Die tot een liefde mij wekte,
die, aan des lafaards toorn gelijk,
Als bekneld is in mijn lichaam,
daar d’omvang van mijn rijkdom slonk.
Vidûshaka.
Hoor eens, vriend! De koningszwager zegt:
Cârudatta.
Wat?
Vidûshaka.
„Deze hetaere, dit meisje, met goud getooid, met goud versierd, als een
tooneelleidersvrouw, die zich zoo juist heeft opgemaakt tot het
vertoonen van een Heldenspel, op U verliefd, sinds zij U zag in Kâma’s
tempelhof, is uw woning binnengegaan, terwijl wij haar zochten te
winnen door gewelddadigheid.”
Vasantasenâ (bij zich zelf).
„Te winnen door gewelddadigheid!” waarlijk, ik ben vereerd door die
woorden.
Vidûshaka.
„Wanneer gij haar goedschiks wegzendt en in mijn handen overlevert, zal
er, in geval gij haar zonder proces voor het gerecht snel aan mij
overgeeft, vriendschap tusschen ons bestaan, anders zal tusschen ons
vijandschap bestaan tot aan den dood.”
Cârudatta (minachtend).
Die dwaas! (Bij zich zelf.) Waarlijk, dit meisje is waardig, als een
godheid te worden vereerd!† Daardoor is het immers, dat zij op dezen
stond,
Schoon ’k haar noodigde: „Betreed mijn woning!”
Niet verroert, mijn lotstoestand aanschouwend,
En niet door bekendheid met de mannen
Vastberaden spreekt, al zegt zij veel.†
(Luid.) Geachte Vasantasenâ! Door U daareven onbewust als mijn bediende
te behandelen, daar ik U niet herkende, heb ik U beleedigd. Met gebogen
hoofd vraag ik U vergiffenis.
Vasantasenâ.
Door dit ongepast betreden van uw drempel heb ik U beleedigd; ik vraag
U met gebogen hoofd vergiffenis.
Vidûshaka.
Wel, gij beiden brengt de hoofden bij elkander als twee welige
rijstvelden. Ook ik buig nu dit hoofd, een kameelsknie gelijkend, en
smeek U beiden: „Richt U op.”
Cârudatta.