Het leemen
章节目录
共 131 题- HET LEEMEN WAGENTJE
- AAN MIJN VADER.
- INLEIDING.
- PERSONEN.
- STELLINGEN.
- I.
- II.
- III.
- IV.
- V.
- VI.
- VII
- VIII.
- IX.
- X.
- XI.
- XII.
- XIII.
- XIV.
- XV.
- XVI.
- XVII.
- XVIII.
- XIX.
- XX.
- HET LEEMEN WAGENTJE
- VOORSPEL.
- Zooals UEd. beveelt. (Af.)
- EERSTE BEDRIJF
- HET TOEVERTROUWEN DER SIERADEN
- Een willig meisje wij zoeken—
- Dan ga ik. (Af.)
- Koningszwager (het verkeerd aannemend)
- Weinig recht heb ik immers op uw huis.†
- Hoe, is dat Vasantasenâ! (Bij zich zelf.)
- Welaan! Moge er vertrouwlijkheid bestaan!*
- Ik ben U wel verplicht. (Overhandigt de sieraden.)
- Geachte Vasantasenâ, hier is uw huis; wil binnentreden.*
- Zooals U beveelt. (Beiden af.)
- TWEEDE BEDRIJF
- DE WRIJFMEESTER ALS SPELER.
- Zooals de Jonkvrouw beveelt. (Af.)
- Komaan, schrijf een schuldbrief.†
- Maar wat zal ik ongelukkige doen?† Ik, die
- Hoe zou ik betalen? (Mâthura sleurt hem voort.)
- Kalfskind, heb jij dan zelf het spel zóó* beoefend?†
- Zooals de Jonkvrouw beveelt. (Gaat naar buiten.†)
- Jonkvrouw, mijn besluit is genomen. (Gaat het tooneel rond.)
- Karnapûraka, hier hebt ge een belooning. (Reikt hem een sieraad.)
- DERDE BEDRIJF
- DE INBRAAK.
- Hoe, een vrouw! kom, dan ga ik heen. (Af.)
- Hoe, toevertrouwd! (Verliest de bezinning.)
- Ik zal het de edele vrouwe gaan mededeelen. (Af.)
- Edele Maitreya, maak hem toch niet beschaamd. (Af.)
- Hier ben ik, neem dit. (Toont het paarlensnoer.)
- VIERDE BEDRIJF
- MADANIKÂ EN ÇARVILAKA.
- Zooals U behaagt. (Af.)
- Zooals de Jonkvrouw beveelt. (Neemt het schilderstuk en treedt af.)
- Ik zal het U vertellen. (Zij zien elkander vol liefde aan.)
- Çarvilaka, vertel het. (Çarvilaka ziet bevreesd naar alle richtingen.)
- Hier zijn de sieraden. (Reikt ze haar bevreesd over.)
- Ik ben door de Jonkvrouw verlaten. (Valt haar te voet.)
- Komaan, ik stap uit. (Hij stapt uit.)
- Thans zal ik
- Zooals de Jonkvrouw beveelt. (Af.)
- Wil plaats nemen, Geachte. (Beiden nemen plaats.)
- Edele Maitreya, biedt nog heden
- Meisje, kom met het paarlensnoer heel vlug weer hier. (Allen af.)
- VIJFDE BEDRIJF
- HET ONWEER.
- Wel, zij, zij. (Skr. sâ, sâ.)
- Wie, wie? (Skr. kâ, kâ.)
- Wel, domme Brahmanenjongen, ge moet de onderdeelen omkeeren.†
- Wacht, dat wil ik de jonkvrouw berichten. (Af.)
- ZESDE BEDRIJF
- DE VERWISSELING DER WAGENS.
- Zooals de Jonkvrouw beveelt. (Af.)
- Hé, voerman, buig het juk neer.† (De slaaf doet aldus.)
- Moet men het zeggen?†
- Zoo zij het. (Af.)
- ZEVENDE BEDRIJF
- Dan tot wederziens. (Af.)
- ACHTSTE BEDRIJF
- VASANTASENÂ’S VERWORGING.
- En waarom zijt ge niet dadelijk na uw geboorte uitgetogen? (Slaat hem.)
- Zoo zij het. (Bestijgt hem.)
- Neen. (Schudt het hoofd.)
- Ga heen, onedel spreekt ge. (Stoot hem met den voet.)
- Zoo, ge wilt haar niet dooden? (Slaat hem duchtig.)
- Ah, voor mijn oogen wil hij haar ombrengen! (Grijpt hem bij de keel.)
- Zoo zal zij als een pand onder mijn handen blijven.†
- Ach, ik ongelukkige, ik ben verloren! (Valt in onmacht.)
- Dat kwaad zij verre! (De koningszwager lacht.)
- Ah, wacht, schurk! (Trekt het zwaard.)
- Zooals mijn Heer beveelt. (Af.)
- NEGENDE BEDRIJF
- HET GEDING.
- Want een rechter moet immers
- Zoo zij het. (Zet zich neder.)
- UEd. volge mij. (Beiden gaan het tooneel rond.)
- O, hoe vol luister is de rechtszaal! want hier
- Laat ik binnentreden. (Treedt binnen.)
- Hier is een zetel, UEd. neme plaats. (Cârudatta neemt plaats.)
- Van deze. (Wijst op de moeder van Vasantasenâ.)
- Edele, de hetaere is uw vriendin? (Cârudatta toont verlegenheid.)
- Onzin spreekt ge.†
- Waarde bode, zoo moet ge doen. (De bode doet aldus.)
- Ach kind, ach zoontje! (Weenende af.)
- Ik heb tegenover hem mijner waardig gehandeld, nu ga ik heen. (Af.)
- Ik kom al. (Allen af.)
- TIENDE BEDRIJF
- HET BESLUIT.
- Beiden.†
- Gaat op zij, Edelen, gaat op zij! Hier is de edele Cârudatta, die
- O hoofd uwer kaste, enz. (Herhaalt het vorige.)
- Dat kwaad zij verre! (Rondziende, bij zich zelf.) Ik begrijp het.†
- Kom, maak weder het vonnis bekend. (De Cândâla doet aldus.)
- Luistert. (Herhaalt het vroeger gezegde.)
- Ach, verloren ben ik, ongelukkige! (Zet zich ontroerd neder.)
- Edele Cârudatta, wat is dit? (Valt hem aan de borst.)
- Edele Cârudatta, wat is dit? (Valt hem te voet.)†
- O wonder, o wonder! Vasantasenâ leeft! (Allen herhalen het.)
- Hoe, Vasantasenâ zelve! (Vol vreugde.)
- O wonder, wat zal ik doen? UEd. spreke.†
- O hé, ik ben herleefd! (Met de stadswachters af.)†
- HEIL!
- NOTEN.
- AANTEEKENINGEN.
- VOETNOTEN