Cornucopia, könjukoupjə, hoorn des overvloeds.

Cornute(d), kônjût(id), gehoornd.

Cornwall, könwôl; Cornwallis, könwolis.

Corollary, korələri, kəroləri, gevolgtrekking uit het voorafgaande.

Corona, kərounə, krans, kroontje, kroon (van een kies), kring (vooral

om de maan); Coronal = kroon - -, krans - -: — bone = voorhoofdsbeen;

—-feathers = kuifveeren; Coronary = kroonvormig, kransachtig: —

arteries = de twee uit de groote slagader zich vertakkende hoofdaderen;

Coronate(d) = eene kroon, krans, kuif dragend; Coronation = kroning:

—-oath = kroningseed.

Coroner, korənə, lijkschouwer: —’s inquest = gerechtelijke lijkschouw.

Coronet, korənət, kroontje, krans; —ed = met een kroontje.

Coronule, korənjûl, zaadkroontje.

Corporal, köpər’l, subst. korporaal; adj. lichamelijk, stoffelijk: —

punishment = lijfstraf.

Corporal, köpər’l, —e, köpəreili, corporale, een met figuren bestikt

lijnwaad waarop de hostieschotel en de kelk worden geplaatst.

Corporate, köpərit, tot één lichaam vereenigd: Body — = rechtspersoon;

Corporation, köpəreiš’n, staatkundig of wetgevend lichaam, gilde,

gemeentebestuur; dikke buik (scherts.): Municipal — = gemeentebestuur;

—-pictures = regentenstukken; — spiritual = bestuur van eene

cathedraal; — temporal = bestuur van eene gemeente; Corporator = lid v.

eene corporatie.

Corporeal, köpöriəl, lichamelijk, stoffelijk: He is a —ist =

materialist; Corporeality, Corporeity = lichamelijkheid; Corporealize,

belichamen.

Corposant, köpəz’nt, St. Elmusvuur.

Corps, kö (Meerv. Corps, köz), legerkorps.

Corpse, köps (Meerv. Corpses, köpsiz), lijk; —-candle, —-light = licht

bij lijken; dwaallicht.

Corpulence, köpjulens, Corpulency, zwaarlijvigheid; adj. Corpulent.

Corpus, köpəs, lichaam, corpus: — Christi = Sacramentsdag; — delicti,

diliktai; Corpuscle, köpɐs’l, köpɐs’l, lichaampje, atoompje;

Corpuscular = tot atomen behoorende.

Corral, kəral, subst. omheining (voor vee; ook ter verdediging); —

verb. omsluiten, opsluiten.

Correct, kərekt, adj. precies, goed, juist, nauwkeurig; — verb.

verbeteren, gelijk of op tijd zetten (v. een klok), straffen,

verzachten: To be — = juist zijn, gelijk hebben; Correction, kərekš’n,

verbetering, terechtwijzing, tuchtiging: House of — = verbeterhuis,

gevangenis; — of the press = correctie der drukproeven; He observed

under — = merkte bescheiden op; Correctional = straf...,

verbeterings...; She stood corrected = daar stond ze, zich van hare

schuld bewust; Corrective, kərektiv, verbeterend, verbeterings...,

verzachtend; subst. correctief: We will apply a —; —ness = juistheid;

—or = verbeteraar.

Correlate, korilit, subst. correlatief; subst. correlaat; — verb.

korileit, in correlatie staan of brengen; Correlation, correlatie;

Correlative = Correlate: — conjunctions, zooals either ... or; These

words are —s.

Correspond, korəspond, overeenkomen, correspondeeren, aansluiting

hebben, bij elkander passen (to): A mutton-chop, with potatoes to — =

een schapenboutje, met daarbij behoorende aardappelen; That —s to this

= dat stemt hiermede overeen; I — with him = houd briefwisseling;

Correspondence = overeenstemming, omgang, briefwisseling: To carry on

(keep up) a — with = briefwisseling houden met; Correspondent = subst.

correspondent; adj. overeenstemmend.

Corridor, koridö, gang; open galerij om een gebouw; bedekte weg om eene

versterking: —-train = D-(harmonica)trein.

Corrie, kori, kloof (Schotl.).

Corrigendum, koridžendəm, verbetering; mv. Corrigenda.

Corrigible, koridžib’l, te verbeteren.

Corroborant, kərobər’nt, subst. en adj. versterkend (middel),

bevestigend; Corroborate, kərobəreit, versterken, bevestigen,

verzekeren; Corroboration = bevestiging, versterking; Corroborative =

versterkend, bevestigend.

Corrode, kəroud, wegvreten, invreten, verteren; —nt = invretend

(middel); Corrodible, Corrosible = voor invreting vatbaar; Corrosion =

wegvreting, uitbijting; Corrosive = subst. en adj. bijtend (middel);

subst. —ness.

Corrugate, korugeit, adj. gerimpeld, gefronst: — verb. fronsen,

samentrekken: —d iron, glass = gegolfd plaatijzer, glas; subst.

Corrugation.

Corrupt, kərɐpt adj. bedorven, omkoopbaar, onecht, verknoeid; — verb.

bederven, verontreinigen, omkoopen; — food; — tinned meats = bedorven;

— practices = gemeene verkiezingspraktijken; —er = verleider, omkooper;

—ibility, kərɐptibiliti, bederfbaarheid, omkoopbaarheid; —ible =

bederfbaar, omkoopbaar; —ibleness = —ibility; —ion = bederf, etter,

verdorvenheid, vervalsching, omkooperij; —ive = bedervend, verleidend;

—ness = —ion.

Corsage, kösidž, corsage.

Corsair, kösêə, zeeroover, vrijbuiter(schip).

Corse, kös = Corpse.

Corselet, köslət = Corslet.

Corset, kösət, subst. korset (vaak —s).

Corsica, kösikə, —n = Corsikaan(sch).

Corslet, köslət, borstharnas; borstschild.

Cortège, kötêž, stoet, gevolg.

Cortes, kötəs, de Cortes.

Cortex, köteks, schors: Cortical, kötik’l, met schors bedekt, schors..;

Corticate(d), kötikeit(id), een schors hebbend.

Coruscate, kərɐskeit, korəskeit, flikkeren; Coruscation = schittering,

glans.

Corvette, követ, Corvet, kövət, korvet.

Corvus, kövəs, kraai, enterhaak (bij de Romeinen); Corvine = kraai...

Corybant, koribant, priester van Cybele; —ic, koribantik, dol, woest.

Corydon, köridən.

Corymb, korimb, tros.

Corypheus, korifiəs, koorleider, coryphee.

Cos, koz, kôz = Because.

Cosey, kouzi = Cosy.

Cosher, košə, vertroetelen, liefkoozen; —er = smulpaap (fig.); —ing =

Iersch gebruik, waarbij de landheer (Cosherer) van zijn pachter voedsel

en onderkomen kon eischen voor zich en zijn gevolg.

Cosine, kousain, co-sinus.

Cosmetic, kozmetik, schoonheids..; subst. cosmetiek.

Cosmic(al), kozmik(’l), het heelal betreffend, wereld..., kolossaal.

Cosmogony, kozmogəni, cosmogenie; Cosmographer = cosmograaf;

Cosmographic(al); Cosmography = cosmographie; Cosmology = cosmologie.

Cosmopolitan, kozməpolit’n, cosmopolitisch, onbevooroordeeld; subst.

cosmopoliet = Cosmopolite, kozmopəlait, wereldburger; Cosmopolitism,

cosmopolitisme.

Cosmos, kozmos, het Heelal, etc.

Coss, kos, onbekende grootheid; lengtemaat tusschen 1,6 en 3,2 K.M.

(Brit. Ind.): The rule of — = oude naam voor de algebra.

Cossack, kosək, kozak.

Cosset, kosət, ooilam (ook fig.); — verb. liefkoozen, verwennen.

Cost, kost, subst. prijs, uitgaaf, verlies, boete, nadeel; — verb.

kosten, te staan komen op: At any — = tot elken prijs; I have

experienced it to my — = tot mijne schade; The court sentenced him to

three months and —s = en in de kosten (van het geding); That — him his

life; —-price = inkoopsprijs; —less = zonder kosten; —liness =

kostbaarheid, pracht; —ly = duur.

Costal, kostəl, nerf.., zij...

Costard, kostəd, groote appel, kop.

Coster(monger), kostə(mɐŋgə), fruitverkooper (langs de straat): A —

ditty = soort café-chantantliedje.

Costive, kostiv, hardlijvig; subst. —ness.

Costume, kostjûm, kostjûm, kostuum, kleeding; —r, kostjumə, kostjûmə,

costumier = Costumier, kostûmiə.

Co-surety, koušûriti, medeborg.

Cosy, kouzi, adj. gezellig, aangenaam (ook: Cozy); subst. theemuts.

Cot, kot, huisje, hut, bootje, schaapskooi; kamerwiegje, hangmat, krib

(ook: Cote); — (Betty) = janhén; —land = akker, tot een cot

(arbeiderswoning) behoorende.

Co-temporary, Zie Contemporary.

Cothurn, kəthɐ̂n, kouthɐ̂n, cothurne.

Cotill(i)on, koutiljən, cotillon.

Cotquean, kotkwîn, janhén, manwijf.

Cotswold, kotswould: — Hills, in Gloucestershire; langharig schapenras.

Cottage, kotidž, hut, villatje, klein buitentje: —-allotments = stukken

gronds behoorende bij de woningen van boerenarbeiders; — piano =

pianino; —r = hutbewoner, eenvoudig landman.

Cotton, kot’n, subst. katoen; — verb. zich nauw aansluiten bij, intiem

zijn met, harmonieeren: —-gin = égreneermachine; —-grass = wolgras;

—-grower = katoenplanter; —-lord = rijk katoenfabrikant; —-prints =

gedrukt katoen; —-wool = ruwe katoen, watten (op wonden): To be in

—-wool = zich vertroetelen, verwend worden; To — to a person or thing =

op hebben met; inpakken: I do not — to him; Cottonocracy, (polit.)

invloed der —-lords; Cottonopolis = Manchester (schertsend); Cottonous

= donzig, als katoen.

Cotyledon, kotilîd’n, zaadlob; —ous = van zaadlobben voorzien.

Couch, kautš, subst. rustplaats, canapé; laag, verflaag; leger

(ligplaats); — verb. (op de knieën) gaan liggen (b.v. als een kameel),

gedekt liggen, in hinderlaag liggen, zich buigen, bukken; te bed

leggen; uitspreiden, vellen (van eene speer); van den staar lichten: To

— an eye; He —ed it in glowing terms = drukte het uit in

hartstochtelijke woorden; —-grass = hondsgras; —-mate = slaapkameraad;

A lion —ant = liggende leeuw (heraldiek).

Cougar, kûgâ, poema.

Cough, kof, subst. hoest: That’s a churchyard —; — verb. hoesten,

opgeven (= up), door hoesten beletten te spreken (= down); —-drop =

hoestbonbon.

Could, kud, Imperf. van can.

Coulisse, kûlis, kulîs, coulisse, gleuf (waarin de c. staan), ruimte

tusschen de c.

Coulter, koultə, ploegijzer, kouter.

Council, kaunsil, raad, raadsvergadering, concilie: Common — =

gemeenteraad; County — = graafschapsraad; Privy — = Raad van State;

geheimraad; —-board = raadstafel, raad; —lor = raadslid, raad; —-man =

gemeenteraadslid.

Counsel, kaunsəl, subst. raad, overleg, onderzoek, plan; advocaat,

rechtskundige; — verb. raadgeven, aanraden: Good — is never out of date

= komt altijd gelegen; Don’t tell her; she cannot keep —, her own — =

de zaak niet stil (geheim) houden; He took — with his friends =

raadpleegde; To take — of one’s pillow = zich op iets beslapen; —lor =

raadsman; —lorship = ambt van C.

Count, kaunt, subst. getal, berekening, waarde, schatting; punt van

aanklacht, onderdeel van eene beschuldiging; (niet Engelsche) graaf; —

verb. optellen, rekenen, achten, rekenen op: He was beaten on that — =

op dat punt verslagen; He keeps no — = telt of controleert niet; I lost

the — of the hours = wist van geen uur of tijd meer; You must take no —

of it = er geene rekening mee houden, er niet om geven; Without taking

it into — = mee te tellen; How many fingers have we got? Five, if you —

the thumb in = meetelt; To — out the House = de zitting verdagen

wanneer na telling is vastgesteld dat het vereischte aantal leden (40)

in ’t Lagerhuis niet aanwezig is (Vergelijk To move a — = zulk eene

telling voorstellen); I should — myself a coward = achten, beschouwen

als; —-palatine, —palət(a)in, paltsgraaf; titel van den bestuurder van

een der in vroegeren tijd met bijzondere privilegiën begiftigde

Counties Palatine; —-wheel = tandrad voor het slagwerk; —able: It is —

on the fingers of your hands = ge kunt het op uw vingers natellen

(fig.); —ess = gravin.

Countenance, kauntən’ns, gelaat, uitzicht, blik, gezicht; gunst, steun,

aanmoediging; — verb. steunen, begunstigen: The church gave — to the

party = steunde; He kept his — = beheerschte zich, hield zich goed; He

got quite out of — = raakte van zijn stuk (in de war, ontmoedigd); That

put him out of — = deed hem beschaamd staan; To put in — = kalmeeren;

The authorities —d the school-feast = gaven het schoolfeest door hunne

tegenwoordigheid zedelijken steun; —r = beschermer, begunstiger.

Counter, kauntə, subst. legpenning, dam-, schaakstuk, fiche (in ’t

spel); toonbank, teller; boeg (van een paard), tegenstem, tegenstoot,

gat (van een schip), valsch spoor, hielstuk; adj. tegenover; — verb.

tegenwerken, pareeren: Across the — = over de toonbank: To sell spirits

across the — = in ’t klein drank verkoopen, over de toonbank een borrel

schenken; To go — = het spoor verliezen; To run — to = tegenwerken, in

strijd zijn met; — to the hearth = tegenover den haard; —-jumper =

elleridder.

Counteract, kaunt’rakt, tegenwerken, verijdelen, verhinderen;

Counteraction = tegenwerking, reactie; adj. Counteractive;

Counter-agent = wat tegenwerkt.

Counterbalance, kauntəbal’ns, tegenwicht, evenwicht; — verb.

kauntəbal’ns, opwegen tegen, compenseeren.

Counter-blast, kauntəblâst, tegenwind (stoot); tegenslag.

Counterbond, kauntəbond, revers.

Counterbuff, kauntəbɐf, subst. terugslag; — verb. terugslaan,

kauntəbɐf.

Counter-cab, kauntə-kab, taxameter.

Countercharge, kauntətšâdž, tegenaanklacht; — verb. kauntətšâdž, een

tegenklacht indienen.

Countercharm, kauntətšâm, ontgoocheling, een tegenovergestelde

bekoring; — verb. kauntətšâm, de uitwerking van een betoovering

neutraliseeren, een tegenovergestelde bekoring uitoefenen.

Countercheer, kauntətšiə, subst. tegentoejuiching (gew. meerv.): —

verb. kauntətšîə, de toejuiching der vijandige partij niet tartend

gejuich beantwoorden.

Counterdraw, kauntədrô, op elkaar trekken.

Counterfeit, kauntəfit, subst. bedrog, huichelarij, valsch geld,

valsche wissel, nadruk; adj. nagebootst, onecht; — verb. namaken,

huichelen, bedriegen: To — notes; —er = huichelaar, valsche munter.

Counterfoil, kauntəfôil, contraregister, coupon, bagagebriefje.

Counterguard, kauntəgâd, kleine wal vóór een bastion.

Countermand, kauntəmând, subst. tegenbevel, herroeping; — verb.

kauntəmând, een tegenbevel geven, herroepen; afcommandeeren,

afbestellen, afzeggen.

Countermarch, kauntəmâtš, tegenmarsch, — verb. kauntəmâtš,

terugmarcheeren.

Countermark, k´a´untəmâk, subst. contramerk; — verb. kauntəmâk, merken.

Countermine, kauntəmain, subst. tegenmijn; krijgslist; — verb.

kauntəmain, eene tegenmijn aanleggen, heimelijk tegenwerken of

verijdelen.

Counterpane, kauntəpein, sprei, doorstikte deken: A patchwork — =

lappendeken.

Counterpart, kauntəpât, tegenhanger, duplikaat, tegenstem.

Counterplea, kauntəplî, tegenpleidooi, repliek; Counterplead,

kauntəplîd, tegenpleiten, weerspreken.

Counterplot, kauntəplot, tegenlist; — verb. kauntəplot, eene tegenlist

verzinnen of gebruiken.

Counterpoint, kauntəpôint, contrapunt; sprei.

Counterpoise, kauntəpôiz, tegenwicht, evenwicht; — verb. kauntəpôiz, in

evenwicht houden, opwegen tegen.

Counterpoison, kauntəpôiz’n, tegengif.

Counterscarp, kauntəskâp, contrescarp, tegenwal.

Countersign, kauntesain, subst. wachtwoord, contrasigne,

mede-onderteekening; — verb. kauntəsain, medeonderteekenen.

Counter-signal, kauntəsign’l, contrasein; Counter-signature,

kauntəsignətjə, mede-onderteekening.

Counterstroke, kauntəstrouk, tegen-, terugslag.

Countervail, kauntəveil, opwegen tegen, compenseeren: —ing duties =

contrarechten.

Countess, kauntəs, gravin. Zie Count.

Counting-house, kauntiŋhaus (kassiers- of bankiers)kantoor.

Countrified, kɐntrifaid, boersch, landelijk; — verb. Countrify,

kɐntrifai; Country, kɐntri, grondgebied, streek, staat, de bewoners

daarvan, vaderland, platteland (tegenover stad): So many countries, so

many customs = ’s lands wijs, ’s lands eer; No one called him — =

boerachtig; To go into the — = naar buiten gaan; The ministry will go

to the — = de kamer(s) ontbinden en de kiezers laten beslissen;

—-cousin = nichtje “van buiten”; —-dance = oude dans, waarbij de heeren

en dames in twee rijen tegenover elkander staan; tusschen de rijen

worden eenige passen uitgevoerd; —-gentleman = landedelman; —man =

landgenoot, landman; (—woman = landgenoote); —-party = de agrariërs;

—-seat = buitenplaats, landgoed; —-squire = landjonker; —-town = vlek.

County, kaunti, graafschap, district: —-borough = plaats van meer dan

50,000 inw.; — corporate = steden wier gebied een county vormden;

—-court = graafschapsrechtbank; —-town = de hoofdstad van een county.

Coupé, kûpei, eerste afdeeling van een diligence; coupé.

Couple, kɐp’l, subst. paar, echtpaar, koppel; — verb. paren;

vereenigen, koppelen: A — of dozen = een paar dozijn; These horses run

in —s = zijn een span; To hunt in —s = met z’n beiden iets doen, b.v.

jagen, huizen zien, etc; He —d-on his engine to the passenger-train =

haakte vast.

Couplet, kɐplət, couplet, vers, rijmpaar.

Coupling, kɐpliŋ: —-chains = koppeling; —-pin, verbindings- of

kettingbout.

Courage, kɐridž, moed, dapperheid: He took his — in both hands = raapte

zijn moed bijeen, vermande zich; —ous, kəreidžəs = moedig; subst.

—ousness.

Courier, kuriə, koerier, renbode.

Courland, kûəland, Koerland.

Course, kös, subst. loop, wedloop, loopbaan, stroom, richting, koers,

cursus, kuur, onder-razeil, hazenjacht, (ren)baan, reis; wijze van

handelen of doen; opeenvolging, reeks, gerecht; — verb. loopen, rennen,

stroomen, vervolgen, jagen met windhonden: In — of construction = in

aanbouw; In (the) — of time = met verloop van tijd, mettertijd; In due

— = op (behoorlijken) tijd, naar den gewonen gang van zaken; That is a

matter of — = spreekt vanzelf; — of exchange = wisselkoers; I attended

his — of lectures = volgde zijn cursus; Right must have — = zijn

beloop; To finish one’s — at = den cursus afloopen aan; Take your — =

ga je gang; The ship shaped a — for Tahiti = wendde den steven naar; To

walk over the — = eene gemakkelijke overwinning behalen; —s = “zaken”

(menstr.); I will — you to the house = ik wil om het hardst met u naar

het huis loopen; The tears were coursing down his face = stroomden hem

over; —r = renpaard, oorlogspaard; Coursing, kösiŋ, jacht op hazen met

windhonden: —-match = wedstrijd met windhonden.

Court, köt, subst. hof, hofstoet, paleis, opwachting; plein,

gerechtshof, gerechtszitting, rechtbank, slop, hofje; — verb. streven

naar, het hof maken, vleien: To go to — = aan het hof verschijnen; To

go into — = gaan procedeeren; To hold a — = receptie (of zitting)

houden; He paid his — to her = hij maakte haar het hof; To put out of —

= wegens niet verschijnen van de behandeling uitsluiten; buitensluiten;

— of ease = hulphof; To rule out of — = wraken; To — appearances = voor

het oog aangenaam zijn; To — death = den dood zoeken; I came to this

country, to — forgetfulness of the past = om te trachten, het verledene

te vergeten; — of Common Pleas = vroeger gerechtshof; thans vervangen

door de Queen’s Bench Division van het Hooggerechtshof; — of Session =

onderdeel van het Hooggerechtshof (Schotl.); —-card = heer, vrouw of

boer (in het kaartspel); —-chaplain = hofkapelaan; —-day = zittingsdag;

—-dress = hofkostuum; —-fool = hofnar; —-lady; —-martial = krijgsraad;

—-plaster = (Engelsche) pleister; —-yard = binnenplaats, binnenplein;

—eous, kötjəs, kɐ̂tjəs, hoffelijk, beleefd, beschaafd; subst. —eousness;

—er = hofmaker; —esan, kötiz’n, lichtekooi; Courtesy, kɐ̂tisi, kötisi,

hoffelijkheid, vriendelijkheid, gunstbetoon: By — = uit hoffelijkheid,

niet rechtens; — title = de titel, door de zonen van adellijken

gedragen, vóór ze hun vader in zijn rang opvolgen (—-lords); Tenure by

— = recht op het bezit der goederen van de overleden vrouw tijdens het

leven harer kinderen; Courtesy, kɐ̂tsi, subst. buiging (van hoofd en

lichaam) door eene dame; — verb. eene buiging maken (ook Curts(e)y

gespeld); Courtier, kötjə, hoveling: —ism, kötjerizm, hoofschheid,

hoofsche manieren; Courting = hofmaken, vrijerij; Courtliness =

hoffelijkheid; adj. Courtly; Courtship = vrijerij.

Courtney, kɐ̂tni; Courtray, kûətrei, Kortrijk.

Cousin, kɐz’n, neef, nicht: — Betty = halfwijze; First — = —-german =

volle neef of nicht; —ship = neefschap, verwantschap.

Coutts, kûts.

Cove, kouv, subst. inham, baai, kreek, hol, gewelf; strook

prairie-grond; vent; — verb. verwulven; Coving = het vooruitsteken der

bovenverdiepingen; adj. overhangend.

Covenant, kɐvən’nt, subst. verdrag, contract, verbond, acte; — verb.

zich verbinden, overeenkomen, volgens acte schenken; —ed = door een

verdrag gebonden; —er = aanhanger van de Partij der Schotsche

Presbyterianen (1638).

Covent Garden, kɐvən(t)gâd’n, groente- en fruitmarkt (Londen).

Coventry, kɐv’ntri: To send to — = doodverklaren, ignoreeren.

Cover, kɐvə, subst. bedekking, deksel, scherm, (boek)omslag, foudraal,

band (The book is interesting from — to —); struikgewas, schuilplaats

(The fox broke — = kwam uit zijne schuilplaats), beschutting; couvert

(bord, vork, mes, lepel); — verb. bedekken, bemantelen, bekleeden,

beschermen, dekken, omhullen, inwikkelen; afleggen, broeden, van

gelijke uitgestrektheid zijn, bevatten, mikken op, onder schot nemen,

insluiten: That —s everything = sluit alles in; We have —ed a mile =

eene mijl afgelegd; I knelt down, —ed the tiger, and fired = mikte op;

The house is —ed in = onder dak; The balcony has just been —ed in with

glass = rondom omsloten; —-side = jachtterrein (eig. plaats bij de

schuilplaats van wild of vossen); —ing = bedekking, dek, omhulsel,

dekmantel, (lijk)wade; —ing-party = bedekking; —let = sprei, soms —lid;

Covert, kɐvət = subst. schuilplaats, lommerrijke plek, leger (van

wild); adj. verborgen, geheim, beschermd: Femme — = getrouwde vrouw;

—-coating = een bepaalde stof; Coverture = beschutting, lommerrijke

plaats; staat der gehuwde vrouw.

Covet, kɐvət, vurig verlangen, begeeren, hunkeren: Thou shalt not — =

gij zult niet begeeren; —ous, kɐvətɐs, begeerig, hebzuchtig; subst.

—ousness.

Covey, kavi, broedsel, vlucht (patrijzen), troep: kouvi, ventje.

Cow, kau, subst. koe; —bane = waterscheerling, hondspeterselie; —berry

= roode boschbes; —-boy = koejongen, bereden koeherder (Amer.);

—-bunting = (Amerik.) lijster; —-catcher = toestel vóór aan de

locomotief om de baan schoon te maken (Amer.); —-feeder = koehouder

(hoeder); —-hide = subst. koehuid, grove rijzweep; — verb. afranselen;

—-house = koestal; —-leech = koedokter; —-lick = weerbarstige haarlok;

spuuglok; —-pock = koepok; —-pox = koepokken; —-shed = koestal; —slip =

sleutelbloem; Milch — = melkkoe: To look upon one as a milch —.

Cow, kau, vrees inboezemen, bang maken.

Coward, kauəd, subst. lafaard; beest met den staart tusschen de pooten

(Herald.); adj. lafhartig, verachtelijk; —ice = lafhartigheid =

—liness; adj. —ly.

Cower, kauə, neerhurken (down), ineenkrimpen.

Cowes, kauz, Cowes.

Cowl, kaul, monnikskap, gek op een schoorsteen, kap van ijzerdraad op

den schoorsteen van een locomotief; watervat, tusschen twee mannen aan

een stok gedragen.

Cowley, kauli.

Cowlstaff, kaulstaf. Zie Colstaff.

Cowper, kûpə, kaupə.

Cowry, kauri, porseleinslak, schelp als ruilmiddel gebruikt.

Cox, koks; Zie Coxswain.

Coxcomb, kokskoum, zotskap, fat, pronker; hanekam (plant);

Coxcom(b)ical, kokskomik’l, fatterig, ijdel.

Coxswain, kokswein, koks’n, stuurman.

Coy, kôi, adj. bedeesd, zedig, preutsch; — verb. afvleien (from); zich

zedig gedragen; subst. —ness.

Coyote, koujout, prairiewolf.

Coz, kɐs, familiaar voor Cousin.

Cozen, kɐs’n, beetnemen; —age = beetnemerij; —er = bedrieger.

Cozy, Zie Cosy.

Crab, krab, subst. krab, kreeft (in den Dierenriem), kaapstander,

kraan, gangspil, wilde appel, gemelijk mensch; adj. zuur, gemelijk,

norsch; — verb. verbitteren, ontstemmen, bederven: He has caught a — =

hij heeft (bij het roeien) een snoek gevangen (fig.); Don’t — the whole

thing now = zeg er eens, bederf het spel nu niet; —-louse = platluis;

—sidle = in zijwaartsche richting voortbewegen; —-tree = wilde

appelboom; —bed = zuur, oneffen, grommig, verward, onleesbaar: —

manuscripts; subst. —edness; —ber = krabbenvisscher.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 25 / 141 段