kruit verschoten; A — from the blue =

onverwachte, plotselinge (donder)slag (ook fig.); — upright =

kaarsrecht; — up against = pardoes tegen ... aan; We shall — it out =

nauwkeurig schiften; The horse —ed (made a —) = ging op hol; She —ed

with a count = ging er vandoor met; Do not — your bread and butter =

schrok je boterham niet zoo naar binnen; The house —ed the Navy

Estimates = deed snel af; —er = deserteur; buil; —ing-cloth =

buillinnen; —ing-hutch = zeefvat, builvat; —ing-mill = builmolen.

Bolton, boult’n.

Bolus, bouləs, groote pil; bittere pil (fig.).

Bomb, bom, bɐm, bom: —-ketch = bom; —-proof = bomvrij; —shell =

granaat; —ard, bɐmbâd, bombâd, bombardeeren; —ardier, bɐmbədîə,

bombədîə, bombardier; soort loopkever; —ardment = bombardement.

Bombasine = Bombazine.

Bombast, bombast, bɐmbast, subst. bombast (stof); bombast (fig.); —

verb. opvullen, opblazen; Bombastic(al) = bombastisch.

Bombax, bombaks, zijdewolboom.

Bombay, bombei.

Bombazin(e), bombəzîn, bɐmbəzîn, bombazijn.

Bombernickel, bombənik’l, pompernikkel.

Bombic, bombik, tot den zijdeworm behoorend.

Bombus, bombəs, oorsuizen; gerommel in de ingewanden.

Bombycinous, bombisinɐs, van zijde gemaakt, zijdewormkleurig; Bombyx,

bombiks, zijdeworm.

Bona fide, bounafaidî, bona fide, te goeder trouw, solied: — traveller

= iemand, die des Zondags verder dan 3 miles van huis is gereisd en met

het oog hierop een alcoholische verfrissching mag gebruiken.

Bonanza, bənanzə, rijke goudader; meevallertje.

Bond, bond, subst. band, verbond, contract, obligatie, verplichting;

boei, gevangenschap; het voegen van steenen; entrepôt; — adj. in

slaafschen toestand; — verb. goederen in entrepôt opslaan,

verhypothekeeren, verbinden (van metselwerk); —holder =

obligatiehouder; —(s)man = borg; lijfeigene, slaaf; —maid, —-servant,

—(s)woman = slavin; —age, bondidž, lijfeigenschap, heerendienst,

gevangenschap; —ager, bondidžə, een tot heerendiensten verplichte

huurboer (Schotland); —er, bondə, die goederen in entrepôt heeft; (dit

zijn —ed goods, of: Goods in —); —ed warehouse = entrepôt.

Bone, boun, subst. been, graat; —s = dobbelsteenen,

castagnetten(speler); — verb. de graten of beenderen verwijderen,

baleinen inzetten, met beenderenmeel bemesten; nivelleeren; stelen: I

will work my fingers to the — for you = mij kapot werken; I have a — to

pick with you = een appeltje te schillen; What is bred in the — will

not out of the flesh = een vos verliest wel zijn haren, maar niet zijn

streken; To plunder to the — = naakt uitschudden; Whale— = balein; — of

contention = twistappel; Body and —s = met huid en haar; You must make

no —s about it = er geen been in zien (vinden), geene bezwaren maken;

An old bag of —s of a horse = magere knol; Goodman —s = Vriend Hein;

Lazy —s = luilak, luiwammes; —-black = beenderkool, beenzwart; —-dust =

beendermeel; —-lace = een soort kant; —-setter = spotnaam voor een

chirurg; —-shaker = spotnaam voor de oude tweewielers; —less = zonder

been, slap; Boning-rod = nivelleerstok.

Bonfire, bonfaiə, vreugdevuur.

Boniface, bonifeis, Bonifacius; gemoedelijke waard.

Bonnet, bonət, subst. vrouwenhoed (zonder rand), muts, kap, bonnet

(zeewezen en vestingb.), vonkenvanger (v. locomotief), balcondak (v.

wagon); verb. de muts afnemen; den hoed of de muts over de oogen

trekken, drukken of slaan: —-box = hoedendoos (v. dames); —-cap =

ondermuts; —-stand = stander.

Bonny, boni, lief, mooi, vroolijk (Schotl.): A — lass = knappe meid.

Bonten, bont’n, soort wollen stof.

Bonum-magnum, boun’m magn’m, groote pruim (aardappel); soort stalen

pen.

Bonus, bounəs, subst. premie, extra dividend, gratificatie;

steekpenning; verb. eene premie of extra belooning geven.

Bony, bouni, Napoleon; adj. beenachtig, grof, beenhard.

Bonze, bonz, bonze, Boeddhistisch priester of monnik.

Boo, bû. Zie Booh.

Booby, bûbi, domkop, Jan van Gent; —-hut = een soort sleepkoetsje

(Amer.); —-hutch = boerenwagen; handkar; —-prize = poedelprijs; —-trap

= bijv.: een kan met water op een half geopende deur, die de

binnenkomende op zijn hoofd krijgt; —ish = stom, suf; subst. —ism.

Boodle, bûd’l, bud’l, troep, hoop, steekpenning, verduisterd geld,

valsch geld, buit; uilskuiken; —r = ambtenaar, die geld ten eigen bate

of voor omkooperij aanwendt (Amer.).

Boody, bûdi, pruilen.

Boo(h), bû, ba! subst. gejouw; — verb. uitjouwen; loeien.

Bo(o)hoo, bəhû, bûhû, subst. luid schreien: A — of laughter = een

bulderend gelach; — verb. blèren, huilen.

Book, buk, subst. boek, tekstboekje, schrijfboek; — verb. boeken,

plaats bespreken, een kaartje nemen, laten adresseeren: The — = The —

of —s = The — of God = Bijbel; — of complaints = klachtenboek; — of

reference = soort encyclopaedie; To be (to remain) in one’s (good) —s =

in een goed blaadje staan (blijven); To bring to — = ter verantwoording

roepen; To get in one’s bad (get out of one’s good) —s = uit de

‘gratie’ geraken; To go beyond the — = verder gaan dan men kan

verantwoorden; To kiss the — = een eed doen; To run into one’s — = bij

iemand in de schuld geraken; To speak by the — = angstvallig

nauwkeurig; To speak without — = onbevoegd; uit het hoofd; To take a

leaf out of one’s — = iemand iets afkijken; You must — for Windsor =

een kaartje nemen naar; To be —ed = opgegeven (van een zieke); To be

—ed for = vrij zeker zullen verkrijgen; —-account = boek van

ontvangsten en uitgaven; —-agent = colporteur; —binder(y) =

boekbinder(ij); —-case = boekenkast; —-hunter = verzamelaar van

zeldzame werken; —-keeper = boekhouder; —-keeping = boekhouden;

—-knowledge, —-learning = boekengeleerdheid; —-learned = belezen (doch

vaak onpraktisch); —-madness = bibliomanie; —-maker = boekenmaker (in

slechten zin); beroepswedder in de sportwereld (omdat hij van zijne

talrijke weddenschappen een book aanlegt); —-mark(er) = leeswijzer;

—-monger, bukmɐŋgə, handelaar in boeken; —-muslin = gestreepte

mousseline; —-oath = eed op den bijbel; —-positive = geheel zeker;

—-post = afdeeling voor drukwerk; —seller = boekverkooper; —-shelf =

boekenplank (—hanger = —-shelves); —-stall = boekenstalletje; —-stand =

stalletje (Draaibare stander = Revolving —-stand); —-tea = een ‘tea’

waarop de gasten iets, of een kostuum moeten dragen, dat aan een

bepaald boek herinnert; —-trade = boekhandel; —-worm = boekenworm (ook

fig.); —ie = —maker; —ing-clerk = klerk of ambtenaar aan het loket;

—ing-hall = vestibule met loketten; —ing-office = plaatsbureau; —ish,

bukiš, geleerd, pedant; —ishness = boekengeleerdheid; —y = —ish.

Boom, bûm, subst. boom, havenboom, spier; gebrom, gegons, gedreun,

gebulder; een plotselinge vraag naar een artikel, plotseling rijzen van

prijzen of koersen, reclame, zwendel; — verb. gonzen, dreunen,

bulderen; met een boom uitzetten, voortboomen; plotseling in de hoogte

gaan (drijven), zich snel ontwikkelen: The burglary season begins to —

= het begint te leven van dieven en inbrekers; That caused quite a — in

the oil-trade; The Wagner —; The market was —ish = ging plotseling in

de hoogte.

Boomerang, bûməraŋ, boemerang.

Boon, bûn, subst. gave, gunst; gebed, verzoek; afval van vlas; adj.

vriendelijk, mild; vroolijk, lustig.

Boor, bûə, boerenkinkel, lomperd, Afrik. boer: —ish = boersch,

onbeschaafd: —ish work = ruw hardsteenwerk; subst. —ishness.

Boose, bûz, sterk drinken, zuipen; subst. drank; —r = zuiper; Boosy =

dronken.

Boost, bûst, subst. een zetje; — verb. een zetje geven, omhoog werpen,

opkammen (fig.): The bull —ed up the sand like a whirlwind.

Boot, bût, voordeel, nut, toegift; — verb. helpen, baten: To — = op den

koop toe, bovendien; What —s it? = wat geeft het? —less = nutteloos;

—lessness = nutteloosheid.

Boot, bût, subst. laars, schoen, Spaansche laars (folterwerktuig), bak

of kist (voor of achter aan een wagen), lederen kleed (voor de beenen)

in een rijtuig: — verb. laarzen aantrekken of aanhebben; schoppen

(Amer.): Butcher —s = vetleeren laarzen; Puss in —s = de gelaarsde kat;

Ogre’s (Seven league) —s = zevenmijlslaarzen; The —s = huisknecht in

een hotel, jongste officier, jongste lid van een club; I gave him the

—s = de folterlaarzen aan; er van geven; —ed and spurred = gelaarsd en

gespoord; —-black = laarzenpoetser; —-crimp = laarzebeen; —-last

(—-tree) = leest; —-hose (—-stockings) = lederen slobkousen; —-hook =

laarzenhaak; —-jack = laarzenknecht; —-lick = lage vleier (Amer.); —ee,

butî, kindersokje, halve of korte dameslaars.

Booth, bûdh, bûth, kraam, tent.

Bootikin, bûtikin, laarsje.

Booty, bûti, buit, roof: To play — = spelen met het plan om te

verliezen, of om, met een derden, den tegenspeler tot slachtoffer te

maken; To ride — = zich laten omkoopen bij wedrennen, en opzettelijk

verliezen.

Booze = Boose.

Borage, bɐridž, bernage.

Borax, bôraks, borax; Boracic acid, bərasikasid, boraxzuur.

Bordage, bödidž, ’t bezit van een domein met verplichting van enkele

heerendiensten; zijplanken van een schip.

Border, bödə, subst. rand, grens, boord, randversiering, rabat, zoom,

smal bloembed: The — = de grens tusschen Engel. en Schotl.; — verb.

grenzen (on, upon), aanliggen; met een rand versieren; —land =

grensland (ook fig.), tusschenliggend land; The Scottish —ers =

grensbewoners.

Bore, bö, subst. boorgat, ziel, diameter, kaliber (van geweer of

kanon); vloedgolf; vervelend mensch, vervelend iets; — verb. boren,

doorboren, voortdringen, indringen, van de baan dringen (rensport),

tegen de omheining dringen (bij ’t boksen); den kop vooruit steken

onder ’t loopen (van paarden); vervelen: Blue — = opening in een

wolkengordijn waardoor men ’t blauw kan zien (Schotl.); What a —! = wat

een vervelende vent, wat vervelend; I feel —d = heb het land; —dom =

verveling: A member of —dom = vervelende vent; —r = boor; Borings =

krullen, door het boren ontstaan.

Boreal, bôriəl, den Noordenwind betreffend, noord - -; Boreas, bôriəs,

Boreas, Noordenwind.

Borecole, bökoul, boerenkool.

Born, bön, geboren: He was — in the fifties = is geboren tusschen 1850

en 1860; He was — (of) on a Sunday = is een Zondagskind; — to a large

estate = erfgenaam van; He was — with a silver spoon in his mouth =

rijk (voor ’t geluk) geboren; I was not — yesterday = ben niet van

gisteren; — again = wedergeboren; I never saw it in all my — days = van

m’n leven niet.

Borne, bön, part. perf. van to Bear = dragen: All charges — = na aftrek

van alle kosten.

Borough, bàrou, gemeente met per royal charter verleende privileges;

een stad met vertegenwoordiging in het Parlement; —-english = overgaan

van land aan den jongsten, in plaats van aan den oudsten zoon of

broeder; —-monger, bɐroumɐŋgə, iemand, die de parlementsplaatsen van

een borough verkwanselt.

Borrow, borou, borgen, leenen van, ontleenen, copiëeren: Who goes

a-—ing goes a-sorrowing = borgen baart zorgen; To — trouble = zich

onnoodig bezorgd maken.

Bort, böt, boort.

Boscage, boskidž, bosschage, boschlandschap; gedroogd loof als

veevoeder.

Bosh, boš, subst. nonsens, malligheid; margarine; — verb. voor den mal

houden, bedotten.

Bosjesman, bošəzman, Boschjesman.

Bosk (Bosket), bosk, boschje; —y, boski, rijk aan bosch, schaduwrijk;

beneveld; Boskiness, boschachtigheid.

Bosnia, bozniə, bosniə, Bosnië; —c = Bosniër, Bosnisch.

Bosom, buz’m, subst. boezem, borst; — verb. in zijn hart besluiten,

geheimhouden; In Abraham’s —; The — of a shirt; —-friend =

boezemvriend; omslagdoek.

Bosquet, boskət = Bosk.

Boss, bos, subst. knop, bult; misgooi; baas (Amer.); adj. voornaamste,

uitstekend; — verb. aan het hoofd staan van; drijven, met knoppen

versieren; missen: He —es the show = is de baas van ’t spul; —-eyed =

met één oog, scheel; —ed silver = gedreven; —y = met knoppen versierd.

Boston, bost’n; adj. en subst. Bostonian; Boswell, bozwel.

Botanic, bətanik, botanisch; Botanist = plantkundige; Botanize =

botaniseeren: Botanizing-box; Botany = plantkunde.

Botany Bay, botəni bei, een vroegere strafkolonie in Oost-Australië: To

go to — = gedeporteerd worden.

Botch, botš, subst. gezwel; leelijke lap, knoeiwerk; — verb.

samenflansen, leelijk lappen of verstellen; —er = knoeier; —ery = lap-

of knoeiwerk; —y = gelapt, verknoeid.

Bot-fly, botflai, paardevlieg, brems.

Both, bouth, beide: — you and your friend = gij zoowel als; — of us, of

them = wij, zij beiden; — ways = naar beide kanten, op beide manieren.

Bother, bodhə, subst. plager, kwelgeest; — verb. plagen, kwellen: — it

= loop naar den duivel! — the flies! = die verwenschte vliegen! You

will — the life out of me = je maakt me nog gek met je gezanik; —ation,

bodhəreiš’n, gezanik: —ation to it! = loop naar de pomp!

Bothie, Bothy, bothi, hut, waar het boerenhulppersoneel van beide

geslachten woont (Schotl.).

Bots, bots, een door de larve der Bot-fly veroorzaakte ziekte.

Bottine, bətîn, bottine.

Bottle, bot’l, subst. flesch, karaf, leeren wijnzak; bos hooi of stroo;

verb. bottelen: —d up = gebotteld; ingehouden (van toorn); —-companion

(—-friend) = drinkebroer, pooieraar; —-feeding = grootbrengen met de

flesch; —-glass = groen glas; —-heath = dopheide; —-holder =

flesschebakje; secondant (met flesch water ter verfrissching en

afwassching) bij een vuistgevecht, helper; —-label = etiket; —-nose =

dikke (jenever)neus; —-rack = flesschenrek; —r = aftapper.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 12 / 141 段