Daimio, daimiou, groote leenheer, vazal van den Mikado (Japan).

Daintiness, deintinəs, fijnheid, verweekelijking, kieskeurigheid,

lekkerheid; Dainty, deinti, subst. lekkernij; adj. lekker, kieskeurig,

sierlijk, fijngevoelig: My — = lieve; ’Don’t be —’ = (opschrift op een)

slabbetje; —-mouthed = kieskeurig.

Dairy, dêri, subst. melkhuis, melkwinkel; —-farm = melkboerderij;

—-house = melkhuis; —maid = melkmeid; —man = melkboer.

Dais, dei-is, estrade, met een troonhemel overdekte troon.

Daisy, deizi, subst. madeliefje; adj. keurig, prima: Daisied meadow =

vol madeliefjes; —-cutter = dravend paard, dat zijne pooten niet hoog

oplicht; Cricket-bal, die laag over ’t veld vliegt; —-picker; Zie

Gooseberry-picker.

Dak, dak, brievenpost in Brit. Indië.

Daker, deikə, Dakir, tien stuk of paar; —-hen, wachtelkoning.

Dakoit, dakôit = Dacoit.

Dakota, dakoutə; adj. —n.

Dalai Lama, dəlailâmə, opperpriester.

Dale, deil, dal; —sman = dalbewoner, vooral op de grens tusschen

Engeland en Schotland.

Dalhousie, dalhûzi; Dalkeith, dalkîth.

Dalliance, daliəns, het dartelen, stoeien; Dally = dartelen, beuzelen,

treuzelen, talmen.

Dallop, daləp, bosje (gras).

Dalmatia, dalmeišə, Dalmatië; —n = Dalmatiër, Dalmatisch.

Dalmatic(a), dalmatik(ə), dalmatica.

Dalrymple, dalrimp’l, dalrimp’l; Dalston, dôlst’n.

Daltonian, dôltounj’n, kleurenblinde; Daltonism, dôltənizm,

kleurenblindheid.

Dalzel(l), dalzel, deiel; Dalziel, deiel, diel.

Dam, dam, subst. moer, wijfje; dam; sloot (Austr.); — verb. stuiten,

afdammen.

Dam, dam. Zie Dawm.

Damage, damidž, subst. schade, nadeel, kosten, averij; — verb.

beschadigen, schade lijden, toetakelen: What’s the —? = hoe groot zijn

de onkosten, wat ben ik schuldig? —s = schadevergoeding; —able =

beschadigbaar; —d = beschadigd, bedorven.

Damascene, daməsîn, damasceeren; subst. damastpruim (ook Damask-plum);

adj. v. Damascus; Damascus blade = Damascener zwaard.

Damask, daməsk, subst. damast; adj. lichtrood; — verb. bloemen in

stoffen werken (damast weven), staal met goud of zilver inleggen,

damasceeren; —-steel = Damascus-staal; Damaskeen, daməskîn, daməskîn,

damasceeren; Damassin, daməsin, damast, met bloemen van goud- en

zilverdraad doorweven.

Damboard, damböd, dambord.

Dame, deim, deftige dame, vrouwe, matrone; dorpsschoolmaitres;

ouderwetsche bewaarschoolhouderes; de Dame, thans de Assistant-Master,

by wie(n) de externe leerlingen (The Oppidans) van Eton College in den

kost zijn; —’s-violet, —-wort, nachtviooltje.

Damietta, damietə, Damiette.

Damn, dam, verdoemen, veroordeelen, vloeken: It is not worth a — = het

is geen lor waard; —able = verdoemelijk, vervloekt, kolossaal;

Damnation, damneiš’n, subst. verdoeming, verdoemenis; interj.

vervloekt; Damnatory = verdoemend, verdoemings...; Damnific =

schadelijk; Damnify = schade veroorzaken, beschadigen (Jur.); Damning =

verpletterend (bewijs).

Damoclean, daməklîən, van D.: — sword; Damocles, daməklîz, Damocles.

Damon, deim’n.

Damosel, daməzel. Zie Damsel.

Damp, damp, subst. vochtigheid, nevel, uitwaseming, neerslachtigheid;

adj. vochtig, saai, neerslachtig, kil; — verb. vochtig maken,

verkillen, verzwakken, ontmoedigen, smoren, dempen, dof maken: His

presence threw a — on our joy = was als een emmer koud water; —en =

bevochtigen; ontmoedigen; —er = demper, sleutel (in een kachelpijp),

toondemper; ongezuurd brood (Austr.); teleurstelling, ontmoediging: He

puts a —er on every thing I do or say = hij beneemt me den moed bij;

—ish = eenigszins vochtig; subst. —ishness; —ness = vochtigheid.

Dampier, dampî.

Damsel, damz’l, jonge deern, jonkvrouw; —-fly = waterjuffer.

Damson, damz’n, damastpruim: — cheese = conserf van deze pruimen.

Dan, dan, Heer: — Cupid; Daniel, Dan; From — to Beer-sheba (biəšîbə,

biɐ̂šibə) = overal, op alle punten.

Danaid, danəid; Danaidean, deinəidiən, danəidiən.

Dance, dâns, subst. dans, bal; — verb. dansen, rondspringen; laten

dansen: He —d attendance on (to) the powerful = liep de groote lui na;

— of death = doodendans; He led me a jolly — = hield me leelijk aan het

lijntje; —r = danser; Dancing: —-girl = Indische danseres; —-master;

—-mistress = balletmeesteres; —-room = danszaal; —-school.

Dandelion, dandelaiən, leeuwetand.

Dander, dandə, subst. toorn; roos (= Dandruff); — verb. treuzelen,

zeuren, stotteren: He got (had) his — (dandriff) raised = hij werd

woedend.

Dandify, dandifai, zich adoniseeren.

Dandiprat, dandiprat, dreumes.

Dandle, dand’l, liefkoozen, spelen met, laten dansen (op de knie): The

mother —d him to rest.

Dandriff, dandrif, Dandruff, dandrəf, roos.

Dandy, dandi, fat, pronker; soort vaartuig, jolleman op den Ganges;

soort palankijn; iets keurigs; adj. fatterig; —-cock (—-hen) =

Bantamsche haan (hen); —-horse = ouderwetsche tweewieler; —-rigged =

met Dandy tuig; —ish = fatterig.

Dane, dein, Deen: Great — = Deensche dog; —geld, deingeld, jaarlijksche

belasting, in vroeger tijd opgelegd ter verdediging tegen de Denen;

—lagh, deinlôg, — law = Deensch recht (9e eeuw), het gebied hiervan.

Dane-wort, deinwɐ̂t, lage vlier, paarsche anemoon.

Danger, deinžə, gevaar; —-signal = onveilig sein (bij spoorwegen); —ous

= gevaarlijk; subst. —ousness.

Dangle, daŋg’l, slingeren, bengelen; achterna loopen; —r = vrouwengek;

sleepsabel.

Dan(iel), dan(j’l).

Danish, deiniš, Deensch(e taal).

Dank, daŋk, subst. vochtigheid; adj. vochtig.

Dantesque, dantesk, in den stijl van Dante, somber, verheven.

Danube, danjûb, Donau; Danubian, dənjûbj’n, Donau - -.

Dap, dap, het aas voorzichtig in ’t water neerlaten.

Daphne, dafni, Daphne; peperboompje.

Dapper, dapə, netjes, wakker, kregel.

Dapple, dap’l, subst. spikkel; adj. gevlekt; — verb. bespikkelen;

—-grey = appelgrauw (paard).

Darby, dâbi: — and Joan = de Eng. Philemon en Baucis.

Darbies, dâbiz, handboeien.

D’Arblay, dâblei.

Darbyites, dâbiaits, godsdienstige sekte, ook Plymouth Brethren

genoemd.

Dardanelles (The), dâdənelz, de Dardanellen.

Dardania, dâdeinjə, Dardanië; —n.

Dare, dêə, durven, wagen; tarten, uitdagen; leeuweriken onder schot of

in ’t net brengen, door ze met behulp van een houten bord met

spiegeltjes (a dare) te verblinden: I — say = ik durf wedden; I —say,

dêəsei, voorwaar; I — you to do it = tart u; —-devil = waaghals;

roekeloos; Daring, subst. vermetelheid; adj. onverschrokken, moedig;

—net, slagnet.

Darg, dâg, subst. dagwerk, dagtaak; — verb. een dagtaak verrichten

(Schotl.).

Darius, dəraiəs; Darjeeling, dâdžîliŋ.

Dark, dâk, subst. duisterheid, onwetendheid; adj. duister, donker,

somber, heimelijk, ontmoedigend, slecht, blind, onzeker, donker

uitziend: — Ages = Middeleeuwen; —blue = de kleur van de studenten van

Oxford (Sport); —chamber, —room (phot.); — lantern = dievenlantaarn;

After — = na donker; He rides a — horse = hij voert wat in het schild;

Then I had my — hour = droevig uur; I fear I shall go — = blind worden;

I have kept it — = geheim; He has kept me in the — = hij heeft mij

onwetend gehouden; —en = verduisteren, verdonkeren, zwart maken,

bezoedelen, blind maken, duister worden: You shall —en my doors no more

= komt me nooit weer over den drempel; —ish = vrij duister; —le =

duister worden; —ling, adj. somber, droevig; adv. in het donker,

blindelings; —ly = in ’t geheim, geheimzinnig; —ness = duisternis,

verborgenheid, blindheid, onwetendheid; —some, dâks’m, somber, duister;

—y = zwartje, neger; dievenlantaarn.

Darling, dâliŋ, subst. lieveling: My — = lieverd; adj. geliefd.

Darn, dân, subst. stop; adj. vervloekt (Amer.); — verb. stoppen, mazen:

The —est fool I ever saw = grootste gek; —er = stopnaald, stopper of

stopster; —ing-needle; —ing-yarn.

Darnel, dân’l, dolik.

Dart, dât, subst. pijl, schicht, werpspies; sprong; — verb. (een pijl)

schieten, (eene lans) werpen, schieten (v. stralen), wegsnellen,

losstormen op (at, on): To — rays.

Darwin, dâwin; adj. Darwinian; —ism = Darwinianism.

Dash, daš, subst. slag, schok, stoot, aanval, vlugge beweging, élan,

kranigheid, bezieling, geestkracht, streepje (–), drupje; — verb.

stooten, slaan, te pletter slaan, bespatten, met water werpen,

besprenkelen, vermengen, bederven, een streep halen door,

teleurstellen, snel bewegen: — of the pen = pennestreek; A — of romance

= tintje; A — under the word = streep; A morning — through the Park =

morgenritje; At first — = op het eerste gezicht; He wanted to cut a —

(figure), and lived above his income = wou bluf slaan; I got a — of

German = een hap en een snap; I —ed at him = vloog op hem aan; I —ed

this paper off in two hours’ time = ik heb dit artikel in twee uur op

het papier gegooid; I —ed it out = ik streek het uit; — it = wat

duivel! —-board, dašböd, spatbord (vooraan een rijtuig); —er =

schepbord, stamper; fat; —ing = kranig, flink, voornaam, zwierig; —y =

opzichtig, fijn gekleed.

Dastard, dastəd, bloodaard, lafaard; —liness = lafhartigheid, blooheid;

adj. —ly.

Datary, deitəri, hoofd van de Dataria = afdeeling der pauselijke

kanselarij voor de uitvaardiging van bullen.

Date, deit, subst. dadel; datum, dagteekening, duur, tijd; — verb.

dateeren, vaststellen, rekenen; beginnen (from): That is out of —, up

to — = uit den tijd, op de hoogte van den tijd; He wrote to me under —

Oct. 2; To — = totnutoe; —less = zonder datum; —-palm.

Dative, deitiv, dativus.

Datum, deit’m (Mv. Data, deitə), het gegevene, een gegeven.

Daub, dôb, subst. gemeene kalk, smeer, kladschilderij; — verb.

besmeren, bekladden, kladschilderen, vermommen, smakeloos opsieren,

grof vleien; —er = knoeier, kladschilder; grove vleier; —ery =

knoeierij (in de kunst); valsch voorwendsel; Dauby, dôbi, kleverig,

lijmerig.

Daughter, dôtə, dochter; —-in-law = schoondochter; — of Heth =

zedelooze vrouw (Gen. XXVII, 46).

Daunt, dânt, dônt, schrik inboezemen, ontmoedigen; —less = onbevreesd;

subst. —lessness.

Dauphin, dôfin, dauphin; —ess; —y = Dauphiné.

Davenant, davən’nt; Davenport, dav’npöt, kleine (dames)schrijftafel;

Daventry, dav’ntri; David, deivid; Davis, deivis; Davison, deivis’n.

Davits, deivits, davits (scheepst.).

Davy Jones, deividžounz, de booze geest der zee: To go to —’s Locker of

Davy’s Locker = “voor de haaien” zijn.

Davy-lamp, deivilamp, daviaan, veiligheidslamp (mijnwerkers).

Daw, dô, (kerk)kauw; leeghoofd.

Dawdle, dôd’l, beuzelen, verbeuzelen, zeuren: She is a regular —(r) =

echte zeur.

Dawk, dôk, subst. inkeping; wisselplaats voor dragers; posthuis (Brit.

Ind.); — verb. eene inkeping maken.

Dawm, dôm, Indische munt: 1⁄40 ropij.

Dawn, dôn, subst. dageraad; — verb. licht worden, dagen, aanbreken: At

— of day = bij het aanbreken van den dag; It —ed upon me = er ging me

een licht op, ’t werd me bewust; —ing = dageraad; flauw idee.

Day, dei, dag, daglicht, strijd, overwinning: — by — = dag aan dag; A —

to order = uitgezochte; All — (long) = den geheelen dag; Every — = alle

dagen; Every other — = om den anderen dag; One — = op een dag; One of

these —s = een dezer dagen; This — fortnight, sennight = vandaag over

veertien, acht dagen; For ever and a — = voor eeuwig; To-— = vandaag;

These systems have had their — = hun tijd; We lost the — = den slag;

The emperor won the — = behaalde de overwinning; A —’s march; A several

—’s journey; — of grace = dag der genade; —s of grace = respijtdagen;

—-bed = rustbank, sofa; —-blush = dageraad; —-boarder = scholier in den

halven kost; —book = journaal; —break = het dagen; —-coal = bovenste

kolenlaag; —-dream = mijmering, luchtkasteel; —-fly = eendagsvlieg;

—-labourer = daglooner; —light; —-scholar = externe; —-room = zitkamer,

huiskamer; —sman = scheidsrechter (Job. IX 33); —spring = dageraad;

—-star = morgenster; —-ticket = dagkaart; In the —-time = overdag;

—-wearied = vermoeid van het dagwerk; —work = dagwerk; —’s-work =

bestek (zeeterm).

Daze, deiz, subst. verdooving, verwarring, verblinding, verstijving;

mica; — verb. verblinden, verdooven, verstijven, verwarren; Dazzle,

daz’l, subst. schittering; — verb. verblinden, verwarren, verbijsteren.

Deacon, dîk’n, diaken (in de Apostolische kerk); geestelijke (ordained,

i.e. in Holy Orders), die van altaardienst en het toedienen der

sacramenten is uitgesloten (Engelsche kerk); —ess = diacones; —ry =

—ship = ambt van een deacon.

Dead, ded, dood, levenloos, doodsch, dof, mat, ongevoelig, diep,

pikdonker, beslist, volstrekt, waardeloos, onbestelbaar, verschaald,

blind, somber: He is a — man = een man des doods; Just — = pas

gestorven; — and gone = gestorven, al lang begraven; He was — of

small-pox = gestorven aan; At — of night = in het holle van den nacht;

In the — of winter = in het hartje; The book fell —-born from the press

= werd doodgezwegen; To stop — (= To come to a — stop) = plotseling

blijven staan (steken); The wind was — against us = vlak tegen; (He is)

—-alive = levend dood; uiterst vervelend; dom (Slang); I had it a —

bargain = spotgoedkoop; —-beat = doodop; —-broken = geruineerd; The

wind fell a — calm = het werd bladstil; — capital = renteloos kapitaal;

— certain = beslist zeker; — colour(ing) = doodverf, grondeering; —

copper = dof koper; — drunk = stomdronken; It was a — failure = het

mislukte totaal; He went off (into) a — faint, fainted — away = viel

geheel van zich zelf (in zwijm); — head = bezitter van een vrijbiljet

voor een schouwburg (stoomboot) (Amer.); The race was a — heat = kamp;

— horse = vooruit betaald werk; The actor was — letter-perfect =

volkomen rolvast; — letter = onbestelbare brief; The country is a —

level = volkomen vlak; — lift = zware last; —-lights = luiken;

phosphorisch lichten van doode visch; We have him at a —-lock = in onze

macht, tot staan, vastgezet; Things have come to (are at) a —-lock = de

zaken (vooral politieke) zitten vast, ze kunnen niet vooruit; — in love

= smoorlijk verliefd; The band played the —-march in Saul = de marche

funèbre uit Saulus; How many — men did you count? = ledige flesschen; —

on end = in tegengestelden koers; —-reckoning = raming; gegist bestek;

The — Sea = de Doode Zee; A — security = waarborg van geen waarde

(bijv. stilstaande fabriek); The dog made —-sets at me = venijnige

aanvallen; He is a — shot = schiet nooit mis; We were in a — stand = in

groote verlegenheid; I made a — stand against him = ik verzette mij

krachtdadig tegen hem; — stock = renteloos kapitaal; It came to a —

stop = hield in eens op; —-struck = doodelijk getroffen; vervuld van

afgrijzen; — wall = blinde muur; —-water = kielwater; —-weight = doode

last; zwaar gewicht, ballast; renteloos kapitaal; voorschot van de

Engelsche bank aan officieren, die op non-actief, of gepensionneerd

zijn; —s = uitgeworpen gesteente bij het graven; —en = verzwakken,

verminderen, verstompen, verdooven, doen verschalen, den glans

ontnemen; —lihood = de staat der dooden; —liness = doodelijkheid,

gevaarlijkheid; —ly = doodelijk, vergiftig, vreeselijk: —ly nightshade

= belladonna; —ly sin = doodzonde.

Deaf, def, doof, onoplettend, zonder pit of kern: He is —-and-dumb =

doofstom; —-mute = doofstomme; — of an ear = doof aan één oor; — to

prayers = doof voor; I am — with the noise = doof van het lawaai;

Deafen = verdooven, doof maken: The floor was —ed = ondoordringbaar

gemaakt voor geluid.

Deal, dîl, subst. hoeveelheid, handel; het geven (bij het kaarten),

deel (hout); — verb. verdeelen, geven (van kaarten), toebrengen,

handelen, zich gedragen, behandelen, te doen hebben, bestrijden: White

— = vurenhout; Red — = grenenhout; A — = een hoop; A great (good) — of

money (slechts voor enkelv. woorden) = zeer veel; The — is with me, I

have the —, I have to — = ik moet geven; To make a — = eene

overeenkomst aangaan (Amer.); What shop does he deal at? = waar koopt

hij zijne waren; — by others as you wish to be —t by = behandel anderen

zooals gij wenscht behandeld te worden; He —s in wines and spirits =

handelt in; He has troublesome customers to — with = hij heeft met

lastige klanten te doen; I — with him = ben bij hem in den winkel;

—-box = spanen doos; Dealer = koopman, handelaar; Dealing = omgang,

verkeer, handeling.

Dean, dîn, deken, hoofd van een domkapittel (Engelsche kerk); — and

chapter = domkapittel; Rural — = geestelijk hoofd van eenige

plattelandsgemeenten; —ery = waardigheid, huis- of rechtsgebied van een

Deanship = ambt van een Dean.

Dear, dîə, duur, dierbaar, geliefd: Oh —! = hemeltjelief! — me = Goede

Genade; There’s a — = dan ben je een beste; My — = lieve (ook mv. —s);

M. is such a — = zoo’n snoes; —-bought = duurgekocht; —ly = innig,

dolgraag: I should have —ly liked to go there = had er dolgraag heen

gewild; —ness = duurte, kostbaarheid; innigheid; —th, dɐ̂th,

schaarschte, gebrek, hongersnood, armoede; —y = lieveling, schat.

Death, deth, de dood, sterfgeval, holle of hartje (van winter of

nacht): To bore to — = doodelijk vervelen; To do to — = dooden;

overdrijven; To drink oneself to — = doodzuipen; Frightened to —,

Frozen to — = doodelijk geschrokken, dood gevroren; To put to — = ter

dood brengen; To ride a free (willing) horse to — = misbruik maken van

iemands goedheid; To be in at the — = tegenwoordig zijn bij het dooden

van den vos; ook fig.: bij de tragische ontknooping; You will be the —

of me = je zult nog mijn dood zijn, ik zal het besterven (ook van

lachen); It was war to the — with Germany = het was oorlog op leven en

dood met Duitschland; — when it comes, will have no denial; — is deaf,

and hears no denial = tegen den dood is geen kruid gewassen; One man’s

breath is another man’s — = den eene zijn dood is den ander zijn brood;

— devours lambs as well as sheep = de dood maakt geen onderscheid; —

keeps no calendar = de dood komt als een dief in den nacht; —-bed;

—-bell; —-blow = doodelijke slag, genadeslag; —-duties =

successierechten; —-hurt = doodelijke wonde; —-rates = sterftecijfers;

—-rattle = gerochel; I have been at —’s door several times = ben er na

“aan toe” geweest; —’s head = doodskop; —sman = beul; —-stroke =

doodelijke slag; —-struggle, —-throe = doodstrijd; —trap = valluik voor

een gevangene, gevaarlijke plaats; —-warrant = bevelschrift tot

terdoodbrenging; —-watch = doodkloppertje (een houtkevertje, welks

getik eertijds geacht werd een zeker voorteeken van een sterfgeval te

zijn); —ful = doodelijk: —less = onsterfelijk; —like = als dood,

doodelijk; —ly sick = doodziek.

Debacle, dibak’l, dibeik’l, ijsgang, moddervloed, algemeene vlucht,

ondergang, val.

Debar, dibâ, uitsluiten, den toegang beletten.

Debark, dibâk, ontschepen, aan wal gaan; subst. Debarkation.

Debase, dibeis, vernederen, verlagen; vervalschen; onteeren; subst.

—ment; —r.

Debatable, dibeitəb’l, betwistbaar; Debate, dibeit, subst. debat,

woordenstrijd; — verb. debatteeren, nadenken over (on, upon),

behandelen; Debating-Society = dispuut- of debatteercollege.

Debauch, dibôtš, subst. ongebondenheid, losbandigheid; roes; — verb.

bederven, verleiden, demoraliseeren; losbandig zijn; —edness =

liederlijkheid; —ee, debôšî, lichtmis; —er = verleider; —ery =

losbandigheid, verleiding.

Debenture, dibentjə, obligatie (= — Bond); betalingsmandaat; mandaat

door de douane uitgegeven voor in- of uitvoerrechten, die men

terugkrijgt: — holder = obligatiehouder; Registered —s = obligatiën op

naam; —d goods, goederen waarvoor men de betaalde rechten terugkrijgt.

Debilitate, dibiliteit, verzwakken; Debilitation = verzwakking;

Debility = zwakheid.

Debit, debit, subst. debet, debetzijde; — verb. debiteeren: To the — of

= ten laste van; No one could be credited or —ed with any knowledge of

it = men kon niemand de eer of de schande geven, dat hij er iets van

wist.

Debonair, debənêə, beleefd, inschikkelijk.

Deborah, debərə.

Debouch, dibûš, deboucheeren (van een leger), uitloopen: The new street

is to — into the Strand = zal op het Strand uitkomen; subst. —ment.

Debris, debrî, deibri, debri, overblijfselen, wrak, overschot.

Debt, det, schuld: An action of — = schuldvordering; — on call =

opzegbare schuld; You are in my —, head over ears in — = bij mij in de

schuld, tot over de ooren in de schuld; To pay the — of nature = tol

der natuur; To run into — = schulden maken: —or, detə, schuldenaar,

debiteur; —or-side = debetzijde.

Debut, Fr. uitspr., eerste optreden, begin; Debutant(e) (Fr. uitspr.) =

debutant(e).

Decachord, dekəköd, ouderwetsche 10-snarige harp.

Decade, dekəd, tiental (van jaren, etc.).

Decadence, —cy, dekədəns(i), dikeid’ns(i), verval; Decadent = decadent.

Decagon, dekəgon, tienhoek.

Decahedral, dekəhîdr’l, tienvlakkig (-zijdig); Decahedron = tienvlak.

Decalcomania, dikalkəmeinjə, het decalqueeren.

Decalogue, dekəlog, decalogus, de tien geboden.

Decameron, dikaməron, Decamerone.

Decamp, dikamp, opbreken, heengaan; uitsnijden.

Decanal, dekən’l, tot eene Dean(ery) behoorend.

Decangular, dikaŋgjulə, tienhoekig.

Decant, dikant, zacht òvergieten; klaren; subst. Decantation; —er,

dikantə, wijnkaraf.

Decapitate, dikapiteit, onthoofden; ontslaan (Amer.); subst.

Decapitation.

Decapod, dekəpod, tienpootig: —s = Decapoda, dikapədə, de tienpootigen.

Decarbonization, dikâbən(a)izeiš’n, ontkoling = Decarburization;

Decarbonize, dikâbənaiz, ontkolen = Decarburize.

Decastich, dekəstik, tienregelig gedicht.

Decasyllable, dekəsiləb’l, woord van tien lettergrepen; adj.

Decasyllabic.

Decay, dikei, subst. verval, vergaan, verwelken; — verb. vervallen;

vergaan, verwelken: To fall (go) to (into) — = in verval geraken, te

gronde gaan; A —ed tradesman = achteruitgegaan; What’s put away will

soon — = rust roest; —edness = toestand van verval.

Decease, disîs, subst. dood, overlijden; — verb. sterven: The —d = de

overledene(n).

Deceit, disît, bedrog, begoocheling; —ful = bedriegelijk, listig;

subst. —fulness; Deceivable, disîvəb’l, (licht) te bedriegen; subst.

—ness; Deceive, disîv, misleiden, bedriegen, teleurstellen; —r =

bedrieger.

December, disembə, December; —ly = winterachtig.

Decemvir, disemvɐ̂, Tienman (Rome); Mv. Decemviri, disemvirai; adj.

Decemviral; Decemvirate = decemviraat.

Decency, dîs’nsi, welvoegelijkheid.

Decennary, disenəri, decennium; Decennial = decennaal.

Decent, dîsən’t, welvoegelijk, betamelijk; voldoende, behoorlijk.

Decentralization, disentrəlaizeiš’n, decentralisatie; — verb.

Decentralize.

Deception, disepš’n, subst. bedrog, misleiding; Deceptive =

bedriegelijk; subst. —ness.

Deciare, dešiâ, deciare (= 107,641 square feet).

Decide, disaid, beslissen, bepalen, overhalen, doen besluiten: He —d me

to go there = kreeg er mij toe; —dly true = bepaald waar.

Deciduous, disidjuəs, vergankelijk, uit- of afvallend; subst. —ness.

Decigram(me), desigram; Decilitre, desilîtə; Decimal, desim’l, subst.

tiendeelige breuk; adj. decimaal: To calculate to five places (points)

of —s; — fraction = tiendeelige breuk; — six = nul komma zes = 0,6;

Decimate, desimeit, door tien deelen, den tienden man dooden, in

grooten getale ombrengen; subst. Decimation; Decimetre, desimîtə.

Decipher, disaifə, ontcijferen, ontwarren; —able = ontcijferbaar; —er.

Decision, disiž’n, beslissing, uitslag, beslistheid; Decisive,

disaisiv, beslissend, afdoend: —ness = vastberadenheid.

Deck, dek, subst. dek; kaartspel (Amer.); — verb. tooien, versieren,

bedekken, van een dek voorzien: The —s were cleared = alles werd in

orde gebracht, tot den strijd voorbereid; Have you swept the —s = hebt

gij den inzet (den pot) gewonnen, het dek schoongeveegd (fig.); —ed out

= getooid; —-chair = rieten dekstoel; —-passenger.

Declaim, dikleim, voordragen, declameeren; uitvaren: He —ed against

such measures = liet krachtig zijne stem hooren tegen; —er =

declamator; Declamation = redevoering, voordracht, hoogdravende rede;

Declamatory = gezwollen, hoogdravend.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 28 / 141 段