Wel, domme Brahmanenjongen, ge moet de onderdeelen omkeeren.†

Vidûshaka (de voeten omkeerend).

Senâvasanta.

Slaaf.

Ach, domkop, de onderdeelen van het woord moet ge omkeeren.

Vidûshaka (denkt na).

Vasantasenâ.

Slaaf.

Die is hier gekomen.

Vidûshaka.

Dat zal ik aan Cârudatta berichten. (Tot hem gaande.) Zeg, Cârudatta,

er is een schuldeischer voor U gekomen.

Cârudatta.

Hoe komt er in ons huis een schuldeischer?

Vidûshaka.

Al is hij niet in huis, hij staat toch aan de deur. Vasantasenâ is

hierheen gekomen.

Cârudatta.

Vriend, wat misleidt ge mij?

Vidûshaka.

Indien ge mijn woord niet gelooft, vraag dan dien Kumbhîlaka. Hé,

slavinnenzoon, Kumbhîlaka, kom eens hier.

Slaaf (naderkomend).

Edele, ik groet U.

Cârudatta.

Mijn waarde, welkom, zeg de waarheid, is Vasantasenâ aangekomen?

Slaaf.

Zij is hierheen gekomen, Vasantasenâ.

Cârudatta.

Mijn waarde, nooit heb ik een blijde tijding onbeloond gelaten, neem

dus dit bewijs van mijn tevredenheid. (Reikt hem zijn overkleed.)

Slaaf (neemt het en maakt een buiging, voldaan).

Het leemen wagentje: Indisch tooneelspel uit Sanskṛt en Prākṛt in het Nederlandsch vertaald · 第 75 / 131 题