Inquietude, inkwaiitjûd, ongerustheid.

Inquire, inkwaiə, vragen, onderzoeken: — after him = informeer naar; He

—d into the matter = onderzocht; — within = informatiën hier te

verkrijgen; —r; Inquiring look = vorschende, vragende blik; Inquiry,

inkwairi, vraag, onderzoek, navraag: Writ of — = rechterlijk bevel ter

vaststelling van het bedrag eener schadeloosstelling; To make inquiries

= onderzoek doen; —-office = informatiebureau; Inquisition, inkwiziš’n,

onderzoek, inquisitie, gerechtelijk onderzoek; Inquisitive, inkwizitiv,

onderzoekend, nieuwsgierig; subst. —ness; Inquisitor, inkwizitə,

rechter met het onderzoek belast, inquisiteur; Inquisitorial,

inkwizitôriəl, streng onderzoekend, tot de inquisitie behoorende.

Inroad, inroud, vijandelijke inval, inbreuk: To make an — upon =

inbreuk maken op.

Inrush, inrɐš, inval, binnendringen.

Insalubrious, insəl(j)ûbriəs, ongezond; subst. Insalubrity,

insəl(j)ûbriti.

Insane, insein, krankzinnig, dol; subst. —ness = Insanity, insaniti.

Insatiability, inseišəbiliti, subst. v. Insatiable, inseišəb’l,

onverzadelijk; Insatiate, inseišit, onverzadelijk, onverzadigd.

Inscribe, inskraib, opschrijven, graveeren, opdragen, wijden, inprenten

(— on the memory), beschrijven; —r; Inscription = opschrift, opdracht,

onderschrift; Inscriptive = van een opschrift voorzien.

Inscrutability, inskrutəbiliti, subst. v. Inscrutable, inskrûtəb’l,

onnaspeurlijk; subst. —ness.

Insect, insekt, subst. insect; adj. als van een insect, klein,

verachtelijk: —-powder; —icide, insektisaid, praeparaat om insecten te

dooden; —ivora, insektivərə, insecten-etenden; —ivorous, insektivərɐs,

insectenetend.

Insecure, insəkjûə, onveilig; subst. Insecurity, insəkjûriti.

Insensate, insensit, gevoelloos, zinneloos, onzinnig.

Insensibility, insensibiliti, subst. v. Insensible, insensib’l,

onmerkbaar, ongevoelig, niet bewust, onverschillig, bewusteloos: — of

danger, — of pain, — to shame; Insensibly = onmerkbaar, langzamerhand;

Insensitive = ongevoelig (to); Insensient = gevoelloos.

Inseparability, insepərəbiliti, subst. v. Inseparable, insepərəb’l,

onscheidbaar, onafscheidelijk; subst. —ness; Inseparate = onscheidbaar

(from).

Insert, insɐ̂t, opnemen, invoegen; —ion, insɐ̂š’n, plaatsing of opneming

(Amer. = Insert), inlassching, tusschenzetsel.

Inset, inset, inzetten, inleggen; Inset = het ingezette, ingezet blad.

Insheathe, inšîdh, in de scheede steken.

Inshore, inšö, nabij of aan de kust, naar de kust toe.

Inside, insaid, insaid, subst. binnenkant, binnenste, inhoud, passagier

binnenin; adj. insaid, aan den binnenkant, inwendig, binnen: To turn —

out = binnenste buiten; — callipers = bolpasser; Insider, insaidə,

ingewijde.

Insidious, insidjəs, verraderlijk, sluw, arglistig; subst. —ness.

Insight, insait, inzicht, begrip.

Insignia, insigniə, onderscheidingsteekenen.

Insignificance, —cy, insignifik’ns(i), onbeteekenendheid; adj.

Insignificant.

Insincere, insinsîə, onoprecht, huichelachtig; subst. Insincerity,

insinseriti.

Insinuate, insinjueit, zich ongemerkt indringen, ongemerkt voeren of

plaatsen tusschen (among), bedekt te kennen geven, kronkelen: They —d

the pony among carts and baskets; She —d herself into her mother’s

favour; Insinuating, insinjueitiŋ, kronkelend, inpakkend, vleierig;

Insinuation = vleiend op- of indringen; insinuatie; Insinuative =

insinueerend, inpakkend; Insinuator.

Insipid, insipid, laf, smakeloos; subst. —ity, insipiditi.

Insist, insist, aandringen, staan op, blijven bij: This need hardly be

—ed on = hierover behoeven we niet uit te weiden; —ence (—ance) =

halstarrigheid, aandrang; adj. —ent.

Insnare, insnêə, verstrikken, verleiden; —r.

Insobriety, insəbraiiti, onmatigheid.

Insociable, insoušəb’l, ongezellig.

Insolence, insəlens, onbeschaamdheid; adj. Insolent.

Insolubility, insoljubiliti, subst. v. Insoluble, insoljub’l,

onoplosbaar, onverklaarbaar.

Insolvency, insolv’nsi, staat van onvermogen; Insolvent, insolv’nt,

subst. en adj. onvermogend(e), insolvent.

Insomnia, insomniə, slapeloosheid.

Insomuch, insoumɐtš, voor zooverre, zóó dat.

Inspan, inspan, aanspannen (Transvaal).

Inspect, inspekt, inspecteeren, het opzicht houden over; —ion,

inspekš’n, nauwkeurig onderzoek, opzicht: For your kind —ion = ter

inzage; —or = inspecteur; —orate = —orship = opzienerschap, inspectie

(-district).

Inspiration, inspireiš’n, inademing, ingeving, inspiratie; —al =

geinspireerd, inspireerend; —ist = iemand die gelooft dat ieder woord

van den Bijbel door den H. Geest is ingegeven; Inspiratory,

inspairətəri, inspirətəri: — muscle = longspier; Inspire, inspaiə,

inademen, ingeven, inboezemen, bezielen.

Inspirit, inspirit, bezielen, geest en leven mededeelen, opwekken, moed

geven.

Inspissate, inspisit, adj. verdikt; — verb. (inspiseit, inspiseit),

verdikken, indampen; dik worden; subst. Inspissation.

Instability, instəbiliti, onbestendigheid, wankelmoedigheid.

Install, instôl, met een ambt bekleeden, installeeren; —ation =

installatie; —ment = installatie, afdoening, termijn (van betaling),

gedeelte: They bought a piano on the —ment plan = op afbetaling in

termijnen; The article will be inserted in —ments = bij gedeelten.

Instance, inst’ns, subst. aandrang, verzoek, instantie, geval,

voorbeeld; — verb. een voorbeeld aanhalen of geven: At the — of = op

aandrang van; He resigned at the — of popular clamour = op den

krachtigen aandrang der volksstem; For — = bij voorbeeld; It was a kind

thought in the first — = in de eerste plaats; Instant, inst’nt,

loopend, dadelijk, dringend; subst. oogenblik; The fifth inst(ant) = de

5de dezer; This —, On the — = dadelijk; Instantaneous, inst’nteinjəs,

oogenblikkelijk, in een oogenblik, moment - -; subst. —ness; Instanter,

instantə, dadelijk, onmiddellijk; Instantly = dadelijk: We expect it —

= elk oogenblik.

Instate, insteit, aanstellen, plaatsen.

Instauration, instôreiš’n, hernieuwing, herstelling.

Instead of, instedəv, in plaats van.

Instep, instep, wreef (van den voet): To be (To go) high in the — = den

neus in den wind steken.

Instigate, instigeit, aansporen, aanzetten, ophitsen; subst.

Instigation: Under the — of = op aansporing van; Instigator,

instigeitə, aanzetter, ophitser.

Instil, instil, indruppelen, langzamerhand inprenten; subst. —lation =

—ment.

Instinct, instiŋkt, subst. natuurdrift; adj. (instiŋkt), bezield,

doordrongen van, vol: — with life; —ive, instiŋktiv, instinctmatig,

spontaan.

Institute, institjût, subst. instelling, wet, genootschap(sgebouw),

(wets)instituut; — verb. instellen, stichten, vaststellen, beginnen,

aanstellen: An inquiry was —d into (as to) his actions = ingesteld;

Institution, institjûš’n, instelling, aanstelling, wet, stichting,

genootschap(sgebouw); Institutional = instellend, vastgesteld,

elementair; Institutor, institjûtə, insteller, oprichter: — of law =

wetgever.

Instruct, instrɐkt, onderwijzen, leeren, instrueeren, last geven: To —

national opinion = opvoeden; He was —ed out = hij werd op hooger last

uit zijn ambt ontslagen (Amer.); —ion = onderwijs, bevel, last; —ional

= onderwijs - -, opvoedings; —ive = onderwijzend, leerzaam; subst.

—iveness; —or, onderwijzer, instructeur; vr. —ress.

Instrument, instrument, werktuig, instrument (ook fig.), middel,

gereedschap, stuk, document, oorkonde; — verb. instrument,

instrumenteeren; —al, instrument’l, instrumentaal; dienstbaar,

bevorderlijk voor: That will be —al to your welfare = zal strekken tot;

—ality = bemiddeling, werktuig, middel: By the —ality of = door middel

van; —ary, instrumentəri = —al; —ation = arrangement, instrumenteering;

—oon, instrum’ntûn, kwispeldoor (Amer.).

Insubordinate, insəbödinit, weerspannig, oproerig; subst.

Insubordination.

Insuccess, insəkses: Methods, received with conspicuous — = waarmee men

absoluut geen succes had.

Insufferable, insɐfərəb’l, onverdragelijk.

Insufficiency, insəfiš’nsi, ongenoegzaamheid, onbekwaamheid; adj.

Insufficient.

Insufflation, insəfleiš’n, inblazing, opgeblazenheid; Insufflator =

inblaasapparaat.

Insular, insiulə, van een eiland, geisoleerd, bekrompen; subst. —ism =

—ity, insiulariti.

Insulate, insiuleit, afzonderen, isoleeren (ook in natuurk. zin):

Insulating-stool (electr.); The insulation of overhead wires = het

isoleeren van; Insulator, insiuleitə, isolator.

Insult, insɐlt, beleediging, hoon.

Insult, insɐlt, beleedigen, honen; —er.

Insuperability, insiupərəbiliti, subst. v. Insuperable, insiûpərəb’l,

onoverkomelijk; subst. —ness.

Insupportable, insəpötəb’l, on(ver)dragelijk; subst. —ness.

Insuppressible, insəpresib’l, niet te onderdrukken.

Insurable, inšûrəb’l, verzekerbaar; Insurance, inšûr’ns, verzekering

(in ’t algemeen; op het leven ook wel assurance), assurantie: To effect

(To make) an — = een verzekering sluiten; Accident — = verzekering

tegen ongevallen; Fire, Hailstorm, Life, Live Stock, Marine, Sanitary —

= verzek. tegen brand, hagelslag, levensverzek., veeverzek.,

zeeassurantie, verz. tegen ziekte en invaliditeit; —-agent; —-broker =

assuradeur; —-company = verzekeringsmaatschappij; —-money =

verzekeringspremie; —-office = assurantiekantoor; —-policy =

assurantiepolis; Insure, inšûə, verzekeren: I —d my voyage out and home

= heb mij voor de heen- en terugreis verzekerd; —d: The —d party =

Party —d = de verzekerde; —r = verzekeraar.

Insurgence, -cy, insɐ̂dž’ns(i), opstand; Insurgent, insɐ̂dž’nt, subst. en

adj. oproermaker, oproerig.

Insurmountable, insəmauntəb’l, onoverkomelijk; subst. —ness.

Insurrection, insərekš’n, opstand, muiterij: They rose (were roused) in

— against their lawful prince = kwamen in (werden gebracht tot) opstand

tegen; adj. —al = —ary; —ist = Insurgent.

Insusceptibility, insəseptibiliti, subst. v. Insusceptible,

insəseptib’l, onvatbaar (voor indrukken).

Intact, intakt, onaangeroerd, ongeschonden.

Intaglio, intaljou, intâljou, subst. gegraveerde edelsteen, tegenover

Cameo (die in relief is gesneden).

Intake, inteik, inham, vernauwing, insnoering.

Intangibility, intandžibiliti, subst. v. Intangible, intanžib’l,

onvoelbaar, ontastbaar.

Integer, intədžə, het geheel, geheel getal; Integral, intəgr’l, subst.

geheel getal, integraal; adj. geheel, volledig, ongeschonden,

integraal...; Integrant, intəgr’nt, deel van een geheel vormend,

integreerend: — parts = samenstellende deelen; Integrate, intəgreit,

het geheel aanwijzen, de integraal vinden van; subst. Integration.

Integrity, integriti, oprechtheid, braafheid, onverdorvenheid,

volledigheid.

Integument, integjument, vlies, vel, huid; adj. Integumental =

Integumentary.

Intellect, intəlekt, verstandelijk vermogen; ontwikkeling, de

ontwikkelden: —s = verstand: Disordered in his —s; —ive, intəlektiv,

verstandelijk; —ual, intəlektjuəl, verstands..., intellectueel: —ual

powers = verstandelijke vermogens; —alism, intəlektjuəlizm, de leer dat

alle kennis van de zuivere rede komt, rede-overschatting; —uality =

verstandelijk vermogen.

Intelligence, intelidžens, verstand, oordeel, begrip, verkregen kennis,

vlugheid v. begrip; bericht, inlichting, nieuws: A wink of — =

knipoogje van verstandhouding; — department = informatie-departement

(-bureau); —-office = informatiebureau, adreskantoor; Intelligent,

intelidžent, verstandig, vlug v. geest, intelligent; Intelligibility,

intelidžibiliti, begrijpelijkheid, duidelijkheid; adj. Intelligible.

Intemperance, intempər’ns, onmatigheid, overdaad; Intemperate,

intempərit, onmatig, te buiten gaande; guur, ruw.

Intend, intend, zich voornemen, van plan zijn, bedoelen, bestemmen: He

is —ed for the church = zal predikant worden; I — to leave (leaving) at

four = ben van plan; She is —ed to marry him = zij is voor hem bestemd;

He is not —ed to listen = niet van plan; —ed = subst. en adj.

verloofd(e).

Intendancy, intend’nsi, intendance; Intendant = intendant.

Intense, intens, krachtig, ingespannen, hevig, geweldig, bovenmate;

subst. —ness; Intensification = versterking, verhooging; Intensifier =

versterker; Intensify, intensifai, verhoogen, versterken.

Intension, intenš’n, spanning, intensiteit; Intensity, intensiti,

intensiteit, kracht, hevigheid; Intensive, intensiv, versterkend,

intensief: — cultivation.

Intent, intent, subst. plan, voornemen, bedoeling: He is the right man

to all —s and purposes = in alle opzichten, inderdaad; To the — that =

opdat (veroud.); He is — on his work = ijverig bij, vervuld van zijn

werk; He looked —ly at me = opmerkzaam; Intention = voornemen, doel,

bedoeling, einde: By the first — = snel; —al = met een bepaald oogmerk;

A well-—ed man = met goede bedoelingen; Intentness = gespannen

opmerkzaamheid, ijver.

Inter, intɐ̂, ter aarde bestellen, begraven; —ment = teraardebestelling.

Inter, intə, in samenstellingen: tusschen in: — alia, (intəreiljə) =

o.a.

Interact, intərakt, subst. tusschenbedrijf, tusschenwerk; — verb.

intərakt, wederzijds werken op; —action = wisselwerking.

Interbreed, intəbrîd, kruisen van dieren of planten.

Intercalate, intɐ̂kəleit, inlasschen, inschuiven (van een dag, b.v.);

Intercalary = ingelascht: — day; Intercalation = inlassching.

Intercede, intəsîd, tusschenbeide komen, pleiten, voorspreken; —r.

Intercept, intəsept, onderscheppen, tegenhouden, verbreken, afsnijden,

versperren, afbreuk doen aan: To — the trade; subst. Interception.

Intercession, intəseš’n, voorspraak, tusschenkomst, bemiddeling: To

make — to a person for; adj. —al: Intercessor, intəsesə, middelaar,

tusschenpersoon: —y = bemiddelend.

Interchange, intətšeinž, subst. ruil, wisseling, ruilhandel,

afwisseling; — verb. intətšeinž, wisselen, ruilen, ruilhandel drijven,

afwisselen; subst. —ability, adj. —able = verwisselbaar, afwisselend.

Intercolonial, intəkəlounj’l, interkoloniaal, tusschen de koloniën

onderling.

Intercommunicate, intəkəmjûnikeit, onderling gemeenschap hebben, met

elkaar verkeeren, meedeelen; Intercommunication, onderling verkeer =

Intercommunion; Intercommunity, wederzijdsche mededeeling,

gemeenschappelijkheid.

Intercourse, intəkös, omgang, verkeer.

Intercross, intəkros, onderling kruisen.

Intercurrent, intəkɐr’nt, ongeregeld: — pulse.

Interdependence, intədipend’ns, onderlinge afhankelijkheid; adj.

Interdependent.

Interdict, intədikt, verbod: To put an — upon = verbieden; To lay under

an —.

Interdict, intədikt, verbieden: To — a person from a thing, To — a

person, a thing = iemand uitsluiten van (bijv. kerkelijke gemeenschap),

subst. —ion; adj. —ory.

Interest, intərest, belangstelling, belang, voordeel, invloed, aandeel,

interest; — verb. belang stellen, belang inboezemen, belang hebben,

enz.: I disposed of a third — in the factory = ik verkocht een derde

aandeel; To attend to a person’s —s = waken voor de belangen; To excite

a person’s — = belangstelling wekken; To have an — in = belang hebben

bij; He has little or no — = weinig of geen invloed; Most of them lost

on — account, and closed mills = konden hun interest niet goedmaken; To

promote a person’s —s = iemand’s belangen bevorderen; Put out at — = op

interest gezet; To take an — in = belangstellen in; Compound, simple —

= samengestelde, enkelvoudige interest; The cotton (iron, landed,

moneyed, shipping) — = de gezamenlijke katoenspinners (ijzerhandelaars,

landeigenaren, geldmannen, reeders); —-ticket, —-warrant = coupon; He

—ed himself for me = stelde belang in mij, trok zich mijner aan; I am

—ed in your fate = stel belang in; He is —ed in the matter = heeft

belang bij; —ed marriages (marriages of —) = waarbij andere belangen in

het spel zijn dan de liefde; —ing = belangwekkend.

Interfere, intəfîə, tusschenbeide komen, benadeelen, storend werken,

interfereeren, aanslaan of strijken (van paarden): Don’t — with me =

bemoei u niet; If it does not — with your plan = niet verstoort; —nce,

intəfîr’ns, bemiddeling, bemoeiing, botsing, interferentie; —r;

Interfering = storend, belemmerend.

Interim, intərim, subst. tusschentijd; adj. tijdelijk: In the — =

voorloopig.

Interior, intîriə, binnen, inwendig, binnenlandsch; subst. binnenste,

binnenland: Department (Secretary) of the — = Departement (Minister) v.

Binnenlandsche Zaken (Amer.); — angle = binnenhoek.

Interjacency, intədžeis’nsi, tusschenligging; adj. Interjacent.

Interjaculate, intədžakjuleit, aanmerkingen (opmerkingen) tusschenin

maken = To interject; Interjection = tusschenwerpsel; adj.

Interjectional = Interjectionary = Injectory: — remarks = tusschenin

gemaakte aanmerkingen.

Interlace, intəleis, tusschenvlechten, doorheen vlechten; doorvlochten

of ineengestrengeld zijn: —d arches = kruisbogen; subst. —ment.

Interlaminated, intəlamineitid, tusschen twee platen of vlakken

gelegen.

Interlard, intəlâd, doorspekken, vermengen.

Interleaf, intəlîf, doorschoten blad; To interleave, intəlîv,

doorschieten met wit papier.

Interline, intəlain, tusschen (de regels) schrijven; —ar, —al,

intəlinjə(l), tusschen de regels, interliniair; —ation, intəlinieiš’n,

plaatsing tusschen de regels, doorhaling en vervanging van woorden.

Interlock, intəlok, in elkaar sluiten (-haken, -grijpen).

Interlocution, intələkjûš’n, onderhoud; Interlocutor, intəlokjutə,

deelnemer aan een gesprek: My — = de persoon met wien ik spreek; —y =

uit eene samenspraak bestaande; voorloopig.

Interlope, intəloup, beunhazen, opjagen der prijzen, zich onbevoegd

indringen; —r = indringer, beunhaas.

Interlude, intəl(j)ûd, tusschenspel, “entre-acte”, intermezzo (ook

fig.).

Interlunar, intəl(j)ûnə, den tijd van de nieuwe maan betreffende: —

nights.

Intermarriage, intəmaridž, onderling huwelijk (tusschen families of

stammen); Intermarry, intəmari, onder elkander huwen.

Intermaxillary, intəmaksiləri, intəmaksiləri: — bone =

tusschenkaaksbeen.

Intermeddle, intəmed’l, zich (ongepast) bemoeien met; —r = bemoeial.

Intermediary, intəmîdjəri, tusschenliggend of komend, verbindings - -;

subst. agent, tusschenpersoon.

Intermediate, intəmîdjit, tusschen(komend of liggend), verbindings - -,

indirect: — cylinder = middelb. druk cylinder; — education (— schools)

= middelbaar onderwijs (hoogere burgerscholen); — person =

tusschenpersoon.

Interminable, intɐ̂minəb’l, oneindig, vervelend, gerekt; subst. —ness.

Intermingle, intəmiŋg’l, (zich) onderling vermengen.

Intermission, intəmiš’n, tusschenpoos, onderbreking; Intermissive.

Intermit, intəmit, tijdelijk afbreken, ophouden, verpoozen; —tence,

—tency = onderbreking; —tent fever = intermitteerende koorts = —ting

fever.

Intermix, intəmiks, onder elkander mengen; —ture = mengsel,

dooreenmenging.

Intermural, intəmjûr’l, tusschen de muren.

Intermuscular, intəmɐskjulə, tusschen de spieren.

Intern, intɐ̂n, interneeren, waren naar het binnenland zenden (Amer.);

—al = innerlijk, inwendig, inlandsch; —ation = zending naar het

binnenland; —ment = interneering.

International, intənašən’l, subst. “de Internationale” Zie: —ist adj,

internationaal: — law = volkenrecht; —ism = internationalisme; —ist,

subst. lid van de “Internationale”, soc. arbeidersvereenig. opgericht

te Londen in 1864; adj. tot de “I” behoorende; —ize = internationaal

maken.

Internecine, intənîs(a)in, moorddadig, verdelgings-: — war.

Internodal, intənoud’l, tusschen twee knoopen of geledingen; Internode,

intənoud, lid of been tusschen twee knoopen of geledingen.

Internuncius, intənɐnšəs, pauselijk vertegenwoordiger.

Interoceanic, intəroušianik, tusschen twee oceanen.

Interosseal, intərosiəl, tusschen de beenderen gelegen = Interosseous.

Interpellant, intəpel’nt, in de rede vallend; interpellant;

Interpellate, intəpeleit, interpelleeren; Interpellation =

interpellatie.

Interplead, intəplîd, met iemand over eigendomsrecht procedeeren.

Interpolate, intɐ̂pəleit, inschuiven, tusschenvoegen, interpoleeren;

Interpolator; Interpolation = interpolatie.

Interpose, intəpouz, tusschenplaatsen, (zich) opdringen, in de rede

vallen, tusschen beide komen, in ’t voorbijgaan opmerken: They didn’t —

in her management, or interfere in the choice of servants = zij

bemoeiden zich niet met; To — appeal = appèl aanteekenen; —r;

Interposition, intəpəziš’n, tusschenkomst, bemiddeling.

Interpret, intɐ̂prət, verklaren, vertalen, vertolken; —er = tolk,

uitlegger: Student —er = leerling tolk; —ation, intəpriteiš’n,

vertolking, verklaring.

Interregnum, intəregn’m, tusschenregeering.

Interrogate, interəgeit, (onder)vragen; subst. Interrogation;

Interrogative, intərogətiv, subst. en adj. vragend (voornaamwoord);

Interrogator, interəgeitə, (onder)vrager, interpellant; Interrogatory,

intərogətəri, vragend; subst. verhoor, schriftelijke vraag.

Interrupt, intərɐpt, in de rede vallen, afbreken, storen; —er; —ion =

onderbreking, storing, pauze; adj. —ive.

Interscapular, intəskapjulə, tusschen de schouderbladen.

Intersect, intəsekt, (door)snijden, (door)kruisen; —ion = doorsnede,

snijpunt, kruispunt.

Interspace, intəspeis, tusschenruimte; — verb. intəspeis,

tusschenruimte overlaten of aanvullen, innemen.

Intersperse, intəspɐ̂s, overal verspreiden, (rond)strooien.

Interstice, intɐ̂stis, intəstis, tusschenruimte; adj. Interstitial,

intəstiš’l.

Intertropical, intətropik’l, tusschen de tropen of keerkringen.

Intertwine, intətwain, dooreenvlechten; subst. —ment.

Intertwist, intətwist = Intertwine.

Interval, intəv’l, tusschenruimte(-tijd), interval, pauze, vlakke grond

tusschen heuvels (ook intervale gespeld; Amer.): At —s = van tijd tot

tijd.

Interveined, intəveind, geaderd.

Intervene, intəvîn, liggen tusschen, tusschenbeide komen, storen;

Intervention, intəvenš’n, tusschenkomst, bemiddeling.

Intervertebral, intəvɐ̂təbr’l, tusschen de wervels.

Interview, intəvjû, subst. samenkomst, gesprek, formeel bezoek van een

dagbladcorrespondent aan een bekend persoon om hem op onderscheidene

punten te hooren; — verb. formeel bezoeken om ingelicht te worden; —er.

Interweave, intəwîv, dooréénweven.

Intestacy, intestəsi, afwezigheid van een testament; Intestate,

intestit, zonder testament overleden, niet bij testament vermaakt;

subst. persoon, die zonder testament gestorven is.

Intestinal, intestin’l, tot de ingewanden behoorende; darm...;

Intestine, intestin, inwendig, binnenlandsch: — war = burgeroorlog; —s

= darmen, ingewanden.

Inthral, inthrôl, tot slavernij brengen, insluiten.

Intimacy, intiməsi, gemeenzaamheid, vertrouwelijkheid; Intimate,

intimit, adj. gemeenzaam, vertrouwelijk; subst. boezemvriend(in); —

verb. (intimeit) vertrouwelijk mededeelen, te kennen geven; Intimation,

intimeiš’n, kennisgeving, wenk: — of death = kennisgeving van

overlijden.

Intimidate, intimideit, vrees aanjagen, ontmoedigen, beangst maken;

subst. Intimidation; adj. Intimidatory.

Intimity, intimiti, intimiteit.

Intitulation, intitjuleiš’n, subst. v. Intitule, intitjûl, betitelen.

Into, intu, in (drukt “richting” uit): He was laughed — good humour

again = door lachen werd zijn goed humeur hersteld; Let me look — it =

laat mij het eens onderzoeken, inzien; This room looks — the garden =

ziet uit op; He reasoned them — courage = hij wist door zijne woorden

hun moed te doen herleven; You are sitting well — the fire = je zit

haast bovenop het vuur.

Intolerability, intolərəbiliti, subst. v. Intolerable, intolərəb’l,

onduldbaar, onverdragelijk; subst. —ness.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 60 / 141 段