Crusoe, krûsou.

Crust, krɐst, subst. korst, aardkorst, schaal, wijnaanzetsel (in de

flesch), ketelsteen; — verb. met eene korst bedekken, een korst vormen;

—ed = oud, met eene korst: —ed with prejudice = vol vooroordeelen; —ed

manners = stijve manieren; —iness = korstigheid, knorrigheid; adj. —y.

Crustacea, krɐsteišə, schaaldieren; —n = tot de schaaldieren behoorend;

subst. schaaldier; Crustaceous = als eene schelp, hard en broos,

schaaldier - -; Crustate(d) = omkorst; Crustation = korstvorming.

Crutch, krɐtš, subst. kruk; — verb. steunen (met eene kruk): He was

—ing himself slowly about the house; —ed = op krukken steunend.

Crux, krɐks, kruis, harde noot, groote moeilijkheid, niet te verklaren

plaats (meerv. Cruces, krûsîz).

Cry, krai, subst. kreet, roep, geschreeuw, geween, gehuil, omroeping,

straatroep, gerucht, aanslaan, geblaf, leus; troep; — verb. schreeuwen,

huilen, schreien, weenen, roepen, janken, blaffen, aanslaan, gillen,

omroepen: It is a far — from the fifteenth to the nineteenth century =

een heele sprong; It is more — than wool = A great — and little wool =

veel geschreeuw en weinig wol; The dogs were in full — = blaften luide

bij de vervolging van het wild; He cried mercy = om genade; To — shame

upon = uitvaren over (tegen); They cried down the other party’s merits

and cried up their own = zij braken ... af, en verhieven hunne eigene

hoog; He cried off in time = hij gaf het bijtijds op, had er genoeg

van; To — out against = protesteeren tegen; —ing, subst. geschreeuw,

gejammer, gehuil; adj. hemeltergend, grienerig: I am the —ing one of

the family = de huilebalk; —ish(ness) = grienerig(heid).

Crypt, kript, onderaardsche gewelfde kapel, grafkelder; —ic(al),

kriptik(’l), geheim, verborgen.

Cryptogamia, kriptəgeimjə, kriptəgamjə, cryptogamen; adj. Cryptogamic =

Cryptogamous; Cryptogamy = cryptogamie; Cryptography = geheimschrift;

Cryptology = geheime taal.

Crystal, krist’l, kristal; adj. kristallen, kristalhelder;

Chrystalline, kristəl(a)in, kristalachtig, helder doorschijnend: — lens

= kristallens; Chrystallization = kristallisatie; Chrystallize =

kristalliseeren (laten); Chrystallography = kristallographie;

Chrystalloid = kristalachtig; kristalloide.

Ctenoid, tenôid, kamvormig, scherp gepunt: —-scales.

Cub, kɐb, subst. jong, welp; lobbes, blaag, bengel; — verb. jongen

werpen, opsluiten; —-hunting = jacht op jonge vossen.

Cuba, kjûbə, Cuba (sigaar); —n = uit Cuba, bewoner van Cuba.

Cubature, kjûbətjuə, inhoudsmeting.

Cubby, kɐbi, eng, beperkt; —-hole = kleine ruimte, huisje.

Cube, kjûb, subst. kubus, dobbelsteen, teerling, derdemacht; — verb.

tot de derdemacht verheffen; —-root = kubiekwortel; Cubic equation =

derdemachtsvergelijking.

Cubicle, kjûbik’l, slaapvertrek.

Cubit, kjûbit, voorarm, ellepijp, voorarmslengte (± 46 c.M.); —-arm =

arm, bij den elleboog afgesneden; —al = onderarms—; een cubit lang;

kussen.

Cucaine, kûkə-in, cocaïne.

Cucking-stool, kɐkiŋstûl, duikstoel (een oud strafwerktuig).

Cuckold, kɐkəld, subst. horendrager; — verb. horens opzetten (fig.).

Cuckoo, kukû, koekoek, domkop; — verb. koekoeken; —-bud =

boterbloempje, dotterbloem; —-clock; —-flower = koekoeksbloem,

pinksterbloem; —-spit(tle) = koekoeksspog.

Cucullate(d), kjûkəleit(id), kjukɐleit(id), van eene kap voorzien,

kapvormig.

Cucumber, kjûkɐmbə, komkommer: —-frame = komkommerbed; —-slicer =

komkommerschaaf.

Cucurbit, kjukɐ̂bit, distilleerkolf; laatkop; pompoen.

Cud, kɐd, het ter herkauwing in den mond teruggebrachte voedsel;

tabakspruim: To chew the — = over iets peinzen, herkauwen.

Cuddle, kɐd’l, warm, lekker liggen, warm instoppen, omhelzen,

liefkoozen, pakken; subst. liefkoozing, omhelzing: I —d the fiddle

under my chin = vlijde; —some, Cuddly = aanhalig.

Cuddy, kɐdi, kajuit, roef, kombuis: The cook’s —; —-table =

gemeenschappelijke tafel aan boord.

Cudgel, kɐdž’l, subst. knuppel, stok; — verb. knuppelen, afrossen: Let

us cross the —s = den strijd eindigen; I’ll take up the —s for you, in

your behalf (favour) = het voor u opnemen; I’ll — my brains no more

about it = mijne hersens niet langer mee plagen; He is —-proof = hij

kan tegen een stootje, is niet gauw bang.

Cue, kjû, einde of staart, slagwoord (tooneel), vingerwijzing, wenk,

luim, humeur; queue (biljart): My uncle was not in good — = had geen

goede bui; It was not his — to = zijn zaak niet; She found her — in a

moment = wist dadelijk te antwoorden; To give a person his — = een wenk

geven; To take the — from a person = hem tot richtsnoer nemen.

Cuff, kɐf, subst. vuistslag, slag; opslag (van eene mouw), losse

manchet; — verb. met de vuist, de klauwen of de vleugels slaan,

vechten.

Cuirass, kwiras, kwîrəs, kjûrəs, kuras, borstharnas; Cuirassier,

kwirəsîə, kjûrəsîə, kurassier.

Cuish, Cuisse, kwiš, dijstuk (harnas).

Culdees, kɐldîz, kɐldîz, monniken (van de 9e tot de 15e eeuw) in

Schotland, Ierland en Wales.

Culex, kjûleks, steekmug.

Culinary, kjûlinəri, tot keuken of kookkunst behoorende.

Cull, kɐl, plukken, uitzoeken; sukkel, vent; —er = uitzoeker; —ings =

uitschot.

Cullender, kɐl’ndə. Zie Colander.

Cullion, kɐlj’n, schurk; —s = standelkruid.

Cullis, kɐlis, bouillon; dakgoot.

Culloden, kəloud’n.

Cully, kɐli, subst. sukkel; kameraad; — verb. foppen, beetnemen.

Culm, kɐlm, halm, stengel; hooi, stroo; kolengruis.

Culminate, kɐlmineit, culmineeren, het toppunt bereiken; Culmination =

culminatie, hoogste punt.

Culpability, kɐlpəbiliti, strafbaarheid, schuldigheid; adj. Culpable;

Culpableness = Culpability.

Culprit, kɐlprit, schuldige, beschuldigde.

Cult, kɐlt, eeredienst, cultus.

Cultiv(at)able, kɐltiv(eit)əb’l, bebouwbaar; Cultivate, kɐltiveit,

verbouwen, bebouwen, koesteren, veredelen, beschaven, aankweeken;

zoeken; subst. Cultivation = cultuur, etc.; Cultivator = bebouwer,

aankweeker; cultivator (landbouwwerktuig).

Cultrate(d), kɐltreit(id), mesvormig = Cultriform.

Culture, kɐltšə, subst. cultuur, zie Cultivation; —d = beschaafd,

ontwikkeld.

Culver, kɐlvə, duif; ook = Culverin; —-tail = zwaluwstaart.

Culverin, kɐlv’rin, veldslang (kanon uit de 16de en 17de eeuw).

Culvert, kɐlvət, verwulfd riool.

Cumber, kɐmbə, kwellen, een last zijn voor, belemmeren; ook subst.;

—-world = sta-in-den-weg; —some = lastig, vervelend, hinderlijk, veel

plaats innemend; subst. —someness; Cumbrous = zwaar, plomp; subst.

—ness.

Cumin, kɐmin, komijn.

Cumulative, kjûmjulətiv, ophoopend, versneld: — voting = stemming,

waarbij een stemgerechtigde al zijne stemmen aan één candidaat geeft;

dit is een — vote.

Cumulus, kjûmjulɐs, stapelwolk, hoop.

Cunabula, kjunabjulə, incunabelen, vóór 1500 gedrukte boeken.

Cunard, kunâd.

Cuneate(d), kjûnieit(id), wigvormig; Cuneiform writing, kjunîföm of

[kjûniiföm raitiŋ], keil- of spijkerschrift.

Cunegond, kjûnəgɐnd, Kunegonde.

Cunning, kɐniŋ, subst. ervaring, vaardigheid, slimheid, loosheid, list,

bedrog; adj. listig, loos, sluw, handig: As — as a weasel = zoo slim

als eene rot; Too much — undoes = wie te slim wil zijn, komt bedrogen

uit; —-man, —-woman = waarzegger, waarzegster.

Cup, kɐp, subst. kop, beker, kroes, kelk, nap, schaal, bowl,

drinkgelag; — verb. koppen zetten (om bloed af te tappen); inschenken:

He is in his —s = hij is dronken; They were quoting poetry over their

—s = zij haalden de dichters aan bij hunne drinkgelagen; There is many

a slip Betwixt the — and the lip = Tusschen bekerrand en lippen, Kan u

menige kans ontglippen; Claret — (Champagne —) = bowl; —-and-ball =

kinderspel, waarbij een bal in een beker wordt opgevangen; —-and-ball

joint = kogelgewricht; —-bearer = schenker (aan het hof); —-board,

kɐbəd, subst. kast, huishoudkast, vertrekje, kabinetje; — verb.

vergaren; —-board-love = egoïstische liefde; —-gall = soort galappel;

—rose = gewone klaproos; —ping-glass = laatkop.

Cupel, kjûp’l, kɐp’l, cupel (Essaai); — verb. cupelleeren; subst.

Cupellation.

Cupid, kjûpid, Cupido.

Cupidity, kjupiditi, hebzucht.

Cupola, kjûpələ, koepel.

Cupreous, kjûpriəs, koperachtig, koperkleurig, koperen; Cupriferous,

koper..., koperhoudend.

Cupula, kjûpjulə, Cupule, kjûpjul, napje; Cupuliferous = napjesdragend.

Cur, kɐ̂, rekel; ploert: —rish = hondsch, norsch; subst. —rishness.

Curability, kjurəbiliti, geneeslijkheid; Curable, kjûrəb’l, geneeslijk;

subst. —ness = geneesbaarheid.

Curaçao, kûrasou, Curaçao.

Curacy, kjûrəsi, ambt van een Curate, kjûrit, een door den Rector

bezoldigden hulppredikant; zij worden òf levenslang aangesteld

(Perpetual) òf “on six months’ notice” (Temporal). In het eerste geval

noemt men ze thans Vicars; Curateship = Curacy.

Curative, kjûrətiv, genezend; geneesmiddel.

Curator, kjureitə, kjûrətə, curator; —ship.

Curb, kɐ̂b, subst. trens (aan een paardetoom), kinketting (= —-chain);

trottoirband (= —stone); spat (bij paarden); beperking, dwang; — verb.

beperken, bedwingen, leiden, een trens aandoen: To put a sharp — upon =

streng in toom houden; —-roof = mansarde (dak).

Curd, kɐ̂d, subst. wrongel, geklonterde melk (gew. Meerv.); — verb,

klonteren, (doen) stremmen; —le = (doen) stremmen, stollen, klonteren:

This novel is a regular —ler = een echte sensatieroman; —y =

geklonterd.

Cure, kjûə, subst. genezing, herstel; zielzorg, geneesmiddel; — verb,

herstellen, genezen, inmaken, zouten, pekelen, rooken, drogen: He has a

— of souls = is de zielverzorger van..; This hamlet is in his — = de

zielzorg... is hem toevertrouwd; I will — him of his cheek(iness) =

zijne brutaliteit afleeren; My mother —d the servant of followers =

leerde af er vrijers op na te houden; What cannot be —d must be endured

= men moet zich in het onvermijdelijke schikken; —-guest = badgast; —r

= genezer, geneesmiddel; inzouter, rooker; —less = ongeneeslijk.

Curfew, kɐ̂fjû, poortklok; vieravond; avondklok = —-bell.

Curialistic, kjûriəlistik, tot de curie behoorend.

Curing-house, kjûriŋhaus, suikerraffinaderij; zouterij.

Curio, kjûrjou, rariteit; Curiosity, kjûriositi, nieuwsgierigheid,

zonderlingheid, rariteit: —-monger = nieuwtjeslooper; —-shop = winkel

met antiquiteiten; Curious, kjûriəs, zonderling, zeldzaam, keurig,

nieuwsgierig, moeilijk te voldoen; subst. —ness; Curioso, kjûriousou,

verzamelaar v. —s; zonderling.

Curl, kɐ̂l, subst. krul, golving, kronkeling; aardappelziekte; — verb.

krullen, kronkelen, golven, kabbelen; —er = Curling speler; —iness =

krulligheid; —ing = een spel op het ijs waarbij groote gladde steenen

met handvat naar een doel, de tee, worden geslingerd (Schotl.);

—ing-tongs (—-irons) = frizeerijzer; —y = gekruld, krullig, golvend.

Curlew, kɐ̂ljû, wulp.

Curmudgeon, kɐ̂mɐdž’n, vrek, onaangenaam mensch, vlegel; —ly =

vrekachtig.

Currant, kɐr’nt, krent, aalbes (= Red —), zwarte aalbes (= Black —),

kruisbes (= Rough —); —-cake.

Currency, kɐr’nsi, stroom, loop, omloop, circulatie, gangbaarheid,

waarde, koers, gangbare munt, schatting; Current, kɐr’nt, subst.

stroom, loop; adj. stroomend, gangbaar, algemeen verspreid of

aangenomen, loopende, tegenwoordige: To pass — = gangbaar zijn;

Atmospheric —s = luchtstroomen, winden; The — month = loopende; Of this

— = dezer (maand) = instant; He reported it —ly = vertelde het overal.

Curricle, kɐrik’l, subst. een licht 2-wielig rijtuig gewoonlijk met

twee paarden; Curriculum, kərikjəlɐm, cursus (aan Schotsche

universiteit, etc.).

Currier, kɐriə, leertouwer; —y = ambacht of werkplaats van een currier.

Curry, kɐri, subst. kerrie; — verb. met kerrie (—-powder) kruiden; leer

touwen (opmaken na het looien); roskammen, afranselen: He curried

favour with the Royalists = hij trachtte bij de R. in de gunst te

komen; —-comb, kɐrikoum, roskam.

Curse, kɐ̂s, subst. vloek, vervloeking, verdoeming; — verb. vloeken,

vervloeken, bezoeken, teisteren: I do not care a — = ik geef er geen

lor om; A —d calumniator = vervloekte lasteraar.

Cursitor, kɐ̂sitə, vroegere griffier in het Court of Chancery.

Cursive, kɐ̂siv, subst. en adj. loopend (schrift); Cursores, kɐ̂sôrîz,

loopvogels; Cursoriness = vluchtigheid; Cursory, kɐ̂səri, haastig,

vluchtig.

Curt, kɐ̂t, kortaf, barsch; subst. —ness.

Curtail, kɐ̂teil, verkorten, verminderen, beperken; afsnijden,

kortstaarten; subst. Curtailment = verkorting, enz.

Curtain, kɐ̂tin, subst. gordijn (van bed, enz.). schuifgordijn of

overgordijn (voor het raam), scherm (tooneel); tusschenwal, die twee

bastions verbindt; — verb. met gordijnen omsluiten, omhullen: Nothing

could — in the tender light of her eyes = verdonkeren; —-lecture =

bedsermoen; —-raiser = vóórstukje; —-rings.

Curtal, kɐ̂t’l, subst. hond met korten staart (= —-dog); adj. m. korten

staart, beknopt.

Curtilage, kɐ̂tilidž, erf.

Curtle-axe, kɐ̂t’laks = Cutlass.

Curts(e)y, kɐ̂tsi, subst. dienaresse, buiging; — verb. eene buiging

maken = To drop (make) a —.

Curule, kjûrûl, adj. curulisch: — seat = curulische stoel, ambtelijke

zetel; — triumph = zegetocht.

Curvation, kɐ̂veiš’n, kromming = Curvature, kɐ̂vətšə; Curvate(d),

kɐ̂veit(id), gekromd, gebogen; Curve, kɐ̂v, subst. kromme lijn, bocht;

adj. gebogen (Curving); — verb. regelmatig buigen of krommen.

Curvet, kɐ̂vet, kɐ̂vət, subst. korte boogsprong; bokkesprong; — verb,

springen, dartelen.

Curviform, kɐ̂viföm, boogvormig; Curvilineal, kɐ̂vilinj’l, kromlijnig.

Cushat, kɐšət, kušət, ring- of woudduif.

Cushion, kuš’n, subst. kussen, buffer, samengeperste stoom (lucht),

biljartband; — verb, op een kussen plaatsen, van kussens voorzien; een

bal bij den band brengen; over de band spelen (Amer.), smoren; —et =

kussentje; —y = week; dik en vet.

Cusp, kɐsp, hoorn (van de maan), uitstekende punt, oneffenheid (in het

ijs; ook purl genoemd); —idate(d), spits uitloopend.

Cuss, kɐs (= Curse), (baloorige) vent (Amer.); —edness =

boosaardigheid, dwarsheid (Am.).

Custard, kɐstəd, vlade; —-cup = vladeglaasje of -kopje.

Custodian, kɐstoudj’n, custos, conservator, voogd; adj. Custodial;

Custody, kɐstədi, bewaring, hoede, hechtenis.

Custom, kɐst’m, subst. gewoonte, gebruik, klandizie, nering; inkomend

recht; jaarlijksche offerande van menschen (bij de Ashantijnen): He

lost her — = klandizie; It was the (a) — with them = was gebruikelijk

bij hen; —s = in- en uitgaande rechten en accijnzen (ook Duties);

—-free = onbelast; —-house = douanenkantoor; —-house officer =

tolbeambte; —-law = tariefwet; —able = belastbaar; —ariness =

gebruikelijkheid; —ary = gewoonlijk, gebruikelijk: —ary law =

gewoonterecht; —er = klant, kwant: I know my —ers = ik ken mijn volkje;

A queer —er = rare klant.

Custos, kɐstos, bewaarder: — brevium = griffier (bij het vroegere Court

of Common Pleas. Zie Court); — rotulorum = vrederechter van een

graafschap, en bewaarder der akten van de Quarter Sessions.

Cut, kɐt, subst. snede, hak, gapende wonde; houw, zweepslag, schok;

kanaal, kortere weg; afgesneden stuk, coupon, prent, plaat, het

coupeeren (bij kaartspel); vorm, fatsoen, snit; — verb. snijden,

slijpen, afsnijden, verdeelen, hakken, kappen, maaien, diep treffen of

aandoen, bijten, grieven, coupeeren (van kaarten), drukken; zich

snijden, uitsnijden, een kuitenflikker slaan: Let us draw —s = laten we

er om trekken (wie het langste stuk papier, etc. krijgt); He gave me

the — = negeerde me; He took a short — = nam den kortsten weg; A

—-and-come-again = groot stuk vleesch, overvloed, zoodat de gasten zich

naar hartelust kunnen bedienen; A — and dried theory = pasklaar

gemaakte; The —-and-thrust hero in a melodrama = de vechtersbaas; He is

of the same — with the rest = van het zelfde slag; That was an unkind —

indeed = dat was al heel onhartelijk; That’s where it —s = dat is het

pijnlijke ervan; Let us — = uitsnijden, er van door gaan; To — an

acquaintance = negeeren, niet willen kennen; — your scientific cackle =

schei uit met je wetenschappelijk gewauwel; He — a caper = hij maakte

een bokkesprong; — your coat according to your cloth = zet de tering

naar de nering; He —s a dash = maakt veel vertoon; He — a noble figure

= speelde een mooie rol, gedroeg zich kranig; I will — the lecture = ga

niet naar ’t college; To — to pieces = in stukken snijden, hakken; To —

somersaults = buitelingen maken; He — his stick = schuurde zijn piek;

To — one’s wisdom-tooth = zijn verstandskies krijgen; Let us — across

here = laten we hier dwars oversteken; To — asunder = scheiden; — away

= ga je gang; To — both ways = voor tweeërlei uitlegging vatbaar; To —

dead = volkomen negeeren; To — it fat = opsnijden; To — up rough = grof

worden; To — short = in de rede vallen en den mond snoeren; The premier

was —ting down trees = was bezig met boomen omhakken; — down =

afbikken, afhakken, verkleinen, besnoeien; Here the old woman — in =

viel in de rede; I tried to — in, but my samples did not please him =

trachtte mijn artikel er in te werken; He was — off in the midst of his

work = afgeroepen (door den dood); He was — off with a shilling =

onterfd = — out of the will; I shall try to — him out = ik zal

trachten, hem een beentje te lichten; He — me out with a woman = hij

drong zich in mijne plaats bij; He is — out for a teacher = voor

onderwijzer geknipt; He could not — out a coat = geen jas knippen; The

piece of cloth was — up = doorgesneden; He was — up by his friend’s

death = kapot van; The book was — up by all the critics = werd

doorgehaald; He has — up well = veel geld nagelaten; Don’t — up rusty

about it = word er maar niet boos om; That merchant — under = verkocht

de goederen onder de waarde; A —-glass water-bottle = waterkaraf van

geslepen glas; A —-away coat = jas met rondgesneden panden; —-grass =

galigaan; —purse, kɐtpɐ̂s, gauwdief, zakkenroller; —-throat =

moordenaar; adj. moorddadig; —water = bruggehoofd, golfbreker,

scheepsneb; —worm = larve van een uiltje; Cutter = hakker, snijder,

coupeur, mes; kotter, boot (bij oorlogschepen), lichte slede (Amer.);

—s = steenen, gebruikt om de bogen van vensters enz. te maken: To play

—s = een pandspel (“Alle vogels vliegen”); Cutting = subst. scheiding,

verdeeling, reepje, uitgraving (v. een heuvel, om kanaal of weg te

maken); adj. scherp, grievend: He sent me several —s from the London

papers = courantenreepjes, uit de bladen geknipt; — sorrow =

schrijnende smart.

Cutaneous, kjuteinjəs, tot de huid behoorend, huid...

Cutch, kɐtš = Catechu.

Cute, kjût. Zie Acute.

Cuticle, kjûtik’l, opperhuid, vlies (op dranken); Cuticular = huid..;

Cutis, kjûtis, huid.

Cutlass, kɐtləs, breede kromme sabel, hartsvanger.

Cutler, kɐtlə, messenmaker; —y = messenmakerszaak, scherpe werktuigen.

Cutlet, kɐtlət, cotelette.

Cuttle(-fish), kɐt’l(fiš), inktvisch.

Cutty, kɐti: —pipe = neuswarmertje; —-sark = vrouwenhemd; —-stool,

kɐtistûl, vrouwelijk zondaarsbankje in Schotsche kerken in vroeger

tijd.

Cuvette, kjuvet, lepelvormig chirurgisch instrument; steenen

smeltkroes.

Cwt, 112 Eng. ponden (Verkorting van Centum + weight) ± 50,8 K.G. Zie

Hundred-weight.

Cyanogen, saianədžen, cyaan; Cyanosis, saiənousis, blauwziekte.

Cybele, sibəli; Cyclades, siklədîz.

Cyclamen, sikləmen, alpenviooltje.

Cycle, saik’l, subst. kringloop, tijdkring, cyclus (van legenden),

rijwiel; — verb. ronddraaien, fietsen: — of indiction = tijdperk van 15

jaar; — of the moon, of Metonic — = guldengetal = tijdperk van 19 jaar,

waarna nieuwe en volle maan op dezelfde dagen der maand terugkeeren: —

of the sun = zonnecirkel (28 jaar); To — over from X.; Cycling-costume

(—-tour) = fietskostuum (-tocht); Cyclist = Cycler.

Cyclic(al), siklik(’l), tot een cyclus behoorend: — poets = navolgers

van Homerus, die allen den Trojaanschen oorlog tot onderwerp hunner

epische poëzie kozen; — chorus = het koor te Athene dat, zingende, om

het altaar van Bacchus danste.

Cyclone, saikloun, cycloon, wervelstorm; adj. Cyclonic.

Cyclopaedia, saikləpîdjə, encyclopaedie; adj. Cyclopaedic of

Cyclopaedic.

Cyclopean, saikləpîən, tot de Cyclopen behoorend; reusachtig; Cyclops,

saiklops; meerv. Cyclopes, saikloupîz.

Cyclorama, saiklərâmə, cyclorama.

Cyclostyle, saikloustail, cyclostile.

Cygnet, signət, jonge zwaan.

Cylinder, silində, cylinder, wals, rol, ziel, kaliber: A green tin — =

botaniseerbus; adj. Cylindric(al); Cylindriform.

Cymar, saimə, simâ, licht opperkleed, sjerp.

Cymbal, simb’l, bekken.

Cymbiform, simbiföm, bootvormig.

Cymric, kimrik, Kimbrisch; Cymry, kimri, Kimbren; An old Cymro.

Cynic, sinik, subst. cynisch persoon; adj. hondsch, cynisch; —s = de

school der cynische wijsgeeren (door Antisthenes gesticht); adj. —al;

—ism = cynisme.

Cynosure, sinəšə, sainəšə, middelpunt v. aantrekking; de kleine Beer;

poolster, leidster.

Cynthia, sinthiə.

Cypher, Zie Cipher.

Cypress, saipres, cypres; soort krip; adj. gestreept.

Cyprian, sipriən, van Cyprus; Cypriote, sipriout, bewoner van C.;

Cyprus, saiprəs; Cyprus; krip.

Cyrus, sairəs.

Cyst, sist, blaas, beursgezwel; —ic worm = lintworm; Cystitis,

sistaitis, ontsteking van de blaas.

Cytherea, sithərîə; adj. Cytherean.

Czar, zâ, keizer, czaar; Czarevna, zârevnə, vrouw van den czarewitz;

Czarina, zârînə, keizerin, vrouw van den czaar; Czarowitz, zârəvitš,

oudste zoon van den czaar.

Czech, tšek, Czech; Czechisch(e taal).

D.

D. di, D.; 500 (D̄ 5000); doctor; date, day; died; denarius (= penny);

damn; (ook verb.): The big D = groote vloek (D. = Damn); ’d = had,

would; D.D. = Divinitatis Doctor; M.D. = Medicinae doctor; D.C.L. =

Civilis Legis Doctor; L.L.D. = Legum Doctor; Dec(ember); De(l) =

Delaware; Deut(eronomy); Div. = Divide, Dividend, Division, Divisor;

D.Lit(t) = Litterarum Doctor; D(ead) L(etter) O(ffice); Do. = Ditto;

Doz(en); On the D(ead) Q(uiet) = in strikt vertrouwen; D.T. = Delirium

Tremens; Du(t). = Dutch; D(eo) V(olente); Dwt. = Pennyweight; D.W.T. =

D(eclined) W(ith) T(hanks) = beleefd afgewezen (van een bijdrage).

Dab, dab, subst. klompje, vlak, klad; tik, pik; schar (ook allerlei

platvisch); meester, kraan; — verb. zacht kloppen (met een vochtig of

zacht werktuig); pikken; bevuilen; clicheeren; adj. knap: He is a — at

cricket = knap in; She —bed at her hair with a brush = ging hier en

daar even over; —ber = hij die clicheert; tampon; —ster = meester,

kraan.

Dabble, dab’l, besprenkelen, bevochtigen, plassen; knoeien,

liefhebberen: He —d at his forehead with a pocket-handkerchief; He —s

in politics = liefhebbert in; —r = knoeier, stumper.

Dabchick, dabtšik, pas uitgekomen kuiken; kuifduiker = Dipchick.

Da Capo, dâkâpou, Da Capo.

Dace, deis, serpeling of witvisch.

Dacia, deišə, Dacië; —n, Dacisch.

Dacoit, dakôit, bandiet, roover (Brit. Ind.); —age, —y = rooverij door

—s.

Dactyl, daktil, dactylus (– ⏑ ⏑); vinger, teen (anatom.); —ar, —ic,

daktilik, uit dactylen bestaande; een dactylische versregel; —ioglyph,

daktiljəglif, ringgraveur, inschrift; —ology, daktilolədži,

vingerspraak.

Daddle, dad’l, waggelen.

Dad(dy), dad(i), paatje; Daddy-long-legs, dadiloŋlegz, langpoot mug;

hooiwagen; langbeenig mensch.

Dado, deidou, dâdou, vlakke voorzijde van een voetstuk, soort van

lambrizeering.

Daedalus, dedəlɐs.

Daffodil, dafədil, affodil. Zie Asphodel.

Daft, daft, subst. bot van geest, dwaas, gek; subst. —ness.

Dagger, dagə, subst. dolk, kort zwaard, leesteeken (†); — verb.

doorsteken: At —s drawn = klaar om te vechten; op hoogst gespannen

voet; To look —s at a person = iemand met zijn blikken doorboren; To

speak —s to a person = vlijmscherp toespreken; —-plant = Jucca.

Daggle, dag’l, door het slijk sleepen, door den modder loopen; —-tail =

slordevos, = —-tailed = slordig, bevuild.

Dago, deigou, scheldnaam voor elk Spaansch of Portugeesch sprekend

matroos.

Dagonet, dagənet.

Daguerreotype, dəgerətaip, subst. daguerreotype; — verb.

daguerreotypeeren.

Dahabeeyah, Dahabieh, dâhâbîə, Egyptisch vaartuig, voornamelijk voor

den Nijl.

Dahlia, dâljə, deiljə, dahlia.

Dahomey, dəhoumi.

Daily, deili, subst. dagblad; adj. dagelijksch: — News = naam van een

Eng. dagblad.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch · 第 27 / 141 段