Koningszwager.
Voor eigen veiligheid is de Meester uit het gezicht verdwenen en den
slaaf zal ik op den omgang van den toren van mijn paleis, met ketenen
beladen, vastleggen. Zoo blijft het geheim bewaard. Dan ga ik, maar
neen, ik wil zien, of zij dood is, of dat ik haar nog eens moet dooden.
(Haar beziende.) Wel, ze is goed-dood. Kom, met dezen mantel bedek ik
haar. Maar neen, hij is met mijn naam gemerkt; dus zou een of ander
edel man hem herkennen. Kom, met dezen door den wervelwind verzamelden
hoop dorre blaren bedek ik haar. (Doet aldus en denkt na.) Komaan dan
nu. Thans ga ik naar het gerecht en doe een aanklacht opschrijven: dat
om haar geld Vasantasenâ door den veemheerszoon Cârudatta in mijn oude
park Pushpakarandaka is gevoerd en omgebracht.
Nieuw bedrog ga ik volvoeren tot Cârudatta’s ondergang,
Even verschrik’lijk als ’t dooden van rund’ren* in een reine stad.
Kom, ik ga. (Terwijl hij het tooneel wil verlaten, den bedelmonnik
ziende, bevreesd.) O wee, welken weg ik ook ga, steeds komt die
verwenschte bedelmonnik daarlangs, met zijn in rood vocht gedoopte pij.
Deze, dien ik mij tot vijand heb gemaakt, daar ik hem aan den neusriem
voerde, zal mogelijk, wanneer hij mij ziet, aan het licht brengen, dat
zij door mij is gedood; hoe kom ik dan vanhier? (Rondziende.) Kom, over
dit half-ingestorte stuk van den muur zal ik heenklimmen.
Zoo snel ik vliegensvlug door ’t luchtruim naar de Lankâ-stad,
Gelijk door aard’ en hel Mahendra op Hanûmanspits.* (Af.)
Bedelmonnik (opkomend, zonder het gordijn weg te schuiven).
Ik heb dit stuk pij uitgewasschen; zal ik ze nu aan een tak drogen? Dan
zullen de apen ze weghalen. Of op den grond? Dan zal ze vuil worden
door het stof. Waar zal ik ze dan uitspreiden, om ze te drogen?
(Rondziende.) Wel, hier op dezen door den wervelwind verzamelden hoop
dorre blaren zal ik ze uitspreiden. (Doet aldus.) Eere den Buddha! (Zet
zich neder.) Kom, ik zal de woorden der Wet opzeggen. (Herhaalt: „Door
wien het stammenvijftal” enz.) Maar neen, genoeg mij van dien hemel,
zoolang ik die Dienstmaagd van den Buddha geen vergelding doe, die mij
om tien suvarna’s van de spelers heeft losgekocht; sedert dat oogenblik
beschouw ik mij zelf als door haar gekocht. (Ziende.) Wat zucht daar
onder de blaren? Maar neen!
Door wind en zonnegloed verhit, door ’t water van de pij bevocht,
Trillen, dunkt mij, die blaren, als vleugels met gespreide veer.†
(Vasantasenâ, tot bewustzijn gekomen, vertoont haar hand.) Wel zie, er
komt een vrouwenhand te voorschijn, met schoone sieraden getooid. Hoe,
een tweede hand! (Ze nauwkeurig beschouwend.) Ik meen die hand te
herkennen. Maar wat bedenk ik mij! Waarlijk, het is dezelfde hand, door
welke mij veiligheid is verleend. Kom, ik wil zien. (Doet of hij haar
onthult, ziet en herkent.) Zij is het, de Dienstmaagd van den Buddha!
(Vasantasenâ verlangt te drinken.) Hoe, zij vraagt water. En de vijver
is verre. Wat zal ik nu doen? Wel, ik zal deze pij boven haar
uitwringen. (Doet aldus. Vasantasenâ, tot bewustzijn gekomen, richt
zich op. De bedelmonnik waait haar met een slip van zijn kleed.)
Vasantasenâ.
Edele, wie zijt gij?
Bedelmonnik.
Hoe, de Dienstmaagd van den Buddha herinnert zich mijner niet, dien zij
voor tien suvarna’s heeft losgekocht?
Vasantasenâ.
Ik herinner mij U, maar niet wat UEd. zegt; ik ware beter gestorven!
Bedelmonnik.
Dienstmaagd van den Buddha, wat is dat?
Vasantasenâ (moedeloos).
Wat past bij het wezen van den hetaeren-stand.
Bedelmonnik.
Sta op, sta op, Dienstmaagd van den Buddha. Houd U vast aan deze nabij
den boom ontsproten liane. (Buigt de liane neder; Vasantasenâ grijpt
haar en staat op.) In dit klooster woont mijne zuster in het geloof.
Wanneer daar uw gemoed is verkwikt, zal de Dienstmaagd van den Buddha
naar huis terugkeeren. Ga dan zachtjes, zachtjes, Dienstmaagd van den
Buddha. (Beiden gaan het tooneel rond; rondziende.) Gaat op zij,
Edelen, gaat op zij; dit is een jonge vrouw, dit is een bedelmonnik.
Rein is dit mijn geloof. Die de hand bedwingt, den mond bedwingt, de
zinnen bedwingt, dat is eerst een mensch; wat doet hem een koninklijk
paleis; die het hiernamaals in de hand heeft, is onwankelbaar.†
Aldus in „Het leemen Wagentje”
het achtste Bedrijf,
„Vasantasenâ’s
Verworging”
genaamd.