Cârudatta.
Bedenkt U wel, o rechters, bedenkt U wel. (Verlaat den zetel en zet
zich op den grond.)
Koningszwager (bij zich zelf, van vreugde dansend).
Kijk, zoo is het kwaad, door mij gedaan, op een anders hoofd
neergekomen. Dus, waar Cârudattaka zit, daar ga ik nu zitten. (Doet
aldus.) Cârudatta, zie mij aan, zie mij aan! Zeg dan toch: „Zij is door
mij gedood.”
Cârudatta.
O, rechters!
Wat een boosaardig man, afgunstig op anders deugden,
Door haat verblind en hier ten zeerste gezind tot moordlust,
Wat, door de schuld van zijn geboorte, hij valsch’lijk aanbrengt,
Moet dat dan aangenomen worden en niet betwijfeld?
(Zuchtend, bij zich zelf.)
Helaas, Maitreya, welk een slag heeft mij thans getroffen!
Ach gad’ een vlekkeloos Brahmanengeslacht ontsproten!
Ach Rohasena, gij aanschouwt niet mijn wedervaren—
Vergeefs verlustigt g’U nog immer in ’t grootste onheil.†
Maitreya is door mij tot Vasantasenâ gezonden, om bericht van haar in
te winnen en haar de sieraden terug te geven, die zij hem had
geschonken voor een wagentje. Waarom toeft hij dan?
(Dan komt de Vidûshaka op met de sieraden.)
Vidûshaka.
Ik ben door den edelen Cârudatta tot Vasantasenâ gezonden, daarheen de
sieraden medenemend, met de woorden: „Edele Maitreya, door Vasantasenâ
is de kleine Rohasena, met haar eigen sieraad versierd, tot zijn moeder
gezonden; hij moet sieraden geven, maar niet aannemen†; overhandig ze
haar dus.” Laat ik dus tot Vasantasenâ gaan. (Gaat het tooneel rond en
ziet om zich heen; in de ruimte.*) Hé, daar is Meester Rebhila. Wel,
Meester Rebhila, hoe ziet ge zoo geheel ontsteld? (Luistert.) Wat zegt
ge? „De edele Cârudatta is voor het gerecht geroepen!” Dan moet het wel
een zaak gelden van niet gering belang. (Denkt na.) Ik zal dan later
naar het huis van Vasantasenâ gaan. Laat ik nu eens naar de rechtszaal
gaan. (Gaat het tooneel rond en ziet om zich heen.) Dit is de
rechtszaal, laat ik binnentreden. (Treedt binnen.) Geluk, heeren van
het gerecht! Waar is mijn lieve vriend?
Rechter.
Wel, hier staat hij.
Vidûshaka.
Vriend, heil zij U.
Cârudatta.
Het moge zoo zijn.
Vidûshaka.
Zijt ge welvarend?
Cârudatta.
Ook dit moge zoo zijn.
Vidûshaka.
Maar vriend, hoe ziet ge zoo geheel ontsteld? en waarom zijt ge
gedaagd?
Cârudatta.
Vriend!
Door mij is immers, boosaard’ge,
die van geen and’re wereld weet,
Een vrouw of Rati*, om ’t even†—
de rest zal deze doen verstaan.
Vidûshaka.
Wat, wat?
Cârudatta (aan zijn oor).
Zoo is het.
Vidûshaka.
Wie zegt dat?
Cârudatta (wijst door een wenk den koningszwager aan).
Niet deze ongelukkige, die het middel is, het Noodlot klaagt mij aan.
Vidûshaka.
Waarom zegt ge niet: „Zij is naar huis gegaan”?
Cârudatta.
Schoon het gezegd wordt, door de schuld van mijn levenslot wordt het
niet aangenomen.
Vidûshaka.
Hoe nu, Edelen! Deze man, door wien Ujjayinî is versierd met kloosters,
lusttuinen en godshuizen, die de stad bevesten,† met vijvers en putten,
die zou ter wille van een beetje geld zulk een misdaad bedrijven!
(Toornig.) Wel, wel, bastaard, koningszwager Samsthânaka, bandelooze,
bron van beschuldigingen, met veel goud getooide aap! Zeg dan, zeg dan
in mijn gezicht, hoe zou mijn lieve vriend, die niet eens een bloeiende
mâdhavî-rank* nederbuigt, om de bloemen te plukken, want door het
nederbuigen mocht soms een jonge twijg breken, hoe zou hij zulk een
misdaad bedrijven, met beide werelden in strijd! Wacht,
koppelaarsterszoon, wacht, wacht! Ik zal met dezen stok, die even krom
is als je hart, je hoofd in honderd stukken slaan.
Koningszwager (toornig).
Hoort toch, hoort toch, Edelachtbaren. Met Cârudattaka heb ik een
rechtsstrijd of een geding; waarom wil jij dan, kraaienpootschedelkop!
mijn hoofd in honderd stukken slaan? Neen, neen, slavinnenzoon,
verwenschte Brahmanenjongen.
(De Vidûshaka, zijn stok opheffend, herhaalt zijn vorig gezegde. De
koningszwager, toornig opstaande, slaat hem. De Vidûshaka slaat weerom.
Zij slaan elkander. Uit den gordel van den Vidûshaka vallen de
sieraden.)
Koningszwager (ze grijpend en beziende, verbaasd).
Ziet toch, Edelen, dit zijn immers de sieraden der ongelukkige. (Op
Cârudatta wijzend.) Om dit beetje geld is ze gedood en omgebracht.
(De rechters blijven allen met het hoofd naar omlaag gewend.)
Cârudatta (zacht tot den Vidûshaka).
Deze menigte sieraden,
op zoodanigen tijd gezien,
Door vijandschap van ons Noodlot
gevallen, brengen ons ten val.
Vidûshaka.
Maar waarom vertelt ge niet, hoe de zaak zich heeft toegedragen?
Cârudatta.
Vriend!
Zwak is het oog van den heerscher,
de werk’lijkheid aanschouwt het niet,
Wie slechts van armoe kan spreken,
hem wacht een schandelijke dood.†
Rechter.
Helaas, helaas!
Wijl, met Angâraka strijdend,
Bṛhaspati is uitgeput,*
Is die planeet nog daarnevens
verrezen, een komeet gelijk.
Gildemeester en Griffier (tot de moeder van Vasantasenâ).
UEd. bezie dit goudkistje eens opmerkzaam, of het hetzelfde is of niet.
Oude (het beziende).
Het is gelijkend, maar niet hetzelfde.
Koningszwager.
O oude koppelaarster, met de oogen hebt gij het gezegd en met de stem
verzwegen.
Oude.
Nietswaardige, ga heen.
Gildemeester en Griffier.
Spreek niet lichtvaardig; is het hetzelfde of niet?
Oude.
Edele, door des kunstenaars bekwaamheid boeit het het oog, toch is het
niet hetzelfde.
Rechter.
Mijn waarde, kent ge deze sieraden?
Oude.
Ik zeg het immers. Neen, neen, ik heb het niet herkend†, maar mogelijk
is het door een kunstenaar nagemaakt.
Rechter.
Zie, gildemeester!
Wel komen immers overeen onderscheiden zaken
In vorm en kunstige gesteldheid, het sieraad eigen.
Want ’t maaksel ziende, imiteert het het gild der kunst’naars
En ziet, door vaardigheid der handen, men overeenkomst.
Gildemeester en Griffier.
Zijn die sieraden van den edelen Cârudatta?
Cârudatta.
Neen, neen.
Gildemeester en Griffier.
Van wien dan?
Cârudatta.
Van de dochter dezer achtenswaardige.
Gildemeester en Griffier.
Hoe zijn ze van haar afgeraakt?
Cârudatta.
Zoo is het gebeurd, ja, dat is het.
Gildemeester en Griffier.
Edele Cârudatta, ge moet nu waarheid spreken. Zie, zie:
Door waarheid toch wordt heil verworven,
die waarheid spreekt, valt niet in zonde;
Waarheid—het zijn maar twee syllaben;
verheel niet waarheid door bedrog!
Cârudatta.
De sieraden als sieraden ken ik niet; maar wel weet ik, dat ze uit ons
huis hier zijn gebracht.
Koningszwager.
Eerst hebt gij haar in het park gevoerd en gedood en thans verheelt gij
het, daar gij een aartsbedrieger zijt.
Rechter.
Edele Cârudatta, gij moet de waarheid spreken.
Thans zullen harde zweepslagen
op dit uw lichaam, al te teer,
Vrijelijk vallen, zóó vallen
de wenschen tevens van ons hart.
Cârudatta.
In een geslacht van onschuld’gen
geboren, vindt m’ in mij geen schuld;
Maar indien schuld ondersteld wordt,
wat baat, dat ik onschuldig ben?
(Bij zich zelf.) En het is mij niet te doen om het leven, nu ik van
Vasantasenâ ben gescheiden. (Luid.) Welnu, waartoe vele woorden!
Door mij is immers, boosaard’ge,
die van geen wereld-tweetal weet,
Een vrouw of Rati, om ’t even†—
de rest zal deze doen verstaan.
Koningszwager.
Omgebracht; komaan, zeg gij ook: „Omgebracht”.
Cârudatta.
Door U is het gezegd.
Koningszwager.
Luistert, luistert, hooge heeren, door dezen is zij omgebracht. Moet nu
niet, daar hierdoor alle twijfel is afgesneden, deze schamele Cârudatta
aan den lijve worden gestraft?
Rechter.
Bode, het is, gelijk des konings zwager gezegd heeft. Hé, wachters,
grijpt dien Cârudatta. (De wachters grijpen hem.)
Oude.
Weest genadig, weest genadig, Edelachtbaren! Die man, die daar een
goudkistje enz. (Herhaalt het vroeger gezegde.) Al is dan mijn meisje
omgebracht, toch wensch ik hem een lang leven. En nog dit: Het geding
loopt tusschen klager en beklaagde. Ik ben de aanklaagster†, laat hem
dus vrij.
Koningszwager.
Ga heen, slavinnendochter, ga heen; wat hebt ge met hem noodig?
Rechter.
Edele, gij moet gaan. Hé, wachters, voert haar naar buiten.
Oude.