Knit, nit, knoopen, breien, samenbinden, samenvoegen, aaneen hechten,

fronsen, vlechten, zich vereenigen: He — his brow (the brows) = fronste

het voorhoofd (de wenkbrauwen); —ter = breid(st)er, breimachine;

Knitting = breiden, breiwerk: —-cotton = breikatoen; —-machine =

breimachine; —-needle, —-pin = breinaald, breipen; —-sheath =

breipenscheede; —-work = breiwerk, lichte vrouwelijke arbeid (Amer.);

—-yarn = breigaren.

Knittle, nit’l, koord (van eene beurs, of zak), touw voor eene hangmat.

Knob, nob, knobbel, knoest, knop, kwast, brok, alleenstaande heuvel:

Electric —s = drukknoppen; —biness, subst. v. —by = knobbelig,

knoestig, etc.

Knobkerry, nobkeri, knots met ronden knop.

Knobstick, nobstik, onderkruiper.

Knock, nok, subst. slag, klop, stoot; — verb. slaan, stooten, kloppen:

He has been —ing about the whole day = heeft rondgeboemeld; He is —ing

himself about = hij vliegt van ’t een op ’t ander; That man was —ed

about = leelijk toegetakeld; He —ed his enemy down = velde neer, sloeg

tegen den grond; The picture was —ed down to me for 600 guilders = werd

mij toegeslagen; I will not — off one penny = geen stuiver afdoen; The

workmen have —ed off = hebben opgehouden met werken; (—ing-off time);

He was —ed over in the street = neergeveld, overreden; Hastily —ed

together = saamgeflanst; Are you going to fight or to — under? = het

opgeven, toegeven? I am quite —ed up = ik ben doodop; He —s up easily =

is gauw ’op’; You’ll — up = je zult je ziek maken; A —er-up = porder;

He has —ed that opinion on the head = den kop ingedrukt; To — out of

time = zijn bekomst geven; He was —ed silly = deed zoo’n val (kreeg

zoo’n slag), dat hij bewusteloos werd; —-about = luidruchtig,

rusteloos; variété (artist); —-down = verpletterend (nieuws), uiterste

(prijs); —-kneed = met de knieën binnenwaarts; —-knees = binnenwaarts

gebogen knieën; —-out = afspraak om bij eene verkooping niet tegen

elkander op te bieden, ten einde alles zoo goedkoop mogelijk te

krijgen; —er = klopper: Up to the —er = piekfijn, fameus; —ing-ghost =

klopgeest.

Knoll, noul, subst. heuvel(tje), heuveltop; gelui; — verb. luiden

(vooral van de doodsklok).

Knollys, noulz.

Knop, nop, knop, knoop, loofwerk aan zuilen; — verb. met knoppen

versieren.

Knot, not, subst. knoop, vouw, bocht, groep, bende; verzameling,

knoest, moeilijkheid, schouderlap (voor dragers van lasten),

schouderbedekking, epaulet, knoop (ongev. 2.025 yards); — verb.

knoopen, verbinden, samengroeien, verwarren, knoesten vormen: A hard —

= een moeilijk te ontwarren knoop; How many —s is she going now? =

hoeveel knoopen loopt het schip nu; The marriage-— = huwelijksband; To

cut the — = doorhakken; —-grass = duizendknoop, varkensgras; —ted: The

many-—ted waterflags = veelknoopige; —tiness, subst. v. —ty = vol

knoopen, moeielijk: That is rather a —ty point = lastig punt.

Knout, naut, nût, subst. knoet; — verb. met de knoet straffen.

Know, nou, kennen, verstaan, weten, begrijpen, vernemen: He knows it

like A B C = kent het op zijn duimpje = He knows it from A. to Z.; I do

not — how to do this problem = weet niet op te lossen; You — very well

what you are about = je weet drommels goed wat je doet; I — him for a

clever fellow = ik weet, dat hij is; That man does not — his own mind =

weet zelf niet wat hij wil; He —s what is what = heeft z’n weetje, is

een gladde kerel; He does not — which is which = kan personen of zaken

niet van elkaar onderscheiden; I never knew him do it = ik heb het hem

nooit zien doen, van hem bijgewoond; I will make you — better in future

= ik zal wel zorgen, dat ge het later beter weet; —-all = weetal;

—-nothing = weetniet; —able = kenbaar; subst. —ableness; Knowing =

glad, slim: He is a — one = gewikst; There is no — what he may do next

= men kan niet weten, wat hij nu weer zal doen; subst. —ness;

Knowledge, nolədž, kennis, wetenschap, geleerdheid: He has not gone

there, to my — = voor zoover ik weet; — is power = kennis is macht;

—-box = kop.

Knowles, noulz; Knox, noks.

Knub(ble), nɐb(’l), knopje; — verb. onhandig omgaan met, slordig

inpakken.

Knuckle, nɐk’l, subst. knokkel, kniegewricht (van een kalf), schenkel;

— verb. de vingers buigen, met de knokkels slaan: To rap a person’s

knuckles = op de vingers tikken; I am not going to — under (down) = wil

niet toegeven, mij onderwerpen; —-bone = knokkel, bikkel(spel);

—-duster = boksijzer; —-joint.

Knurl, nɐ̂(l), knoest, knobbel, knoop; dwerg; —ed = —ly.

Knutsford, nɐtšfəd.

Kobold, koubould, kabouter.

Koba, kobə, soort van antilope (Midden-Afrika).

Kodak, koudak, klein photographie-toestel; ook verb.

Koff, kof, kofschip.

Koh-i-noor, kouhinûə.

Koodoo, kûdû, Z.-Afr. antiloop.

Kopeck, koupek, kopeke.

Kopje, kopjə, kopje, heuvel (Z.-Afrika).

Koran, kôr’n, kərân, koran.

Kosher, koušə, koscher.

Koul, koul, belofte, contract (Brit. Ind.).

Kourbash (Koorbash), kûəbaš, subst. zweep van hippopotamushuid; — verb.

met de kourbash slaan of martelen.

Ko(w)-tow, kətau, Kotoo, kətû, subst. diepe buiging, lage vleierij; —

verb. diep neerbuigen, verachtelijk vleien: They —ed to her on account

of her reputation.

Kraal, krâl, krôl, kraal (in Z.-Afrika); — verb. vee in de kraal

drijven.

Kraken, krâk’n, kreik’n, fabelachtig zeemonster bij de kust van

Noorwegen.

Krakow, kreikou.

Krang, kraŋ, geraamte van een walvisch na wegneming van het spek.

Kransick, kransik, gek, krankzinnig (Transvaal).

Krishna, krišnə, Krischna, achtste incarnatie v. Vischnu.

Kruller, krɐlə, in vet gekookt krulkoekje.

Kudos, kjûdos, roem, eer; — verb. roemen.

Kukri, kukri, gekromd mes (Brit. Ind.).

Kurd, kûəd, —ish; Kurdistan.

Kuril, kûril, pijl-stormvogel.

Kurile, k(j)urîl: — Islands.

Kyley, kaili, boomerang (Austr.).

Kyrie eleison, kairiî elaison, Heer, erbarm u! het kyrie (eerste

woorden van dat gedeelte der Mis, dat op den introïtus volgt).

L.

L, el; L = 50; L(iber) = boek; L(ibra) = pond, ook Lb; Lat(in); L(ord)

C(hamberlain of Chancellor); L(egis) C(ivilis) D(octor) = Dr. in het

burgerl. recht; L(ady) D(ay) = Maria Boodschap; L(ord) C(hief)

J(ustice); Lex(icon); Ld = Lord; Lieut(enant) = Luitenant; Lib(rary);

Liq(uor); Lit(erarum) D(octor); L. L. D. = Legum Doctor = in de beide

rechten; Long(itude) = geograph. lengte; L(ord) L(ieutenant of)

I(reland); Lon(don); Loq(uitur) = hij (zij) spreekt; L(ordshi)p; L(ord)

P(rovost); L(eft) S(ide); L(ibrae), S(olidi), d(enari) = pounds,

shillings, pence.

La, lâ, lô, hè, kijk, zie!

La, lâ, la (noot).

Laager, lâgə, laager; — verb. een laager vormen (Z.-Afr.).

Labarum, labərɐm, labarum, standaard van Konstantijn den Groote, waarop

het monogram van den Griekschen naam van Christus; banier, devies.

Labefaction, labifakš’n, achteruitgang, verval.

Label, leib’l, subst. etiket, lijstwerk boven deur of venster, codicil;

— verb. een etiket hechten aan, classificeeren: Enamelled —s =

naambordjes (v. straten); Silver —s schildjes (op flesschen).

Labial, leibj’l, tot de lippen behoorende of er mede gevormd, lip - -;

subst. lipletter; Labiate, leibjit, lipvormig, gelipt; subst.

lipbloemige plant; Labio-dental, leibjədent’l, subst. eene door lip en

tanden gevormde letter, als f en v; adj. gevormd door lip en tanden.

Laboratory, labərətori, laboratorium, werkplaats; —-man = vuurwerker.

Laborious, ləbôriəs, werkzaam, ijverig, moeilijk, vermoeiend; subst.

—ness.

Labour, leibə, subst. arbeid, werk, barensweeën, pijn,

arbeidersbevolking van een land; — verb. arbeiden, zich inspannen,

zwoegen, werken (van een schip), bewerken: To lose one’s — = zich te

vergeefs inspannen; I do not wish to — that point = in ’t bijzonder te

behandelen; He —d under difficulties = hij had met moeilijkheden te

kampen; They were —ing under an illness (a complaint) = laboreerden aan

eene ziekte (kwaal); To — under a mistake = in dwaling verkeeren; A —

of love = liefdedienst; —-member = werkman lid van het Parlement;

—-pains = weeën; —-party = arbeiderspartij; Independent —-party = de

socialistische groep van de —-party; —-registry = arbeidersbeurs;

—-saving = (handen)arbeid besparend; —ed = onnatuurlijk, niet vrij, al

te veel kunst verradend; zorgvuldig uitgewerkt; —er = arbeider: Skilled

and unskilled —ers = bekwame en geen vak verstaande arbeiders; A

—ing-man = landbouwer, losse arbeider.

Labrador, labrədö.

Laburnum, ləbɐ̂n’m, gewone goudenregen.

Labyrinth, labirinth, labyrint (ook fig.), doolhof; —al, labirinthəl =

—ian, labirinthiən = —ic(al), labirinthik(’l), als een doolhof,

verward; —iform, labirinthiföm, labyrintvormig; —ine, labirinth(a)in,

als een doolhof, verward.

Lac, lak, lak; honderdduizend ropijen (Eng. Indië): in de laatste bet.

ook lakh gespeld; —-dye, —-lake = schilderslak om rood te verven.

Laccadive Islands, lakədaiv ailəndz = Laccadives = de Lakkadiven.

Lace, leis, subst. kant, snoer, rijgveter, galon, strik; — verb.

vastmaken, rijgen, met galon versieren; afranselen, sterke dranken

voegen bij: Without — = (koffie) zonder cognac, sterken drank of

likeur; —-bark = lagette of kantstruik; —-bobbin = kantklos; —-cushion;

—-maker = kant- of passementwerker; —-man (—-woman) =

kantverkooper(-ster), of -werk(st)er; —-trimming = kanten belegsel;

—-winged = netvleugelig; Lacing, leisiŋ, boordsel, veter, rijgen, pak

slaag.

Lacedaemon, lasidîm’n, Lacedemonië; —ian, lasidimounj’n, Lacedemoniër,

Lacedemonisch.

Lacerate, lasəreit, (ver)scheuren, wonden, folteren; subst. Laceration.

Lacerta, ləsɐ̂tə, gewone of groene hagedis; Lacertian, ləsɐ̂š’n,

hagedisachtig, hagedis...; subst. hagedis.

Laches, lašiz, nalatigheid.

Lachesis, lakəsis, eene der drie schikgodinnen; Brazil. ruitslang.

Lac(h)rymal, lakrim’l, traan..: The — glands = de traanklieren;

Lachrymose, lakrimous, somber, droevig, tranen stortend.

Lack, lak, subst. gebrek, behoefte; verwijt; — verb, gebrek hebben aan,

behoeven; berispen: John —land = Jan Zonder Land; —-all = wien het aan

alles ontbreekt; —-lustre = glansloos, somber.

Lack, lak: Good —! = jeminiejoosje; —-a-day! = helaas!

Lackadaisical, lakədeizik’l, sentimenteel, geaffecteerd.

Lackey, laki, subst. lakei; slaafsch volgeling of dienaar; — verb. als

lakei dienen, slaafs dienen.

Laconia, ləkounjə; —n.

Laconic(al), ləkonik(’l), laconiek, droog, kort, bondig; Laconicism,

ləkonisizm, Laconism, lakənizm, korte en bondige uitdrukking of

spreekwijze.

Lacquer, lakə, subst. vernis, lak (vooral Jap. en Chin.); — verb.

vernissen, verlakken: Good form, or at all events —ed with the veneer

thereof = met beschaafde vormen of in elk geval een vernisje er van.

Lacrosse, lakros, soort balspel (Canada).

Lactation, lakteiš’n, melkvorming, het zoogen, zoogtjjd; Lacteal,

laktiəl, melkhoudend, melk - -: — fever; — vessels = lymphvaten =

Lacteals, laktiəlz; Lactescent, laktes’nt, melkachtig, melksap

voortbrengend; Lactic, laktik, melk..: — acid = melkzuur; —

fermentation = het zuurworden der melk; Lactometer = melkweger;

Lactose, laktous, melksuiker.

Lacuna, ləkjûnə, gaping, hiaat, kuiltje; —l = met gapingen = —r.

Lad, lad, jongeling, jonge man, kameraad.

Ladder, ladə, ladder, scheepstrap, touwladder: He soon got to the top

of the — = hij bereikte spoedig de hoogste sport (fig.); He got his

foot into the — = kreeg zijn voet in den stijgbeugel; He can’t see a

hole through a — = hij kan geen steek meer zien.

Laddie, Laddy, ladi, jongen.

Lade, leid, laden, scheppen (van water, etc.); Lading = het laden,

lading: Bill of — = vrachtbrief.

Ladle, leid’l, subst. pollepel, gietlepel, schepbord, schoep van een

molenrad, laadlepel; — verb. met een grooten lepel opscheppen,

toedienen (out): Paying — = piklepel; —ful.

Ladrone, lədroun, dief, schurk; —s, lədrounz, Dieveneilanden.

Lady, leidi, (voorname) dame, gemalin, vrouw van een knight of baronet,

dochter v. een hoogadelijke, mevrouw, vrouw, liefje, teef; ook adj.;

Our — = Onze Lieve Vrouwe; How is your (good) —? = hoe vaart je vrouw?

The old — = mijn oudje; Old — of Threadneedle Street = de Bank van

Engeland; — author = schrijfster; —-bird = pijlstaart; ook

lievenheersbeestje = —-bug; —-chapel = kapel aan de Maagd Maria gewijd;

—-day = Maria Boodschap (25 Maart); — friend = vriendin; —-help = hulp

der huisvrouw; —-killer = adonis, veroveraar; —-love = geliefde;

—’s-companion = werktaschje, necessaire; chaperon; —’s-smock =

pinksterbloem; —’s-tresses = draaisteel; We carried her in the fashion

they call ladies’ cushion = op onze ineengevouwen handen; —ish = als

een dame; —ism = manieren van eene dame; —kin (gew. Lakin, leikin) =

Onze Lieve Vrouwe; —like = als eene dame, kiesch, vrouwelijk, verwijfd;

—ship = rang of titel van eene —: Your —ship = Mevrouw.

Laertes, ləɐ̂tîz.

Lag, lag, adj. langzaam, dralend, laat, achteraankomend; — verb.

dralen, treuzelen, achterblijven (behind); deporteeren, gevangen

zetten, pakken; subst. vertraging; gedeporteerde, boef; Laggard =

subst. draler, talmer; adj. langzaam, achterlijk, treuzelig.

Lagoon, ləgûn, lagune; —-reef = koraalrif.

Lahore, lahö.

Lagrimando, lagrimandou: Lagrimoso, lagrimousou, plechtig, klagend

(muz.).

Laic, leiik, leeken...; subst. leek; Laicization = secularisatie;

Laicize = seculariseeren.

Laid, leid, P. Imp. en P.P. van To lay: — paper = papier met

waterlijnen.

Lain, lein, part. perf. van to lie = liggen.

Lair, lêə, leger (van een wild dier); bodemvuil.

Laird, lêəd, grondbezitter (Schotl.), landheer.

Laity, lei(i)ti, de leeken.

Lake, leik, meer; soort lak: — Leman (lîm’n) = het Meer van Genève =

The — of Geneva; —-dwellers = bewoners van een paalwoning = —-dwelling;

— School = de dichterschool van Wordsworth, Coleridge en Southey;

—-settlement = verzameling van paalwoningen; —let = meertje; —r =

Lakist = dichter uit de Lake School.

Lakh, lak, lâk = Lac.

Lallation, laleiš’n, spraakgebrek, waarbij de r als l wordt

uitgesproken.

Lam, lam, ranselen: He went on —ming into his men.

Lama, lâmə, Lama priester; Lamaism, lâməizm; Lamasery, lâməsəri,

lamâsəri, Lamaklooster.

Lamb, lam, subst. lam, lamsvleesch; — verb. lammeren werpen; plukken

(fig.): To — down = de wacht houden bij schapen in den lammerentijd

(Austr.); —-ale = feestelijkheid bij het scheren der schapen; —skin =

lamsvel; —’s-wool = lamswol; bier met suiker, notenmuskaat en gebraden

appelen; —kin = lammetje, lieveling; —like = zacht als een lam.

Lambency, lamb’nsi, lekken van vlammen, stralen, oppervlakkigheid;

Lambent, lamb’nt, spelend, lekkend; stralend, vluchtig.

Lambrequin, lambəkin, helmkleed, dat op wapens helm en schild

omfladdert; draperie boven aan een venster.

Lame, leim, adj. kreupel, verminkt, hortend, onvolkomen, gebrekkig; —

verb. kreupel maken, verminken, verlammen; —-duck = wanbetalend

beursspeculant; To help — dogs over stiles = zwakke broeders een handje

helpen; —ness, kreupelheid, verlamming, zwakheid.

Lamella, ləmelə, lamelle, dun blaadje metaal, schilfer; —r, lamələ,

ləmelə, schilferig; —te(d), laməlit, laməleitid, uit dunne platen of

schilfers bestaande; Lamelliform = schilferachtig.

Lament, ləment, subst. weeklacht; — verb. betreuren, weeklagen; —able,

laməntəbl, jammerlijk, betreurenswaardig, treurig; —ation = weeklacht,

jammerklacht: The —ations of Jeremiah = Klaagliederen van Jeremia; —ed

= zaliger.

Lametta, ləmetə, dun, onecht goud- of zilverdraad.

Lamia, leimjə, booze geest in den vorm eener slang met vrouwenhoofd;

heks, toovenares.

Lamina, laminə, dunne plaat, schubje, blaadje; —ble = tot dunne platen

pletbaar; —l = —r = uit dunne plaatjes bestaande; Laminate, lamineit,

pletten, met dunne plaatjes overtrekken; —d = schilferig = Laminate,

laminit.

Lammas, laməs, 1 Augustus: At latter — = met St. Juttemis, als de

kalveren op het ijs dansen; —-day (—-tide) = St. Pieter (1 Aug.); — Eve

= 31 Juli.

Lamp, lamp, lamp, licht: To smell of the — = naar de lamp rieken;

—-black = lampzwart; —-burner = brander; —-light = lamplicht; —-lighter

= lantaarnopsteker; fidibus; —-maker = lampenfabrikant; —-mat; —-post =

lantarenpaal; —-shade = kap; Lampion, lampj’n = illumineerglaasje.

Lampoon, lampûn, subst. schotschrift; — verb. schotschriften schrijven;

—er; —ery.

Lamprey, lampri, lamprei.

Lanark, lanək; —shire.

Lanate(d), leinit(id), wollig, zacht.

Lancashire, laŋkəšə; Lancaster, laŋkəstə; —ian, laŋkəstîriən: — system

= stelsel van Joseph Lancaster, waarbij de zwakkere leerlingen door de

vluggere (monitors) worden onderwezen; Lancastrian, laŋkastriən,

partijganger van Hendrik VI van Lancaster.

Lance, lâns, subst. speer, lans; lansier, wilde; — verb, met eene lans

doorsteken, met een lancet openen: With — in rest = met gevelde lans;

—-corporal = korporaal titulair; —-flag = vaantje: —-head = spits;

—olate(d), lânsiəlit, lânsiəleitid, lancetvormig; —r = lansier; —rs =

“quadrille des lanciers”.

Lancelot, lânsəlot.

Lancet, lansət, lancet; —-arch = spitsboog; —-fish = lancetdrager

(visch); —-window = Gothisch venster.

Lancinating, lansineitiŋ: — pain = scherpe, snijdende, vlijmende.

Land, land, subst. land, landstreek, grond, natie, landerijen; — verb.

landen, aan land brengen, lossen, ophalen: By — = te land; — o’ Cakes =

Schotland; — of the leal = verblijf der zaligen; — of Promise = Land

der Belofte; To lay the — = het land uit het gezicht verliezen; To make

the — = in het gezicht krijgen; To set the — = het land peilen; The

cape shut in the — = door de kaap was het land niet te zien; To sight

the — = in ’t gezicht krijgen; The — was looming = in de verte doemde

land op; I want to see how the — lies = ik wil poolshoogte nemen; I —ed

him for ten pounds = kreeg van hem los; He —s himself in all kinds of

difficulties = brengt zichzelf; I —ed a splendid fish = haalde op;

—-agent = rentmeester; —-bank = hypotheekbank (Amer.); By —-carriage =

per as; —-crabs = landkrabben (ook fig.); —fall = grondafschuiving;

nadering of in het gezicht krijgen van het land, eerste land, dat men

na een zeereis in ’t gezicht krijgt; —-flood = overstrooming; —-force =

landmacht; —-grabber = iemand die op onwettige wijze land in bezit

neemt; iemand in Ierland, die land huurt, waaruit een ander met geweld

gezet werd; —-grave = landgraaf; —-graviate, landgraafschap; —-gravine

= vrouw van een landgraaf; —-holder = grondbezitter; —-jobber =

landerijenspeculant; —lady = kostjuffrouw, waardin; —-league = in 1879

gevormd en in 1881 door de regeering verboden bondgenootschap van

huurders tegen de landeigenaren (Ierland); —-leaguer = lid van de

land-league; A —-locked bay = rondom door land ingesloten baai; —-loper

= vagebond; landrot (fig.); —lord = huisbaas, waard; —lordism = de

maatregelen der landeigenaren (als één lichaam) tegenover hunne

huurders; —-lubber = landrot (fig.); —man = landrot; pachter; —mark =

grenspaal, baken, gewichtig tijdpunt; —-measuring = het landmeten;

—owner = grondbezitter; —-rail = wachtelkoning, spriet; —-rat =

landrot; —-rent = landrente; —-reeve = onder-rentmeester; —-roll(er) =

zware rol, om aardkluiten te breken; —scape = landschap;

—scape-gardening = de kunst van tuinen en parken aanleggen; —-scrip =

bewijs van landaankoop van den staat (Amer.); —-shark = straatroover,

uitzuiger, advocaat; —-side = de platte zijde van den ploeg; —-slide,

—slip = grondafschuiving, de afgeschoven grond; —sman = landkrab,

landrot (fig.); —-steward = rentmeester; —-surveying = landmeten;

—-surveyor = landmeter; —-tax = grondbelasting; —-warrant = —-scrip;

—ed: —ed estate (= —ed property) = grondbezit; The —ed gentry =

landadel; —ing = het aanlanden, landingsplaats, pier, werf, perron

(Amer.); bordes: —ing-net = klein net om gehengelde visch aan land te

krijgen; —ing-place = landingsplaats; —ing-surveyor = opziener over de;

—ing-waiters = kommiezen, toezicht houdend bij het lossen van schepen;

—ward = landwaarts.

Landau, landô, landauer; —let, landôlet, kleine landauer.

Lane, lein, nauwe weg of pad tusschen heggen, struiken, etc., of twee

rijen menschen door, vaargeul tusschen ijsvelden, nauwe straat, steeg:

The — = Drury — = een schouwburg in Londen; It is a long — that has no

turning = aan alles komt een einde.

Langate, langit, rol verbandlinnen.

Langham, laŋəm; Langholm, laŋəm.

Langrage, laŋgridž, Langrel, laŋgr’l, kartetskogel.

Langsyne, laŋsain, lang geleden (Schotl.); vroegere tijd.

Language, laŋgwidž, taal, spraak, stijl: He used bad — = hij vloekte,

etc; —-master = taalonderwijzer.

Languid, laŋgwid, kwijnend, zwak, traag, langzaam; subst. —ness;

Languish, laŋgwiš, verb. kwijnen, versmachten, verslappen,

achteruitgaan, kwijnend of teeder kijken, smachten naar; subst. —ment;

Languor, laŋg(w)ə, matheid, dofheid, slapheid, verlangen, zwoelte;

Languorous = Languid.

Laniard, lanjəd = Lanyard.

Laniary, leinjəri, subst. hondstand; adj. verscheurend.

Lanigerous, lənidžərɐs, woldragend, wollig.

Lank, laŋk, adj. dun, schraal en lang, slap, los, sluik; subst. —ness;

adj. —y.

Lanner, lanə, worgvalk; —et = het mannetje.

Lansquenet, lanskənet, lansknecht; kaartspel.

Lantern, lantən, subst. lantaren; — verb. van lantarens voorzien, aan

een lantaarn ophangen: Chinese — = lampion; Dark — = dievenlantaarn;

Magic — = tooverlantaarn; Feast of —s = feest in China op den eersten

van iedere maand; He was lynched and —ed; —-fly = lantaarndrager

(insect); —-jawed = met lang en mager gezicht; — lecture = lezing met

lichtbeelden; —-wheel = lantaarnrad of schijfloop.

Lanyard, lanjəd, taliereep.

Laocoön, laokəon; Laodicean, leiədisîən, tot Laodicea, leiədisîə, (in

Phrygië) behoorende; lauw in godsdienstige dingen.

Lap, lap, subst. pand (van een kleed), schoot, overstekende kant,

voorsprong, vouw; polijstschijf; ronde (bij een wedstrijd); likken,

oplikken, kabbelen; slappe drank; — verb. vouwen, omleggen, wikkelen,

“lappen” (sportt.); (op)likken, kabbelen, bespoelen, polijsten: To make

a — = een schoot maken; —ped in luxury = badend in weelde; —-dog =

schoothondje; —-stone = klopsteen (van een schoenmaker); —-work = werk,

waarbij hot eene gedeelte over het andere gelegd is; —ful; —per =

vouwer, polijster, likker, zuiper.

Lapel, ləpel, lapel (v. eene jas): A —led coat.

Lapidary, lapidəri, tot het steensnijden behoorend, in steen gesneden,

steen - -; bondig; subst. steensnijder: — style = bondige.

Lapidate, lapideit, steenigen; Lapidation = steeniging; Lapidification

= versteening; Lapidify = versteenen.

Lapillus, ləpiləs, mv. Lapilli, ləpilai, vulcanische slakkensteen.

Lapis, lapis, leipis, steen: — infernalis = helsche steen; — pumex =

puimsteen.

Lapland(er), lapland(ə), Lapland(er), ook kortweg Lap(p); adj. Lappic =

Lappish.

Lappet, lapət, slip, pand, loshangend deel van kapsel of muts: Cap — =

oorlap (v. eene muts, etc.)

Lapsable, lapsəb’l, wat vervallen kan; Lapse, laps, subst. val, loop,

verloop, fout, vergissing, plichtverzuim, afdwaling, afval; zondenval,

vervallen; — verb. vallen, glijden, glippen, voortglijden, verloopen,

dwalen, den plicht verzuimen, afvallen, vervallen: That is a —d legacy

= vervallen legaat; —d proposals; Lapsus = vergissing, fout.

Laputa, ləpjûtə, adj. Laputan.

Lapwing, lapwiŋ, kievit.

Lar, lâ (Mv. Lares, lârîz), huisgod (bij de Romeinen).

Larboard, lâböd, labəd, bakboord (linkerzijde).

Larcener, lâsənə, Larcenist, lâsənist, dief; Larcenous, lâsənɐs,

diefachtig; Larceny, lâsəni, diefstal: He was accused of a simple — =

van eenvoudigen diefstal.

Larch, lâtš, lorkenboom.

Lard, lâd, subst. varkensreuzel; — verb. lardeeren, met vet

bedruppelen, mengen; —aceous, lâdeišəs, spekkig = —y.

Larder, lâdə, provisiekamer (—kast), mondvoorraad.

Lardy-dardy, lâdi-dâdi, blasé, fatterig.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 64 / 141 段