knuppel; —-horse = rekje; —ling = linnen voor handdoeken, pak ransel.
Tower, tauə, subst. toren zonder spits, burcht, kasteel, hoog kapsel; —
verb. zich verheffen, uitsteken boven, hoogvliegen: — of silence =
ronde toren, waarin de Perzen (in Indië) hunne dooden (tot aas voor de
gieren) leggen; —-bastion = kleine toren in den vorm van een bastion;
—ing = zeer hoog of groot, buitengewoon hevig: —ing rage.
Town, taun, subst. stad: — and gown = de stedelingen tegenover
professoren en studenten; He is a man about — = roué, viveur, iemand,
die veel uitgaat; A man on — = een “city”-man; A girl of the — =
prostituée; — clerk = gemeente-secretaris en archivaris; — council =
gemeenteraad; — councillor = gemeenteraadslid; —crier = stadsomroeper;
—hall = gemeentehuis, raadhuis; —house = raadhuis, huis “in stad”;
—land = land nabij eene stad; —-major = plaatscommandant; —-talk =
praatje van de stad; — traveller = stadsreiziger; —-wall = stadsmuur;
—sfolk = stedelingen; —sman = stadgenoot, stedeling; —speople =
stedelingen; —ship = gemeente, stadsgebied.
Townshend, taunz’nd.
Towser, tauzə, groote hond (gew. hondennaam).
Toxic(al), toksik(’l), vergiftig; Toxicological, toksikəlodžik’l,
toxicologisch; Toxicology = toxicologie.
Toxophilite, toksofilait, subst. boogschutter; adj. tot de
boogschutterskunst behoorende.
Toy, tôi, subst. (stuk) speelgoed, kleinigheid, beuzelarij; — verb.
dartelen, stoeien; spelen, beuzelen; —-book = prentenboek; —-box =
speelgoeddoos; —-dog = schoothondje; —-drum = kindertrom; —man =
speelgoedkoopman; —-pistol = kinderpistooltje; —-shop =
speelgoedwinkel; — tea-things = kinderserviesje; —-trade =
speelgoedhandel; —-watch.
Trace, treis, subst. spoor, teeken, voetspoor, streng, kleine
hoeveelheid; — verb. opsporen, precies nagaan, uitvorschen, trekken,
traceeren, doorkruisen, aanspannen (up): All boys are inclined to kick
over the —s = uit den band slaan; —ability, subst. v. —able =
naspeurbaar, vervolgbaar: —able to temporary conditions = terug te
brengen tot; subst. —ableness; —less = spoorloos; Tracery = de
ornamenten van den Gothischen bouwstijl.
Trachea, treikjə, luchtpijp; adj. —l; Trachitis, trəkaitis,
luchtpijpontsteking.
Tracing, treisiŋ: —-paper = calqueerpapier.
Track, trak, subst. spoor, voetindruk, weg, begaan pad, baan,
spoorlijn, zeegat; — verb. het spoor volgen, opsporen, nagaan: Bicycle
— = wielerbaan; Double — = dubbel spoor; He followed in your — = drukte
uwe voetstappen; The carriage left the — = dérailleerde; The old
gentleman has made —s = is er haastig vandoor gegaan; The — and
rolling-stock = tractie en rollend materieel; We —ed the deer = wij
volgden het spoor van het hert; The tiger was —ed down = werd
opgespoord; —-road = jaagpad; —-rope = jaaglijn; —age = het boegseeren
of trekken; —er = speurhond; —less = onbetreden, onbegaan, spoorloos;
subst. —lessness.
Tract, trakt, verloop, uitgestrektheid, streek, korte verhandeling,
tractaatje.
Tractability, traktəbiliti, subst. v. Tractable, traktəb’l, handelbaar,
volgzaam, leerzaam; subst. —ness.
Tractarian, traktêriən, subst. lid der High Church beweging (1833–41);
adj. tot de High Church-beweging behoorende; —ism = de herleving van
den ritueelen eeredienst in de E. kerk.
Traction, trakšn, rekking, (aan)trekking, voorttrekking: Electric — =
electr. trek- of beweegkracht; —-engine = niet op rails loopende
straatlocomotief; Tractive power = trekkracht; Tractor = wat trekt of
tot trekken wordt gebruikt.
Tracy, treisi, Treesje.
Trade, treid, subst. handel, zaken, beroep, bedrijf, ambacht; — verb.
handel drijven, verhandelen, verruilen: The — = handel in sterke
dranken; Domestic (Inland, Home) —; Foreign —; To do a roaring — =
drukke zaken doen; He follows the — of a smith = is smid van zijn
ambacht; She practised all the tricks of her — = bracht al de slimme
zetten van haar beroep in practijk; Two to a — never agree =
concurrenten zijn het nooit eens; I will — this for something better =
verruilen, verhandelen; You have —d on me = mij geëxploiteerd; This
country —s to Turkey = drijft handel met Turkije; I will — watches with
you = met u ruilen; —-card = adreskaart; —-guild = handelsgilde; —-list
= prijscourant; —-mark = handelsmerk; —-price = engrosprijs;
slijtersprijs; —-winds = passaatwinden; —’s-folk (= —s-people) =
neringdoenden; —sman = handelaar, handelsman, neringdoende, winkelier,
handwerksman; —(s)-union = vakvereeniging; —(s)-unionism = de
beginselen of het stelsel der vakvereenigingen; Trader = koopman,
handelaar, koopvaardijschip; Trading: —-vessel; The
—-and-Profit-and-Loss account = Inkomsten- en Winst- en
Verliesrekening.
Tradition, trədiš’n, overlevering; adj. —al; —alism = gehechtheid aan
de overlevering, het stelsel dat alle menschelijke kennis door God
geopenbaard en zoo overgeleverd is; —ary = —al.
Traduce, trədjûs, lasteren, smaden; subst. —ment; —r.
Trafalgar, trəfalgə.
Traffic, trafik, subst. (koop)handel, (handels)verkeer; — verb.
(ruil)handel drijven, omzetten: Carrying — = goederendienst; Vehicular
— = rijtuigverkeer = Wheeled —; — in white slaves =
blanke-slavinnenhandel; —-manager = chef van den goederendienst;
Trafficker = handelaar.
Tragacanth, tragəkanth, Tragant gom.
Tragedian, trədžîdj’n, treurspelspeler of -dichter; Tragedienne,
tradžîdjen, treurspelspeelster; Tragedy, tradžədi, treurspel; adj.
Tragic(al); The old French tragics = treurspeldichters; Tragi-comic(al)
= tragi-comisch; Tragi-comedy, tradžikomədi, tragi-comisch stuk.
Tragopan, tragəpan, gehoornde fazant.
Trail, treil, subst. sleep, staart, spoor, pad (gemaakt door reizende
N.-Amer. Indianen); — verb. langs den grond sleepen, het spoor volgen,
opsporen, het geweer met de rechterhand horizontaal dragen, kruipen,
rekken: I commanded them to carry their arms at a — = commandeerde:
“Omlaag ’t geweer”; She —ed off into a howl = hief een langgerekt
gejammer aan; —-net = sleepnet; —er = kruipplant, mandenwagentje achter
een fiets; slingerplant = —ing-plant.
Train, trein, subst. trein, reeks, stoet, voortgang, loop, sleep,
staart, soort v. slede (Canada), spoortrein, loopvuur (lijn v.
buskruit), stel van beweging overbrengende raderen, reeks, lokaas, val,
krijgslist; — verb. sle(e)pen, lokken, africhten, oefenen, drillen,
richten, leiden, blokken, met den trein reizen: Down-—, Up-— =
afgaande, opkomende trein; Freight —; Goods —; — of Artillery =
artillerie-trein; The — of his thoughts, of thought = gang; Everything
is in — = in gang; He left the town on a regular — = met een gewonen
trein (Amer.); The gun was —ed = het kanon werd gericht; He was —ed up
for it = er voor opgeleid; —-band (—ed band) = een vroegere schutterij
of weerbaarheidskorps; —-bearer = sleepdrager; —-oil = traan(olie);
—-road = hulpspoorweg; —-service = spoorweg-postdienst; —able = wie of
wat geoefend of opgeleid kan worden; —ed dresses = sleepjaponnen; —ed
nurse = ervaren; Trainer = africhter, oefenaar, drilmeester; Training =
opvoeding, oefening, exercitie; het leiden van leiboomen; —-course =
cursus; —-school = kweekschool; —-ship = oefeningsschip,
opleidingsschip.
Traipse, treips; zie Trapes.
Trait, trei(t), eigenaardige en kenmerkende trek, streek, haal, toets.
Traitor, treitə, verrader; —ous = verraderlijk; subst. —ousness;
Traitress, treitrəs, verraderes.
Trajan, treidž’n, Trajanus.
Tram, tram, rail van een paardespoor, paardespoor, tramwagen, karretje;
ook verb.: To — it = trammen; —-car; —-line = tramweg; —road = tramweg
= —way; —way-car = tramwagen.
Tramble, tramb’l, wasschen (v. tinerts).
Trammel, tram’l, subst. (sleep)net, kluister, vuurhaak (in een
schoorsteen), hinderpaal, boei, ovaalpasser; — verb. belemmeren,
beperken, boeien; —-net = sleepnet.
Tramontane, trəmontein, traməntein, trâmontein: —-wind, noordenwind in
de Middellandsche Zee.
Tramp, tramp, subst. gestamp, getrappel, voetreis, landlooper, schip
dat “op avontuur” vaart (—-steamer); — verb. (ver)trappen, stappen,
treden, zwerven, vagebondeeren: To go on the — = den boer op gaan;
—-colony = bedelaarskolonie; —er = landlooper, rondzwerver.
Trample, tramp’l, subst. getrappel, gestap; — verb. vertreden,
vertrappen, trappelen: To — under one’s feet (under foot) = met voeten
treden (fig.); —r.
Trampoos, trəmpûz, rondzwerven (Amer.).
Trance, trâns, subst. verrukking, geestvervoering, bezwijming,
schijndood; — verb. = Entrance; To lie in a —.
Traneen, trənîn, kamgras: It is not worth a — = geen lor waard.
Tranquil, traŋkwil, rustig, kalm, ongestoord; —lity, traŋkwiliti,
kalmte, gerustheid, rust = —ness; —lization, subst. v. —lize = tot
bedaren brengen, kalmeeren; —lizer.
Transact, transakt, volbrengen, doen, verrichten: To — business with =
zaken doen met; He —ed with his political convictions = transigeerde
met; Transaction = verrichting, uitvoering, transactie, zaak, handel:
—s of the Philological Society = Handelingen van het Philologisch
Genootschap; During these —s = middelerwijl; Transactor = volbrenger,
handelaar.
Transalpine, transalpain, transalpijnsch.
Transatlantic, transətlantik, transatlantisch.
Transcend, transend, te boven gaan, overtreffen; —ence, —ency =
voortreffelijkheid; —ent = zeer voortreffelijk, transcendentaal =
—ental, trans’ndent’l; —entalism, trans’ndentəlizm.
Transcribe, transkraib, overschrijven, afschrijven; —r = copiïst;
Transcript, transkript, copie; Transcription.
Transept, transept, kruisvleugel.
Transfer, transfɐ̂, overdracht, overbrenging, verplaatsing,
overschrijving, overdruk, overstapkaartje; pont; —-paper =
overdrukpapier.
Transfer, transfɐ̂, overbrengen, overdragen, verplaatsen, afdrukken;
—ability, transfɐ̂rəbiliti, transferəbiliti, subst. v. —able,
transfɐ̂rəb’l, transferəb’l = verhandelbaar, overdraagbaar; —ee,
transfərî, wien iets overgedragen wordt; —ence, transfərens,
overdracht; —rer, transfɐ̂rə, transferə, overdrager.
Transfiguration, transfigjureiš’n, verheerlijking (Matth. XVII, 1–9),
feest ter gedachtenis daaraan (6 Aug.); Transfigure, transfigjə, het
uiterlijk voorkomen veranderen, verheerlijken.
Transfix, transfiks, doorboren, doorsteken: I stood —ed = als aan den
grond genageld.
Transform, transföm, vervormen, hervormen, van vorm veranderen,
herleiden; —able = veranderbaar, herleidbaar; —ation, transfömeiš’n,
gedaanteverandering of -verwisseling, herleiding, hervorming:
—ation-scene = het tooneel in de pantomime, waarbij de voornaamste
personen in de personen der harlekinade overgaan; —ative = vervormend;
—ator = —er = transformator.
Transfuse, transfjûz, overgieten, overstorten, overbrengen van bloed,
zoutoplossingen inspuiten, overdragen; adj. Transfusible; Transfusion,
transfjûž’n, overgieting, etc.
Transgress, transgres, te buiten gaan, overtreden, schenden, zondigen;
—ion = overtreding, schennis; —ive = zondig; —or = overtreder, zondaar.
Tranship, tranšip, overladen; —ment = overlading.
Transient, tranš’nt, vergankelijk, kortstondig; subst. —ness.
Transit, transit, doorgang, transito, vervoer, overgang, verkeersweg:
They went there to observe the — of Venus; — goods; Permit of — =
geleibiljet; To pass in — = transiteeren; —-duty = transitorecht;
—-instrument = instrument, om den overgang van eene planeet over den
meridiaan of de zon waar te nemen; Transition, transiš’n, transiž’n,
verandering, overgang(speriode); adj. —al = overgangs...; Transitive =
overgaande, overgankelijk; subst. —ness; Transitoriness, subst. v.
Transitory = vergankelijk, vluchtig, kortstondig.
Translate, transleit, verplaatsen, overplaatsen, overbrengen, vertalen,
ten hemel voeren, uitleggen, oplappen, doorseinen: A —d saint =
weggenomen (Hebr. 11, 5); —d with devotion = in aanbidding verzonken;
What will the duke say? = The duke be —d = die moge “weggenomen
worden”, laat hem stikken; Translation, transleiš’n, overbrenging,
overzetting, vertaling, etc.; Translator = vertaler, translator,
schoenlapper; adj. Translatory, Translatory.
Transliterate, translitəreit, in andere letters overbrengen (b.v.
Grieksch met Latijnsche letters schrijven), herspellen op andere wijze;
subst. Transliteration.
Translucence, Translucency, transl(j)ûsəns(i), subst. v. Translucent,
transl(j)ûs’nt doorschijnend, duidelijk.
Transmarine, transmərîn, overzeesch.
Transmigrate, transmigreit, verhuizen; Transmigration, transmigreiš’n,
(ziels)verhuizing = — of souls.
Transmissibility, transmisibiliti, subst. v. Transmissible,
transmisib’l, verzendbaar, overdraagbaar, overerfelijk; Transmission,
transmiš’n, overbrenging, overzending, doorlating (van licht door
glas), geleiding, overerving: —-business = expeditiezaak; Transmit,
transmit, overbrengen, overzenden, doorlaten, voortplanten, etc.;
Transmittal = Transmittance; Transmitter = overzender, voortplanter,
overbrenger; Transmittible = overzendbaar, etc.
Transmutability, transmjutəbiliti, subst. v. Transmutable,
transmjûtəb’l, veranderbaar, verwisselbaar; subst. —ness;
Transmutation, transmjûteiš’n, verandering, verwisseling; Transmute,
transmjût, veranderen: The sentence of death was transmuted into
lifelong imprisonment = werd veranderd in; Transmuter = wie of wat
verandert.
Transoceanic, transoušanik, aan de andere zijde van den oceaan.
Transom, trans’m, dwarsbalk: —-window = raam met dwarsbalk.
Transparence, Transparency, transpêr’ns(i), doorzichtigheid,
transparant; Transparent = doorzichtig, doorschijnend, klaarblijkelijk;
subst. —ness.
Transpirable, transpairəb’l, wat kan uitlekken enz.; Transpiration,
transpireiš’n, uitwaseming, zweet; Transpire, transpaiə, uitwasemen,
uitdampen, aan het licht komen, uitlekken, gebeuren.
Transplant, transplânt, overplanten, overbrengen; —ation = verplanting,
overbrenging; —er = verplanter.
Transport, transpöt, vervoer, transport, transportschip; verrukking,
vervoering; —-ship = transportschip; schip waarmee gedeporteerden
werden overgebracht.
Transport, transpöt, vervoeren, transporteeren, deporteeren, verzetten,
meesleepen, verrukken: Faith —s mountains = het geloof verzet bergen;
He was —ed for life = werd gedeporteerd; —ed with joy = vervoerd van
vreugde; —ability = vervoerbaarheid, etc.; adj. —able; —ation =
vervoer, overbrenging, etc.; —er = wie vervoert; —ing = verrukkend,
bekorend.
Transposal, transpouz’l, verschikking, omzetting; Transpose, transpouz,
verplaatsen, verschikken, omzetten, transponeeren; Transposition,
transpəziš’n, verplaatsing, omzetting; adj. —al.
Transubstantiation, transɐbstanšieiš’n, verandering van brood en wijn
in het lichaam van Jezus.
Transudation, transiûdeiš’n, subst. v. Transude, transiûd,
doorsijpelen, doorzweeten.
Transvaal, transvâl.
Transversal, transvɐ̂s’l, subst. dwarslijn, snijlijn; adj.
dwars(loopend); Transverse, transvɐ̂s, subst. dwarsspier, transversaal;
adj. dwars, diagonaal, transversaal.
Transylvania, transilveinjə, Zevenbergen; —n, subst. en adj. (bewoner)
van Z.
Trap, trap, subst. val, strik, hinderlaag, klep, valdeur, karretje,
soort trap of ladder, soort wagen, schabrak, dek, mond, klabak; — verb.
in eene val of strik vangen, verstrikken, versieren: Man-— = klem,
voetangel; —s = bagage, goederen, “spullen”; —-door = valdeur;
—-door-spider = aardspin (met een door eene deur gesloten nest);
—-tufa, —-tuff = vulcanische tufsteen; —-valve = valklep; —per =
pelsdierjager, wagenpaard; —piness, subst. v. —py; —pings, trapiŋz,
paardentuig, harnachement, sieraad, opschik, versieringen; —py = slim,
verraderlijk.
Trapan, trəpan, subst. strik; — verb. verstrikken: —ner of souls =
zielverkooper.
Trapes, treips, subst. slons; — verb. rondloopen, vagebondeeren: I
won’t be —ing in the mud.
Trapeze, trəpîz, zweefrek of trapezium; Trapeziform, trəpîziföm, als
een Trapezium, trəpîž’m, trapezium.
Trappist, trapist, Trappist.
Trash, traš, subst. snoeisel, uitschot, afval, rommel, prullen,
geklets, zware halsband (om een jachthond vast te houden); — verb.
snoeien; vernederen, onderdrukken, kwellen: Poor white — = naam door
negers der Zuidelijke Staten aan de armste blanken gegeven; —iness,
subst. v. —y = nietswaardig, prullerig.
Trass, tras, tras.
Traumatic, trômatik, subst. en adj. wondheelend (middel); wond ...
Travail, travəl, subst. arbeid: —s = barensweeën; — verb. zwoegen, in
barensnood zijn.
Trave, treiv, hoefslag; dwarsbalk.
Travel, trav’l, subst. het reizen (—s = (ontdekkings)reizen,
reisverhalen); — verb. reizen, bereizen, doorreizen, trekken, zwerven,
verdwijnen, heen en weer gaan: To — out of the record = afdwalen
(fig.); —led = bereisd, ervaren, erratisch: The far —led princess = die
een verre reis had gedaan; A much —led man, road; Traveller = reiziger:
To tip the — = opsnijden; —’s-joy = clematis, heggeboschdruif;
Travelling: — instructors = wandelleeraren.
Traversable, travəsəb’l, betwistbaar; doortrekbaar, doorwaadbaar;
Traverse, travəs, subst. dwarshout of -strik, middelschot, dwarsgang,
wederwaardigheid, tegenspoed, koppelkoers (scheepst.), het doorreizen,
streek, wending, uitvlucht; adj. dwars; — verb. ronddraaien, draaien,
dwars loopen (van paarden b.v.), kruisen, doorkruisen, stroomen
(loopen) door, doorgaan; adv. dwarsover; —-sailing = koppelkoers;
Traverser = beugel, schuifring.
Travesty, travəsti, subst. vermomming, travestie; — verb. parodieeren:
The trial degenerated into a — of justice = eene parodie op.
Travis, travis. Zie Trave.
Trawl, trôl, subst. sleepnet (= —net); — verb. met een sleepnet
visschen; Trawler = visschersvaartuig dat met een trawl vischt.
Tray, trei, schenkblad, bakje, tobbe, lade; —-cloth = kleedje onder
theeblad.
Treacherous, tretšərɐs, verraderlijk; subst. —ness = Treachery,
tretšəri, verraad, trouweloosheid.
Treacle, trîk’l, (suiker)stroop, theriakel; —-stick = strooppil; adj.
Treacly.
Tread, tred, subst. stap, trede, schrede, hanetrede; — verb. treden
(ook van vogels), trappen, drukken, wandelen, volgen, paren: To —
grapes = druiven treden; To — (the) water = water treden; To — in a
person’s (foot)steps (fig.); He —s on it, —s it under foot = vertrapt
het, zet er den voet op; One trod on the heels of the other = de een
kwam vlak achter den ander aan; We have trod(den) out the fire =
uitgetrapt; —-mill = tredmolen; —er; Treadle, tred’l, trapper (v.
naaimachine, etc.), trede, pedaal, hanetrede; — verb. trappen.
Treason, trîz’n, verraad: High — = hoogverraad; —able = verraderlijk;
subst. —ableness.
Treasure, trežə, subst. schat; — verb. vergaren, verzamelen, bewaren
als een schat: He —d up all these memories = bewaarde zorgvuldig;
—-house = schatkamer; —-seeker = schatgraver; —-trove = gevonden schat;
Treasurer = schatmeester: —ship.
Treasury, trežəri, schatkamer, schatkist, departement v. financiën
(—-department) en de ambtenaren (Het nominale hoofd is the First Lord
of the Treasury of Lord High Treasurer, gewoonlijk de Premier. Hem ter
zijde staan: The Chancellor of the Exchequer en 3 Lords Commissioners
of Junior Lords); —-bill (—-bond, —-note) = schatkistobligatie; —-bench
= voorste bank (regeeringsbank), rechts van den Speaker in het House of
Commons; —-warrant = schatkistontvangbewijs.
Treat, trît, subst. onthaal, traktatie, genot; — verb. behandelen,
handelen over, ontwikkelen, bespreken, onderhandelen, onthalen: It is a
— to me = genot, traktatie; It is my — now = nu moet ik een rondje
geven; He insisted on standing — = wou trakteeren; You have —ed me
well, ill = mij goed, slecht behandeld; He —ed of many subjects =
handelde over; He —ed us to a bottle and some excellent cigars = schonk
eene flesch en liet ons lekkere sigaren rooken; He —ed me to the
theatre; I’ll — myself to a new coat = me de weelde veroorloven;
Ambassadors were sent to — with Russia = te onderhandelen; —er =
onderhandelaar, verhandelaar, onthaler; Treatise, trîtis, verhandeling;
Treatment = behandeling, handelwijze: I am under — = geneesk.
behandeling; Treaty = verdrag, tractaat: To break, make, violate a — =
verbreken, aangaan, schenden; — of commerce; — of partition =
verdeelingsverdrag; They are in — with the Greeks = in onderhandeling
met.
Treble, treb’l, subst. het drievoudige; hooge bovenstem, discant,
sopraan; adj. drievoudig, hoog (van stem of instrument); — verb.
verdrievoudigen, driedubbel worden: The boy —s = jongenssopranen; You
are doubly, nay trebly blessed = dubbel, neen driewerf gezegend.
Tree, trî, subst. boom, as, leest, galg (in samenst.); — verb. in een
boom jagen of vluchten, in verlegenheid brengen of in de macht krijgen,
op de leest zetten: As the — so the fruit = zoo boom zoo vrucht; de
appel valt niet ver van den boom; He is at the top of the — = hij heeft
het hoogste punt bereikt; I have got you up a — = in mijn macht, je zit
er leelijk in; — of knowledge = boom der kennisse des goeds en des
kwaads; — of life = boom des levens; Books, bound in —-calf = kalfsleer
met boomfiguren; —-deity = afgodsboom; —-frog = boomkikvorsch; —-louse
= bladluis; —-nymph = dryade; —-toad = boomkikvorsch; —-worship =
boomvereering; —less = zonder boomen; —like = als een boom.
Treenail, trîneil, houten nagel.
Trefoil, trîfôil, klaver(blad).
Trek, trek, trekken (in een ossenwagen); subst. trek, reis (Z. Afr.);
—-chain.
Trellis, trelis, latwerk, traliewerk, leilatten; —-fence; —-gate;
—-work = kruiselings loopende latten voor veranda’s, priëeltjes, etc.;
—ed = met latwerk.
Trelawny, trəlôni.
Tremble, tremb’l, subst. beving, vrees; — verb. beven, rillen,
sidderen, schudden, trillen: I am all of (in) a — = beef over mijn
geheele lijf; He —d with fear = van angst; To — in every limb, in one’s
shoes; —ment = triller (muz.); —r = bever, riller; Trembling: — in the
balance = onzeker; —-poplar = ratelpopulier.
Tremendous, trimendəs, geducht, verschrikkelijk; subst. —ness.
Tremolo, treməlou, triller, trilling.
Tremor, tremə, rilling, huivering: In a —; — cordis = hartklopping;
Tremulous, tremjulɐs, bevend, trillend, sidderend; subst. —ness.
Trenail = Treenail.
Trench, trenš, subst. gracht, greppel, sloot, afvoersloot, loopgraaf; —
verb. eene sloot of greppel graven, loopgraven maken, inbreuk maken op
(on, upon), diep graven of ploegen: The enemy opened the —es = begon
met de loopgraven; —-plough = diepsnijdende ploeg; Trenchancy =
scherpheid; Trenchant, trenš’nt, snijdend, scherp, bits; Trencher =
graver, houten schotel, broodplank, tafel: —(-cap) = hoofddeksel (met
vierkant bovenstuk) van de E. studenten; —-man = goed en smakelijk eter
= —-mate.
Trend, trend, subst. neiging, richting, geer, bocht; — verb. geeren,
zich richten, loopen, zich uitstrekken: The — of the sea-shore = de
bocht der zeekust; The coast —ed to north = de kust liep noord.
Trennel, tren’l, trɐn’l = Treenail.
Trental, trent’l, Gregoriaansche mis: Dertig missen, één per dag,
vooral voor overledenen.
Trepan, trəpan, schedelzaag of -boor, boormachine; — verb. doorboren of
trepanneeren; —ner.
Trepidation, trepideiš’n, siddering, trilling, beverigheid,
ontsteltenis.
Trespass, trespəs, subst. overtreding, zonde, nadeel; — verb.
overtreden, zondigen, schenden, te ver gaan, misbruik maken, zich
indringen: Forgive us our —es as we forgive them that — against us =
vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren;
To — on (upon) a law, upon a person’s good nature = overtreden....
misbruik maken van; No —ing on the railway is allowed = de toegang tot
den spoorweg is verboden; I hope I have not —ed upon your time = niet
te veel van uw tijd geroofd heb; —er.
Tress, tres, (haar)lok, krul, vlecht; —ed.