Gaat op zij, Edelen, gaat op zij! Hier is de edele Cârudatta, die

Met karavîra-snoer* omhangen,

door ons, beulsknechten, aangegrepen,

Gelijk een lamp met weinig olie,

allengs, allengs zijn einde nadert.

Cârudatta (verslagen).

Mijn lichaam, met der oogen vocht begoten,

Door stof verdroogd, bekleed met grafsteebloemen,

Gezalfd met sandel†, meenen, walglijk krassend,

De raven als een offer te verslinden.

Cândâla’s.

Gaat op zij, Edelen, gaat op zij!

Wat ziet ge naar den goeden man,

dien dragers van de bijl des Doods doen sterven,

Dien boom van edelaardigheid,

waarin als vogels brave lieden wonen?

Kom dan, Cârudatta, kom!

Cârudatta.

Onbegrijpelijk is toch de werking van der menschen lot, daar ik tot

zulk een toestand ben geraakt!

Door handenvol† van rood sandel,

op alle leden uitgespreid,

En bestrooid met gestampt poeder

ben ik, mensch, offerdier gemaakt!

(Voor zich uit ziende.) Ach, welk een verschil onder de menschen!

Want wanneer dezen dit mijn lichaam aanzien,

„Wee ’t sterflijke”, zoo spreken zij bekommerd†

En daar zij niet vermogen, mij te redden,

zeggen de burgers: „Hij verwerv’ den hemel.”

Cândâla’s.

Gaat op zij, Edelen, gaat op zij! Wat kijkt ge?

Indra’s banier, die wordt voorbijgedragen,*

’t baren van koeien, samenkomst van sterren†

En d’ ondergang van ’t leven van een brave—

deze vier dingen moet men niet aanschouwen.

De ééne.

Wel ′Ahinta, zie toch, zie!

Daar hij, voortreflijkste der stad,

op last van ’t Noodlot wordt gedood,

Is het nu, dat de hemel weent,

of valt er regen† zonder wolk?

De tweede.

Wel, Goha!

Het is niet, dat de hemel weent,

noch valt er regen zonder wolk:

Een wolk—het is der vrouwen schaar—

valt neer in stroomen oogenvocht.

En ook:

Daar over hem, die wordt ten doode heengevoerd, een ieder weent,

Verrijst, door oogenvocht besproeid, het stof niet van den wagenweg.

Cârudatta (rondziende, droevig).

Die vrouwen, die, zich in ’t paleis bevindend,

door ’t venster halverweg te voorschijn komen,

Zij roepen mij: „Ach, Cârudatta!” tegen,

tranen vergietend als door watergeulen.

Cândâla’s.

Kom dan, Cârudatta, kom! Dit is de plaats der afkondiging. Slaat de

trommel, verkondigt de afkondiging.

Beiden.

Hoort, Edelen, hoort! Deze is de kleinzoon van den veemheer

Vinayadatta, de zoon van Sâgaradatta, de edele Cârudatta genaamd. Door

dezen nu, misdadig handelend, is de hetaere Vasantasenâ, ter wille van

haar beetje geld, in het verlaten, oude park Pushpakarandaka gevoerd en

door des armstriks gewelddadigheid gedood. Deze is in bezit van het

gestolene gegrepen en heeft zelf bekend. Toen is door koning Pâlaka aan

ons gelast, hem te doen sterven. Indien een ander zulk een misdrijf,

strijdig met beide werelden, bedrijft, zal koning Pâlaka ook hem op

gelijke wijze straffen.

Cârudatta (moedeloos, bij zich zelf).

Mijn naam, gelouterd door ontelbar’ offers, eens uitblinkend

Door ’t prev’len van gebeden in een reeks van tempels,

Wordt, nu ik in den staat des doods verkeer, door booze mannen,

Die des-onwaardig zijn, in dez’ afkondiging verkondigd.

(Opziende, de ooren dichtstoppend.) Ach, Vasantasenâ!

Met tanden, blank als van de maan de zuiv’re stralen,

Met lippen, die verrukkelijk koraal gelijken!

Nu ik van uw gelaat den nektar heb gedronken,

Hoe zal ’k onwillig het venijn der schande drinken!

Beiden.

Gaat op zij, Edelen, gaat op zij!

Dit schatvertrek van deugd-juweelen,

der braven reddingsbrug uit rampen,

Een kleinood, schoon geen goud bevattend,

wordt van de stad thans weggevoerd.

En verder:

Op aard’ is immers iedereen

opmerkzaam voor wie in geluk verkeeren,

Voor menschen, die gevallen zijn,

is een, die vriendschap doet, niet licht te vinden.

Cârudatta (overal heenziende).

Daar ginds, met ’t overkleed ’t gelaat bedekkend,

Gaan immers verder van mij voort mijn vrienden:

Ook vreemd’ is maag† van wie in voorspoed wijlen,

Maar geen de vriend van wie in nood verkeeren.

Cândâla’s.

Er is ruimte gemaakt, de hoofdstraat is vrij. Voert hem dus heen, die

met het teeken der terdoodveroordeelden is voorzien.

Cârudatta.

Helaas, Maitreya, welk een slag heeft mij thans getroffen!

Ach gad’ een vlekkeloos Brahmanengeslacht ontsproten!

Ach Rohasena, gij aanschouwt niet mijn wedervaren—

Vergeefs verlustigt g’U nog immer in ’t grootste onheil.

Stem achter het tooneel.

Ach vader! Ach lieve vriend!

Cârudatta (luisterend, droevig).

O hoofd uwer kaste, ik wensch van U een geschenk te ontvangen.

Cândâla’s.

Uit onze hand neemt ge een geschenk aan?

Cârudatta.

Dat kwaad zij verre!*—Niet onbezonnen handelend, slecht van gedrag als

Pâlaka is de Cândâla. Dus ter wille van het volgend leven vraag ik, het

gelaat van mijn zoon te zien.

Cândâla’s.

Aldus geschiede.

Achter het tooneel.

Ach vader, ach vadertje!

Cârudatta (luisterend, droevig).

Het leemen wagentje: Indisch tooneelspel uit Sanskṛt en Prākṛt in het Nederlandsch vertaald · 第 116 / 131 题