Darduraka.
Hé, wat is dat daarvóór? (In de ruimte.) Wat zeide U? Die speler wordt
door den bankhouder mishandeld en niemand bevrijdt hem! Dan zal Dardura
hier hem bevrijden. (Toeloopend.) Ruimte, ruimte! (Hem ziende.) Wel
kijk, daar is Mâthura, de schelm! En die ongelukkige wrijfmeester,
Die niet den ganschen dag hangt, roerloos, met gebogen hoofd,
Wiens rug niet door aanhoudend slaag en steenen is vereelt,
Wiens been ook niet gedurig door de honden wordt geknauwd,
Hoe komt hij, slank en teeder, aan die neiging tot het spel?
Komaan, ik zal Mâthura eens vriendelijk toespreken. (Tot hem gaande.)
Mâthura, ik groet U.
Mâthura.
Ik groet U insgelijks.
Darduraka.
Wat is er aan de hand?
Mâthura.
Deze man is tien suvarna’s schuldig.
Darduraka.
Maar dat is immers een kleinigheid.
Mâthura (het in Darduraka’s okselholte tot een bal samengewrongen
overkleed te voorschijn halend).
Heeren, ziet eens aan, ziet eens aan! Deze man, die zulk een versleten
kleed draagt, noemt tien suvarna’s een kleinigheid!
Darduraka.
Wel, dwaas, betaal ik geen tien suvarna’s, wanneer ik Kata* werp? Moet
dan iemand, die geld heeft, dat op zijn borst dragen, om het aan ieder
te toonen. O!
Ellendeling! verworpeling!
daar, om slechts tien suvarna’s goud,
Een man, voorzien van vijf zinnen,
door U te gronde wordt gericht.
Mâthura.
Heer, voor U zijn tien suvarna’s een kleinigheid, voor mij is het een
kapitaal.
Darduraka.
Welnu, luister, geef hem dan nog eens tien suvarna’s, dan kan hij weer
spelen.
Mâthura.
En wat moet er dan gebeuren?
Darduraka.
Wanneer hij wint, dan zal hij betalen.
Mâthura.
Maar wanneer hij niet wint?
Darduraka.
Dan zal hij niet betalen.
Mâthura.
Kom, praten dient tot niets. Verschaf jij dan het bedrag, schelm. Ook
ik, Mâthura, ben een schelm en speel valsch† en ik vrees ook geen
ander. Schelm, je staat slecht bekend.
Darduraka.
Wel, wie staat er slecht bekend?
Mâthura.
Jij staat slecht bekend.
Darduraka.
Jouw vader staat slecht bekend. (Geeft den wrijfmeester een wenk, om
weg te loopen.)
Mâthura.